CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

T20.15405 bespreekpunt participatie bij ruimtelijke ontwikkelingen

Commissie Ruimte 12 januari 2021, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Participatie bij ruimtelijke ontwikkelingen (CU, VVD en D66) Afwijkende spreektijden: 5 min eerste termijn, 3 min tweede termijn.1.558 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

AGENDEREN BESPREEKPUNT COMMISSIE Registratienummer : (In te vullen door de raadsgriffie)

T20.15405

De commissie Ruimte in vergadering bijeen d.d. 12 januari 2021

Onderwerp: Participatie bij ruimtelijke ontwikkelingen

Reden om onderwerp op agenda te plaatsen: De afgelopen periode is er rondom participatie van omwonenden bij particuliere ruimtelijke ontwikkelingsprojecten veel discussie geweest. Voorbeelden zijn discussies rondom woningbouw Driehoek Noordpolder, Villa de Lans en herontwikkeling locatie Treurniet. Wie is verantwoordelijk voor de participatie? Wanneer vinden we dat er voldoende participatie heeft plaatsgevonden? Zijn er kaders voor deze participatie? Met dit bespreekpunt hopen we antwoord te krijgen op deze vragen om zo te komen tot een gedragen kader hoe participatie bij ruimtelijke ontwikkelingen vorm gegeven moet worden. Dit met als doel: - Bij de aanvraag controleren of aan de aanvraagvereisten voor participatie is voldaan (=proces) - Het resultaat van de participatie meewegen in de integrale afweging op het besluit (=inhoud). Rond de verschillende discussies bij ruimtelijke ordeningstrajecten speelden er meer discussies. Deze moet ook zeker aan bod komen, hiervoor worden separate bespreekpunten voorbereid. Zie ook bijlage met achtergrondinformatie. Vragen aan de commissie 1. Is het opstellen van duidelijke kaders voor participatie bij ruimtelijke ontwikkelingen noodzakelijk? 2. Is er een verschil in een participatietraject voor grote of kleine plannen? Plannen met veel of weinig impact op de omgeving? 3.

Wanneer in het proces moeten omwonenden/betrokkenen worden geïnformeerd? 4. Moet de raad worden geïnformeerd over de voortgang van de participatie? En zo ja wanneer in het proces? En zo ja, op welke wijze moet de raad geïnformeerd worden? 5. Mogen plannen naar de commissie/raad als het participatietraject aantoonbaar niet goed is doorlopen? 6. Wie neemt de regie bij particuliere trajecten? De gemeente of de initiatiefnemer? 7. Is de gewenste route dat het college op basis van deze discussie komt met een participatieverordening in het kader van de omgevingswet. Zo nee waar moet deze discussie dan in landen? Ondertekening en naam, Michiel Muis, D66 Matthijs Machielse, VVD Kees-Willem Markus, ChristenUnie

Bijlage Achtergrondinformatie Huidig beleid Op dit moment zijn er geen kaders opgesteld vanuit de gemeente waaraan particuliere ontwikkelaars moeten voldoen bij participatie. Uit navraag bij de ambtelijke organisatie blijkt dat dit maatwerk is afhankelijk van het project.

Link met aangenomen moties 1. Met de motie ‘De raad stelt de kaders’ (d.d. 29 november 2018, M2018-31) is afgesproken dat het college de raad bij een ontwikkelingsgericht plan in een vroeg stadium actief betrekt bij de ontwikkeling. Deze motie is niet datgene wat we in dit bespreekpunt willen bespreken. Dit moet wellicht in een apart bespreekpunt terugkomen en is ook onderdeel van het project Kracht van de Raad. College heeft n.a.v. deze motie op 24 april 2019 een brief gestuurd. 2. Met de motie ‘aanbevelingen rekenkamer over burgerparticipatie (M2019-032) wordt opgeroepen dat “het college en de raad gezamenlijk komen tot een visie op burgerparticipatie en deze uit te werken tot een nieuwe nota burgerparticipatie”. Afdoening van de motie ‘burgerparticipatie’ en het daarvoor organiseren van een beeldvorming is door de coronaperiode verschoven naar 10 februari 2021. Dit bespreekpunt is een onderdeel van de burgerparticipatie.

Relatie met omgevingswet: Participatie is een belangrijke pijler onder de Omgevingswet. Overheden maar ook initiatiefnemers zelf moeten draagvlak organiseren. Het is aan de raad om het draagvlak te toetsen. De raad kan hierover procesafspraken maken per ontwikkeling of algemene (participatie)kaders meegeven aan het college. Bevoegd gezag Participatie maakt een groot onderdeel uit van de Omgevingswet (ingangsdatum 1-1-2022. In de Omgevingswet is een en ander opgenomen over participatie en wat het bevoegd gezag moet doen bij bijvoorbeeld omgevingsvisie (motiveringsplicht), omgevingsplan (kennisgeving voornemen en motiveringsplicht) en projectbesluiten (Kennisgeving voornemen – kennisgeving participatie – motiveringsplicht). De vorm is vrij! Particulier initiatief Bij particulier initiatief is de vorm ook vrij en worden er geen eisen aan gesteld. De initiatiefnemer kan daar zelf invulling aan geven én het is geen verplichting voor het al dan niet verkrijgen van de vergunning. Dit betekent dat bij de aanvraag de initiatiefnemer bijvoorbeeld kan invullen dat hij geen participatie heeft uitgevoerd. Deze informatie/berichtgeving van de aanvrager van de vergunning kan voor het bevoegd gezag op zich geen grond voor weigering van die vergunning zijn. Het bevoegd gezag blijft dus verantwoordelijk voor het nemen van het besluit over het al dan niet verlenen van de vergunning.

De informatie over het uitvoeren van participatie kan het bevoegd gezag wel meenemen in het besluit, zoals nu ook al het geval is. Er kan bijvoorbeeld een afweging worden gemaakt om (aanvullende) participatie te (laten) organiseren als bijvoorbeeld de verwachting is dat er weerstand in de buurt ontstaat. 1) Maar ook Motie Nooren Motie Nooren: de strekking van de motie: ‘De gemeente moet zelf zorgen voor participatie bij haar visieen planvorming, ze moet spelregels opstellen voor initiatiefnemers en aangeven welke participatievorm zij verwacht en erop toezien dat participatie goed wordt vormgegeven. De particuliere initiatiefnemer moet het voortouw nemen op de wijze waarop de gemeente participatie voorschrijft.’ ‘Het oordeel of er voldoende is gedaan, ligt bij de gemeente. Van belang is dat belanghebbenden aan de voorkant bij een initiatief worden betrokken, niet als de vergunning aan de projectontwikkelaar al is verstrekt. Een gemeente die een private partij moet terugfluiten, omdat er onvoldoende aan participatie is gedaan, is te laat, zeker als er dan al een geschil met de buren is. Probeer de plooien dan maar eens glad te strijken.’ Sinds de motie-Nooren is aangenomen, is de motiveringsplicht uitgebreid. De gemeenten zullen namelijk ook moeten aangeven op welke wijze invulling is gegeven aan hun eigen participatiebeleid.

De motie roept decentrale overheden dus op om eigen participatiebeleid op te stellen. Zij mogen zelf bepalen hoe zij hun participatiebeleid vormgeven. Zij kunnen daarin hun visie op participatie en uitgangspunten

opnemen. Bijvoorbeeld over de toegankelijkheid, de representativiteit, de betrokkenheid van ondervertegenwoordigde groepen, de eigen rol en hoe het participatieresultaat wordt meegewogen in het uiteindelijke plan. Op deze manier is voor alle betrokkenen inzichtelijk hoe zij kunnen meedenken en meedoen. Samengevat, de motiveringsplicht wijzigt door de motie Nooren als volgt: de overheid moet bij vaststelling van bepaalde plannen aangeven wie zij hierbij betrokken heeft, wat de uitkomsten hiervan zijn en hoe ze invulling heeft gegeven aan haar participatiebeleid. 2) Maar ook lijst van uitzonderingen De gemeenteraad krijgt de mogelijkheid om gevallen aan te wijzen waar participatie wel verplicht is. Let wel, dat kunnen alleen buitenplanse omgevingsplanactiviteiten zijn. Dus dat zijn activiteiten waarvan in het omgevingsplan is aangegeven, ‘deze activiteiten willen we niet toelaten’. En dat geldt uiteraard alleen wanneer het college van B en W bevoegd gezag is. Voor die gevallen, zal de aanvrager wél moeten aangeven wat die aan participatie heeft gedaan en wat hij met de resultaten heeft gedaan. Dus in die gevallen is 'nee' op het uitvoeren van participatie geen antwoord. 3) Maar ook meer bevoegdheden college bij omgevingsvergunningen en bindend adviesrecht raad. Het college van B&W is straks het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning.

Met de omgevingsvisie en het omgevingsplan legt de raad de doelen vast en stuurt op de realisatie hiervan, zoals gebruikelijk is binnen een gemeente. Over initiatieven en (bouw)plannen die passen binnen het omgevingsplan, maar waarvoor een vergunning is vereist, geeft het college van B&W eenvoudig en snel uitsluitsel. Onder de huidige wetgeving kan het college van B&W uitsluitend een omgevingsvergunning voor een initiatief of (bouw)plan dat in strijd is met het bestemmingsplan verlenen met instemming van de gemeenteraad. Daarover besluit de raad met een zogenoemde ‘verklaring van geen bedenkingen’. Daarvoor in de plaats komt met de inwerkingtreding van de Omgevingswet een verzwaard, bindend adviesrecht voor de gemeenteraad. Het college van B&W mag daar niet van afwijken. De gemeenteraad moet - vóórdat de Omgevingswet in 2022 van kracht wordt - een besluit nemen over de gevallen waarin hij advies wil geven. Regelt de gemeenteraad niets, dan hoeft B&W niet naar de raad voor activiteiten die in strijd zijn met het omgevingsplan.

Conclusie Participatie is een belangrijk onderdeel van de omgevingswet. In het kader van deze wet moet er dus een participatieverordening opgesteld worden en uitgewerkt in participatiebeleid. De discussie op basis van dit bespreekpunt is dus belangrijke input voor deze verordening die opgesteld moet worden. En dit is weer in lijn met de aangenomen motie ‘aanbevelingen rekenkamer over burgerparticipatie’. Deze participatieverordening in het kader van de omgevingswet en de uitwerking daarvan kan uiteraard een prima onderdeel zijn van de nota Burgerparticipatie.

Goede participatie Goede participatie borgt dat het bestuur zich rekenschap geeft van alle belangen en gevoelens die er leven, en daarmee dus ook rekening kan houden. Dit kan onder inwoners een grotere mate van tevredenheid opleveren over de wijze waarop het bestuur zijn rol invult. Een bestuur dat participatie niet invult als ‘moetje’, maar participatie vormgeeft naar de bedoeling. Dat sluit natuurlijk niet uit dat inwoners ontevreden kunnen zijn met de uitkomst van een goed participatieproces. De ervaring leert dat zij dan die uitkomst wel vaker accepteren. Goede participatie heeft niet als eerste doel absoluut draagvlak te realiseren, of bezwaar en beroep te voorkomen. Het bestuur heeft de taak alle (en vaak tegenstrijdige) maatschappelijke en particuliere belangen te wegen en te komen tot een weloverwogen en gemotiveerd besluit. Dat hoeft en kan niet altijd leiden tot een besluit waarmee iedereen het eens is. Goede participatie zal zich uiteindelijk in de praktijk moeten bewijzen, en is behalve van goede spelregels en procedures ook afhankelijk van de manier waarop mensen hieraan invulling geven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=3d770eab-8f11-470a-b739-aa0aa187de02