T20.14184 Vast te stellen bestemmingsplan "Noordeindsdweg 380 b en c"
Tekst van het document
Gemeente Lansingerland Bestemmingsplan “Noordeindseweg 380 b en c”
28 januari 2021
Vaststelling
Gemeente Lansingerland Bestemmingsplan “Noordeindseweg 380 b en c”
Vaststelling
INHOUD: -
TOELICHTING PLANREGELS VERBEELDING
Identificatiecode: NL. IMRO.1621.BP0209-VAST Werknummer KuiperCompagnons: 619.161.30 Datum: 28 januari 2021
KuiperCompagnons
Gemeente Lansingerland Team Omgevingsrecht
Concept Voorontwerp Inspraak en Vooroverleg Ontwerp Terinzagelegging Vaststelling
Procedureoverzicht datum document 27 januari 2020 13 maart 2020 20 maart 2020 t/m 24 april 2020 7 september 2020 24 september t/m 4 oktober 2020 28 januari 2021
Projectleider gemeente: Projectleider KuiperCompagnons:
Dhr. Tineke Belder Dhr. Rogier Begheyn
Opmerkingen
TOELICHTING
Inhoudsopgave van de toelichting 1
Inleiding
1
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Aanleiding en doel van het plan Bij het plan behorende stukken Ligging en begrenzing plangebied Voorgaand bestemmingsplan Leeswijzer
1 1 1 1 2
2
Planbeschrijving
3
2.1 2.2 2.3
Bestaande situatie Ruimtelijke ontwikkeling Juridische aspecten
3 3 5
3
Beleidskader
7
3.1 3.2 3.3 3.4
Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid Conclusies
7 7 7 12
4
Natuur en landschap
13
4.1 4.2 4.3
Kader Onderzoek Conclusie
13 14 16
5
Water
17
5.1 5.2 5.3
Kader Onderzoek Conclusie
17 20 22
6
Archeologie en cultuurhistorie
23
6.1 6.2.
Archeologie Cultuurhistorie
23 24
7
Milieu
27
7.1 7.2 7.3 7.4. 7.5 7.6 7.7 7.8 7.9
Algemeen M.e.r.-beoordeling Bodemkwaliteit Akoestische aspecten Luchtkwaliteit Milieuzonering Externe veiligheid Overige belemmeringen Duurzaamheid
27 27 27 28 28 30 30 32 33
8
Uitvoerbaarheid
34
8.1 8.2 8.3
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid Handhavingsaspecten
34 34 34
9
Procedure
36
9.1 9.2
Voorbereidingsfase Ontwerpfase
36 36
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5:
Bijlage 6: Bijlage 7: Bijlage 8:
Inrichtingsplan showroom Maat caravans te Berkel en Rodenrijs, Architectenstudio.NL, 10 september 2019 Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling bestemmingsplan “Noordeindseweg 380 b en c”, KuiperCompagnons, 13 maart 2020 Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen Bouwlocatie Noordeindseweg 380b, Berkel en Rodenrijs, SOB research, 2006 Notitie Stikstofdepositie-onderzoek bestemmingsplan "Noordeindseweg 380 b en c", KuiperCompagnons, 25 februari 2020 Quickscan flora en fauna i.h.k.v. sloop- en bouwwerkzaamheden caravandealer Noordeindseweg te Berkel en Roderijs, Natuur-Wetenschappelijk Centrum, januari 2020 Nota vooroverleg en staat van wijzigingen bestemmingsplan “Noordeindseweg 380 b + c”, gemeente Lansingerland, 24 augustus 2020 M.e.r.-beoordelingsbesluit bestemmingsplan "Noordeindseweg 380 b+c", gemeente Lansingerland, 7 september 2020 Staat van wijzigingen bestemmingsplan “Noordeindseweg 380 b en c”, gemeente Lansingerland, 28 januari 2021
Afbeelding 1.1: Globale ligging en begrenzing plangebied
1
1
Inleiding
1.1
Aanleiding en doel van het plan De wens bestaat om op het perceel Noordeindseweg 380 b en c te Berkel en Rodenrijs een caravanshowroom te realiseren. Momenteel zijn in het plangebied twee loodsen aanwezig welke in het vigerende bestemmingsplan “Lint Noord” een bedrijfsbestemming met twee bouwvlakken kennen. In één van de loodsen is momenteel ook al een caravanshowroom aanwezig. De toekomstige caravanshowroom is voor een (groot) deel buiten de huidige bouwvlakken voorzien. Omdat binnenplans geen mogelijkheden tot afwijking bestaan en de wijzigingsbevoegdheid in het vigerende plan niet toeziet op de geplande verruiming van de bouwvlak dient een nieuw bestemmingsplan te worden opgesteld.
1.2
Bij het plan behorende stukken Het bestemmingsplan “Noordeindseweg 380 b en c” bestaat uit bestemmingen en regels. De bestemming van de gronden is geometrisch bepaald1 door middel van lijnen, coderingen en arceringen. In de bestemmingen zijn regels ten aanzien van het bouwen en het gebruik opgenomen. Het plan gaat vergezeld van deze toelichting. In de toelichting worden de keuzes die zijn gemaakt bij het opstellen van de geometrische plaatsbepaling en de regels verantwoord en verduidelijkt. Vervolgens wordt hierin de uitvoerbaarheid van het plan aangetoond.
1.3
Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen aan het bebouwingslint Noordeindseweg, ten noorden van de kern Berkel en Rodenrijs. Globaal wordt het plangebied begrensd door: Een grasweide de noordzijde; Het perceel van Noordeindseweg 386a en een grasweide aan de oostzijde; Een bestaand kantoor/werkplaats, twee woningen (Noordeindseweg 380 en 380a) en een loods ten westen; De percelen Noordeindseweg 376 en 378 aan de zuidzijde. Afbeelding 1.1 geeft de globale ligging en begrenzing van het plangebied weer.
1.4
Voorgaand bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied vigeert, totdat het voorliggende bestemmingsplan in werking treedt, het bestemmingsplan “Lint Noord”, dat op 27 juni 2013 door de gemeenteraad van Lansingerland is vastgesteld. Op grond van het vigerende bestemmingsplan kent het volledige plangebied de bestemming ‘Bedrijf’ met een functieaanduiding ‘detailhandel perifeer’ waardoor het op deze gronden is toegestaan om caravans te stallen. Daarnaast is op het plangebied de gebiedsaanduiding ‘Wrozone - wijzigingsgebied 7’ gelegen. Hierdoor kunnen binnen de bestemming 'Bedrijf' de bouwvlakken worden verplaatst en/of verruimd en/of de bestemming 'Bedrijf' worden gewijzigd in de bestemmingen 'Water' en/of 'Groen'.
1
Geografische coördinaten volgens het Rijksdriehoekstelsel bepalen de ligging van een bestemming. Met gebruikmaking van de coördinaten kan exact de plaats van een object in een gebied worden bepaald.
Bestemmingsplan “Noordeindseweg 380 b en c” Toelichting Vaststelling, 28 januari 2021
2
Afbeelding 1.2: uitsnede vigerend bestemmingsplan ‘Oosteindsepolder en Warmoeziersweg’ (het plangebied is rood omkaderd).
Strijdigheid met het bestemmingsplan “Lint Noord” Het gewenste pand valt grotendeels buiten het bouwvlak. Ook past de omvang van het gewenste pand niet binnen de mogelijkheden van de wijzigingsbevoegdheden. Het pand wordt groter dan de toegestane 600 m2. Om deze reden wordt er een nieuw bestemmingsplan opgesteld om de gewenste ontwikkeling alsnog mogelijk te maken. 1.5
Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van de beoogde ontwikkeling gegeven en wordt ingegaan op de bestaande situatie. Ook wordt de wijze van bestemmen nader toegelicht. Vervolgens wordt de beoogde ontwikkeling in hoofdstuk 3 getoetst aan het beleid van het Rijk, provincie en de gemeente Lansingerland. In de hoofdstukken 4, 5 en 6 wordt achtereenvolgens ingegaan op de aspecten ‘Natuur en landschap’, ‘Water’ en ‘Archeologie en cultuurhistorie’. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op diverse sectorale milieuaspecten. In hoofdstuk 8 wordt ingegaan op de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan. In hoofdstuk 9 wordt tot slot de bestemmingsplanprocedure beschreven.
Bestemmingsplan “Noordeindseweg 380 b en c” Toelichting Vaststelling, 28 januari 2021
3
2
Planbeschrijving
2.1
Bestaande situatie Momenteel zijn in het plangebied twee loodsen aanwezig welke in het vigerende bestemmingsplan een bedrijfsbestemming met twee bouwvlakken kennen. In en rondom deze loodsen worden caravans gestald. Eén loods wordt momenteel gebruikt als caravanshowroom. In afbeelding 2.1 is een luchtfoto van de bestaande situatie weergegeven.
Afbeelding 2.1: luchtfoto van de bestaande situatie (het plangebied is wit omkaderd).
2.2
Ruimtelijke ontwikkeling
2.2.1 Programma Dit bestemmingsplan biedt een ruimtelijk kader voor de toekomstige inrichting van het perceel. De twee bestaande loodsen worden gesloopt en hiervoor komt één grote pand terug. Op het nieuwe pand worden zonnepanelen gelegd en de bestaande betonklinkers en betonplaten worden vervangen door waterdoorlatende bestrating rondom het nieuwe pand (zie bijlage 1). In afbeelding 2.2 is een impressie van de gewenste toekomstige situatie weergegeven.
Bestemmingsplan “Noordeindseweg 380 b en c” Toelichting Vaststelling, 28 januari 2021
4
Afbeelding 2.2: impressie van de gewenste toekomstige situatie.
2.2.2 Ruimtelijke inpassing De omgeving van het plangebied bestaat voornamelijk uit grote loodsen en kassen. Tevens zijn aan de Noordeindseweg diverse caravanstallingen en autobedrijven gevestigd. De voorgenomen ontwikkeling past hierbinnen. 2.2.3 Ontsluiting en parkeren Ontsluiting Op dit moment worden de caravans voornamelijk op het buitenterrein tentoongesteld (zie afbeelding 2.1). In de toekomstige situatie zal het merendeel hiervan naar de nieuwe showroom verplaatst worden. Hierdoor neem het bedrijfsvloeroppervlak van het bedrijf niet toe. De voorgenomen ontwikkeling maakt de herstructurering op het perceel mogelijk en de bedrijfsactiviteiten zullen niet zodanig toenemen dat sprake is van een significante verkeerstoename. De ontsluiting van het bedrijf vindt ook in de toekomstige situatie plaats via de Noordeindseweg. De bestaande inrit blijft bestaan. Een mobiliteitsonderzoek is dan ook niet nodig. Parkeren In de huidige situatie wordt het parkeren op eigen terrein opgelost. Ook in de toekomstige situatie wordt het parkeren op eigen terrein opgelost. Het plangebied ligt in een matig stedelijk gebied. Een werkplaats heeft een parkeernorm van 2,4 per 100 m2 bvo in de rest bebouwde kom. De werkplaats heeft een bruto vloeroppervlakte van circa 335 m2. Er zijn dus voor de werkplaats (3,35 x 2,4) 8 parkeerplaatsen.
Doordat de caravanshowroom niet alleen in de te bouwen (in twee lagen) showroom caravans showt, maar ook op het terrein buiten moet óók de oppervlakte van het buitenterrein worden meegenomen. Het gebouw heeft een bvo van 1.200 m2. Het overig terrein heeft een oppervlakte van circa 1.114 m2. Bij elkaar opgeteld dus in totaal circa 3.460 m2 aan showroom oppervlakte. Volgens (oude uitgaven van, publicatie 182 uit 2003) het CROW wordt een showroom geschaard onder arbeidsextensief/bezoekersintensief. De combinatie extensief/intensief bestaat niet meer in de CROW-normering, dus wordt arbeidsextensief/bezoekersextensief aangehouden. Deze heeft een parkeernorm van 1,1 parkeerplaats per 100 m2. De benodigde parkeerplaatsen voor de caravanshowroom komt neer op (34,60 m2 x 1,1) 38 parkeerplaatsen.
Bestemmingsplan “Noordeindseweg 380 b en c” Toelichting Vaststelling, 28 januari 2021
5
In totaal zijn er dus (8+38) 46 parkeerplaten benodigd. Deze worden op eigen terrein gerealiseerd (zie afbeelding 2.3).
Afbeelding 2.3: inrichtingsplan met parkeerplaatsen in rood aangegeven..
2.3
Juridische aspecten
2.3.1 Inleiding Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld conform de gemeentelijke standaard, met inachtneming van de bepalingen die zijn opgenomen in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro), zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012) en het coderingssysteem Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de regels en verbeelding van voorliggend plan zijn opgebouwd. 2.3.2 Bestemmingsmethodiek Het uitgangspunt voor dit bestemmingsplan is dat de wenselijke, illegale activiteiten worden gelegaliseerd en geordend. Daarnaast worden de onwenselijke, illegale activiteiten gesaneerd. Voor de gronden waarvan het gebruik niet wijzigt, wordt zoveel mogelijk aangesloten op het vigerende bestemmingsplan. Het bestemmingsplan heeft als doel om de toekomstige situatie zo concreet mogelijk vast te leggen en weinig ruimte te laten voor een flexibele invulling of interpretatie. Dit om te voorkomen dat wederom een ongewenste situatie ontstaat. Voor de juridische regeling is aangesloten op het vigerende plan en het handboek van de gemeente Lansingerland, aangevuld met specifieke regelingen. Bij de opzet van het plan is gekozen voor de eindbestemming ‘Bedrijf’.
Bestemmingsplan “Noordeindseweg 380 b en c” Toelichting Vaststelling, 28 januari 2021
6
2.3.3 Regels De regels bestaan uit vier hoofdstukken: • Inleidende regels (hoofdstuk 1) • Bestemmingsregels (hoofdstuk 2) • Algemene regels (hoofdstuk 3) • Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4) Hierna wordt een korte toelichting gegeven op de in het plan voorkomende artikelen. Hoofdstuk 1 Inleidende regels In dit hoofdstuk is een aantal begrippen verklaard, dat wordt gebruikt in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel "Wijze van meten” opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Hierna volgt een toelichting per artikel. Bedrijf Deze bestemming is toegekend het gehele plangebied. Tevens is de functieaanduiding 'detailhandel perifeer' opgenomen waarbij de gronden bestemd zijn voor perifere detailhandel in caravans. Hoofdstuk 3 Algemene regels In hoofdstuk 3 worden enkele algemene regels gegeven, zoals de anti-dubbeltelregel. Ook worden algemene gebruiksregels gegeven. Daarnaast worden enkele algemene afwijkings- en wijzigingsregels gegeven die de flexibiliteit van het plan vergroten.
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald. 2.3.4 Geometrische plaatsbepaling / verbeelding Voor het verbeelden van de geometrisch bepaalde bestemmingen is een ondergrond uit de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) gebruikt. Dit bestand is opgebouwd in coördinaten in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, of kortweg Rijksdriehoekscoördinaten (ook wel: RD-coördinaten). Dit zijn de coördinaten die in Nederland worden gebruikt als grondslag voor onder meer geografische aanduidingen, waarbij de exacte locatie van een gebied wordt vastgelegd. In het plan is met behulp van lijnen, coderingen en arceringen aan gronden een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn met aanduidingen nadere regels aangegeven. Op een afdruk van de geometrische plaatsbepaling, de verbeelding, zijn alle bestemmingen en aanduidingen naast elkaar zichtbaar. De gegevens zijn digitaal raadpleegbaar.
Via de digitale portal waarop het plan wordt gepubliceerd kan, door te klikken op een bepaalde locatie, de bijbehorende bestemmingsregeling worden opgeroepen.
Bestemmingsplan “Noordeindseweg 380 b en c” Toelichting Vaststelling, 28 januari 2021
7
3
Beleidskader
3.1
Rijksbeleid Het Rijk heeft haar ruimtelijk beleid vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De leidende gedachte van het rijksbeleid is ruimte maken voor groei en beweging, waarbij het Rijk zich vooral concentreert op decentralisatie. De verantwoordelijkheid wordt verplaatst van Rijksniveau naar provinciaal en gemeentelijk niveau. In het rijksbeleid (SVIR en Barro) worden dan ook geen specifieke uitspraken gedaan met betrekking tot het voorliggende plangebied. Wel dient getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Nieuwe Ladder voor Duurzame Verstedelijking Op 1 juli 2017 is de Nieuwe Ladder voor Duurzame Verstedelijking in werking getreden (artikel 3.1.6 lid twee en drie Bro). De nieuwe Ladder is ten opzichte van de voorgaande Ladder vereenvoudigd. De drie treden zijn komen te vervallen en er is een nieuwe bepaling toegevoegd. De Laddertoets geldt alleen voor plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’.
Toetsing aan de nieuwe Ladder houdt in dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien een bestemmingsplan wijzigingsbevoegdheden of uitwerkingsplichten bevat, kan bij het moederplan worden bepaald dat de Laddertoets zich niet richt op het moederplan, maar onderdeel dient te zijn van het wijzigings- of uitwerkingsplan. Onderhavige ontwikkeling voorziet in mogelijkheid tot herstructurering van het bedrijfsperceel. Deze herstructurering is gewenst omdat het bestaande bedrijf meer behoefte heeft aan binnenruimte. Momenteel staan veel caravans buiten tentoongesteld. Door de sloop en nieuwbouw ontstaat meer ruimte binnen in het nieuwe gebouw om deze caravans tentoon te stellen. Het bedrijfsvloeroppervlak wijzigt hierdoor niet.
3.2
Provinciaal beleid Omgevingsbeleid Zuid-Holland Op 20 februari 2019 heeft de provincie Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma’s en –plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Uit de provinciale opgaven worden samenhangende beleidskeuzes gemaakt, die doorwerken naar
Bestemmingsplan “Noordeindseweg 380 b en c” Toelichting Vaststelling, 28 januari 2021
8
uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening. De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen. Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Zuid-Holland Door het samenvoegen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving sorteert de provincie voor op de Omgevingswet. De Omgevingswet verplicht het Rijk, de provincies en gemeenten een omgevingsvisie te maken. De provinciale Omgevingsvisie bestaat uit de volgende onderdelen: • Een beschrijving en kaartbeelden van de ruimtelijke hoofdstructuur; • De ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid: ambities en sturing • Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; • De samenhangende beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving. Ad. 1 Ruimtelijke hoofdstructuur
Bestemmingsplan “Noordeindseweg 380 b en c” Toelichting Vaststelling, 28 januari 2021
9
Ad. 2 Omgevingsbeleid: ambities en sturing De ambitie van de provincie is een slim, schoon en sterk Zuid-Holland. De provincie gaat uit van zes richtinggevende ambities, waarbinnen een aantal opgaven zijn geformuleerd: 1. Naar een klimaatbestendige delta 2. Naar een nieuwe economie: the next level 3. Naar een levendige meerkernige metropool 4. Energievernieuwing 5. Best bereikbare provincie 6. Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving Ad. 3 Omgevingskwaliteit Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Ofwel een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). De omgevingskwaliteit bestaat uit de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland, het toepassen van de leefomgevingstoets (beleidscyclus en monitoring) en een nadere uitwerking van het provinciale beleid. Dit laatste gebeurt door middel van een ‘kwaliteitskaart’ en bijbehorende ‘richtpunten ruimtelijke kwaliteit’. Kwaliteitskaart, richtpunten en gebiedsprofielen De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en omgevingskwaliteit.
In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten (de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur- en natuurlandschappen, de laag van de stedelijke occupatie en de laag van de beleving), samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening. Ontwikkelingen moeten rekening houden met deze richtpunten. De kwaliteiten zijn uitgewerkt in de gebiedsprofielen. Het plangebied is opgenomen in twee van de vier kwaliteitskaarten. In de laag van de ondergrond is het noordwestelijk deel van het plangebied aangeduid als ‘Veencomplex – oude zeeklei’. Richtpunt is dat ontwikkelingen een bijdrage leveren aan een duurzame waterhuishouding. Voorgenomen ontwikkeling maakt een groter bouwvlak mogelijk, echter worden de betonklinkers en betonplaten vervangen door waterdoorlatende verharding. Dit komt de waterhuishouding ten goede. In de laag van de stedelijk occupatie is het plangebied aangeduid als ‘Stads- en dorpsranden’.
Relevante richtpunt voor voorgenomen ontwikkeling is: • ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). De hoogte van de bebouwing is gezien de ligging van de locatie en bestaande hoogte in de omgeving legitiem. Het pand wordt ingepast in de bestaande stedenbouwkundige structuur. Hiermee wordt aangesloten bij de richtpunten. Voor het gebied waarin onderhavige locatie is gelegen is geen gebiedsprofiel opgesteld. Hier kan en hoeft dan ook niet aan getoetst te worden.
Bestemmingsplan “Noordeindseweg 380 b en c” Toelichting Vaststelling, 28 januari 2021
10
Ad. 4 Beleidskeuzes De provincie heeft 12 provinciale opgaven gedefinieerd, die elk bestaan uit samenhangende beleidskeuzes. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma’s en regels in de verordening. Hieronder zijn de voor het plangebied relevante opgaven uiteengezet. Gezondheid en veiligheid Zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving en het beperken van hinder. Ruimte en verstedelijking Zorgen voor een zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. Bodem en ondergrond Zorgen voor een duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond. Energievoorziening Bevorderen van een betrouwbare, duurzame en efficiënte energievoorziening met een minimale uitstoot van broeikasgassen. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van een gezonde en veilige leefomgeving. De diverse relevante milieuaspecten worden in hoofdstuk 7 verder uiteengezet en afgewogen. Ten slotte wordt bij de voorgenomen ontwikkeling ingespeeld op een duurzame en efficiënte energievoorziening. Op de toekomstige gebouwen is de realisatie van zonnepanelen mogelijk. Bij de situering hiervan is rekening gehouden met het rendement. De ontwikkeling draagt op deze manier bij een aan een duurzame energievoorziening.
Voorgenomen ontwikkeling draagt dus bij aan sommige provinciale opgaven en vormt geen belemmering voor de andere provinciale opgaven. Programma Ruimte Het Programma ruimte is parallel aan de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening opgesteld. Het Programma ruimte bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de Omgevingsvisie. Het is enerzijds een beleidsdocument, namelijk uitwerking van de beleidsbeslissingen, en anderzijds gericht op uitvoering. Het document is toegespitst op de thema’s Bebouwde ruimte en mobiliteit, Landschap, groen en erfgoed en Water, bodem en energie. Ten aanzien van het voorliggende plangebied worden geen specifieke uitspraken gedaan in het Programma Ruimte. Conclusie De herstructurering van het bedrijfsperceel past binnen het provinciale beleid. Het beleid van de provincie Zuid-Holland vormt zodoende geen belemmering voor de ontwikkeling. 3.3
Gemeentelijk beleid Structuurvisie Lansingerland Op 18 februari 2010 is de Structuurvisie Lansingerland vastgesteld door de gemeenteraad van Lansingerland. Lansingerland wil 'aantrekkelijk wonen, werken, recreëren en leven' sturen met een eigen visie. Binnen de gemeente staat een groot aantal ontwikkelingen op stapel wat betreft woningbouw, bedrijventerreinen en maatschappelijke voorzieningen. Om deze en andere ruimtelijke ontwikkelingen en ruimtelijk beleid te verankeren, heeft de gemeente een structuurvisie opgesteld, op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De gemeente voldoet hiermee aan de verplichting uit de Wro om voor haar grondgebied een structuurvisie op te stellen. De koers voor de gemeente Lansingerland is: aantrekkelijk suburbaan wonen;
Bestemmingsplan “Noordeindseweg 380 b en c” Toelichting Vaststelling, 28 januari 2021
11
-
leefbaar, zorgzaam en met eigen identiteit; ontspannen groene en recreatieve gemeente; een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor bedrijven en het verder ontwikkelen van de greenport.
Duurzaamheid en een goede ontsluitingsstructuur zijn daarbij randvoorwaarden. Lansingerland is een essentieel onderdeel van de Zuidvleugel van de Randstad en bovendien centraal gelegen. De Randstad behoort tot de vijf belangrijkste stedelijke gebieden van Noordwest-Europa. Als schakel in de Zuidvleugel is de toekomst van Lansingerland sterk vervlochten met die van de Randstad. Lansingerland is duidelijk onderdeel van een groter geheel. In de Structuurvisie Lansingerland is de locatie aangewezen voor het behoud van het cultuurhistorisch waardevolle karakter van het lint (zie afbeelding 3.2). De linten zijn belangrijke dragers van de identiteit van Lansingerland. Behoud en versterking van het cultuurhistorisch waardevolle karakter van de linten is uitgangspunt. Dit houdt onder andere in dat de diversiteit aan functies, bebouwingsvormen en de openheid behouden moeten blijven. Daar waar functies zijn gevestigd die qua aard of schaal als niet meer passend moeten worden beschouwd, is ontwikkeling en of transformatie mogelijk. Ontwikkelingen moeten passen bij de schaal en de maat van het lint. Transformatie is geen doel op zich maar een middel om bij te dragen aan verbetering van de stedenbouwkundige kwaliteit van het lint. De Noordeindseweg is aan te merken als een landelijk lint.
Aan deze linten kunnen zowel – bescheiden – woningbouw als bedrijfsmatige ontwikkelingen worden toegestaan. De voorgenomen ontwikkeling past binnen de voorgenoemde uitgangspunten van de structuurvisie. Uitgangspunt is de herinrichting van het bedrijfsperceel waarbij het historische lint niet wordt verstoord.
Afbeelding 3.2: uitsnede kaart Structuurvisie Lansingerland (de ligging van het plangebied is rood omkaderd).
Bestemmingsplan “Noordeindseweg 380 b en c” Toelichting Vaststelling, 28 januari 2021
12
Welstandsnota Het welstandsbeleid dat in de welstandsnota (vastgesteld d.d. 26 april 2012) wordt uiteengezet, is bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Lansingerland te behouden en te stimuleren. Elk bouwplan moet, zowel op zichzelf, als in relatie tot zijn omgeving voldoen aan de redelijke eisen van welstand, volgens criteria die zijn vastgesteld in de gemeentelijke welstandsnota. Bovendien mogen bestaande bouwwerken niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, ook weer volgens de criteria in de welstandsnota. Alleen als de gemeenteraad een gebied of een object als ‘welstandsvrij’ aanwijst, vervalt de preventieve welstandsbepaling. In Lansingerland wil de gemeente echter bij een deel van de vrije gebieden een vangnet behouden in de vorm van een paar summiere criteria om excessen te voorkomen. Gesproken wordt daarom van ‘vrij met excessenregeling’. Het welstandsbeleid van Lansingerland is uitgewerkt op basis van vier welstandsniveaus: • welstandsvrij; • vrij met excessenregeling; • licht; • bijzonder.
Afbeelding 3.3: Uitsnede welstandsnota Lansingerland. Het plangebied is blauw omkaderd.
Het onderhavig plangebied valt binnen het gebiedstype ‘Historische polderlinten’ en kent het welstandsniveau ‘bijzonder’. In het gebied met een bijzonder welstandsniveau worden ontwikkelingen mogelijk gemaakt. In het kader van de omgevingsvergunningprocedure worden bouwplannen getoetst aan het welstandsbeleid van de gemeente Langsingerland. 3.4
Conclusies De herstructurering van het bedrijfsperceel past binnen de beleidskaders van het Rijk en de provincie. Voorgenomen ontwikkeling voorziet, op korte termijn en lange termijn, in deze transformatie van het bedrijf. Het historische lint wordt niet aangetast. Derhalve wordt de ontwikkeling passend geacht binnen de kaders van de gemeentelijke structuurvisie. Gelet op het voorgaande past het voorliggende bestemmingsplan binnen de kaders van het Rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid.
Bestemmingsplan “Noordeindseweg 380 b en c” Toelichting Vaststelling, 28 januari 2021
13
4
Natuur en landschap
4.1
Kader
4.1.1 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. 2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn.
Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren opzettelijk te verstoren. Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: • er geen andere bevredigende oplossing is, en • geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en • sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen: o de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of o de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. 3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: • er geen andere bevredigende oplossing is, en Bestemmingsplan “Noordeindseweg 380 b en c” Toelichting Vaststelling, 28 januari 2021
14
•
indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort.
Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In Lansingerland is de provincie Zuid-Holland het bevoegd gezag voor de Wnb. In dit geval is die bevoegdheid gemandateerd aan de Omgevingsdienst Haaglanden. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden.
Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. 4.1.2 Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. 4.1.3 Natuurnetwerk Nederland en overige bos- en natuurgebieden Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.
Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN. 4.2
Onderzoek Soortenbescherming De ontwikkeling voorziet in de sloop van de bestaande bebouwing. Door NatuurWetenschappelijk Centrum (NWC) is een quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming opgesteld. De resultaen zijn hieronder beschreven. De volledige quickscan is opgenomen als bijlage 5. Vleermuizen De bebouwing binnen het plangebied is opgebouwd uit enkelsteens muren, zonder spouw, die zijn afgewerkt met metalen golfplaten. Ook het dak bestaat uit golfplaten. De bebouwing biedt
Bestemmingsplan “Noordeindseweg 380 b en c” Toelichting Vaststelling, 28 januari 2021
15
geen geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen. In de aangebouwde schuur zijn invliegopeningen beschikbaar en zijn houten panelen aanwezig op de muur, waar vleermuizen mogelijk achter zouden kunnen kruipen. Dit is echter erg onwaarschijnlijk en niet erg vleermuisgeschikt, aangezien ze eerst tussen de golfplaten moeten kruipen om binnen te komen. Vleermuizen hebben geen grip op golfplaten en zullen hier dus niet binnen komen. Binnen het plangebied zijn ook geen bomen of andere vegetatie aanwezig. Om deze redenen kan de aanwezigheid van een vaste verblijfplaats van vleermuizen redelijkerwijs worden uitgesloten. Daarnaast zal het plangebied nauwelijks door de dieren gebruikt worden om te foerageren of als vliegroute, door de afwezigheid van bomen of andere vegetatie. Er zullen geen negatieve effecten optreden voor het foerageergebied en/of vliegroute door de bouwwerkzaamheden. Hierdoor zijn er vanuit de Wet natuurbescherming geen verdere verplichtingen ten aanzien van vleermuizen. Vogels met een vaste verblijfplaats Er zijn geen nesten of verblijfplaatsen van vogels met een vaste verblijfplaats aangetroffen in het plangebied. De bebouwing binnen het plangebied biedt geen nestgelegenheid voor de Huismus (Passer domesticus) of de Gierzwaluw (Apus apus), doordat er geen openingen in de gebouwen aanwezig zijn en er een golfplaten dak aanwezig is.
Het plangebied maakt daarnaast ook geen onderdeel uit van de functionele leefomgeving van soorten zoals de Huismus (Passer domesticus). De bouwwerkzaamheden zullen geen negatieve effecten opleveren op de functionele leefomgeving, waardoor er vanuit de Wet natuurbescherming geen verdere verplichtingen voor deze soorten bestaan. Algemene (broed)vogels Er zijn geen nesten of sporen aangetroffen van algemene vogelsoorten. Om deze redenen zijn er geen negatieve effecten op algemene vogelsoorten te verwachten door de voorgenomen werkzaamheden. Grondgebonden zoogdieren Er is een oud uitwerpsel gevonden in de aangebouwde schuur, welke tijdens het oprapen uit elkaar viel, die mogelijk van een marterachtige afkomstig is. Verder zijn er geen verse sporen aangetroffen van kleine marterachtigen of andere grondgebonden zoogdieren. De aangebouwde schuur biedt schuilmogelijkheden voor kleine marterachtigen. Het gaat hier echter waarschijnlijk niet om een vaste verblijfplaats, aangezien er geen verse sporen aangetroffen zijn. Het plangebied biedt ook weinig geschikt habitat of voedsel voor kleine marterachtigen, waardoor het geen essentieel onderdeel uit zal maken van hun functionele leefomgeving. De graslanden, oude schuren, heggen en bosjes in de omgeving van het plangebied vormen meer geschikt habitat voor deze soorten.
Naar verwachting zijn er geen negatieve effecten door de voorgenomen werkzaamheden. Daarnaast zijn de Bunzing (Mustela putorius), de Wezel (Mustela nivalis) en de Hermelijn (Mustela erminea) in de provincie Zuid-Holland vrijgesteld. Hierdoor zijn er vanuit de Wet natuurbescherming geen verdere verplichtingen ten aanzien van beschermde grondgebonden zoogdieren. Zorgplicht Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) de zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Manieren om aan de zorgplicht te voldoen zijn bijvoorbeeld: • Er wordt gelegenheid gegeven aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Dit gebeurt door onder andere vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen) gefaseerd te verwijderen; • in verband met verstoring van aanwezige dieren worden de werkzaamheden zoveel mogelijk overdag uitgevoerd. Gebiedsbescherming De ontwikkellocatie is niet gelegen op gronden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Er gaat dan ook geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren.
Bestemmingsplan “Noordeindseweg 380 b en c” Toelichting Vaststelling, 28 januari 2021
16
Stikstof De locatie is op ruime afstand (meer dan 6 kilometer) van stikstofgevoelige Natura 2000gebieden gelegen. Door de uitspraak van de Raad van State van eind mei 2019 is het nu echter voor ieder project nodig uit te sluiten dat negatieve effecten, als gevolg van onder andere stikstofdepositie, optreden. Een AERIUS-berekening is noodzakelijk om aan te kunnen tonen dat geen nadelige effecten optreden. Er is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. Deze is opgenomen als bijlage 4. Hieronder zijn de conclusies beschreven. In het onderzoek is beoordeeld of de aanleg- en de gebruiksfase van de bouw en het gebruik van de caravanshowroom aan de Noordeindseweg 380 b en c te Berkel en Rodenrijs leidt tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden door de aanleg en het gebruik van de caravanshowroom aan de Noordeindseweg 380 b en c. Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit project. 4.3
Conclusie Het aspect natuur en landschap vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
Bestemmingsplan “Noordeindseweg 380 b en c” Toelichting Vaststelling, 28 januari 2021
17
5
Water
5.1
Kader Er is een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt één en ander uiteengezet.
5.1.1. Europees en Rijksbeleid Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Het NWP is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofd- watersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS).
Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen krijgen een nieuwe bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten krijgen verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water (actueel) In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen.
De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De
Bestemmingsplan “Noordeindseweg 380 b en c” Toelichting Vaststelling, 28 januari 2021
18
watertoets is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een “goede ecologische toestand” (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een “goed ecologisch potentieel” (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. 5.1.2. Provinciaal beleid Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016 - 2021 De provincie herziet het regionaal waterbeleid eens in de 6 jaar.
Het waterbeleid met een ruimtelijk component staat in de Visie Ruimte en Mobiliteit. Het beleid voor waterkwaliteit staat in de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water 2016-2021. Voor de overige onderwerpen is het Provinciaal Waterplan 2010 – 2015 ongewijzigd van kracht gebleven. Voor het ruimtelijk component hanteert de provincie het volgende beleid: vanuit de ambitie om Zuid-Holland een duurzame, concurrerende en leefbare Europese topregio te laten zijn, bevordert de provincie de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving. Die rode draad door de Visie ruimte en mobiliteit staat centraal in het beleid voor water, bodem en energie. Verordening Ruimte In de Verordening Ruimte is regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken. Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen. 5.1.3. Beleid waterbeheerder Waterbeheerplan 2016–2021 Het Waterbeheerplan 2016–2021, “Strategie richting een toekomstbestendig en samenwerkings-gericht waterschap” van het Hoogheemraadschap van Delfland is op 19 november 2015 vastgesteld.
Met het Waterbeheerplan gaat Delfland een nieuwe fase van ontwikkeling in. In het waterbeheerplan zet het hoogheemraadschap de lijnen voor de midden en lange termijn uit. Passend bij het verstedelijkte karakter van het beheersgebied zet Delfland in de planperiode van het Waterbeheerplan 5 volop in op stedelijk waterbeheer en samen met de gemeenten op klimaatadaptatie. In het Waterbeheerplan beschrijft het hoogheemraadschap de kerntaken; waterveiligheid, waterbeheer, waterkwaliteit en het zuiveren van afvalwater. Het hoogheemraadschap zal hierbij nadrukkelijk kijken naar een doelmatige uitvoering daarvan waarbij ambities, kosten en het tempo op een evenwichtige manier zijn afgewogen.
Bestemmingsplan “Noordeindseweg 380 b en c” Toelichting Vaststelling, 28 januari 2021
19
In het Waterbeheerplan worden tevens de speerpunten voor de komende planperiode benoemd: • In stand houden: Delfland werkt bij het bestendigen van het beheer van de infrastructuur toe naar een levenscyclusbenadering. • Investeren: Bij elk project, proces en activiteit worden de innovatieve mogelijkheden en de meest duurzame wijze van uitvoering meegenomen in de afwegingen. • Samenwerken: Delfland wil het waterbewustzijn bevorderen door samenwerking met belanghebbenden en delen van verantwoordelijkheden. • Flexibel en duidelijk: Partners komen een flexibel waterschap tegen die rol en houding afstemt op basis van vraagstukken die voorliggen. Duidelijke kaders worden neergezet, zoals financieel gezond en bijdragen aan toekomstbestendig waterbeheer, maar dogma’s zijn er niet. Watertoets De watertoets komt voort uit het advies van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw en het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW, 2003; NBW-actueel, 2008). De toets berust op twee uitgangspunten: 1. standstillbeginsel - negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen; 2. verbetering - in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. Bij een bestemmingsplan en een omgevingsvergunning met ruimtelijke onderbouwing is de watertoets een wettelijke verplichting.
In de volgende paragraaf worden de onderwerpen benoemd in de handreiking toegelicht. De actuele versie van de handreiking watertoets voor gemeenten is te vinden op de website van het Hoogheemraadschap van Delfland. Keur en Legger Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen en waterschapswegen vallen onder de regels van de Keur. In deze verordening van het Hoogheemraadschap zijn gebods- en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen. In de meeste gevallen zal een vergunning moeten worden verleend door het Hoogheemraadschap. De Legger Wateren is een register waarin functie, afmetingen en onderhoudsplichtigen van wateren (zoals sloten en vaarten), waterbergingen en natuurvriendelijke oevers vastgelegd zijn. Ook geeft de legger de ligging van wateren, waterbergingen en natuurvriendelijke oevers aan, zodat duidelijk is waarop de Keur van toepassing is. 5.1.4. Gemeentelijk beleid Waterplan Lansingerland Op 29 april 2010 is het Waterplan Lansingerland vastgesteld. Het doel van het Waterplan is het maken van afspraken, waarmee een robuust, veilig en duurzaam watersysteem gerealiseerd kan worden. Dit watersysteem moet voldoen aan landelijke en Europese normen en moet gebaseerd zijn op een gezamenlijke visie van gemeente en hoogheemraadschappen. Onderdelen hiervan zijn: a.
een samenhangende beschouwing van de ambities, ruimtelijke ontwikkelingen en (water)problemen; b. een integrale (ruimtelijke) visie op het grondwater, oppervlaktewater en de riolering; c. een concreet maatregelenpakket voor de realisatie van maatregelen. De doelgroep van het stedelijk Waterplan bestaat uit bestuurders (van de gemeente en de hoogheemraadschappen), bewoners, beleidsmakers en beheerders. Het Waterplan heeft geen wettelijke status, maar fungeert als koepelplan en integraal kader voor afspraken over watermaatregelen tussen gemeente en hoogheemraadschappen. Op 30 juni 2011 is de eindrapportage van het Waterplan vastgesteld.
Bestemmingsplan “Noordeindseweg 380 b en c” Toelichting Vaststelling, 28 januari 2021
20
Gemeentelijk Rioleringsplan 2015-2020 In het vigerende Gemeentelijk Rioleringsplan staat beschreven hoe de gemeente omgaat met afvalwater, hemelwater en grondwater. De ambities voor de huidige planperiode concentreren zich met name op het in stand houden van het systeem, het vernieuwen van de basisrioleringsplannen (BRP’s) en het uitbouwen van kennis over het functioneren van het systeem door meten en monitoren. Ook wordt de samenwerking en afstemming binnen de (afval)waterketen tussen Lansingerland, de twee hoogheemraadschappen en andere gemeenten in de regio voortgezet en versterkt. Waar in de voorgaande planperiode de focus lag op maatregelen ter verbetering van het rioolstelsel zullen in deze planperiode nieuwe inzichten worden vergaard waar vervolgens weer nieuwe maatregelen uit zullen volgen. Verder hechten de gemeente belang aan het duurzaam verwerken van hemelwater, zoals het scheiden van schone en vuile waterstromen (daar waar kansen zijn) en het op locatie vasthouden/verwerken van hemelwater. Maar wel vanuit een realistisch oogpunt, waarbij ook de kosten die het met zich mee brengt worden meegewogen. 5.2
Onderzoek Bestaande situatie Bodem en grondwater Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse uit zavel. Er is sprake van grondwatertrap III. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand op minder dan 0,4 m beneden maaiveld ligt en dat de gemiddelde laagste grondwaterstand varieert tussen 0,8 en 1,2 m beneden maaiveld. De maaiveldhoogte ter plaatse bedraagt circa NAP -4,0 m. Waterkwantiteit Het plangebied grenst ten oosten aan overige watergangen. Het plangebied ligt in een peilgebied van -5,33 m NAP.
Afbeelding 5.1: Uitsnede van de Legger van het Hoogheemraadschap met daarop het oppervlaktewater (het plangebied is rood omkaderd).
Bestemmingsplan “Noordeindseweg 380 b en c” Toelichting Vaststelling, 28 januari 2021
21
Waterkwaliteit In het plangebied zelf zijn geen KRW-waterlichamen aanwezig. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt voor een deel in waterstaatswerk en een deel in de beschermingszone van een waterkering. Afvalwaterketen en riolering Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de waterhuishoudkundige situatie niet mag verslechteren. Dit betekent bijvoorbeeld dat de waterhuishouding kan worden verbeterd door het afkoppelen van schoon verhard oppervlak. Hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Dit betekent ook dat toename van het verharde oppervlak en/of dempingen binnen het gebied moeten worden gecompenseerd. Ook combinaties met andere functies zoals groen en recreatie liggen voor de hand. Daarnaast is het van belang om bij eventuele ontwikkelingen diffuse verontreinigingen te voorkomen door het gebruik van duurzame, niet-uitloogbare materialen (geen zink, lood, koper en PAK'shoudende materialen), zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Toekomstige situatie Waterkwantiteit Het gehele plangebied is in de bestaande situatie verhard waardoor al het water via de sloot en de riolering afgevoerd wordt. Het plangebied kent in de vigerende situatie de bestemming ‘Bedrijf’. Binnen deze bestemming is volledige verharding van het gebied mogelijk.
De toekomstige ontwikkelingen zorgen in die zin niet voor een toename van het, planologisch toegestane, verhard oppervlak. Uit paragraaf 2.2.1. is gebleken dat in het plan betonklinkers en betonplaten rondom het nieuwe gebouw vervangen worden door waterdoorlatende bestrating waardoor ongeveer 50% van het hemelwater in de grond wordt opgenomen. Er vindt dus een verbetering plaats. Aan de aangrenzende watergang vinden geen aanpassingen plaats. Veiligheid Het plangebied ligt deels binnen de waterstaatswerk en de beschermingszone van een regionale waterkering. Op deze gronden zijn geen ontwikkelingen voorzien. De waterkering belemmert de voorgenomen ontwikkeling niet. Wel is de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ op de verbeelding en in de regels opgenomen. Riolering Afvalwater wordt afgevoerd via het gemeentelijk riool (droogweerafvoer - DWA). Hemelwater dat op daken, parkeerverharding en opritten valt, moet als dat mogelijk is worden afgekoppeld van het DWA en afgevoerd naar het oppervlaktewater. Hemelwater dat op wegen valt, dient via bodempassages te worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Volksgezondheid Door het afkoppelen van hemelwater van de DWA worden vuilwateroverstorten (in de omgeving) tegengegaan. De risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd.
Waterkwaliteit Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld naar het oppervlaktewater, wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Afkoppeling van hemelwater zorgt
Bestemmingsplan “Noordeindseweg 380 b en c” Toelichting Vaststelling, 28 januari 2021
22
ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is. Ook dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het gemeentelijke inzamelings- en transportstelsel ligt bij de gemeente, tot aan het eindgemaal, dat in beheer is van het Hoogheemraadschap van Delfland. Het Hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het transport vanuit het eindgemaal tot en met afvalwaterzuiveringsinstallatie en voor de zuivering. De gemeentelijke riolering moet bereikbaar zijn voor beheer en onderhoud. Het beheer van de sloten valt onder de keur van het hoogheemraadschap en zal daaraan dienen te voldoen.
5.3
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
Bestemmingsplan “Noordeindseweg 380 b en c” Toelichting Vaststelling, 28 januari 2021
23
6
Archeologie en cultuurhistorie
6.1
Archeologie Erfgoedwet In de Erfgoedwet d.d. 1 juli 2016 is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2019. Het gaat daarbij om de volgende zaken: • Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten • Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie • Bescherming van stads- en dorpsgezichten. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS)”. In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende “Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland” zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid.
Gemeentelijk archeologiebeleid De gemeente Lansingerland beschikt over eigen archeologiebeleid. Op basis van dit archeologiebeleid kan worden bepaald wat de verwachtingswaarde van een bepaald gebied is.