[I25.00854] Conceptverordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025 met memorie van toelichting
Tekst van het document
De bemiddelingsmodellen werken in het verlengde van deze voorrang: ^ Komen meerdere voorrangskandidaten in gelijke mate in aanmerking voor een huisvestingsvergunning voor dezelfde via openbaar aanbod te huur aangeboden woonruimte? Dan wordt op grond van het bemiddelingsmodel bepaald wie van hen als eerste voor verlening van de huisvestingsvergunning in aanmerking komt. ^ Hebben er geen voorrangskandidaten op de aangeboden woonruimte gereageerd? Maar alleen ‘reguliere’ woningzoekende? Ook dan wordt op grond van het bemiddelingsmodel bepaald wie van hen als eerste voor verlening van de huisvestingsvergunning in aanmerking komt. Zie artikel 2.2.9 lid 3. Het derde en vierde lid van artikel 2.2.5 bevat regels over transparantie, kenbaarheid en raadpleegbaarheid van de bemiddelingsmodellen (derde lid, onder a), maar ook waarborgen waardoor de bemiddelingsmodellen goed aansluiten op de regels uit de verordening (derde lid, onder b, en vierde lid). Artikel 2.2.6 Bij het te huur aanbieden van woonruimte kan een corporatie ‘labels’ toepassen. Die labels zijn opgenomen in de tabel van het eerste lid van dit artikel. Als een corporatie een label toepast, krijgt een bepaalde categorie woningzoekenden in de tabel vermeld als ‘passendheidsdoelgroep’ in dezelfde rij het als toegepaste label voorrang bij de verlening van een huisvestingsvergunning.
Het gaat hierbij om de in artikel 11 van de Huisvestingswet 2014 bedoelde voorrang. Deze vorm van voorrang heet ook wel ‘passendheidsvoorrang’. In de laatste regel van de tabel is een nieuwe mogelijkheid gecreëerd doorstroming binnen de regionale corporatievoorraad te bevorderen. Artikel 2.2.7
Toelichting bij de het regionaal model van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025, 6 december 2024
8
Naast ‘passendheidsvoorrang’ is in dit artikel bepaald dat bepaalde categorieën woningzoekenden ook ‘bindingsvoorrang’ kunnen hebben. Het gaat dan om woningzoekenden die maatschappelijk of economisch gebonden zijn aan de regio, de gemeente of een deel van de gemeente. Dit artikel is een uitwerking van artikel 14, tweede en vierde lid, van de Huisvestingswet 2014. Deze voorrang mag ten hoogste bij 50 % van de verleende huisvestingsvergunning toegepast worden. Zie gelet hierop ook artikel 2.1.4, eerste lid, onder f. De Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025 sluit daarmee aan op het wettelijke maximum zoals opgenomen in de Huisvestingswet 2014. Óf deze ruimte ook daadwerkelijk benut wordt, vloeit voort uit de dwingende regels en mogelijkheden in deze verordening. Artikel 2.2.8 Voorrang voor vitale beroepsgroepen is ook een vorm van ‘bindingsvoorrang’ wanneer een woningzoekende die tot een vitale beroepsgroep behoort, i ook economisch gebonden is aan de gemeente. In het tweede lid van dit artikel zijn de vitale beroepsgroepen aangewezen. Dit artikel is een uitwerking van artikel 14, tweede tot en met vierde lid, van de Huisvestingswet 2014. Onder ‘vitale beroepen’ worden in de regio Rotterdam docenten in het basis- en secundair onderwijs, onderwijsassistenten, leidsters kinderopvang, verpleegkundigen en verzorgenden en brandweer en politie bedoeld.
Het nut en de noodzaak van het voorrang verlenen aan deze groepen is onderbouwd in (verwijzing schaarste onderbouwing RIGO) Verhuurders kunnen middels een label aangeven of voorrang wordt verleend aan vitale beroepsgroepen; woningzoekenden uit deze categorie kunnen dan voorrang krijgen op het moment dat zij voldoen aan de eisen (bijvoorbeeld t.a.v. inkomen). Artikel 2.2.9 Op woonruimte die via het aanbodinstrument openbaar wordt aangeboden, reageren doorgaans meerdere woningzoekenden. Daarom regelt dit artikel, in welke volgorde woningzoekenden in aanmerking komen voor verlening van de huisvestingsvergunning: - eerst zijn dat de houders van een passende urgentieverklaring (en van hen als eerste degene bij wie de eerste fase van de urgentie als eerste is verlopen of verloopt); - vervolgens de woningzoekenden met bindingsvoorrang of passendheidsvoorrang; - en tot slot de overige woningzoekenden. Geeft de bovenstaande volgordebepaling geen uitsluitsel, dan doet het door de corporatie gebruikte bemiddelingsmodel dat, zo volgt uit het derde lid.
Het is gelet op het vanuit het doel van de verordening (het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige e^ecten van schaarste aan woonruimte, zie artikel 2, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014) niet nodig daar in de verordening meer over te regelen (zie in dit verband wel de in artikel 2.2.5 opgenomen randvoorwaarden voor bemiddelingsmodellen). Verder wordt gewezen op de relatie met artikel 2.1.4 (de weigeringsgronden voor de huisvestingsvergunning). Als op grond van artikel 2.2.9 (of op grond van artikel 15, Toelichting bij de het regionaal model van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025, 6 december 2024
9
tweede lid, van de Huisvestingswet 2014) een bepaalde woningzoekende als eerste in aanmerking komt voor de huisvestingsvergunning (en die woonruimte ook daadwerkelijk wil hebben), levert dat voor alle andere woningzoekenden een weigeringsgrond op. Zie artikel 2.1.4, eerste lid, onder e. De Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025 bevat in lid 5 een nieuwe mogelijkheid om bij maximaal 5% aanbod urgentie geen voorrang te laten geven op andere woningzoekenden. Deze mogelijkheid is gecreëerd om corporaties in staat te stellen om in bijzondere woningen of woningen die minder passend zijn voor het huisvesten van urgent woningzoekenden (denk aan nieuwbouwwoningen die soms 9 maanden voor oplevering al worden geadverteerd) de regulier woningzoekende te bedienen. Paragraaf 2.3 Te koop aanbieden van nieuw te bouwen voor verkoop bestemde woonruimte De Huisvestingswet 2014 bevat sinds 2024 een mogelijkheid om bij nieuwbouw betaalbare koopwoningen te kunnen sturen op de woonruimteverdeling. Hierbij moet uiteraard ook weer onderbouwd worden dat deze sturing nuttig en noodzakelijk. De onderbouwing hiertoe is opgenomen in (schaarsteonderbouwing gemeentenaam). Anders dan bij woningcorporaties wordt de verlening van de huisvesting voor dit segment niet gemandateerd aan woningcorporaties. Dat betekent o.a.
dat de gemeente zelf de vergunningen zal moeten verlenen, en ook handhaving/toezicht organiseert. O.a. vanuit het oogpunt van de uitvoering is de sturing in het betaalbare koopsegment beperkt tot het met voorrang huisvesten van woningzoekenden met lokale maatschappelijke en economische binding. Artikel 2.3.1 Dit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 2.3.2 Dit artikel bepaalt dat de verkoper de woonruimte tenminste vier weken te koop aanbiedt. Dit betreft de in artikel 17 van de wet bedoelde termijn. Gedurende de termijn van vier weken gaat de verkoper niet tot selectie van de beoogde koper over. Het is namelijk belangrijk, dat de woningzoekenden die gelet op artikel 2.3.5 voorrang hebben bij de verlening van een huisvestingsvergunning, voldoende kans hebben om op de aangeboden woonruimte te reageren en om als beoogd koper geselecteerd te worden. Het tweede lid stelt meer inhoudelijke eisen aan het aanbod van de woonruimte. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan artikel 20 van de Huisvestingswet 2014. Artikel 2.3.3 In dit artikel is bepaald, dat de verkoper de woonruimte na afloop van de in artikel 2.3.2 bedoelde termijn van vier weken eerst aanbiedt, aan woningzoekenden die hun belangstelling kenbaar hebben gemaakt en tevens behoren tot de woningzoekenden die
Toelichting bij de het regionaal model van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025, 6 december 2024
10
gelet op artikel 2.3.5 voorrang hebben bij de verlening van een huisvestingsvergunning. Ook met deze bepaling wordt uitvoering gegeven aan artikel 20 van de Huisvestingswet. Artikel 2.3.4 Bij de behandeling van de aanvraag om een huisvestingsvergunning of bij een toezichtonderzoek moet vastgesteld kunnen worden of de verkoper zich voldoende heeft ingespannen om een koper te vinden die gelet op artikel 2.3.5 voorrang heeft bij de verlening van een huisvestingsvergunning. Daarom bevat dit artikel voor de verkoper bepaalde administratieve verplichtingen. Hiermee wordt uitvoering gegeven van artikel 17, derde lid, van de Huisvestingswet 2014. Artikel 2.3.5 In dit artikel is bepaald, dat woningzoekenden die [eventueel aanpassen aan gemaakte keuze in artikel 2.3.5] economisch of maatschappelijk gebonden zijn en (van hen) woningzoekenden die behoren tot één van de in artikel 2.2.8, tweede lid, genoemde vitale beroepsgroepen voorrang hebben bij de verlening van een huisvestingsvergunning. Artikel 2.3.6 Bij de aanvraag om een huisvestingsvergunning wordt ook een verklaring van de verkoper ingediend. De verkoper verklaart daarin, dat hij conform het bepaalde in deze verordening de woonruimte heeft aangeboden en de koper geselecteerd heeft. Dit artikel is een aanvulling op artikel 2.1.3. Ook met dit artikel wordt dus uitvoering gegeven aan artikel 5 van de Huisvestingswet 2014.
Paragraaf 2.4 Te huur aanbieden van overige woonruimte De regio Rotterdam heeft van oudsher een relatief groot particulier huursegment. In tijden van grote woningschaarste in het betaalbare huursegment, wordt het relevant bevonden om niet alleen te sturen op passende bewoning (bij toewijzing) in de sociale huur van woningcorporaties, maar ook in die van andere verhuurders. Hierbij moet uiteraard ook weer onderbouwd worden dat deze sturing nuttig en noodzakelijk. De onderbouwing hiertoe is opgenomen in (schaarsteonderbouwing gemeentenaam). Anders dan bij woningcorporaties wordt de huisvestingsvergunningverlening voor dit segment niet gemandateerd aan woningcorporaties. Dat betekent o.a. dat de gemeente zelf de vergunningen zal moeten verlenen, en ook handhaving/toezicht organiseert. O.a. vanuit het oogpunt van de uitvoering is de sturing in het particuliere sociale huursegment beperkt tot het met voorrang huisvesten van woningzoekenden met een lager inkomen (de corporatiedoelgroep). Op die wijze kan de druk op het corporatiesegment worden verlicht. Artikel 2.4.1 Dit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 2.4.2 Dit artikel bepaalt dat de verhuurder de woonruimte tenminste vier weken te huur aanbiedt. Dit betreft de in artikel 17 van de wet bedoelde termijn.
Toelichting bij de het regionaal model van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025, 6 december 2024
11
Gedurende de termijn van vier weken gaat de verhuurder niet tot selectie van de beoogde huurder over. Het is namelijk belangrijk, dat de woningzoekenden die gelet op artikel 2.4.5 voorrang hebben bij de verlening van een huisvestingsvergunning, voldoende kans hebben om op de aangeboden woonruimte te reageren en om als beoogd huurder geselecteerd te worden. Het tweede lid stelt meer inhoudelijke eisen aan het aanbod van de woonruimte. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan artikel 20 van de Huisvestingswet 2014. Artikel 2.4.3 In dit artikel is bepaald, dat de verhuurder de woonruimte na afloop van de in artikel 2.4.2 bedoelde termijn van vier weken eerst aanbiedt, aan woningzoekenden die hun belangstelling kenbaar hebben gemaakt en tevens behoren tot de woningzoekenden die gelet op artikel 2.3.5 voorrang hebben bij de verlening van een huisvestingsvergunning. Ook met deze bepaling wordt uitvoering gegeven aan artikel 20 van de Huisvestingswet. Artikel 2.4.4 Bij de behandeling van de aanvraag om een huisvestingsvergunning of bij een toezichtonderzoek moet vastgesteld kunnen worden of de verhuurder zich voldoende heeft ingespannen om een huurder te vinden die gelet op artikel 2.4.5 voorrang heeft bij de verlening van een huisvestingsvergunning. Daarom bevat dit artikel voor de verhuurder bepaalde administratieve verplichtingen.
Hiermee wordt uitvoering gegeven van artikel 17, derde lid, van de Huisvestingswet 2014. Artikel 2.4.5 Woningzoekenden met een huishoudinkomen van maximaal de in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet bedoelde inkomensgrens hebben voorrang bij de verlening van een hu i svestingsvergunning Artikel 2.4.6 Bij de aanvraag om een huisvestingsvergunning wordt ook een verklaring van de verhuurder ingediend. De verhuurder verklaart daarin, dat hij conform het bepaalde in deze verordening de woonruimte heeft aangeboden en de huurder geselecteerd heeft. Dit artikel is een aanvulling op artikel 2.1.3. Ook met dit artikel wordt dus uitvoering gegeven aan artikel 5 van de Huisvestingswet 2014. Paragraaf 2.5 Leegstandsbeheer [p.m. ALLEEN VOOR ROTTERDAM] 2.3. Hoofdstuk 3 De urgentieverklaring Paragraaf 3.1 Verlening, weigering, intrekking en wijziging van de urgentieverklaring Een urgentieverklaring is een beschikking, waarmee een woningzoekende ingedeeld wordt in een urgentiecategorie. Vervolgens heeft die woningzoekende in bepaalde gevallen voorrang bij het verlenen van een huisvestingsvergunning. Het moet daarbij wel gaan om woonruimte die valt onder de regels van paragraaf 2.2 van de verordening. Artikel 12 van de Huisvestingswet 2014 is de basis voor de regels over de urgentieverklaring en de voorrang van de houders daarvan.
Toelichting bij de het regionaal model van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025, 6 december 2024
12
Artikel 3.1.1 De urgentieverklaring wordt verleend en geweigerd door het college van burgemeester en wethouders, zie ook artikel 13, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014. In verband met het regionale urgentiestelsel bevat dit artikel nog enkele aanvullende regels over in welke gevallen welk college van burgemeester en wethouders bevoegd is om te beslissen op een aanvraag om een urgentieverklaring. Artikel 3.1.2 Dit artikel bevat een aantal regels over de aanvraag om een urgentieverklaring. De eerste drie leden beschrijven, waar de aanvraag ingediend moet worden. Het vijfde lid geeft aan, welke informatie bij de aanvraag ingediend moet worden. Met dit artikel wordt uitvoering gegeven aan artikel 13, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014. Corporaties krijgen op basis van de huisvestingsverordening de opdracht om - indien urgent woningzoekenden niet zelf een passende woning kunnen vinden, of het wenselijk is om een direct aanbod te doen - in de ‘tweede fase’ een eenmalige aanbieding via directe bemiddeling te doen.
Artikel 3.1.3 Op grond van het eerste lid wordt de urgentieverklaring geweigerd als: - het huishoudinkomen van de aanvrager boven de inkomensgrens ligt (in dat geval kan namelijk ook een huisvestingsvergunning geweigerd worden, zie artikel 2.1.4, tweede lid); of - de aanvrager gelet op de Huisvestingswet 2014 en de verordening niet in aanmerking komt voor indeling in een urgentiecategorie. Het gaat hier vooral om situaties waarin een aanvrager niet voldoet aan de criteria om voor indeling in een urgentiecategorie opgenomen te worden. Zie voor de weigeringsgrond inzake het huishoudinkomen de in het derde lid opgenomen regeling voor bijzondere medische problematiek. Als sprake is van een in het tweede lid genoemde weigeringsgrond, kan de urgentieverklaring geweigerd worden. Bij de redactie van dit artikellid is gestreefd naar een indeling van de weigeringsgronden ‘van algemeen naar specifiek’. Zie de bijlage voor een toelichting voor de in artikel 3.1.3, tweede lid, onder h, opgenomen weigeringsgrond. Artikel 3.1.4 Dit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 3.1.5 Dit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 3.1.6
Toelichting bij de het regionaal model van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025, 6 december 2024
13
Het college van burgemeester en wethouders kan zich bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag laten adviseren. Zie voor advisering ook afdeling 3.3 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 3.1.7 Het eerste lid van dit artikel bevat een hardheidsclausule. Voor de toepassing ervan is van belang dat a) weigering van de urgentieverklaring zou leiden tot een schrijnende situatie en, b) sprake is van een bijzondere, bij vaststelling van de verordening onvoorziene, situatie die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor verlening van de urgentieverklaring zou kunnen zijn. Het college van burgemeester en wethouders komt een zeer ruimte marge toe bij de beoordeling van de vraag, of van deze omstandigheden inderdaad sprake is. Paragraaf 3.2 Werking en inhoud van de urgentieverklaring Artikel 3.2.1 Dit artikel beschrijft op de werking van de urgentieverklaring. In het tweede lid wordt aangegeven onder welke voorwaarden een urgentieverklaring aan de houder ervan voorrang verleend bij het verlenen van een huisvestingsvergunning. Zie de relatie met de regels in paragraaf 2.2 over het verlenen van de huisvestingsvergunning, en in het bijzonder artikel 2.2.9. In het derde lid is beschreven wanneer de urgentieverklaring vervalt.
Artikel 3.2.2 De urgentieverklaring bevat in ieder geval de informatie die nodig is om te bepalen in welke gevallen de houder ervan voorrang heeft bij het verlenen van een huisvestingsvergunning. Het gaat onder meer om het zoekprofiel en de voorkeursurgentieregio. Artikel 3.2.3 Het woonruimtetype, waarover dit artikel regels bevat, maakt onderdeel uit van het in de urgentieverklaring op te nemen zoekprofiel. Het woonruimtetype bevat tenminste de in het derde lid opgesomde elementen. De urgentieverklaring ‘werkt’ alleen bij woonruimten die behoren tot het in de urgentieverklaring, als onderdeel van het zoekprofiel, opgenomen woonruimtetype, zie artikel 3.2.1, tweede lid. Artikel 3.2.4 Het woonruimtetype bevat ook het aantal slaapkamer: het slaapkamertal. Het slaapkamertal wordt op basis van dit artikel bepaald. Paragraaf 3.3 Zoeken door en bemiddeling van de houder van de urgentieverklaring Artikel 3.3.1 tot en met 3.3.3 De urgentie heeft twee fasen. Fase 1 start bij verlening van de urgentieverklaring en duurt de zes daaropvolgende maanden, zie artikel 1.1.1, onder 6. Vervolgens start fase Toelichting bij de het regionaal model van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025, 6 december 2024
14
2, zie artikel 1.1.1 onder 27. De hoofdregel is, dat de houder van de urgentieverklaring in zowel fase 1 als in fase 2 zelf zoekt naar passende woonruimte, zie artikel 3.3.2. Doet de houder van de urgentieverklaring dat inderdaad, maar lukt het niet om in fase 1 woonruimte te vinden, dan krijgt de houder van de urgentieverklaring in fase 2 via direct aanbod een woonruimte aangeboden. Op deze hoofdregel bestaan een aantal uitzonderingen, zie onder meer artikel 3.3.1. Paragraaf 3.4 De urgentiecategorieën Deze paragraaf bevat de urgentiecategorieën. Elk van de urgentiecategorieën bevat criteria op basis waarvan beoordeeld wordt, of de aanvrager voor indeling in zo’n categorie in aanmerking komt. Met die criteria wordt invulling aan artikel 12, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014. Komt een aanvrager van een urgentieverklaring in aanmerking voor indeling in een urgentiecategorie en zijn er geen weigeringsgronden (zie artikel 3.1.3), dan wordt de urgentieverklaring verleend. Bij de bepaling van de urgentiecategorieën in deze verordening is de concept-regeling bij de Wet versterking regie op de volkshuisvesting sterk leidend geweest. Vergunninghouders zijn geen aparte urgentiecategorie maar worden wel gelijkgesteld aan de houders van urgentie.
Daarmee kan enerzijds geborgd worden dat aan de nu (nog) bestaande taakstelling vergunninghouders kan worden voldaan, en anderzijds biedt deze bepaling de mogelijkheid om - als deze taakstelling verdwijnt zoals aangekondigd door het huidige kabinet - te voldoen aan een eventueel verbod op voorrang zoals aangekondigd door het kabinet. Artikel 3.4.1 De urgentiecategorie ‘mantelzorg’ is mede gelet op artikel 14, derde lid, van de Huisvestingswet 2014 in de verordening opgenomen. Inhoudelijk anticipeert dit artikel op de in voorbereiding zijnde ‘Regeling versterking regie volkshuisvesting’, een voorgenomen landelijke regeling, samenhangend met het wetsvoorstel ‘Wet versterking regie volkshuisvesting’. Artikel 3.4.2 Ook dit artikel over de urgentiecategorie ‘ernstige en chronische medische problematiek’ anticipeert inhoudelijk op de in voorbereiding zijnde ‘Regeling versterking regie volkshuisvesting’, een voorgenomen landelijke regeling, samenhangend met het wetsvoorstel ‘Wet versterking regie volkshuisvesting’. Artikel 3.4.3 De urgentiecategorie ‘uitstroom naar zelfstandig wonen’ is mede gelet op artikel 14, derde lid, van de Huisvestingswet 2014 in de verordening opgenomen. Dit geldt specifiek voor de in het tweede lid, onder b bij ‘huiselijk geweld’ bedoelde woningzoekenden.
Toelichting bij de het regionaal model van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025, 6 december 2024
15
Inhoudelijk anticipeert dit artikel op de in voorbereiding zijnde ‘Regeling versterking regie volkshuisvesting’, een voorgenomen landelijke regeling, samenhangend met het wetsvoorstel ‘Wet versterking regie volkshuisvesting’. In het tweede lid worden vier categorieën woningzoekenden opgesomd die voor indeling in deze urgentiecategorie in aanmerking komen. Het gaat om woningzoekenden die (gaan) uitstromen uit een instelling of voorziening. Het college van burgemeester en wethouders legt in een aanwijzingsbesluit vast, om welke instellingen en voorzieningen het gaat. In de praktijk zal het college van burgemeester en wethouders instellingen en voorzieningen aanwijzen, waarmee de gemeente gelet haar taken in het sociaal domein bepaalde afspraken mee heeft gemaakt. Artikel 3.4.4 Woningzoekenden waarvan de woonruimte als gevolg van een calamiteit voor langere tijd onbewoonbaar is, kunnen in aanmerking komen voor indeling in deze urgentiecategorie. De voorwaarden voor indeling in deze urgentiecategorie zijn in het artikel verder uitgewerkt. Artikel 3.4.5 Soms is iemand niet meer in staat om de woonlasten van zijn of haar huidige woning te betalen. Als aan de dit artikel genoemde voorwaarden wordt voldaan, kan een woningzoekende dan ingedeeld worden in de urgentiecategorie ‘woonlasten’.
Het artikel heeft een gelaagde structuur: het eerste lid bevat de meer algemene toetsingsgronden en een verwijzing naar de, voor specifieke situaties, in het tweede en derde lid opgenomen toetsingsgronden. In het vierde lid is beschreven wat onder ‘woonlasten’ verstaan wordt. Artikel 3.4.6 Wanneer er sprake is van ernstig psychisch of fysiek geweld, of bedreiging daarmee, kan een woningzoekende ingedeeld worden in de urgentiecategorie ‘geweld en bedreiging’. Wel moet voldaan zijn aan de in dit artikel genoemde voorwaarden. Artikel 3.4.7 De urgentiecategorie ‘herhuisvesting’ regelt de uitstroom van woningzoekenden uit te slopen of ingrijpend te renoveren woningen naar andere woonruimte. Het gaat niet om elke geval van sloop of ingrijpende renovatie: zie daarvoor het tweede lid. Een urgentieverklaring verleend vanwege indeling in deze urgentiecategorie wordt in de praktijk ook wel een ‘herhuisvestingsverklaring’ genoemd. Artikel 3.4.8 Met dit artikel wordt uitvoering gegeven aan artikel 12, vierde lid, van de Huisvestingswet 2014. 2.4.
Hoofdstuk4 Standplaatsen
Toelichting bij de het regionaal model van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025, 6 december 2024
16
Paragraaf 4.1. Inleidende bepalingen Artikel 4.1.1 Dit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 4.1.2 Dit artikel bevat één aanvullende begripsomschrijving. Specifiek voor dit hoofdstuk wordt het begrip ‘wachtlijst’ gedefinieerd. Het begrip ‘standplaats’ wordt gedefinieerd in artikel 1 van de Huisvestingswet 2014 en is daarom hier niet nogmaals gedefinieerd. Paragraaf 4.2. De huisvestingsvergunning voor standplaatsen Deze paragraaf bevat voor de huisvestingsvergunning voor standplaatsen. Artikel 4.2.1 In dit artikel wijst de gemeenteraad de huisvestingsvergunningplichtige woonruimte hier specifiek: standplaatsen - aan. Verder is tot uitdrukking gebracht dat het verbod om zonder daartoe strekkende huisvestingsvergunning de hier aangewezen woonruimte in gebruik te geven of te nemen, in artikel 8 van de Huisvestingswet 2014 staat. Artikel 4.2.2 Woningzoekenden die in aanmerking willen komen voor een standplaats, kunnen bij het college van burgemeester en wethouders verzoeken om ingeschreven te worden op de wachtlijst. Het verzoek wordt gedaan via het aanbodinstrument. Artikel 4.2.3 Het eerste lid van dit artikel somt op, wanneer een inschrijving op de wachtlijst vervalt. Het tweede lid bevat een regeling ten behoeve van de geregistreerd partner of echtgenoot of echtgenote van een overleden ingeschreven standplaatszoekende.
Artikel 4.2.4 Dit artikel beschrijft hoe de volgorde bepaald wordt, waarin woningzoekenden in aanmerking komen voor de huisvestingsvergunning voor een standplaats. Als een standplaats via het aanbodinstrument wordt aangeboden, kunnen gelet op het eerste lid alleen woningzoekenden die ingeschreven zijn op de wachtlijst een huisvestingsvergunning aanvragen. Het tweede lid bevat de algemene gronden voor verlening. Artikel 4.2.5 [optioneel: gemeente kan deze bepaling wel of niet overnemen] [let op: dit artikel alleen overnemen als de gemeente o.b.v. de vorige verordening inderdaad al een wachtlijst kende!] Ook voordat deze verordening in werking trad, konden woningzoekende zich inschrijven op een wachtlijst van standplaatszoekenden. Die inschrijvingen worden gelijkgesteld met de inschrijvingen die vanaf de inwerkingtreding van deze verordening gedaan worden. 2.5.
Hoofdstuk 5 Overige bepalingen
Toelichting bij de het regionaal model van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025, 6 december 2024
17
Paragraaf 5.1.1. Experimenten De experimentenregeling is overgenomen uit de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024. Artikel 5.1.1 Experimenten kunnen alleen gaan over de voor verhuur bestemde woonruimte van woningcorporaties met een huurprijs tot de liberalisatiegrens. Het doel van een experiment is, om te onderzoeken of woonruimte buiten de huidige kaders van de verordening om, op een andere manier in gebruik gegeven kan worden. Het moet wel gaan om een manier van in gebruik geven die eventueel, gelet op de Huisvestingswet 2014, door aanpassing van de verordening mogelijk gemaakt kan worden. Als extra waarborg is in het derde lid bepaald, dat de experimentele wijze van in gebruik geven ten dienste moet staan aan een rechtvaardige, doelmatige, evenwichtige en transparantie verdeling van woonruimte. De maximale experimentduur is twee jaar. Vervolgens wordt een experiment geëvalueerd. Artikel 5.1.2 De corporaties en gemeente(en) die het experiment organiseren, sluiten een experimentenovereenkomst. In het eerste lid is aangegeven, wat daarin geregeld moet zijn. De opzet van het experiment en het concept van de experimentenovereenkomst worden eerst afgestemd met de colleges van burgemeester en wethouders van de andere regiogemeenten.
Het derde lid draagt het college van burgemeester en wethouders op, om bij het besluit tot het aangaan van de experimentenovereenkomst de belangen van een evenwichtige, rechtvaardige, doelmatige en transparante verdeling van woonruimte in acht te nemen. Paragraaf 5.2 Registratie, monitoring en afstemming Artikel 5.2.1 tot en met 5.2.4 De eerste drie artikelen in deze paragraaf beschrijven hoe de corporaties en de colleges van burgemeester en wethouders van de regiogemeenten de registratie, monitoring en afstemming van vraag, aanbod en verhuringen van woonruimten regelen zodat per kalenderjaar het document ‘Monitor woonruimtebemiddeling regio Rotterdam’ tot stand komt. 2.6.
Hoofdstuk 5 Overige bepalingen
Artikel 5.3.1 Dit artikel regelt het door het college van burgemeester en wethouders opleggen van een bestuurlijke boete wegens het zonder huisvestingsvergunning in gebruik geven of nemen van aangewezen woonruimte. Gelet op artikel 35 van de Huisvestingswet 2014 stelt de gemeenteraad in de huisvestingsverordening het bedrag (dus: de hoogte) van de bestuurlijke boete vast. Dit gebeurt in het tweede en derde lid van artikel 5.3.1. Toelichting bij de het regionaal model van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025, 6 december 2024
18
2. .V.
Hoofdstuk 6 Overgangs- en slotbepalingen
Paragraaf 6.1 Overgangsbepalingen Artikel 6.1.1 Is een aanvraag ingediend voor inwerkingtreding van deze verordening, maar is daar na inwerkingtreding nog niet op beslist? Dan past het college van burgemeester en wethouders bij de beslissing op die aanvraag deze verordening toe. Artikel 6.1.2 Bij de behandeling van bezwaar of beroep tegen een besluit dat is genomen met de toepassing van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024, blijft die verordening van toepassing. Artikel 6.1.3 Urgentieverklaringen die zijn afgegeven voor inwerkingtreding van deze verordening, zijn gelijkgesteld met urgentieverklaringen die op grond van deze verordening worden afgegeven. In verband met enkele wijzigingen op het gebied van passendheidsvoorrang (“labels”) en urgentieregio’s bevat dit artikel daar specifieke regelingen voor. Artikel 6.1.4 Denkbaar is, dat kort voor inwerkingtreding van de verordening verleend zijn, maar dat de woonruimte waarvoor zij verleend zijn pas na inwerkingtreding van deze verordening in gebruik wordt genomen. Met dit artikel is duidelijk dat dergelijke huisvestingsvergunningen gelijkgesteld worden met huisvestingsvergunningen die op grond van deze verordening verstrekt worden. Paragraaf 6.2 Slotbepalingen Artikel 6.2.1 en artikel 6.2.2 Deze bepalingen behoeven geen toelichting.
Bijlage: Weigeren van een urgentieverklaring in verband met schulden Toelichting bij artikel 3.1.3, tweede lid, onder h Deze bepaling luidt: Het college van burgemeester en wethouders kan de aangevraagde urgentieverklaring weigeren indien (^) naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders is het aannemelijk dat een corporatie gelet op de aard of omvang van de schulden van aanvrager, met de aanvrager geen huurovereenkomst zal sluiten. Achtergrond Corporaties kunnen weigeren om woonruimte te verhuren aan woningzoekenden met problematische schulden. Daardoor biedt voor deze groep woningzoekenden biedt ook een urgentieverlening geen reële mogelijkheid om woonruimte te vinden.
Toelichting bij de het regionaal model van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025, 6 december 2024
19
Wijze van beoordelen Wordt aan één of meer van de volgende voorwaarden voldaan? a. de aanvrager van de urgentieverklaring betaalt zijn of haar schulden niet af; b. de schulden van de aanvrager zijn onhoudbaar. Dan wordt aangenomen dat aard en omvang van de schulden in de weg staat aan het met aanvrager sluiten van een huurovereenkomst. De aangevraagde urgentieverklaring kan met toepassing van artikel 3.1.3, tweede lid, onder h, geweigerd worden. Maar: als de aanvrager met de gemeente maatregelen getro^en over budgetbeheer of schulddienstverlening, hoeft de urgentieverklaring niet op grond van artikel 3.1.3, tweede lid, onder h, geweigerd te worden. Mits de aanvrager zich aan de voorwaarden van het budgetbeheer of de schulddienstverlening heeft gehouden. Bij de beoordeling of aan de beide voorwaarden (a en b) wordt voldaan, kijkt het college van burgemeester en wethouders ook naar de schulden van personen die tot het huishouden van aanvrager behoren of gaan behoren, zoals minderjarige kinderen. Toelichting bij a. Niet afbetalen van schulden Hiervan is sprake als de aanvrager op het moment dat op de aanvraag besloten wordt, één of meer aflossingsverplichtingen niet is nagekomen. Het gaat hierbij uiteraard om aflossingsverplichtingen van schulden die nog steeds invorderbaar zijn, dus bijvoorbeeld niet om verjaarde schulden.
Toelichting bij b: Onhoudbare schulden Schulden moeten houdbaar zijn, anders kunnen schulden in de weg staan aan (duurzaam) zelfstandig wonen van aanvragers. In algemene zin zijn schulden houdbaar als de aanvrager de aflossingsverplichtingen van schulden kan blijven nakomen en voldoende geld overhoudt voor vaste lasten en de andere kosten van levensonderhoud.
Toelichting bij de het regionaal model van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025, 6 december 2024
20