CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

T20.14076 Verordening Sociaal Domein 2021

Commissie Samenleving 14 januari 2021, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Verordening Sociaal Domein 202138.416 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Het ondersteuningsplan is een integraal plan waarin rekening gehouden wordt met het totale pakket aan voorzieningen. Er is ruimte voor de inwoner om ook op een later moment in het onderzoek zijn eigen inbreng naar voren te brengen. In lid 5 is toegevoegd dat uitsluitend het college gebruik kan maken van de wettelijke bevoegdheid om gegevens ten behoeve van het onderzoek te verzamelen. In de praktijk zal hier alleen gebruik van gemaakt worden bij een aanvraag voor een maatwerkvoorziening, bij voorkeur met toestemming van de inwoner. De niet-gemeentelijke toegangspartijen hebben deze bevoegdheid niet en zullen daarvoor dus altijd toestemming van de inwoner nodig hebben. Artikel 2:5 De aanvraag voor een individuele of een maatwerkvoorziening Een aanvraag is nodig om een beschikking voor een individuele of maatwerkvoorziening te verkrijgen. Het college is op grond van de Awb artikel 4.1 bevoegd tot het beslissen op een aanvraag. Een ondertekend ondersteuningsplan niet ouder dan drie maanden kan gelden als een aanvraag. Een aanvraag in het kader van de Participatiewet en de Jeugdwet kan via een aanvraagformulier gedaan worden. In de Wmo 2015 is bepaald dat op een aanvraag altijd een onderzoek voorafgegaan moet zijn. Beslistermijnen Awb In de verordening is geen termijn opgenomen om te beslissen op een aanvraag.

De regeling in de Awb geldt onverkort voor aanvragen in het kader van de Jeugdwet en de Participatiewet. In artikel 4:13 van de Awb is bepaald dat een beschikking dient te worden gegeven binnen een redelijke termijn van acht weken na ontvangst van de aanvraag. Indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, dient het bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan de aanvrager mede te delen en daarbij

pagina 53/112

Ons kenmerk T20.14076

een redelijk termijn te noemen waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien (artikel 4:14, derde lid, van de Awb). In de Wmo 2015 is, in afwijking van de Awb, bepaald dat er op een Wmo aanvraag een beslistermijn van twee weken geldt. De termijn wordt voorafgegaan door een onderzoekstermijn van maximaal zes weken. De termijnen zijn maximumtermijnen. Indien nodig kan op een verzoek tot ondersteuning binnen enkele dagen een individuele of maatwerk voorziening worden verstrekt (spoedprocedure). Het onderzoek volgt dan achteraf. In complexe situaties kan in het belang van een zorgvuldig onderzoek een langere termijn nodig zijn. Bijvoorbeeld als een advies van een deskundige van belang is om de meest passende ondersteuning te kunnen inzetten. Artikel 2:7 Expertteam De Algemene wet bestuursrecht geeft enige algemene bepalingen over (externe) advisering. In artikel 3:5 lid 1 staat dat onder adviseur verstaan wordt: een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. Het college dient één of meer adviseurs aan te wijzen om in het kader van de wetten advies uit te brengen. In de verordening wordt niet opgenomen wie de adviseur is.

Men kan immers meerdere adviseurs in verschillende, zelfs wisselende situaties hebben, wat een eenduidige vermelding onmogelijk maakt.

pagina 54/112

Ons kenmerk T20.14076

3

Adviesraad Sociaal Domein

Inspraak en medezeggenschap In dit onderdeel van de verordening zijn bepalingen opgenomen over inspraak en medezeggenschap bij de gemeente. De mogelijkheid tot inspraak en medezeggenschap tegenover de aanbieder is al geregeld in artikel 4.2.4 e.v. van de Jeugdwet. Regeling van de inspraak en medezeggenschap is verplicht op grond van artikel 2.10 van de wet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. In artikel 2.10 (in de redactie van de Nota van wijziging op het wetsvoorstel Wmo 2015 van 12 maart 2014, kamerstukken II 22841, nr. 35) worden de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.5.1 (jaarlijks klantentevredenheid onderzoek) van de Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing verklaard. Ingevolge artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015 dient bij verordening te worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet. Verwezen wordt naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat eenzelfde inspraakprocedure geldt voor meerdere terreinen. De inspraak geldt voor alle inwoners. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning.

pagina 55/112

Ons kenmerk T20.14076

4

Maatschappelijke ondersteuning

Artikel 4:1 Begrippen Ad. a Algemeen gebruikelijke voorziening Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de inwoner, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken (zie o.a. CRvB 03-07-2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16-04-2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16-08-2012, nr. AWB 11/5564). De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de inwoner ziet op het beantwoorden van de vraag of de inwoner over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol spelen: Is de voorziening gewoon te koop? Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht? Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen? Artikel 4:3 Criteria voor maatwerkvoorziening In dit artikel is het algemene afwegingskader dat in deze Wmo centraal staat nogmaals uiteengezet. De nadruk ligt, nog meer dan onder de Wmo 2007, op de eigen kracht en hulp van anderen. De maatwerk-voorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning.

In artikel 2.1.3 lid 2 sub a van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een inwoner voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoor-ziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerk-voorzieningen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt. In lid 3 van dit artikel is de volgorde van inzet van de verschillende ondersteuningsmogelijkheden bepaald. Een maatwerkvoorziening zal pas ingezet worden als de ondersteuning niet op een andere manier kan worden gerealiseerd.

pagina 56/112

Ons kenmerk T20.14076

In lid 4 is bepaald dat het college kan volstaan met de goedkoopst passende voorziening. De voorziening

die wordt verstrekt hoeft niet de goedkoopste voorziening te zijn. De gemeente onderzoekt in de eerste plaats welke voorzieningen het meest passend zijn en daarna welke het goedkoopst. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip passend bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening passender maken, komen in principe niet voor vergoeding in aanmerking. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Ter verduide-lijking een voorbeeld: als een rolstoel de meest passende voorziening voor een inwoner is, heeft die inwoner soms aanvullende wensen omtrent kleur of uitvoering. Deze aanvullende wensen maken de voorziening niet passender of doelmatiger, maar brengen meestal extra kosten met zich mee. Deze extra kosten komen in dat geval voor rekening van de inwoner. Lid 5 is met name in het licht van een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden of begeleiding toegevoegd.

De maatwerkvoorziening wordt ingezet om de gewenste resultaten uit het ondersteuningsplan te behalen. Daarnaast wordt bepaald wanneer het resultaat behaald zou kunnen worden. Op dat moment eindigt de ondersteuning of zal een nieuw ondersteuningsplan worden opgesteld. In de beschikking is de duur van het ondersteuningstraject opgenomen. Dit kan maximaal voor 5 jaar zijn. Artikel 4:4 Voorwaarden en weigeringsgronden In rechtbankjurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat afwijzingsgronden, wil er een beroep op kunnen worden gedaan, een grondslag in de verordening moeten hebben. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Gelderland 8-11-2013, nr. ZUT 12/1823. Ook in het kader van rechtszekerheid is hier iets voor te zeggen: bij het ontbreken van afwijzingsgronden of het hanteren van zeer ruime afwijzingsgronden is het voor de inwoner niet mogelijk om zijn rechtspositie te bepalen of te voorzien. Bovendien is met dit artikel invulling gegeven aan de verplichting van artikel 2.1.3, tweede lid sub a van de wet, omdat is aangegeven op grond van welke criteria iemand voor een maatwerkvoorziening in aanmerking kan komen. Lid 1 sub b: Het is van belang om een duidelijke afbakening te hebben met andere wetten, zoals de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg.

Als voor het opheffen van een beperking of het bereiken van een gewenst resultaat een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, wordt er geen maatwerkvoorziening Wmo toegekend. Lid 1 sub f: Uit de jurisprudentie tot stand gekomen ten tijde van de Wmo 2007 volgt dat de inwoner aanspraak moet hebben op de voorziening, om te kunnen spreken van een voorliggende voorziening (CRvB 09-11-2011, nr. 11/3583 WMO en CRvB 28-09-2011, nr. 10/2587 WMO). Dat wil niet zeggen dat de inwoner de voorziening daadwerkelijk moet hebben, maar dat hij daarop aanspraak heeft. Er is geen sprake van een voorliggende voorziening indien de voorziening op grond van een andere wettelijke

pagina 57/112

Ons kenmerk T20.14076

bepaling is afgewezen (CRvB 03-08-2011, nr. 11/517 WMO) of indien vaststaat dat inwoner daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 19-04-2010, nr. 09/1082 WMO). Indien de voorziening op grond van een andere specifieke wettelijke regeling slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking komt, is er sprake van een voorliggende voorziening (CRvB 22-05-2013, nr. 10/6782 WMO). De inwoner kan dan niet voor het overige gedeelte van de kosten een beroep doen op de Wmo. In lid 1 sub h wordt gedoeld op de situatie dat de inwoner een voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de inwoner gerealiseerd of aangekocht is. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd. Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst passende voorziening beschouwt. Lid 1 sub iDe eigen verantwoordelijkheid van inwoner speelt een prominentere rol in de Wmo, getuige bijvoorbeeld CRvB 21-5-2012, nr. 11/5321 WMO. Onderdeel i is optioneel opgenomen om de eigen verantwoordelijkheid daad-werkelijk weer te geven in de verordening zodat het kan dienen als beoordelings- en afwijzingsgrond.

De CRvB heeft echter herhaaldelijk (zo ook in de hier genoemde uitspraak) geoordeeld dat de eigen verantwoordelijk-heid binnen de Wmo een grote rol speelt, zodat een grondslag niet expliciet nodig lijkt te zijn. Lid 1 sub j: Van een inwoner mag verwacht worden dat hij bij verhuizingen of de aanschaf van voorzieningen rekening houdt met zijn beperkingen. Doet hij dat niet, dan kan het college een voorziening om die reden afwijzen. De Wmo 2015 geeft ten aanzien van de voorzienbaarheid niet meer ruimte dan onder de Wmo 2007. Er mag nog steeds niet van een cliënt gevraagd worden dat hij reserveert of andere maatregelen treft om te voorkomen dat toekomstige onzekere gebeurtenissen in zijn gezondheidstoestand als gevolg van het ouder worden, leiden tot een beroep op de Wmo (CRvB 2208-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2603). In lid 2 zijn enkele afwijzingsgronden opgenomen die specifiek een maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening betreffen. Een woonvoorziening is vaak een woning gebonden voorziening, die verplaatst kan worden, bijvoorbeeld bij een verhuizing. De afwijzingsgronden zijn bedoeld om onnodige kosten te voorkomen. Hier is ook de term voorzienbaarheid ondergebracht om een woningaanpassing te toetsen aan voorzienbaarheid.

Artikel 4:5 Oproep personen In dit artikel is bepaald dat het college bevoegd is om in het belang van het onderzoek degene door of namens wie een verzoek tot ondersteuning is gedaan of door of namens wie een aanvraag is ingediend, alsmede diens huisgenoten op te roepen in persoon te verschijnen. Ook is het college bevoegd de inwoner te laten onderzoeken en/of bevragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn van de beoordeling van de aanvraag.

pagina 58/112

Ons kenmerk T20.14076

Artikel 4:6 Beschikking De inwoner moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de inwoner goed en volledig informeert. In dit artikel staat omschreven welke elementen in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen, zowel als het om een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een pgb gaat. Artikel 4:7 Persoonsgebonden budget Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb verstrekken. Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt als de inwoner met een pgb plan kan aantonen dat hij met het pgb in staat is om kwalitatief goede en effectievere ondersteuning te realiseren. In dit artikel wordt het tarief toegelicht. De hoogte van het pgb is afhankelijk van het aantal uren of dagdelen dat noodzakelijk is voor het bereiken van het gewenste resultaat en van de professionaliteit van degene die de ondersteuning biedt. Voor professionele inzet is het tarief maximaal de hoogte van het tarief voor zorg in natura. Voor ondersteuning door iemand die dit niet doet in het kader van een hulpverlenend beroep, bijvoorbeeld iemand uit het eigen netwerk, ligt het tarief lager. Deze tarieven worden nader uitgewerkt in de beleidsregels (lid 9).

Lid 2 geeft aan dat als er een pgb wordt verstrekt ten behoeve van een hulpmiddel, er een aanvullend bedrag wordt verstrekt voor het onderhoud van het hulpmiddel. Dit bedrag is bedoeld voor het onderhoud gedurende de gehele looptijd van de verstrekking. Deze is maximaal gelijk aan de levensduur van het hulpmiddel. Ten aanzien van lid 4 is het van belang dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat onder het sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. In lid 6 is geconcretiseerd welke termijn is verbonden aan de besteding van het pgb. Dit dient de rechtszekerheid en voorkomt de situatie waarin het recht oneindig open zou moeten staan.

Artikel 4:8 Hoogte persoonsgebonden budget Lid 9: Om de hoogte van het pgb te bepalen voor sanering van de woning wordt de Nibud normering gebruikt, te vinden via Schulinck.

Artikel 4:9 Bijdrage in de kosten De gemeente vraagt aan iedere inwoner een bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen in natura en in de vorm van een pgb.

pagina 59/112

Ons kenmerk T20.14076

Op grond de wetswijziging abonnementstarief wet maatschappelijke ondersteuning betalen vanaf 1 januari 2020 alle cliënten die gebruik maken van één of meer maatwerkvoorzieningen, met uitzondering van degenen die gebruik maken van beschermd wonen zorg in natura of maatschappelijke opvang en met uitzondering van het collectief vervoer, ongeacht inkomen en vermogen, een maximale periode bijdrage van € 19,00 per maand. Inwoners die gebruik maken van beschermd wonen zorg in natura of maatschappelijke opvang blijven de huidige inkomensafhankelijke eigen bijdrage betalen, met dien verstande dat de vermogensbijtelling van 8% naar 4% gaat. Inwoners die gebruik maken van het collectief vervoer betaalde een bedrag per rit. Niet AOW-gerechtigde meerpersoonshuishoudens betalen conform het vierde lid van artikel 3.8 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen eigen bijdrage. Bij punt f maakt de gemeente een uitzondering voor bijstandsgerechtigde inwoners met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Voor deze doelgroep kan de gemeente Wmo-begeleiding inzetten met het doel activering naar re-integratie. Voor een Wmo-begeleidingstraject met dit doel geldt een beperkt aantal dagdelen waarvoor we geen eigen bijdrage in de kosten vragen. De gemeente professional bepaalt het aantal dagdelen waarvoor geldt dat de gemeente geen eigen bijdrage in rekening brengt. Dit zijn in totaal maximaal 116 dagdelen.

Als het Wmo-begeleidingstraject met het doel activering naar reintegratie stopt, dan vervalt de uitzonderingsgrond. De inwoner kan gebruik blijven maken van de Wmobegeleiding, waarbij dan wel een eigen bijdrage in rekening wordt gebracht. In lid 1 is het uitgangspunt benadrukt dat de bijdrage de kostprijs van de voorziening niet mag overstijgen: de gemeente mag geen winst maken op de bijdragen. In lid 5 is uiteengezet hoe de kostprijs tot stand komt. Artikel 4:10 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordening plicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v.

van de wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van inwoners en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.

pagina 60/112

Ons kenmerk T20.14076

In lid 1 is een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. Artikel 4:11 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de inwoner, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden. Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen.

Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden. Artikel 4:12 Meldingsregeling calamiteiten en geweld In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de door het college aangewezen toezichthouder bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In aanvulling op het bovenstaande regelt dit artikel dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthouder deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Artikel 4:13 Waardering en ondersteuning mantelzorgers Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordening plicht in artikel 2.1.6 van de wet. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorg draagt voor een periodieke blijk van waardering voor de mantelzorgers in de gemeente. Dit krijgt invulling door mantelzorgers te ondersteunen in de vorm van emotionele steun, deskundigheidsbevordering en respijtzorg om overbelasting te voorkomen. Artikel 4:14 Klachtregeling In het eerste lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen.

Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van inwoner is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet).

pagina 61/112

Ons kenmerk T20.14076

In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat inwoners in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De inwoner kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de inwoner niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder). Het ligt voor de hand dat inwoners die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open.

Artikel 4:15 Medezeggenschap Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de wet, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van inwoners over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is. In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van inwoners tegenover de aanbieder. In de Wmo 2015 is het stellen van regels hieromtrent geheel aan gemeenten overgelaten. In lid 1 is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de wet). In lid 2 is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd. Artikel 4:15b Blijverslening en toepassingsbereik De Blijverslening is een instrument naast het Wmo-aanbod. Vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning biedt de gemeente de maatwerkvoorziening woningaanpassing. Deze voorziening is voor inwoners met een acute zorgvraag.

De Blijverslening is bedoeld voor een bredere doelgroep, namelijk ook voor inwoners die hun woning preventief willen aanpassen voor een (eventuele) zorgvraag in de toekomst. Met de Blijverslening stimuleert de gemeente dat inwoners vanuit hun eigen kracht tijdig maatregelen nemen, zodat zij langer in hun eigen woning kunnen blijven wonen. De Blijverslening wordt gefinancierd vanuit de eigen middelen van de gemeente. Er is geen wettelijke grondslag voor de Blijverslening anders dan deze Verordening Sociaal Domein. De wettelijke grondslag voor het opmaken van een verordening is vastgelegd in artikel 147 en 149 van de Gemeentewet.

pagina 62/112

Ons kenmerk T20.14076

De beschikking die vanuit de gemeente wordt afgegeven in het kader van de Blijverslening betreft een beschikking in de zin van artikel 1:3 Awb. Dit betekent dat er tegen het besluit tot een voorlopige toewijzing van de Blijverslening bezwaar en beroep mogelijk is. De gemeente wijst de Blijverslening voorlopig toe. Pas als er naast deze voorlopige toewijzing ook een akkoord van het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederland (SVn) is, kan een inwoner gebruik maken van de Blijverslening. Ook tegen het besluit van SVn is bezwaar en beroep mogelijk via de daarvoor geldende procedure van SVn. Artikel 4:15d Hoogte Blijverslening De Blijverslening kan consumptief of hypothecair afgesloten worden. Zowel de consumptieve als de hypothecaire lening hebben een gunstige rente die vastgesteld wordt door SVn. De actuele rentetarieven staan op www.svn.nl/rentetarieven. Artikel 4:21 Nadere regels en hardheidsclausule Juist omdat het in de Wmo om maatwerk gaat zal het college er niet aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te verwachten is. Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke beoordeling.

Als desondanks die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan de aanvrager ook een beroep doen op deze clausule. Wordt de hardheidsclausule vaker voor één onderwerp gebruikt dan kan men zich afvragen of het beleid ter zake niet aangepast zou moeten worden.

pagina 63/112

Ons kenmerk T20.14076

5

Jeugdhulp

5.1

Algemene toelichting

Dit hoofdstuk van de verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. Deze wet maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van de jeugdzorg, de Jeugd-GGZ, de zorg voor jeugdigen met een beperking en de begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen. Daarnaast wordt met deze wet een omslag gemaakt van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg (aanspraak) naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten (voorziening), op een wijze zoals eerder is gebeurd met de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken op jeugdzorg worden hierbij vervangen door een voorzieningenplicht waarvan de aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp, met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jeugdige en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken. De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2:9, 2:10 en 2:12 voor dat de gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt:  over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen; 

met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;

over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen;

over de wijze waarop de hoogte van een pgb wordt vastgesteld;

voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijke gebruik van de Jeugdwet;

over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet, en

ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Jeugdwet door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.

Artikel 2:9 van de Jeugdwet biedt verder ruimte om met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet andere regels te stellen. Deze verordening maakt hier spaarzaam gebruik van; om een meer compleet beeld te geven van de rechten en plichten van burgers en de gemeente. Daarnaast kan op grond van artikel 8:1:1, vierde lid, bij verordening bepaald worden onder welke voorwaarden de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk.

pagina 64/112

Ons kenmerk T20.14076

Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op grond van artikel 2:2 van de Jeugdwet eveneens dient vast te stellen. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Toeleiding naar de jeugdhulp De toeleiding naar de jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden. Vrij toegankelijk In de verordening is onderscheid gemaakt tussen overige (vrij-toegankelijke) en individuele (niet vrijtoegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp (zie artikel 5:2, eerste, respectievelijk tweede lid). Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een vrij-toegankelijke voorziening. Hier kan de inwoner gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De inwoner kan zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden. Toegang jeugdhulp via de gemeente Jeugdigen en ouders kunnen een behoefte aan jeugdhulp melden bij het college. De beslissing door de gemeente welke zorg een inwoner precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand in overleg met die inwoner.

In een gesprek tussen een door de gemeente ingezette deskundige en de inwoner zal gekeken worden wat de inwoner eventueel zelf of met behulp van zijn netwerk kan doen aan het probleem. Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan zal eerst gekeken worden of dit een vrij-toegankelijke voorziening is of een niet vrij-toegankelijke voorziening. Is het laatste het geval dan neemt deze deskundige, namens het college, een besluit en verwijst hij de inwoner door naar de jeugdhulpaanbieder die volgens de deskundige de aangewezene is om de betreffende problematiek aan te pakken. Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een inwoner precies nodig heeft. Een inwoner kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur).

Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zien op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket. Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multiproblematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn.

pagina 65/112

Ons kenmerk T20.14076

Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de gemeente bij verordening heeft gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is (zie artikel 5:2). Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen.

Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezags-beëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening. Toegang via Veilig Thuis Ten slotte vormt ook Veilig Thuis een toegang tot jeugdhulp. Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening.

5.2

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 5:1 Begrippen Het aantal definities van artikel 5:1 is beperkt aangezien de Jeugdwet al een groot aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in de verordening.

Artikel 5:2 Vormen van jeugdhulp Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2:9, onder a, van de wet, waarin is bepaald dat de gemeente bij verordening regels stelt over de door het college te

pagina 66/112

Ons kenmerk T20.14076

verlenen individuele voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen. Uit de memorie van toelichting op de wet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3) komt naar voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente. Het begrip 'voorziening' is een lastig te vatten begrip. De wetgever waagt zich dan ook niet aan een definitie, maar geeft wel in de memorie van toelichting aan dat de door de gemeente te treffen voorziening zowel een algemene, vrij toegankelijke voorziening kan zijn als een individuele voorziening. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. Voor de niet vrij toegankelijke vormen van ondersteuning zal door de gemeente (artikel 2:1 tot en met artikel 2:10) of door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts en de jeugdhulp-aanbieder (artikel 5:3) eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze ondersteuning daadwerkelijk nodig hebben. Voorzieningen in de zin van de Jeugdwet zijn gerelateerd aan de drieledige wettelijke definitie van jeugdhulp (zie de toelichting op artikel 1:1). Een voorziening kan derhalve een breed spectrum van verschillende soorten ondersteuning, hulp en zorg omvatten.

Een beschrijving is gewenst omdat de wetgever gemeenten opdraagt ervoor te zorgen dat de burger zich een beeld kan vormen van de voorzieningen in het kader van jeugdhulp. Artikel 5:3 Toegang jeugdhulp In artikel 2:6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de vrijtoegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de inwoner rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de inwoner daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2). Zie ook de algemene toelichting.

De gemeente is niet verplicht om elke jeugdhulp te vergoeden waarnaar een huisarts, medisch specialist of jeugdarts specialist verwijst, maar alleen als dat aanbod ook gecontracteerd is door de gemeente (lid 4). Het is belangrijk dat een verwijzer op de hoogte blijft van de resultaten van de hulp en een aanbieder niet onbeperkt gebruik kan maken van een verwijzing om een nieuw (of verlengd) hulptraject te starten. Daarom bepaalt lid 5 dat de verwijzing maximaal 1 jaar geldig is. Daarmee komt de verwijzer in de positie om opnieuw de situatie te beoordelen. Voor huisartsen kan daarbij de eventueel aanwezige praktijkondersteuner jeugd een rol spelen. Artikel 5:4 Criteria voor het toekennen van individuele voorzieningen In dit artikel wordt duidelijk gemaakt welke afwegingsfactoren het college hanteert bij toekenning van individuele voorzieningen. In het onderzoek van het college worden conform de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) achtereenvolgend een aantal stappen doorlopen: 1. Stel de hulpvraag vast.

pagina 67/112

Ons kenmerk T20.14076

2.

Stel vast of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn (valt het onder de Jeugdwet?). 3. Bepaal welke hulp naar aard en omvang noodzakelijk is. 4. Onderzoek in hoeverre de eigen mogelijkheden van ouders en/of het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de hulp te bieden (eigen kracht). Vervolgvragen voor het beoordelen van de eigen kracht: a) Is de ouder in staat om de noodzakelijke hulp te bieden? b) Is de ouder beschikbaar om de noodzakelijke hulp te bieden? c) Levert het bieden van de hulp door de ouder geen overbelasting op? d) Ontstaan er geen financiële problemen in het gezin als de hulp door de ouder wordt geboden (de bewijslast ligt hierbij bij de ouders)? Als er hulp nodig is, maar de ouders in staat en beschikbaar zijn om deze hulp te bieden, daardoor niet overbelast raken en niet in de financiële problemen komen, dan hoeft het college geen jeugdhulp toe te kennen. Alleen voor het deel dat de ouders niet zelf kunnen leveren zet het college jeugdhulp in. Artikel 5:5 Aanvraag individuele voorziening Dit artikel regelt hoe de aanvraag van een individuele voorziening via de gemeente verloopt. Artikel 5:6 Overige toegangsmogelijkheden jeugdhulp (vervallen) Artikel 5:7 Spoedeisende ondersteuning

In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet. Artikel 5:8.1 tot en 5.8.9. artikelen over arrangementen Deze artikelen hebben artikelen hebben specifiek betrekking op de jeugdhulp die regionaal is ingekocht en die als arrangement wordt ingezet. Artikel 5:8:10 en Artikel 5:8:11 Zeventien-en-een-half jarigen en voortzetting hulp na 18 jaar Deze artikelen waarborgen een soepele overgang, indien van toepassing, tussen ondersteuning vanuit de Jeugdwet en de Wmo 2015. Artikel 5.8.12 en 5:8:13 Vaktherapie en dierentherapie Deze artikelen stellen voorwaarden aan deze twee specifieke hulpvormen met het oog op kwaliteit en doelmatigheid. Artikel 5:8a Afgifte beschikking Het college legt de toekenning of afwijzing van een individuele beschikking altijd vast in een beschikking. Artikel 5:9 Inhoud beschikking Indien de inwoner een formele aanvraag bij het college indient (artikel 2:5) of er overeenkomstig artikel 5:3, tweede lid, een beschikking afgegeven wordt, dient het college een schriftelijke beschikking op te

pagina 68/112

Ons kenmerk T20.14076

stellen, waartegen zij bezwaar en beroep op grond van de Awb kunnen indienen. Uitgangspunt van de wetten is dat de inwoner een voorziening in ‘natura’ krijgt. Indien gewenst door de jeugdige of zijn ouders bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een pgb. Het eerste lid bevestigt de regeling van deze onderwerpen in de Jeugdwet, Wet maatschappelijke ondersteuning en de Awb en is hier opgenomen in het belang van burgers om hen in de verordening een zo compleet mogelijk beeld te geven van hun rechten en plichten. De mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daarop volgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Awb en geldt in beginsel voor alle beschikkingen. Indien een inwoner in bezwaar en beroep wil gaan, hebben zij op grond van de Awb het recht op het indienen van een aanvraag, waarmee een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit kan worden uitgelokt. Ook de weigering, of het te lang uitblijven van een beschikking, geeft de burger op grond van de Awb de ingang van bezwaar en beroep. Artikel 5:10 Regels voor persoonsgebonden budget Bij nota van wijziging (Kamerstukken II 2013/14 33 684, nr.

11, artikel MM) is de regeling in artikel 8:1:1 van de wet voor het pgb aangepast (“gestandaardiseerd”) aan de verwante regelgeving met betrekking tot de maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015), In deze regeling stond dat een pgb slechts wordt verstrekt indien aan de in het derde lid gestelde voorwaarden is voldaan. Bij amendement Bergkamp/Voortman (Kamerstukken II 2013/14 33 684, nr. 109) is het woord ‘slechts’ geschrapt omdat dit een onnodige en overbodige inperking van het recht op een pgb leek te suggereren. Bij amendement Bisschop en Voortman (Kamerstukken II 2013/14 33 684, nr. 100) is het vijfde lid zo aangepast dat duidelijk is geworden dat inwoners zelf kunnen bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan de in de betreffende situatie goedkoopst passende door het college te bieden individuele voorziening in natura. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan deze door het college te bieden individuele voorziening in natura. In het eerste lid is een verwijzing opgenomen naar het centrale pgb-artikel (8:1:1 )van de wet. Dit lid is opgenomen teneinde in de verordening een compleet beeld van rechten en plichten van de inwoner te geven. In het tweede lid is verankerd dat het college op grond van artikel 8:1:1 van de Jeugdwet een pgb kan verstrekken.

Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van het college worden gesproken. Voor gemeenten is onder meer van belang dat een pgb slechts wordt verstrekt indien de inwoner gemotiveerd kan aantonen dat de individuele voorziening die door een aanbieder wordt geleverd, niet passend is (zie artikel 8.1.1, derde lid, onder b ). Het artikel berust op artikel 2:9, onder c, van de Jeugdwet. In deze wetsbepaling staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld. In artikel 8:1:1, vijfde lid, onderdeel a, van de Jeugdwet is bepaald dat het college een pgb kan weigeren voor zover de kosten van het betrekken van de hulp van derden hoger zijn dan de kosten van de individuele voorziening. Zo wordt voorkomen dat inkoopvoordelen zouden wegvallen als teveel personen zelf ondersteuning willen inkopen met een pgb. Artikel 5:11

pagina 69/112

Ons kenmerk T20.14076

(vervallen) Artikel 5:12 (vervallen) Artikel 5:13 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de inwoner, door aanbieders laten verrichten (artikel 2:11, eerste lid, van de Jeugdwet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2:12 va de Jeugdwet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren.

Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden. Artikel 5:14 Klachtregeling In de regel zal eerst de aanbieder worden aangesproken bij klachten over de wijze van behandeling. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld in artikel 4:2:1 e.v. van de wet. Pas wanneer dit klachtrecht niet bevredigend is, of niet logisch, bijvoorbeeld bij gedragingen van gemeenteambtenaren, dan komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht. Artikel 5:54 Betrekken van ingezetenen bij het beleid In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over medezeggenschap bij de gemeente. De mogelijkheid tot inspraak en medezeggenschap tegenover de aanbieder is al geregeld in artikel 4:2:4 e.v. van de wet. Regeling van medezeggenschap is verplicht op grond van artikel 2.10 van de wet in samenhang met artikel 2:1:3, derde lid, van de Wmo 2015. In artikel 2:10 (in de redactie van de Nota van wijziging op het wetsvoorstel Wmo 2015 van 12 maart 2014, kamerstukken II 22841, nr.

35) worden de artikelen 2:1:3, derde lid, en 2:5:1 (jaarlijks cliëntervaringsonderzoek) van de Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing verklaard. Ingevolge artikel 2:1:3, derde lid, van de Wmo 2015 dient bij verordening te worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet. In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat eenzelfde inspraakprocedure geldt voor

pagina 70/112

Ons kenmerk T20.14076

het jeugdhulpbeleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle inwoners. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven. Artikel 5:16 Hardheidsclausule Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om in bijzondere gevallen die niet voorzien zijn af te kunnen wijken van de bepalingen in de verordening indien toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

pagina 71/112

Ons kenmerk T20.14076

6

Werk, re-integratie en tegenprestatie

6.1

Werk en re-integratie

6.1.1

Algemene toelichting

Er is gekozen voor een algemeen, globaal onderdeel over re-integratie. Dit heeft te maken met de aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers, re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is. Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorziening binnen de kaders van de re-integratieverordening. Daarom is ervoor gekozen in dit onderdeel de voorzieningen vast te leggen die het college in ieder geval kan aanbieden.

Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om regels op te nemen: - de loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Participatiewet; - scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, onderdeel c, van de Participatiewet); - de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, sub d, en tweede lid, sub c, van de Participatiewet); - participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, sub e, en 10b, vierde lid, van de Participatiewet). 6.1.2

Artikelsgewijze toelichting

Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder behandeld. Artikel 6:1 Begrippen Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. Doelgroep De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, sub a, van de Participatiewet. Het betreft personen: - die algemene bijstand ontvangen; - als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdeel b van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), artikel 35, vierde lid, onderdeel b, van de WIA en artikel 36, derde lid, onderdeel b van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee

pagina 72/112

Ons kenmerk T20.14076

aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is verleend; - als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Participatiewet; - met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW); - met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW); - met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ); - zonder uitkering; en - die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het college aangeboden voorziening. Grote afstand tot de arbeidsmarkt Onder een grote afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon redelijkerwijs niet binnen een half jaar geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt. Zie verder de toelichting bij artikel 6:2 van deze verordening. Korte afstand tot de arbeidsmarkt Onder een korte afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon redelijkerwijs binnen een half jaar geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt. Zie verder de toelichting bij artikel 6:2 van deze verordening.

Artikel 6:2 Evenwichtige verdeling en financiering Op grond van artikel 8a, tweede lid, sub a, van de Participatiewet moet de gemeenteraad in de verordening de verdeling van de voorzieningen over personen opnemen, waarbij rekening wordt gehouden met de omstandig-heden en de functionele beperkingen van die personen. Hierin ligt besloten dat de gemeenteraad ook rekening houdt met de omstandigheden en functionele beperkingen van personen met een handicap. Daarbij streeft het college ernaar om de voorzieningen zo goed mogelijk aan te laten sluiten op de specifieke ondersteunings-behoefte van de klant. Dus niet de gebruikelijke effecten van de voorzieningen staan centraal, maar de manier waarop een individuele inwoner de beoogde doelen kan bereiken met een bepaalde voorziening. Sommige voorzieningen kunnen dus zowel ingezet worden voor mensen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt, als voor mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt (bijvoorbeeld 6:5 en 6:12). Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen, beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente waardigheid.

In dit artikel is aan het voorgaande uitvoering gegeven. Grote afstand tot arbeidsmarkt Het college biedt voorzieningen als bedoeld in de artikelen 6:5 (werkstages), 6:6 (sociale activering), 6:8 (scholing), 6:9 (participatieplaats), 6:11 (ondersteuning bij leer-werktraject) en 6:12 (persoonlijke onder-steuning) aan personen aan die behoren tot de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. De doelgroep is gedefinieerd in artikel 6:1.

pagina 73/112

Ons kenmerk T20.14076

Korte afstand tot arbeidsmarkt Het college biedt de voorzieningen zoals bedoeld in artikelen 6:5 (werkstages), 6:7 (detacheringsbaan) en 6:12 (persoonlijke ondersteuning) aan, aan personen die behoren tot de doelgroep met een korte afstand tot de arbeidsmarkt. De doelgroep is gedefinieerd in artikel 6:1. Overige voorzieningen Voor de overige kandidaten die niet eenduidig in te delen zijn in ‘korte’ of ‘grote afstand tot de arbeidsmarkt’ volgt al uit de doelgroepomschrijving van de voorzieningen aan wie het college deze voorzieningen kan aanbieden. Het gaat om: beschut werk (artikel 6:10), ondersteuning bij leerwerktrajecten (artikel 6:11), persoonlijke ondersteuning (artikel 6:12), loonkostensubsidie (artikel 6:25 en 6:26) en uitstroompremies (artikel 6:15). Rekening houden met omstandigheden en beperkingen Het college moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. In artikel 6:2, derde lid, is opgenomen waarmee het college in ieder geval rekening moet houden. Verslag doeltreffendheid Het college zendt elke vier jaar een verslag over de doeltreffendheid van het re-integratiebeleid. Dit verslag moet het oordeel van de ASD bevatten. Dit is geregeld in artikel 6:2, vierde lid.

Artikel 6:3 Budget- en subsidieplafonds Het college kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van de middelen over de verschillende voorzieningen. Het uitgeput zijn van begrotingsposten kan echter nooit een reden zijn om aanvragen voor voorzieningen te weigeren. Om dat wel mogelijk te maken kan de gemeenteraad bij verordening budget- en subsidieplafonds instellen. Per voorziening wordt dan een plafond ingebouwd; dit laat de mogelijkheid open dat een andere voorziening wordt aangeboden. In dit artikel geeft de gemeenteraad het college de bevoegdheid om plafonds in te stellen. Een mogelijkheid is dat bij de vaststelling van de plafonds wordt verwezen naar de bijdragen die bijvoorbeeld in de begroting voor de verschillende voorzieningen worden gereserveerd. Een budgetplafond geldt voor de uitgaven die het college doet in het kader van voorzieningen. Een subsidieplafond geldt voor voorzieningen die subsidies inhouden. Een subsidieplafond dient wel bekendgemaakt te worden vóór de periode waarvoor deze geldt (art. 4:27, eerste lid, Awb). Artikel 6:4 Algemene bepalingen over voorzieningen De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon.

Al naar gelang de afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk). Ook is het mogelijk dat een gemeente in individuele gevallen een persoonsgebonden re-integratiebudget ter beschikking stelt.

pagina 74/112

Ons kenmerk T20.14076

Beëindigingsgronden Het tweede lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in welke gevallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van beëindigen dienen vanzelf-sprekend de toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden genomen. Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in artikel 6:4, tweede lid, van deze verordening. Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, sub a onder 2, van de Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon zoals bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdeel b, artikel 35, vierde lid, sub b en artikel 36, derde lid, sub b, van de WIA. Voor deze doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie is verstrekt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=9037a256-0520-401d-9e05-f9909d44838c