[T20.14076] Verordening Sociaal Domein 2021
Tekst van het document
pagina 26/113
Ons kenmerk T20.14076
Artikel 5:8:3 Aanvullende criteria voor het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren Een jeugdige kan in aanmerking komen voor een individuele voorziening binnen het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren als hij in het dagelijks functioneren beperkingen ondervindt in relatie tot een of meerdere van de volgende aspecten en de gebruikelijke hulp door de ouders hier niet in kan voorzien: a. het krijgen of behouden van structuur of regie; b. het aanleren van praktische vaardigheden; c. het behoud of de vergroting van de zelfstandigheid; d. het aanleren van sociale vaardigheden; e. het langdurig ondersteunen bij zijn functioneren en het al dan niet deels overnemen hiervan; f. het leren omgaan met zijn beperkingen. Artikel 5:8:4 Aanvullende criteria voor het resultaatgebied herstel, vermindering, stabilisatiestoornis jeugdige Een jeugdige kan in aanmerking komen voor een individuele voorziening binnen het resultaatgebied herstel, vermindering, stabilisatie stoornis jeugdige, als er bij hem in relatie tot één of meerdere van de volgende aspecten aanwijzingen zijn voor een tijdelijke of blijvende stoornis of beperking, of delict gedrag als gevolg van een stoornis of beperking waarvoor behandeling noodzakelijk is. a. het nodig hebben van diagnostiek als onderdeel van behandeling; b.
het blijk geven van een behoefte aan stabilisering, vermindering, behandeling en opheffing van de stoornis of beperking en het leren omgaan hiermee; c. het verbeteren of stabiliseren van het functioneren van de jeugdige in één of meerdere domeinen zoals gezin en vrije tijd; d. het verlagen van recidiverisico. Artikel 5:8:5 Aanvullende criteria voor het resultaatgebied opvoeding en versterking mogelijkheden ouders Een jeugdige kan in aanmerking komen voor een individuele voorziening binnen het resultaatgebied opvoeding en versterking mogelijkheden ouders, als zijn ouders, afgemeten aan één of meerdere van de volgende aspecten, ondersteuning bij hun opvoedingsvaardigheden nodig hebben bij: a. het te allen tijde kunnen waarborgen van de veiligheid van de jeugdige; b. het stimuleren van de sociale en emotionele ontwikkeling van de jeugdige in de zin van het voorkomen van emotionele verwaarlozing; c. het kunnen omgaan met de specifieke kenmerken die horen bij de stoornis, ontwikkelingsstoornis of gedragsproblemen van de jeugdige; d. het kunnen aanpassen van het opvoedersgedrag bij de ontwikkelingsleeftijd van de jeugdige; e. het aandacht kunnen hebben en kunnen zorgdragen voor de gezondheid van de jeugdige; f. het kunnen zorgdragen voor deelname van de jeugdige aan onderwijs of vormen van daghulp; g. het kunnen ontwikkelen van een voor de jeugdige steunend netwerk.
pagina 27/113
Ons kenmerk T20.14076
Artikel 5:8:6 Aanvullende criteria voor het ondersteuningselement vervangende opvoeding jeugdige Het college zet ondersteunende vervangende opvoeding voor de jeugdige in, als gedurende een behandelingssituatie hulp vanwege een of meerdere van de volgende omstandigheden niet in de thuissituatie kan worden geboden: a. de opvoedsituatie is niet veilig genoeg voor de jeugdige; b. de jeugdige vormt een gevaar voor zichzelf of de omgeving, welk gevaar niet door de opvoeders, al dan niet in combinatie met ambulante hulp, kan worden weggenomen; c. de noodzakelijke hulp aan de jeugdige kan niet in afdoende mate door de opvoeders of ambulante hulp worden geboden; d. vervangende opvoeding levert betere en effectievere hulp aan de jeugdige op. Artikel 5:8:7 Aanvullende criteria voor het ondersteuningselement dagbehandeling of dagbesteding Het college zet ondersteunende dagbehandeling of dagbesteding in, als een of meerdere van de volgende omstandigheden aan de orde zijn: a. vanwege een beperking of stoornis is het voor de jeugdige niet mogelijk om, al dan niet tijdelijk, deel te nemen aan onderwijs; b. de jeugdige heeft een stoornis of beperking die met dagbehandeling effectief te behandelen is; c. de jeugdige is gebaat bij het aanleren van vaardigheden in het kader van sociaal en persoonlijk functioneren, waaronder het verkrijgen van een dagstructuur.
Artikel 5:8:8 Aanvullende criteria voor het ondersteuningselement mantelzorgondersteuning (vervallen) Artikel 5:8:9 Waakvlamfunctie jeugdhulp (vervallen) Artikel 5:8:10 Zeventien en een half-jarigen Het college kan een jeugdige, die de leeftijd van 18 jaar bijna heeft bereikt en naar verwachting een voort-durende behoefte aan ondersteuning zal hebben na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar, ondersteuning aanbieden in het kader van de Wmo 2015. Artikel 5:8:11 Voortzetting jeugdhulp na 18 jaar Het college kan besluiten om de ondersteuning aan een jeugdige, als bedoeld in artikel 1:1, onder paragraaf 3 van de Jeugdwet, na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar voort te zetten of te hervatten, indien de ondersteuning niet, niet adequaat of niet volledig in de vorm van ondersteuning op grond van de Wmo 2015 kan worden verstrekt. Artikel 5:8:12 Aanvullende criteria vaktherapie Vaktherapie kan uitsluitend worden ingezet in combinatie met een behandeling en voor een maximaal aantal van 12 sessies van 1 uur.
pagina 28/113
Ons kenmerk T20.14076
Artikel 5:8:13 Aanvullende criteria dierentherapie Dierentherapie komt alleen voor vergoeding in aanmerking als deze de therapie in combinatie met een behandeling wordt uitgevoerd en als deze wordt uitgevoegd door een hulpverlener met BIG- of SKJregistratie, de aanbieder een keurmerk heeft en de inzet van dieren als middel is onderbouwd in een resultaatgericht hulpverleningsplan. Artikel 5:8a Afgifte beschikking Het college legt de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, in alle gevallen vast in een beschikking aan de jeugdige of zijn ouders. Artikel 5:9 Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan zijn; b. wat de ingangsdatum, omvang en duur van de verstrekking is; c. welke gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieder van jeugdhulp de voorziening verstrekt, en d. indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 3. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking vastgelegd: a.
voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe deze is berekend; d. welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; e. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; f. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb, en g. dat de jeugdige of zijn ouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling doet van gewijzigde feiten en/of omstandigheden. Artikel 5:10 Regels voor persoonsgebonden budget Indien de jeugdige of zijn ouders dit wenst, verstrekt het college hun een pgb dat hem in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken. 1. Conform artikel 8.1.1 van de Jeugdwet verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouders alleen een pgb, indien: a. de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is tot een redelijke waardering van de belangen ter zake dan wel met hulp uit hun sociale netwerk dan wel een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde, in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; b. naar het oordeel van het college de jeugdige of zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder, niet passend acht; en
pagina 29/113
Ons kenmerk T20.14076
c.
naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de inwoner van het budget wil betrekken, van goede kwaliteit is en bijdraagt aan het beoogde resultaat. 2. De hoogte van een pgb a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de jeugdige of zijn ouders opgesteld plan waarin in ieder geval uiteen is gezet: 1°. welke jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken, en 2°. indien van toepassing, welke hiervan de jeugdige of zijn ouders willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk; b. wordt berekend op basis van een tarief of prijs: 1°. waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb de jeugdige of zijn ouders in staat stelt tijdig kwalitatief goede jeugdhulp van derden te betrekken; 2°. waarbij rekening is gehouden met redelijke overheadkosten van derden van wie de jeugdige of zijn ouders de jeugdhulp willen betrekken, en 3°. waarbij, voor zover van toepassing, rekening is gehouden met de in het derde lid gestelde voorwaarden betreffende het tarief onder welke de jeugdige of zijn ouders de mogelijkheid heeft om de betreffende jeugdhulp te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. c.
bedraagt voor jeugdhulp verleend door een persoon die niet behoort tot het sociaal netwerk niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate in de gemeente tijdig beschikbare individuele voorziening in natura. d. bedraagt voor jeugdhulp verleend door een persoon uit het sociale netwerk € 13,00 per uur voor begeleiding ambulant, € 20,00 per dagdeel voor dagbesteding en € 20,00 per etmaal voor kortdurend verblijf. 3. De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt kan de jeugdhulp onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het eigen sociale netwerk: a. deze persoon heeft aangegeven dat het leveren van de jeugdhulp voor hem niet tot overbelasting leidt; b. deze persoon heeft op geen enkele wijze druk op de ontvanger uitgeoefend bij diens beslissing; c. het pgb wordt niet gebruikt voor de betaling van tussenpersonen of belangenbehartigers; d. het betreft geen dienst die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie; e. de hulp wordt niet verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. 4. Voor dyslexiezorg wordt geen pgb toegekend. Artikel 5:11 (vervallen) Artikel 5:12 (vervallen)
pagina 30/113
Ons kenmerk T20.14076
Artikel 5:13 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; d. een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; en e. kosten voor bijscholing van het personeel. Artikel 5:14 Vertrouwenspersoon 1. Het college zorgt ervoor dat inwoners een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. 2. Het college wijst inwoners erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon (Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg). Artikel 5:15 Klachtregeling Het college ziet er op toe dat jeugdhulpaanbieders over een klachtenregeling beschikken en ziet toe op de wijze van naleving van de klachtenregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks klanttevredenheid onderzoek. Artikel 5:16 Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1.
Het college betrekt de inwoners van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2. Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid. Artikel 5:17 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de inwoner afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
pagina 31/113
Ons kenmerk T20.14076
6
Werk, re-integratie en tegenprestatie
6.1
Werk en re-integratie
6.1.1
Algemene bepalingen
Artikel 6:1 Begrippen In dit onderdeel wordt verstaan onder: a. doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, sub a, van de Participatiewet; b. grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen een half jaar; c. korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen een half jaar. 6.1.2
Beleid en financiën
Artikel 6:2 Evenwichtige verdeling en financiering 1. Het college kan de voorziening bedoeld in artikelen 6:5, 6:7, 6:8 en 6:12 aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een korte afstand tot de arbeidsmarkt. 2. Het college kan de voorzieningen bedoeld in de artikelen 6:5, 6:6, 6:8, 6:9, 6:10, 6:11 en 6:12 aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. 3. Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: a. de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en b. de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. 4. Het college zendt elke vier jaar aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid van het beleid. Het verslag bevat in ieder geval het oordeel van de Adviesraad Sociaal Domein. Artikel 6:3 Budget- en subsidieplafonds 1. Het college kan in beleidsregels een of meer subsidie- of budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen die in dit onderdeel worden genoemd.
Een door het college ingesteld subsidie- of budgetplafond vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening. 2. Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening. 6.1.3
Voorzieningen
pagina 32/113
Ons kenmerk T20.14076
Artikel 6:4 Algemene bepalingen over voorzieningen 1. Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening beleidsregels vast waarin wordt vastgelegd welke voorzieningen, waaronder ondersteunende voorzieningen, het college in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in dit onderdeel geen nadere bepalingen zijn opgenomen. 2. Het college kan een voorziening beëindigen als: a. de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de Participatiewet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; b. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; c. de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in dit onderdeel genoemde voorziening, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, sub a, onder 2 van de Participatiewet; d. naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; e. de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; f.
de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; g. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in dit onderdeel worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. Artikel 6:5 Werkstage 1. Het college kan een persoon een werkstage gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als deze behoort tot de doelgroep. 2. Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. 3. Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 4. In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd: a. het doel van de werkstage, en b. de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. Artikel 6:6 Sociale activering 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. 2. Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon. 3.
Het college stelt in beleidsregels nadere voorwaarden op voor het aanbieden van sociale activering voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen. pagina 33/113
Ons kenmerk T20.14076
Artikel 6:7 Detacheringsbaan 1. Het college kan zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht op arbeidsinschakeling. 2. De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie. 3. Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Artikel 6:8 Scholing en training 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een scholings- of trainingstraject aanbieden. 2. Een scholing- of trainingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. De ingezette scholing of training moet resulteren in een reële verhoging van de kansen op de arbeidsmarkt; b. De scholing of training is noodzakelijk om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; en c. Scholing of training wordt niet ingezet indien een persoon in het jaar voorafgaand aan het verzoek om scholing of training al met succes een beroepsgerichte scholing heeft afgerond. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in artikel 7, derde lid, sub a, van de Participatiewet. Artikel 6:9 Participatieplaats 1.
Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de Participatiewet onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten. 2. Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten. 3. De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de Participatiewet bedraagt € 100,- per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. Artikel 6:10 Participatievoorziening beschut werk 1. Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze persoon in dienst neemt. 2. Het college kan voor personen uit de doelgroep een advies inwinnen bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. 3.
Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken zet het college de volgende ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. pagina 34/113
Ons kenmerk T20.14076
4.
5. 6. 7.
Het college stelt het aantal plekken voor beschut werk beschikbaar conform het jaarlijkse voorschrift in de ministeriële regeling. Het college stelt niet meer plekken voor beschut werk beschikbaar dan het minimum aantal in het jaarlijkse voorschrift in de ministeriële regeling. Het college biedt de voorziening beschut werk aan personen met een indicatie beschut werk op volgorde van de datum van de indicatie beschut werk. Het college bepaalt welke voorzieningen worden aangeboden aan personen met een indicatie beschut werk wanneer het aantal beschikbare beschutte werkplekken in een jaar reeds is vervuld. Tot het moment van aanvang van de dienstbetrekking op een beschutte werkplek, kan het college aan personen uit de doelgroep een werkstage aanbieden zoals bedoeld in artikel 6:5.
Artikel 6:11 Ondersteuning bij leer-werktraject Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leer-werktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject en het personen betreft: a. van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of b. van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. Artikel 6:12 Persoonlijke ondersteuning Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het college persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon opgedragen taken aanbieden in de vorm van tijdelijke, langdurige of structurele begeleiding als hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem opgedragen taken te verrichten. Artikel 6:13 No-riskpolis (vervallen) Artikel 6:14 Werkgeverscheque 1. Het college kan een vergoeding in de vorm van een werkgeverscheque verstrekken aan een werkgever die met een werknemer met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een arbeidsovereenkomst sluit. 2. De werkgeverscheque wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing plaatsvindt. 3.
De werkgeverscheque wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer. 4. Het college legt de hoogte van de werkgeverscheque en verdere voorwaarden vast in beleidsregels. Artikel 6:15 Uitstroompremie 1. Het college kan eenmalig een uitstroompremie toekennen aan een langdurig werkloze die duurzaam uitstroomt naar algemeen geaccepteerde arbeid en daardoor niet langer recht heeft op algemene bijstand.
pagina 35/113
Ons kenmerk T20.14076
2. 3.
Een langdurig werkloze in de zin van het eerste lid is een persoon die gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden of langer op een uitkering aangewezen is of is geweest. Onder duurzaam in de zin van het eerste lid wordt verstaan een dienstverband van tenminste zes aaneengesloten maanden.
6.1.4
Slotbepalingen
Artikel 6:16 Hardheidsclausule Indien hiervoor gegronde redenen zijn, kan het college ten gunste van een persoon uit de doelgroep afwijken van de bepalingen in dit onderdeel. Artikel 6:17 Overgangsrecht (vervallen)
6.2 6.2.1
Tegenprestatie Algemene bepalingen
Artikel 6:18 Begrippen In dit onderdeel wordt verstaan onder: a. grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen een half jaar; b. korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen een half jaar; c. mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt; d. belanghebbende: iemand die een uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet, IOAW of IOAZ. 6.2.2
Beleid
Artikel 6:19 Verslag over beleid 1. Het college zendt elke vier jaar aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid van het beleid. 2. Het verslag, zoals bedoeld in het eerste lid, bevat het oordeel van de Adviesraad Sociaal Domein. 6.2.3
Tegenprestatie naar vermogen
Artikel 6:20 Inhoud van een tegenprestatie 1. Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden: a. naar hun aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; pagina 36/113
Ons kenmerk T20.14076
2.
b. niet zijn bedoeld als re-integratie-instrument; c. worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; en d. niet leiden tot verdringing. Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening beleidsregels vast waarin wordt vastgelegd welke aanvullende werkzaamheden het college in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.
Artikel 6:21 Het opdragen van een tegenprestatie 1. Het college kan een belanghebbende met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een tegenprestatie opdragen. 2. Het college kan een belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt uitsluitend een tegenprestatie opdragen indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen 3. Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening met de volgende factoren: a. de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door een belanghebbende; b. de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende moeten in aanmerking worden genomen. Artikel 6:22 Duur en omvang van een tegenprestatie 1. De tegenprestatie wordt opgedragen voor de maximale duur van 13 weken. 2. De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal 20 uur per week. 3. De tegenprestatie kan binnen een periode van 12 maanden slechts twee keer worden opgedragen. 4. Het college kan met verwijzing naar artikel 6:21 lid 3 ook besluiten geen tegenprestatie op te leggen. Artikel 6:23 Uitzonderingen (vervallen) Artikel 6:24 Geen werkzaamheden voorhanden 1. Het college draagt geen tegenprestatie op indien geen werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie. 2.
Indien het college geen tegenprestatie opdraagt omdat geen werkzaamheden voorhanden zijn, beoordeelt het college binnen vier maanden of op dat moment wel werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.
6.3
Loonkostensubsidie
Artikel 6:25 Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie behoort 1. Het college kan vaststellen of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. 2. Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht: a. een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 7, eerste lid, sub a, van de Participatiewet; pagina 37/113
Ons kenmerk T20.14076
3. 4.
b. die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen, en c. die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Voorafgaand aan de vaststelling zoals bedoeld in het eerste lid, kan het college een voormeting uitvoeren. Het college kan een derde inschakelen die het college adviseert met betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Deze derde neemt daarbij de in het tweede lid neergelegde criteria in acht.
Artikel 6:26 Vaststelling loonwaarde 1. Het college gebruikt de in de bijlage omschreven wijze om de loonwaarde van een persoon vast te stellen. 2. Het college kan een derde inschakelen die het college adviseert met betrekking tot de vaststelling van de loonwaarde van een persoon. Deze derde neemt daarbij de in de toelichting van deze verordening omschreven methode in acht.
pagina 38/113
Ons kenmerk T20.14076
7
Inkomen
7.1
Individuele inkomenstoeslag
Artikel 7:1 Begrippen In dit onderdeel wordt verstaan onder: a. inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet, en de algemene bijstand; b. peildatum: datum waarop een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt; c. referteperiode: periode van drie jaar voorafgaand aan de peildatum. Artikel 7:2 Indienen verzoek Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier. Artikel 7:3 Langdurig laag inkomen Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 100 procent van de toepasselijke bijstandsnorm. Artikel 7:4 Hoogte individuele inkomenstoeslag 1. Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar: a. € 402,- voor een alleenstaande; b. € 510,- voor een alleenstaande ouder; c. € 571,- voor gehuwden; 2. Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. 3. Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de peildatum bepalend. 4.
De bedragen genoemd in het eerste lid worden jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro’s. Artikel 7:5 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in dit onderdeel, indien toepassing daarvan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.
pagina 39/113
Ons kenmerk T20.14076
7.2
Individuele studietoeslag
Artikel 7:6 Indienen verzoek Een verzoek als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet, wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier. Artikel 7:7 Dringende redenen (vervallen) Artikel 7:8 Eenmaal per studiejaar individuele studietoeslag verlenen Een persoon kan eenmaal binnen een studiejaar in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag. Artikel 7:9 Hoogte individuele studietoeslag 1. Een individuele studietoeslag bedraagt € 1.848,- per periode van 12 maanden. 2. Het bedrag genoemd in het eerste lid wordt jaarlijks geïndexeerd conform de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro's. Artikel 7:10 Betaling individuele studietoeslag Een individuele studietoeslag wordt in 12 maandelijkse termijnen van € 154,- uitbetaald.
7.3 7.3.1
Afstemming Algemene bepalingen
Artikel 7:11 Begrippen In dit onderdeel wordt verstaan onder: a. benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan; b. bijstandsnorm: 1) toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, sub c, van de Participatiewet, of 2) grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen voor zover sprake is van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; c. uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.
pagina 40/113
Ons kenmerk T20.14076
Artikel 7:12 (vervallen) Artikel 7:13 Het besluit tot opleggen van een verlaging In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als bedoeld in artikel 18, tweede, vijfde, zesde, zevende en achtste lid, van de Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen worden in ieder geval vermeld: a. de reden van de verlaging; b. de duur van de verlaging; c. het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, en d. indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging. Artikel 7:14 Horen van belanghebbende 1. Voordat een verlaging wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 2. Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als: a. de vereiste spoed zich daartegen verzet; b. belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; c. het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid, of d. belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken.
Artikel 7:15 Afzien van verlaging 1. Het college ziet af van een verlaging als: a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of b. de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan door het college heeft plaatsgevonden. 2. Het college kan afzien van een verlaging als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3. Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. Artikel 7:16 Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging 1. Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende bijstandsnorm. 2. Een verlaging kan met terugwerkende kracht worden toegepast op de uitkering over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad of over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden als een verlaging overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken of als de uitkering over die periode nog niet is uitbetaald. pagina 41/113
Ons kenmerk T20.14076
3.
Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog opgelegd als belanghebbende binnen de termijn, bedoeld in artikel 7:15, eerste lid, sub b, opnieuw een uitkering ontvangt.
Artikel 7:17 Berekeningsgrondslag 1. Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm. 2. In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als: a. aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet, of b. de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft. 3. Bij toepassing van het tweede lid, sub a, moet in de paragrafen 6.1.2, 6.1.3 en 6.1.4 van deze verordening ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de Participatiewet verleende bijzondere bijstand’. 4. Bij toepassing van het tweede lid, sub b, moet in de paragrafen 6.1.2, 6.1.3 en 6.1.4 van deze verordening ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de verleende bijzondere bijstand’. 7.3.2
Niet nakomen van de niet-geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling
Artikel 7:18 Gedragingen Participatiewet Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 9 en 9a van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie: 1) het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; b. tweede categorie: 1) het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. c.
derde categorie: 1) het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet; 2) het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, sub b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet; 3) het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, sub c, van de Participatiewet. pagina 42/113
Ons kenmerk T20.14076
4)
Het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet.
Artikel 7:19 Gedragingen IOAW en IOAZ Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie: 1) het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; b.
tweede categorie: 1) het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; 2) het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; 3) het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om, in verband met de arbeidsinschakeling, op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen. c.
derde categorie: 1) het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, sub f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, sub f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; 2) het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; 3) gedragingen die de arbeidsinschakeling belemmeren; 4) Het niet of onvoldoende meewerken aan een door het college aangeboden voorziening gericht op het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt, zoals bijvoorbeeld een groepsworkshop of een werkervaringsplaats. d.
vierde categorie: 1) het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; 2) het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; pagina 43/113
Ons kenmerk T20.14076
3) 4)
het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening.
Artikel 7:20 Hoogte en duur van de verlaging De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 7:18 en 7:19, wordt vastgesteld op: a. 10% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie; b. 30% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie; c. 50% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie; d. 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de vierde categorie. 7.3.3
Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling
Artikel 7:21 Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand. Artikel 7:22 Verrekenen verlaging 1. Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 7:21, wordt toegepast over de maand van oplegging van de afstemming en de volgende twee maanden. 2. Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid, sub a, van de Participatiewet, vindt geen verrekening als bedoeld in het eerste lid plaats. 7.3.4
Overige gedragingen die leiden tot een verlaging
Artikel 7:23 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1. Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet, artikel 20, tweede lid IOAW of artikel 20, eerste lid IOAZ wordt afgestemd op het benadelingsbedrag. 2. De verlaging wordt vastgesteld op: a. 30% van de bijstandsnorm gedurende één maand als het benadelingsbedrag niet is vast te stellen; b. 30% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag tot € 2.000,-; c. 50% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000,- tot € 4.000,-; d. 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag van € 4.000,- of hoger. pagina 44/113
Ons kenmerk T20.14076
e. 100% van de bijstandsnorm van de eerste volledige kalendermaand na toekenning van de uitkering, als een belanghebbende direct voorafgaand aan de aanvraag verwijtbaar werkloos is geworden. 3. In afwijking van het eerste lid kan bijstand worden verschaft in de vorm van een lening i.p.v. een gift als de belanghebbende voorafgaand aan de algemene bijstand onverantwoord heeft ingeteerd op het vermogen (meer dan anderhalf keer de toepasselijke bijstandsnorm) en daarmee niet meer in het bestaan kan voorzien. Artikel 7:24 Zeer ernstige misdragingen Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen kan een verlaging worden opgelegd van: a. 60% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het uitoefenen van verbaal geweld tegen de in het eerste lid genoemde personen; b. 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken en bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht tegen de in het eerste lid genoemde personen; c.
100% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen de in het eerste lid genoemde personen. Artikel 7:25 Niet nakomen van overige verplichtingen Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op: a. 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling; b. 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand; c. 40% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand; d. 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand. 7.3.5
Samenloop en recidive
Artikel 7:26 Samenloop van gedragingen 1. Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in dit onderdeel of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld.
pagina 45/113
Ons kenmerk T20.14076
2.
3.
4.
Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in dit onderdeel of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is. Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in dit onderdeel of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in dit onderdeel of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.
Artikel 7:27 Recidive 1. Als een belanghebbende zich binnen 24 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 7:18, 7:19, 7:23, 7:24 of 7:25 opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie, wordt telkens de duur van de verlaging verdubbeld. 2. Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, bedraagt de verlaging 100% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden. 7.3.6
Blijvende of tijdelijke weigering IOAW/IOAZ
Artikel 7:28 Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ Als het college de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 20, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege.
pagina 46/113
Ons kenmerk T20.14076
8
Toezicht en bestrijding van misbruik van de WMO, Jeugdwet en Participatiewet (Nieuw hoofdstuk 8)
Artikel 8:1 Toezicht rechtmatigheid WMO Op grond van artikel 6.1 van de WMO houdt de toezichthouder in naam van het college toezicht en geeft gevraagd en ongevraagd advies over de uitvoering van de WMO aan het college. Artikel 8:2 Voorkoming en bestrijding het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de WMO o.g.v. artikel 2.1.3. lid 4 WMO 1. Het college geeft planmatig uitvoering aan het voorkomen en bestrijden van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de WMO en verantwoord dit jaarlijks aan de raad. 2. Bij de planning en uitvoering van handhaving en toezicht op de WMO wordt actief het verband gelegd met handhaving en toezicht op Participatiewet en Jeugdwet. 3. Indien voorziening door niet nakomen van de contractuele verplichtingen van de zorgaanbieder geheel of gedeeltelijk ten onrechte aan deze zorgaanbieder is betaald, wordt het ten onrechte betaalde op civielrechtelijke gronden van zorgaanbieder teruggeëist. 4. Indien ten onrechte aan de zorgaanbieder is betaald als gevolg van het verstrekken van onjuiste gegevens door de zorgaanbieder wordt hiervan aangifte gedaan bij de Officier van Justitie. Artikel 8:3 Toezicht rechtmatigheid Jeugdwet 1.
Op grond van artikel 2.9 aanhef en onder d van de Jeugdwet wijst het college een toezichthouder aan zoals bedoeld in artikel 5:11 van de Awb. 2. De toezichthouder wordt belast met het toezicht op de Jeugdwet ter voorkoming en bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de Jeugdwet. 3. De toezichthouder houdt in naam van het college toezicht en geeft gevraagd en ongevraagd advies over de uitvoering van de Jeugdwet aan het college. Artikel 8:4 Voorkoming en bestrijding het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de Jeugdwet 1. Het college geeft planmatig uitvoering aan het voorkomen en bestrijden van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de Jeugdwet en verantwoord dit jaarlijks aan de raad. 2. Bij de planning en uitvoering van handhaving en toezicht op de Jeugdwet wordt actief het verband gelegd met handhaving en toezicht op WMO en Participatiewet. 3.
Indien ten onrechte is betaald als gevolg van het verstrekken van onjuiste gegevens door belanghebbende waarbij sprake is van opzet wordt het ten onrechte verstrekte van belanghebbende teruggevorderd.
pagina 47/113
Ons kenmerk T20.14076
4.
5.
Indien voorziening in natura door niet nakomen van de contractuele verplichtingen van de zorgaanbieder geheel of gedeeltelijk ten onrechte aan deze zorgaanbieder is betaald, wordt het ten onrechte betaalde op civielrechtelijke gronden van zorgaanbieder teruggeëist. Indien ten onrechte aan de zorgaanbieder is betaald als gevolg van het verstrekken van onjuiste gegevens door de zorgaanbieder wordt hiervan aangifte gedaan bij de Officier van Justitie.
Artikel 8:5 Toezicht rechtmatigheid Participatiewet, Ioaw en Ioaz Op grond van artikel 76a van de Participatiewet, artikel 53van de Ioaw en artikel 53 van de Ioaz houdt de toezichthouder in naam van het college toezicht en geeft gevraagd en ongevraagd advies over de uitvoering van de Participatiewet, Ioaw en Ioaz aan het college. Artikel 8:6 Voorkoming en bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand of uitkering alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Participatiewet, Ioaw en Ioaz en de daarop berustende bepalingen o.g.v. artikel 8d van de Participatiewet, artikel 35 onder b van de Ioaw en artikel 35 onder b van de Ioaz 1. Het college geeft planmatig uitvoering aan het voorkomen en bestrijden van het ten onrechte ontvangen van bijstand en uitkeringen, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Participatiewet, Ioaw en Ioaz en verantwoord dit jaarlijks aan de raad. 2. Bij de planning en uitvoering van handhaving en toezicht op de Participatiewet, Ioaw en Ioaz wordt actief het verband gelegd met handhaving en toezicht op WMO en Jeugdwet.
pagina 48/113
Ons kenmerk T20.14076
9
Slotbepalingen
Artikel 9:1 Nadere regels Voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van deze verordening, kan het college nadere regels vaststellen. Artikel 9:2 Evaluatie Over het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt halfjaarlijks gerapporteerd. Het college zendt hiertoe elk half jaar een rapportage over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk naar de gemeenteraad. Artikel 9:3 Inwerkingtreding Deze verordening treedt op 1 januari 2021 in werking. Artikel 9:4 Intrekken oude verordeningen De volgende verordeningen worden met de inwerkingtreding van deze verordening ingetrokken: Verordening Sociaal Domein 2020 T19.13049 zoals vastgesteld op 1 januari 2020. Artikel 9:5 Overgangsbepaling pgb’s 1. Een aanvraag van een pgb voor jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning die vóór 1 januari 2021 door het college is ontvangen wordt beoordeeld op grond van de Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland geldend tot 1 januari 2021. Indien het pgb wordt toegekend, dan is dit voor een periode van maximaal 6 maanden. 2. Een aanvraag van een pgb voor jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning die na 1 januari 2021 door het college is ontvangen wordt beoordeeld op grond van de verordening geldend vanaf 1 januari 2021. Artikel 9:6 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland 2021”.
Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Lansingerland in de openbare raadsvergadering van 28 januari 2021. De plv griffier,
Mr. Lianne van den Houten pagina 49/113
Ons kenmerk T20.14076
Toelichting Verordening Sociaal Domein 2021 gemeente Lansingerland
pagina 50/113
Ons kenmerk T20.14076
1
Algemene bepalingen
De bepalingen in dit hoofdstuk spreken voor zich.
pagina 51/113
Ons kenmerk T20.14076
2
Toegang
Artikel 2:1 Begrippen De definitie van melding is nodig omdat dit begrip niet of verschillend gedefinieerd is in de drie wetten. In de Participatiewet is het moment van melding van belang voor de aanvraag en de ingangsdatum van de uitkering. In de Wmo is het moment van melding het moment waarop het onderzoek start. Aangezien de toegang zoals in dit hoofdstuk gedefinieerd de toegang betreft voor het totale sociale domein is de definiëring van de melding in de toegang van groot belang. Uit het eerste contact tussen een inwoner en een toegangspartij moet blijken of er sprake is van een informatieve vraag of dat een onderzoek nodig is om de ondersteuningsvraag helder te krijgen. In dat laatste geval maakt de toegangspartij een afspraak voor het gesprek. De datum van het (eerste) gesprek geldt als de melding van de ondersteuningsvraag en de start van het onderzoek. Het gesprek zal in veel gevallen meerdere gesprekken omvatten, omdat complexe situaties niet in één gesprek te doorgronden zijn. Die situaties vragen om een dieper onderzoek naar ‘de vraag achter de vraag’. In de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) staan een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb).
Artikel 2:2 Verzoek tot ondersteuning Dit artikel regelt een zorgvuldige en uniforme werkwijze voor de toegang tot ondersteuning, ongeacht of de inwoner zich tot een door de gemeente aangewezen toegangspartij of tot de gemeente zelf wendt. De gemeente zelf is tijdens het onderzoek ook een toegangspartij. De inwoner kan met een verzoek tot onder-steuning terecht bij één van de toegangspartijen. Dit eerste contact kan digitaal, aan een loket of telefonisch plaatsvinden. Het verzoek kan door of namens de inwoner worden gedaan, wat betekent dat ook iemand uit de omgeving van de inwoner als vertegenwoordiger kan optreden. Een inwoner die een verzoek om een uitkering wil doen, moet zich rechtstreeks bij de gemeente melden. Dit is vastgelegd in de beleidsregels. De toegangspartij is wettelijk verplicht de inwoner te wijzen op de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te leveren. Dit plan zal dan betrokken worden bij het onderzoek. De toegangspartij dient de inwoner ook te wijzen op de mogelijkheid om voor het onderzoek gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. Ten behoeve van een zorgvuldige dossiervorming maakt de toegangspartij een dossier aan in het eigen systeem en maakt een afspraak met de inwoner voor het gesprek. Tijdens het gesprek doet de toegangspartij onderzoek naar de situatie van de inwoner op basis van de leefdomeinen uit de landelijke zelfredzaamheidmeter.
pagina 52/113
Ons kenmerk T20.14076
Artikel 2:3 Het onderzoek In dit artikel is bepaald hoe het onderzoek is opgebouwd en wat daarbij van de toegangspartij en van de inwoner gevraagd wordt. Ook alle informatie die voor een zorgvuldig onderzoek noodzakelijk is, zoals gebruikmaking van algemene voorzieningen, de voorkeuren van de inwoner en de mogelijkheid tot een pgb komt aan de orde. Tenslotte is de identificatieplicht opgenomen, omdat de wet vereist dat de identiteit van de inwoner met een ondersteuningsvraag wordt vastgesteld. De regels met betrekking tot de privacy van betrokkenen en gegevensuitwisseling die gelden op grond van de Jeugdwet, Wet maatschappelijke ondersteuning en de Algemene verordening gegevensbescherming zijn van toepassing op de gehele onderzoeksprocedure. De verzameling van gegevens vindt plaats op basis van de uitgangspunten van de Visie gegevensdeling domein samenleving. De toegangsmedewerker bepaalt of het uitvragen, uitwisselen en vastleggen van gegevens doelmatig is, in proportie en of er een alternatief is. Artikel 2:4 Het ondersteuningsplan Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. Het ondersteuningsplan kan gezien worden als een verslag omdat hierin inventarisatie van alle knelpunten, gewenste resultaten en oplossingen zijn opgenomen.