CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

[I24.14369] Bouwhistorische verkenning Lies Frankenweg 1door BAAC Bureau voor archeologie en bouwhistorie12 augustus 2024

Commissie Ruimte 24 juni 2025, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Vaststellen visie Lies Frankenweg 118.450 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De korte noordgevel in twee delen gefotografeerd.

In de kopgevel is één vensteropening aanwezig. Deze vensteropening is niet oorspronkelijk, maar later in bestaand metselwerk aangebracht. Dit is aan te tonen op basis van de ingeboete dagkanten van de vensteropening, maar ook uit het gegeven dat we onder de lekdorpels uit de jaren zeventig, twee verticalen naden zien die te interpreteren zijn als restanten van een eerdere deuropening op deze plaats. Het venster is vrijwel zeker in de jaren zeventig ten koste van een deur aangebracht op het moment dat de schuur, die tot dan toe in dit bouwdeel was ondergebracht, deze functie verloor en werd omgevormd tot woonruimte. Op dat moment is naar verwachting ook de vensteropening in de middenas van de gevel dichtgezet. De verdwenen deur was zeer waarschijnlijk een oorspronkelijk element in de gevel, gelet op de zuiver gemetselde dagkanten van die deels dichtgezette en deels tot vensteropening vermaakte gevelopening. We zien hier drieklezoren in de strekkenlagen toegepast, zoals ook bij de dichtgezette centrale vensteropening. Wat zich niet makkelijk laat verklaren, is een dichtgezette gevelopening links in de gevel, kort boven maaiveldniveau. Normaliter zouden we die opening onder rollaag associëren met een vensteropening ten behoeve van een kelder. Als de gevel echter in 1930 gebouwd is, dan diende die

29

l:r.T.T«C

gevel een schuurgedeelte (blijkt uit kadastrale veldtekening) en normaal gesproken is niet de schuur, maar juist het woonhuis onderkelderd. Scheurvorming in de gevel zou best in verband gebracht kunnen worden met een kelder, die ervoor zorgt dat delen van de gevel op een andere manier 'zetten'. Werpen we een blik langs de gevel, dan kunnen we vaststellen dat de gevel ter plaatse van de scheur sterk uitbuikt en dat de gevel in het geheel scheef is komen te staan, waarbij de kap de gevel aan de bovenzijde naar buiten gedrukt lijkt te hebben.

De dichtgezette, centrale vensteropening bevindt zich betrekkelijk hoog in de gevel. Die indeling correspondeert met de kopgevel van de boerderij die omstreeks 1930 bij de fundamenten van de bovenmolen werd gebouwd.

De dichtgezette gevelopening die normaliter met een kelderlicht in verband wordt gebracht. Op de rechterfoto restanten van pleisterwerk en beroete bakstenen, wat een aanwijzing is voor hergebruik van de baksteen bij het optrekken van de huidige gevel.

ESES

Bouwhistorische verkenning

30

Aansluiting van de korte noordgevel op de oostgevel (met regenpijp) wijst op een faseverschil tussen beide gevels. Rechts is de aansluiting van de korte noordgevel (met venster) op de westgevel. Wanneer de goot wordt gevolgd, is goed te zien hoe de gevel uit buikt.

Er is een aanwijzing dat de kopgevel in het verleden wel eens een afgetopte topgevel kan zijn geweest, zoals het huis op het erf van de gesloopte bovenmolen op oude foto's. De knoop van het strijkbalkanker zit namelijk wel erg kort onder de muurplaat en de schieter is verdwenen.

31

Schets van scheefstanden (niet op basis van inmeting!)

5.1.2 De lange oostgevel De lange oostgevel is een in vrij strak kruisverband opgetrokken gevel, éénlaags en beëindigd met een muurplaat waaraan gootbeugels zijn bevestigd. Zoals gesteld, is de gevel niet in verband gemetseld met de korte noordgevel, wat op een faseverschil wijst. De gevel heeft vier gevelopeningen, twee deuropeningen en twee vensteropeningen. Al deze gevelopeningen zijn voorzien van een halfsteens rollaag aan de bovenzijde. Hierbij valt op dat de rollaag bij de linker deuropening ernstig verzakt is, terwijl de rollagen bij de rechter deuropening en de vensteropeningen nog volledig recht zijn. De scheefgezakte deuropening heeft grotendeels in bestaand metselwerk ingeboete dagkanten, wat aantoont dat de deuropening een latere toevoeging in bestaand metselwerk is. De rechterdagkant is alleen rechts voor de bovenste helft oorspronkelijk, wat aantoont dat er tussen de beide deuropeningen een horizontaal faseverschil bestaat op ongeveer de helft van de hoogte van de gevel (in het bovenste deel is baksteen hergebruikt, wat in de twintigste eeuw moet zijn gebeurd). De dagkanten van de rechter deuropening lijkt in eerste instantie vrij zuiver gemetseld, maar bij nadere beschouwing kunnen we ook hier vaststellen dat er bij het maken van de gevelopening ten minste in het onderste deel van de gevel aan het metselwerk is gerommeld.

We zien bijvoorbeeld links boven maaiveld een reeks drieklezoren in de strekkenlagen boven elkaar (hier is het kruisverband in de gevel overgezet in staand verband, wat een gevolg van inboeting moet zijn. Bij de dagkanten van de vensteropeningen is opvallend genoeg vrijwel geheel zuiver gemetseld met drieklezoren op de hoeken, en in kruisverband. De gevelindeling hier, is niet goed te rijmen met de functie van schuur, zoals aangegeven op de kadastrale veldtekening van begin jaren dertig van de vorige eeuw. Bij nadere beschouwing van het metselwerk zien we hier echter in het metselverband een aantal onregelmatigheden die als gevolg van aanpassingen van bestaand metselwerk tot stand zijn gekomen. Hieruit is op te maken dat dagkanten ten minste ten dele (onderste delen) zijn ingeboet in bestaand metselwerk. In de gevel is één redelijk duidelijke verticale bouwnaad herkend. Het duiden van bouwsporen in de gevel is niet eenvoudig, omdat de gevel in de loop van de twintigste eeuw met een portlandvoeg is afgewerkt en er van sloop afkomstige bakstenen zijn hergebruikt. De verticale bouwnaad bevindt zich nét rechts van het midden tussen de beide deuropeningen. In het metselwerk openbaart de bouwnaad zich in de vorm van een onderbreking van de strekkenlagen.

We zijn er vrij zeker van dat het metselwerk tussen deze verticale bouwnaad en de korte noordgevel (het metselwerk met de deuropening en de twee vensteropeningen) in het geheel, of met behoud van slechts een aantal lagen muurwerk boven maaiveld, in de jaren zeventig opnieuw is opgetrokken, op het moment dat de bestaande schuur een woonfunctie kreeg. Onomstotelijk bewijs hiervoor kunnen we echter op bouwhistorische gronden niet leveren, er zijn wel veel aanwijzingen. Het metselwerk rechts van de verticale bouwnaad meet 3,25-3,75 x 7-8 x 14,5-16,5 centimeter met een tienlagenmaat van 45,5 centimeter en heeft betrekkelijk veel bakstenen met roet- en pleisterwerksporen. In ieder geval veel

ESES

Bouwhistorische verkenning

32

meer dan de in kleur ook wat meer homogeen oranjekleurige baksteen links van de verticale bouwnaad. Dit metselwerk meet 16-16,5 x 7 x 3,5-4 centimeter bij een tienlagenmaat van 45,5 centimeter. In principe zou dit nog een plukje negentiende-eeuws of ouder metselwerk kunnen zijn (onder de portlandvoeg zien we op enkele plekken kalkmortel). Voor hetzelfde geld dateert het uit de tijd van de noordelijke kopgevel, omstreeks 1930. Over de vensters in de gevel kunnen we kort zijn. De vensters dateren in het geheel uit de tweede helft van de twintigste eeuw. De detaillering van de kozijnen, de ramen en de raamdorpels wijzen in de richting van de jaren zeventig. Op grond van kadastraal onderzoek komt het jaar 1973 in aanmerking. Ook de deur en het deurkozijn stammen uit deze tijd.

De veldwerkschets van de lange oostgevel. De arcering geeft twintigste-eeuws metselwerk aan.

Deel van de lange oostgevel van het pand. Alle gevelelementen dateren uit de tweede helft van de twintigste eeuw. Er zijn tenminste twee fasen in het metselwerk te onderscheiden waarbij in in ieder geval één fase sloopmateriaal is hergebruikt. De gevelindeling valt niet te rijmen met de functie van schuur die een deel het gebouw volgens een kadastrale veldtekening gehad heeft.

33

l:r.T.T«C

Zuiver gemetselde dagkanten, een aanwijzing dat de vensteropeningen van oudsher in het muurwerk aanwezig zijn. Doordat in de gevel bouwmateriaal is hergebruikt, is het lastig om vast te stellen of het metselwerk nog terug is te voeren tot in de negentiende- of zelfs de late achttiende eeuw. Meest waarschijnlijk dateert zowel dit deel van het metselwerk als de set vensteropeningen uit de twintigste eeuw.

Het metselwerk tussen de deuropeningen bestaat uit verschillende 'soorten' metselwerk. Op de foto is goed te zien dat met name in het bovenste deel van de gevel (kijk vooral boven het pallet) hergebruikte beroete bakstenen zijn toegepast, wat in de twintigste eeuw moet zijn gedaan. In het onderste deel van de gevel ontbreken deze. Er zijn twee verschillende partijen baksteen gebruikt óf er is sprake van een faseverschil in het metselwerk.

ESES

Bouwhistorische verkenning

34

De beide deuropeningen in de oostgevel. Aan de gevelopeningen is het nodige gerommeld. De linkerdeur heeft rechts een dagkant waarvan het onderste deel in bestaand metselwerk is ingebroken en het bovenste deel zuiver is gemetseld. Het toont aan dat er tussen de beide deuren een horizontale bouwnaad aanwezig is en dat we dus te maken hebben met twee fasen metselwerk. De linker dagkant van de deuropening is geheel secundair, wat blijkt uit de ingeboete dagkanten. Delen van de dagkanten die bij de rechter deuropening oorspronkelijk zijn, zijn in twintigste-eeuws metselwerk uitgevoerd. De overige delen van de dagkanten zijn ingeboet in bestaand metselwerk.

5.1.3 De lange westgevel De lange westgevel van bouwdeel 1 is een éénlaags gevel die in schoonmetselwerk is uitgevoerd. Bovenlangs de gevel gaat een nog niet zo heel lang geleden aangebrachte goot die op beugels rust. De gevel heeft één deuropening en vier vensteropeningen (waarvan de linker is dichtgemetseld). Om maar met de deur in huis te vallen: geen van deze bestaande deur- en vensteropeningen is oorspronkelijk. Dat valt te betreuren, omdat de huidige gevelindeling maar weinig vertelt over de (gebruiks)geschiedenis van het pand. De gevelindeling zoals die thans bestaat, is vermoedelijk pas in de tweede helft van de twintigste eeuw tot stand gebracht. In de meest linker, dichtgezette vensteropening (vermoedelijk dichtgezet in de jaren zeventig van de vorige eeuw), zien we aan de linkerzijde dat er op deze plek van oudsher een gevelopening aanwezig moet zijn. In de dagkant zien we, netjes aansluitend op het kruisverband van de gevel, vier door koppen afgewisselde drieklezoren die een strekkenlaag afsluiten. Daaronder is van een zuivere dagkant geen sprake meer. Hier leidt een onregelmatige verticale bouwnaad een stuk verder naar beneden. Ter rechterzijde is van een zuiver gemetselde dagkant geheel geen sprake meer. Het metselwerk is hier stevig verrommeld, vermoedelijk tijdens meerdere bouwfasen.

Het is nog maar de vraag of de halfsteens rollaag die is toegepast, bij de muuropening hoort of dat het hier gaat om een stroomlaag van de dichtzetting. De vrij brede stootvoegen zijn een aanwijzing voor het laatste.

In het linkerdeel van de gevel (tot aan de deuropening) zijn nog twee bouwsporen waargenomen die onverklaarbaar zijn. In het kruisverband zien we namelijk op twee niveaus een stapeling van

35

l:r.T.T«C

twee strekkenlagen (plaatselijk staand verband zullen we maar zeggen), de onderste ongeveer op vloerniveau, de bovenste gaat onderlangs de dichtgezette vensteropening. Zoals gesteld hebben we voor de aanwezigheid van die onderbrekingen van het metselverband, geen duidelijke verklaring.

Het metselwerk in de gevel is opgetrokken met IJsselstenen. De afmetingen van de stenen bedragen 16-17 x 7,5 x 3,5-4 centimeter met een tienlagenmaat van 45,5 centimeter. In het metselwerk is één vrij duidelijke opgaande bouwnaad aangetroffen. Die naad tekent zich af rechts van het rechtervenster in de gevel. Hier kunnen we vaststellen dat het metselwerk rechts van deze bouwnaad beduidend ouder is dan het metselwerk links daarvan. In dit jongere metselwerk is de rechter vensteropening uitgespaard (het is een oorspronkelijke opening in dit jongere metselwerk). Ondanks de historiserende vormgeving en detaillering van rollaag en venster, is duidelijk geworden dat het metselwerk hier, vensteropening en venster incluis, uit de tweede helft van de twintigste eeuw dateert en vrijwel zeker tijdens een grootschalige verbouwing in de jaren zeventig tot stand is gebracht. In het rechter, oudere deel van het metselwerk treffen we op hetzelfde niveau als in het linkerdeel van de gevel twee strekkenlagen recht boven elkaar aan, wat op samenhang wijst. De deuropening en de middelste twee vensteropeningen zijn door aanbouw van een serre in de jaren zeventig van de vorige eeuw inpandig geraakt. De gevelopeningen zijn toen, of anders tijdens een voorgaande grote verbouwing eind jaren twintig, aangebracht.

We kunnen vaststellen dat 90 procent van de dagkanten inboetwerk is en waar wel sprake is van een min of meer zuivere dagkant, is het op de gevelopening aansluitende metselwerk van recentere datum (we zien hier dezelfde beroete, hergebruikte bakstenen als in de oostgevel). De deur inclusief kozijn en de vensters dateren uit omstreeks 1975.

ESES

Bouwhistorische verkenning

36

De dichtgezette gevelopening links in de gevel. Op de rechter foto is een balklaaganker te zien dat van de schieter is ontdaan. Tevens baksteen met beroeting en met restanten van pleisterwerk (en dus hergebruikt).

Deur- en vensteropening in de westgevel zijn secundair. Ze passen ook niet bij de schuurfunctie die dit deel van het gebouw langere tijd heeft gehad.

37

De niet oorspronkelijke dagkanten van de middelste vensteropeningen. Op de foto rechts de niet-oorspronkelijke rechter dagkant met in de dagkant beroete baksteen, wat een aanwijzing is voor hergebruik van materiaal (vrijwel zeker fase jaren twintig). Hergebruik van beroete steen zal niet bezwaarlijk zijn geweest, omdat dit deel van het gebouw diende als schuur.

5.1.4 De korte zuidmuur Deze muur is inpandig geraakt toen bouwdeel 2 werd opgericht. Veel informatie over de muur is niet te verkrijgen, omdat de voormalige gevel inpandig volledig aan het zicht is onttrokken door onder andere voorzetwanden en afwerkingen. Indien hier nog sprake is van een oudere gevel, dan is het goed denkbaar dat in die gevel nog interessante bouwsporen aanwezig zijn. 5.1.5 Het dak Het dak van bouwdeel 1 is gedekt met Oud Holle pannen. Wanneer de pannen op het dak zijn gelegd, is niet zeker. Het was niet mogelijk om één of enkele pannen in handen te krijgen om ze van nabij te bestuderen. Meest waarschijnlijk is dat de pannen tijdens de grootschalige verbouwing in de jaren twintig/dertig zijn aangebracht. Op enkele plekken kon nog dakbeschot worden waargenomen. Het beschot bestaat uit planken die op de nokbalk en de muurplaten rusten. De planken overlappen elkaar ongeveer 1 centimeter, wat in de twintigste eeuw al niet meer gebruikelijk was (we zien in die eeuw vooral beschot met messing en groef). We zouden hier dus nog best eens te maken kunnen hebben met een ouder dakbeschot. Mocht er in de nabije toekomst ontmanteld worden, dan is het raadzaam om na te gaan of er in de beschieting van het dak faseverschillen aanwezig zijn.

Deel van het dakbeschot, te zien boven de lange oostgevel van bouwdeel 1.

ESES

Bouwhistorische verkenning

38

5.2 Het interieur 5.2.1 De begane grond De begane grond omvat de woonkeuken, een bijkeuken, een hal, gang en toilet. De indeling is in de jaren zeventig van de vorige eeuw tot stand gebracht door gebruikmaking van porisosteen tussen woonkeuken en bijkeuken, porisosteen tussen gang en toilet en houten wandjes tussen hal en woonkeuken. De huidige indeling correspondeert goed met de gevelindeling. Het zou kunnen dat men bij het maken van de interieurindeling aansloot op een bestaande gevelindeling, veel waarschijnlijk (zie analyse exterieur) is echter dat indeling van interieur en exterieur één ontwerp is. Kadastraal onderzoek heeft aangetoond dat bouwdeel 1, vóórdat het in gebruik werd genomen als woonkeuken, als schuur in gebruik was. Op de begane grond zijn weinig bouwhistorisch interessante elementen of afwerkingen aangetroffen. Hal, woonkeuken en bijkeuken zijn alle uitgevoerd met een plavuizenvloer die midden jaren zeventig zal zijn gelegd. De vloer is in deze ruimten alles behalve netjes waterpas. Naden in de vloer markeren plekken waar in het verdere verleden tussenmuren hebben gestaan. Op de plek waar mogelijk nog een kelderruimte aanwezig is (hoek noord-oostgevel), is de vloer wel behoorlijk vlak, wat het vermoeden van aanwezigheid van een kelder op die plek versterkt (en een oorspronkelijke functie van schuur ter plekken ondermijnt.

Binnendeuren zijn niet van historische betekenis en dat geldt ook voor aftimmeringen (o.a. vensterbanken) van de gevelopeningen in porisostenen voorzetwanden. De plavuizenvloer is ook doorgelegd in de gang en het toilet. De toiletdeur draagt nog bij aan de sfeer van de jaren zeventig, mede doordat de deur het oorspronkelijke hang- en sluitwerk nog heeft. De enige noemenswaardige elementen in het interieur, zijn de twee houten steektrappen naar de zolders. Er staat een trap in de woonkeuken en een trap in de gang. Interessante vraag is waarom de vrij krappe zolder middels twee trappen is ontsloten. De trappen zijn op basis van de detaillering van de treden (zowel de profilering van de treden zelf als de aansluiting op de bomen) in het eerste kwart van de twintigste eeuw te plaatsen, al kan een datering in de tweede helft van de negentiende eeuw ook niet worden uitgesloten. Het leidt weinig twijfel dat de trappen op de huidige plek zijn hergebruikt.

^__^ IIB VIHraH .

'

m

»

—

De bijkeuken met op de foto rechts nog een wastobbe uit de jaren zeventig. Vloerafwerking (plavuizen), wanden (Poriso) en plafonds (lattenplafonds) dateren ook uit die tijd.

39

l:r.T.T«C

De woonkeuken met afwerkingen uit de jaren zeventig en later. De zoldertrap is een ouder, hergebruikt element. Op de rechterfoto de wand tussen hal en woonkeuken.

De gang in de richting van de hal. Op de rechterfoto het toilet vanuit de gang. De deur in de achtergrond geeft toegang tot de slaapkamer. Ook hier elementen en afwerkingen uit de jaren zeventig en later.

Bouwhistorische verkenning

40

De hergebruikte trap in de gang. Op de rechterfoto detaillering van de treden met aansluiting op de trapboom wijst op een herkomst in de tweede helft van de negentiende eeuw.

Ter plaatse van de porisowand tussen gang en toilet is groene verf op een zolderbalk te zien, wat aangeeft dat de wand onder een bestaande balk is opgetrokken óf de balk ten tijde van het metselen van de wand is hergebruikt.

41

5.2.2 De zolder De zolder is bouwhistorisch weinig interessant. We kunnen vaststellen dat de zoldervloer boven de hal en een klein deel van de woonkeuken nog negentiende-eeuwse vloerdelen heeft en dat de vloerdelen boven de bijkeuken en een deel van de woonkeuken uit de twintigste eeuw stammen. Behoudens de kapspanten zijn er verder geen waarnemingen op de zolder te verrichten, met name doordat de kap geïsoleerd en afgetimmerd is.

De zolder gezien in noordelijke richting.

5.2.3 Een kelder(?) Een dichtgezette vensteropening in de noordgevel, kort boven maaiveldniveau, is een aanwijzing dat in de hoek van de noord- en oostgevel een kelder in de ondergrond aanwezig zou kunnen zijn. Ook het hier redelijk forse niveauverschil tussen maaiveld en begane-grondvloer is daarvoor een aanwijzing, alsmede de zonering. Een kelder werd namelijk bij voorkeur op het koele noordoosten gericht. 5.3 De constructies Over de constructie van de vloer van de begane grond konden tijdens de verkenning geen gegevens worden verkregen, vanwege de tegelvloer die in de jaren zeventig van de vorige eeuw moet zijn gelegd. Aanwezigheid van tegels geeft aan dat er van houten vloerconstructies geen sprake zal zijn. De tegels kunnen in zand liggen, maar meer waarschijnlijk zijn ze op een cementvloer gelegd. De vloerconstructie van de zoldervloer bestaat uit een enkelvoudige balklaag. Balken zijn opgelegd in de lange gevels van het gebouw. De oplegging in de gevels kon niet worden bekeken, omdat binnen langs de gevels porisostenen voorzetwanden zijn geplaatst. Wat direct opvalt aan de enkelvoudige balklaag, is dat we balken aantreffen die verschillen in grootte, voor wat dimensionering van de balkdoorsnede betreft. Verschil in afmetingen duidt vrijwel altijd op faseverschil.

De vier balken boven de bijkeuken en het noordelijke deel van de woonkeuken zijn vermoedelijk de oudste balken (rood in de veldwerktekening en grijs boven de bijkeuken omdat hier de hoogte niet

ESES

Bouwhistorische verkenning

42

kon worden bepaald). De breedte van de balken kon worden bepaald op 14-14,5 centimeter, de hoogte is nét iets meer, namelijk 15 centimeter. De balk ter plaatse van de wand tussen bijkeuken en woonkeuken heeft ter plaatste van de lange westgevel aan de onderzijde een pengat. De schuinte van het gat toont aan dat er in het verleden een korbeelpen onderin de balk moet hebben gestoken en dat er dus stijlen geweest moeten zijn. In die situatie zou er ook sprake geweest kunnen zijn van houten wanden. Of al dit betrekking heeft op het huidige huis of een voorganger, staat niet vast. De balken kunnen goed van elders afkomstig zijn en in de twintigste eeuw op de huidige plek zijn hergebruikt. De vloerdelen die op de balken zijn gespijkerd, zijn niet van vóór de twintigste eeuw. De vloerdelen zijn op basis van hun kenmerken (vurenhout, circa 9 centimeter breed), in het derde kwart van de twintigste eeuw te dateren. Meest aannemelijk is dat de vier balken die ongeveer 11,5 x 15-17 centimeter meten (blauw in de veldwerktekening) net iets minder oude balken van de zoldervloer zijn. De balken zijn te vinden in het zuidelijke deel van de woonkeuken en in de gang. Boven de woonkeuken zijn over de balken negentiende-eeuwse vloerdelen gelegd. Helaas kon niet worden vastgesteld op welke wijze deze vloerdelen aan de balken zijn vastgezet (op de zolder zijn er vloerdelen overheen gelegd).

De vloerdelen meten 21-27 centimeter in de breedte. Er zijn geen aanwijzingen voor hergebruik van de delen aangetroffen, maar vaststellen dat de vloerdelen van oudsher bij de vloerbalken horen, kunnen we als gevolg van beperking door het opdekken van de vloer ook niet. In één van de balken is aan de onderzijde, kort op de lange oostgevel, een in onbruik geraakt pengat aangetroffen. Het pengat wordt als het ware doorsnede door de porisostenen voorzetwand. Een gat voor een korbeelpen lijkt dit niet geweest te zijn. In de huidige context is een verklaring voor het pengat niet te vinden. Ook hier houden we er rekening mee dan de balken in de huidige context zijn hergebruikt. In de woonkeuken zijn kort op elkaar twee smalle, hoge balken aanwezig (grijs in het veldwerk). Vermoedelijk niet toevallig zijn deze balken te vinden tussen de twee series vloerbalken. De twee ranke balken (6 x 15 centimeter) zijn voormalige strijkbalken. Aan weerszijden van een tussenmuur die later gesloopt is, lag één van deze balken. De gesloopte tussenmuur is in de vloer ook herkenbaar, namelijk aan een klein niveauverschil in de tegelvloer. De tegelvloer is gelegd na verwijdering van de tussenmuur, waarbij men heeft nagelaten om het verschil in vloerniveau weg te nemen. Er zijn twee balken die 9 x 14,5-15 centimeter in doorsnede meten (groen in het veldwerk).

De balken zijn mede op basis van de machinale houtbewerkingssporen globaal in het derde kwart van de twintigste eeuw te dateren. Balken met identieke afmetingen zijn gebruikt bij de vergroting van het pand (bouwdeel 3), waardoor aannemelijk is dat de balken zijn aangebracht toen bouwdeel 3 werd gerealiseerd. Eén van de balken is een strijkbalk, de ander is een balk die werd geslagen tussen gevel en raveelbalk van het trapgat. De balk dateert vrijwel zeker het trapgat (de trap zelf is ouder). Haaks op de balken van de enkelvoudige balklaag zijn balkjes aangebracht die niet meer dan 3 bij 14,5 centimeter meten. De balkjes dateren uit de tweede helft van de twintigste eeuw en zijn vrijwel zeker in de jaren zeventig aangebracht.

43

l:r.T.T«C

3 X IH VicAi ■'W» (fVWV 6

ýr \V

Vi oV

6

V- »L, 2I-2T)**'

r !T \J^Íİ L- SI o O T + IW

r

fcy.-r/At 1,

'J7Tf

Veldwerkschets van de balklaag van de zoldervloer.

rftwi:

Bouwhistorische verkenning

44

De complexiteit van de balklaag van de zoldervloer zet zich voort in de spanten van de kap. Wat in eerste instantie een eenvoudige reeks van vier schaarspanten lijkt, blijkt in werkelijkheid een ratjetoe van spanten uit verschillende periodes. Het noordelijke spant zou nog wel eens het oudst aanwezige spant kunnen zijn. Wij houden er rekening mee dat het spant is hergebruikt. Het spant bestaat uit twee scharende spantbenen van 7 x 9,5 centimeter. Een 8 centimeter hoge trekbalk is verwijderd, en heeft sporen in de spantbenen nagelaten. Waar de trekbalk is verdwenen, is uitermate goed te zien dat de trekbalk oorspronkelijk met smeedijzeren nagels aan de spantbenen was vastgezet. Aan het eind van de negentiende eeuw is het gebruik van smeedijzeren nagels verdrongen door toepassing van draadnagels, die op dat moment goedkoper (machinaal) geproduceerd konden worden dan nagels van smeedijzer. Het spant is zoals gesteld aangepast door verwijdering van de trekbalk. Dichter op de nok is kort daarvoor een nieuwe, veel kortere trekbalk aan de spantbenen gezet. Dáár zijn wel draadnagels gebruikt. Vermoedelijk gelijktijdig zijn standzoontjes onder de spantbenen gezet. Vermoedelijk gebeurde dit met een constructief doel (er werd aan de voet van de spanten een stijve hoek gemaakt). De standzoontjes meten 4,5 bij 14,5 centimeter. De aanpassingen zijn in de twintigste eeuw gedaan.

Met het omhoog brengen van de trekbalk heeft men als doel gehad om de zolder begaanbaar te maken. Dit past bij een verandering van schuurfunctie naar een woonfunctie. Het tweede spant heeft spantbenen van 6 x 15 centimeter. Een trekbalk is hier nooit geweest. Standzoontjes (6 x 15 centimeter) zijn hier van oudsher aanwezig. In de nok zijn de spantbenen onderling met draadnagels verbonden, wat in combinatie met de houtbewerking (machinaal) en de houtafmetingen duidt op een twintigste-eeuwse oorsprong, vrijwel zeker van de tijd van sloop van de molen en de ingrijpende aanpassing van het huis (rond 1928). Het derde spant is heeft scharende spantbenen, standzoontjes en een hoog aangebrachte trekbalk die met draadnagels is vastgezet. Het spant is twintigste-eeuws. Opvallend genoeg lijken de gordingen die over het spant zijn gelegd, ouder te zijn. Dit vermoeden komt voort uit de lasverbindingen van de gordingen die met smeedijzeren nagels zijn vastgezet. Een verklaring zou kunnen zijn dat de gordingen uit een oudere context afkomstig, hier zijn hergebruikt (of hergebruikt zijn in een fase van vernieuwing van de kap). Van het vierde en vijfde spant is weinig informatie te verkrijgen omdat deze spanten grotendeels zijn afgetimmerd. De schaarspanten hebben in ieder geval standzoontjes. Of er sprake is van trekbalken is niet zeker. De spanten maken een twintigste-eeuwse indruk.

Het leidt nauwelijks twijfel dat de spanten uit dezelfde tijd dateren als het tweede en derde spant. Conclusie luidt dat er vier twintigste-eeuwse kapspanten staan en één ouder, vermoedelijk negentiende-eeuws spant dat met het plaatsten van de vier overige spanten zal zijn aangepast. Het is niet uit te sluiten dat dit oudere kapspant een restant is van de molenaarswoning die hier tussen circa 1775 en circa 1928 heeft gestaan.

45

l:r.T.T«C

el 2 6.1 Het exterieur Het verkennen van het exterieur van bouwdeel 2, gebouwd in de jaren twintig van de vorige eeuw, is niet eenvoudig. Dat komt omdat de lange oostgevel en de korte zuidgevel op de begane grond geheel zijn verdwenen achter later aangebracht betimmering. Het is daardoor niet goed mogelijk om vast te stellen wat de mate van authenticiteit is van de thans bestaande gevelopeningen. Het vermoeden bestaat dat de betimmering van de gevel onder andere is aangebracht om bouwsporen (sporen van wijziging) aan het zicht te onttrekken. Om ons een beeld te kunnen vormen van hoe de gevels er oorspronkelijk uit hebben gezien, kunnen we vermoedelijk het beste een blik werpen op de foto's van de boerderijen die ten tijde van de sloop van de ondermolen en de bovenmolen op de molenlocaties verrezen. We zijn er van overtuigd dat in de jaren twintig drie boerderijen werden gebouwd met nagenoeg identieke kopgevels, uitgevoerd met twee vensteropeningen op de begane grond en één vensteropening in de geveltop.

We kunnen ook constateren dat de nieuwe woningen die bij de fundamenten van de onder- en bovenmolen tot stand werden gebracht, een woon- en schuurgedeelte onder één kap (dus uit één bouwdeel bestaan) kregen en dat het huis dat bij de fundamenten van de middenmolen werd opgericht, als enige een samenstel uit twee bouwdelen werd, wat aannemelijk maakt dat delen van een ouder huis behouden bleven.

De gevels zijn op de begane grond vrijwel volledig verdwenen achter houten gevelbetimmering. Om een beeld te kunnen vormen van de gevels uit de jaren twintig, kan naar archieffoto's van de panden bij de fundamenten van de onder- en bovenmolen worden gekeken.

6.1.1 De zuidgevel Het metselwerk van de zuidgevel gaat op de begane grond zoals gesteld schuil achter een houten gevelbetimmering. We treffen hierin twee vensteropeningen aan, met vensters die uit de tijd van de gevelbetimmering zijn. Er is geen spoor te zien van de vensters die vanaf de jaren twintig ongeveer een halve eeuw het gevelbeeld domineerden. Van het metselwerk van de oude gevel is alleen het trasraam te zien. Hierin is vrij goed de oorspronkelijke linker hoek van de gevel te herkennen, alsmede het daarop aansluitende, duidelijk als jaren zeventig/tachtig herkenbare metselwerk van de uitbreiding (bouwdeel 3).

ESES

Bouwhistorische verkenning

46

In de geveltop, die met het betimmeren van de begane-grondgevel in donkere verf is gezet, is van oudsher een centrale vensteropening onder een rollaag aanwezig. Het kozijn heeft een profilering die doet vermoeden dat het kozijnhout ouder is dan de gevel (en dus moet zijn hergebruikt). Interessant in dat kader zijn in onbruik geraakte pengaten onderin de bovendorpel van het raamkozijn en pengaten die in het hout zijn waargenomen. In dit oude kozijn is in de jaren zeventig van de vorige eeuw óf nog later, een hardhouten raam geplaatst. Het raam is toen ook al van isolatieglas voorzien.

In de top van de gevel treffen we een kozijn aan dat vanwege profilering en bouwsporen nog als negentiendeeeuws (of zelfs laat achttiende-eeuws) kan worden aangemerkt. Het bevindt zich in een jongere gevel en bevat een nog veel jonger, in het kozijn geplaatst raam.

We zien jaren zeventig metselwerk aansluiten op de hoek die in de jaren twintig tot stand werd gebracht.

47

l:r.T.T«C

6.1.2 De oostgevel Afgaande op de foto's van de twee boerderijen die bij de gesloopte onder- en bovenmolen werden gebouwd in de jaren twintig, moet de oostgevel van bouwdeel 2 achter de gevelbetimmering (buitenzijde) en de porisowanden (binnen) nog de overblijfselen hebben van gevelopeningen. Het is zelfs niet uit te sluiten dat er nog een compleet venster of een complete deurpartij achter de latere afwerkingen behouden is gebleven. Feitelijk is er over de oostgevel niets te melden, vanwege het simpele gegeven dat van de gevel in de huidige toestand niets zichtbaar is. Vanwege dichte tuinbeplanting, kort op de gevel, is van de gevel geen fatsoenlijke foto te maken. Foto's van de huizen die gebouwd werden nabij de fundamenten van de onder- en bovenmolen geven een indruk van wat er qua gevelindeling te verwachten valt. 6.1.3 De westgevel De westgevel van bouwdeel 2 is ten tijde van de aanbouw van bouwdeel 3 of vrijwel geheel gesloopt. Op zolderniveau zal van deze gevel de borstwering vermoedelijk nog resteren. Metselwerk was tijdens het veldwerk niet te zien. 6.1.4 Het dak Het dak is voorzien van oranjerode Oud Holle pannen. Dit kunnen goed de dakpannen uit de bouwtijd van bouwdeel 2 (jaren twintig vorige eeuw) zijn. In het westelijke dakschild zijn twee nietoorspronkelijke dakramen aangebracht. Deze zijn van binnenuit te zien.

6.2 Het interieur Over het interieur kan kort worden gerapporteerd. Op de begane grond dateert al dat te zien is, uit de jaren zeventig van de vorige eeuw of van latere datum. Historisch zijn alle interieurelementen en interieurafwerkingen van geen betekenis. Er bestaat een redelijke kans dat achter de porisowanden nog restanten aanwezig zijn van oudere interieurafwerkingen. Daarbij valt te denken aan pleisterwerk op gevels of wellicht plinten en behangsels. De noodzaak om deze afwerkingen te verwijderen zal niet hebben bestaan op het moment dat de porisowanden werden opgetrokken. De zolder toont een ratjetoe aan afwerkingen voor wat betreft vloeren, wanden en plafonds. Geen van die afwerkingen is terug te voeren tot in de jaren twintig van de vorige eeuw. Het meeste stamt uit het laatste kwart van de twintigste eeuw. In het interieur is qua elementen en afwerkingen in het geheel geen sprake van samenhang.

Rechts van de twee vensteropeningen met T-ramen heeft oorspronkelijk de zijgevel gestaan. Deze is op de begane grond volledig weg. Op de rechterfoto een kachel(plaats) uit de jaren zeventig.

ESES

Bouwhistorische verkenning

48

In de woonkamer zijn bouwsporen uit het zicht verdwenen door het optrekken van wanden in porisosteen.

De zolderkamer.

6.3 De constructie In de rond 1975 vergrote woonkamer is de balklaag van de zoldervloer te zien. Omdat de balklaag is voortgezet in de bouwdeel 3 (waar hij een plat dak vormt), is het verleidelijk om de gehele balklaag te beschouwen als uit de tijd van de uitbreiding. De balken meten 9,5 x 14,5 centimeter en liggen

49

l:r.T.T«C

hart-op-hart ongeveer 106 centimeter uit elkaar. Op de balken liggen vloerdelen die 14,5 centimeter breed zijn en op grond van uiterlijke kenmerken in de twintigste eeuw zijn te dateren. De zolder heeft één kapspant. Het betreft een twintigste-eeuws Verbeterd Hollands Spant, in de bouwtijd veruit het meest voorkomende spanttype. De kreupele stijlen zijn op de strijkbalken van de zoldervloer gezet (hier geen sloffen) en met draadnagels aan de spantbenen getimmerd. De trekbalken zijn aan de spantbenen gebout, zoals in de bouwtijd te doen gebruikelijk. Gordingen dateren uit de bouwtijd, muurplaten vermoedelijk ook.

Details van het kapspant uit de jaren twintig. Rechts draadnagels in de kreupele stijlen.

Verbinding van trekbalken met spantbenen door middel van bouten en moeren.

ESES

Bouwhistorische verkenning

50

De schuur is vrijwel zeker in de jaren vijftig van de vorige eeuw gezet en in de jaren zeventig nog een keer wat grootschaliger verbouwd. Bouw- en cultuurhistorisch is dit bijgebouw nauwelijks van betekenis. Het geeft vooral nog enige uitdrukking aan het agrarische gebruik van het terrein ná de sloop van de molen. In het gebouw treffen we nog enkele deuren en een paar ijzeren stalraampjes aan en ook de constructie lijkt nog grotendeels terug te voeren te zijn op de veronderstelde bouwtijd. Veel van wat we in het gebouw qua interieur zien is van latere datum. Foto's geven een aardige indruk.

Gevels van het deel van het gebouw dat als atelier is gebruikt. Het gebouw is ten behoeve van die functie sterk gewijzigd.

De atelierruimte met badkamer.

51

l:r.T.T«C

De schuur ligt vol met allerhande curiosa.

Hier en daar een oorspronkelijke deur of een raampje (zie in de achtergrond door de deuropening).

ESES

Bouwhistorische verkenning

52

In de richtlijnen voor bouwhistorisch onderzoek wordt aangegeven dat voor de bepaling van de algemene historische waarde van een object inzicht moet worden verkregen in verbondenheid met maatschappelijke ontwikkelingen. Concreet wordt de bouwhistoricus gevraagd te toetsen of in het gebouw één of meerdere maatschappelijke ontwikkelingen tot uitdrukking komen, en zo ja, in welke mate en hoedanigheid. Dit is geen eenvoudige opgave, mede omdat concrete definities van de gehanteerde begrippen ontbreken. In deze rapportage worden alleen die begrippen gedefinieerd waarover binnen de kaders van het onderzoek uitspraken mogelijk zijn. Onder culturele ontwikkeling wordt in dit kader verstaan de ontwikkeling van veronderstellingen, opvattingen, waarden, normen en de materiële uitdrukking daarvan door een samenleving of een groep daarbinnen. De ontwikkeling van menselijke activiteit op tastbare wijze tot uiting gebracht. De plaats waar het huis Lies Frankenweg 1 staat, is cultuurhistorisch van betekenis voor het dorp, omdat hier anderhalve eeuw lang de poldermolen heeft gestaan die gebruik van land in de polder mogelijk maakte. Op het terrein bevond zich een molen, een molenhuis en een hooiberg. Van de molen zijn de watergang en de fundering nog aanwezig, de hooiberg is verdwenen.

Op basis van de bevindingen in deze rapportage kan gesteld worden dat er van het molenhuis nog enige substantie resteert (een kapspant, een gording, enkele zolderbalken en vermoedelijk nog wat opgaand muurwerk van gevels). We moeten echter ook constateren dat de restanten geen samenhangend geheel meer vormen en dat er als gevolg van vele wijzigingen en aanpassingen (met name ook voor wat betreft de gevelopeningen die alle twintigste-eeuws zijn) weinig duiding aan de restanten is te geven. De verbouwingen zijn zo ingrijpend geweest, dat ook de herinneringen aan het puur agrarisch gebruik van het gebouw vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw, nauwelijks nog afleesbaar is. Vergelijk hiervoor de foto's van de huizen die bij de fundamenten van de onder- en bovenmolen werden gebouwd. De cultuurhistorische waarde daarvan (als agrarisch relict) was voor de sloop ervan véél groter. Onder sociaaieconomische ontwikkeling wordt in deze rapportage gerekend de ontwikkeling die betrekking heeft op algemene welvaart/vooruitgang. Dit belang is vrij beperkt voor zover het thans nog bestaande, bovengrondse substantie betreft. De molenplaats is van belang omdat zij inzicht geeft in de (economische) behoefte om in te polderen en middels landbouw inkomsten te genereren.

Onder religieuze ontwikkeling wordt in deze rapportage gerekend de ontwikkeling die betrekking heeft op het spirituele en geloofsovertuiging. Hiervan is voor zover bekend geen sprake. De geografische ontwikkeling kan worden gedefinieerd als de betekenis die het gebied heeft voor de door de mens gecreëerde leefomgeving; de wijze waarop het natuurlandschap in cultuurlandschap werd getransformeerd en aan ontwikkelingen in gebruik werd aangepast, zowel in materiële als immateriële zin. Dit belang is groot voor wat de geschiedenis als molenplaats betreft, omdat waterlopen, watergang, dijklichamen en molenfundament nog herkenbaar zijn. We moeten hier wel opmerken dat de

53

l:r.T.T«C

waarde is aangetast doordat de locaties van de onder- en bovenmolen niet of nauwelijks nog herkenbaar zijn (hier is het landschap en de locatie stevig getransformeerd). Onder bestuurlijke ontwikkeling wordt verstaan de ontwikkeling van zeggenschap over een maatschappelijk afgebakend gebied. Hiervan is voor zover bekend, weinig sprake. Er is geen duidelijke herinnering aan de zeggenschap die het waterschap lang heeft uitgeoefend. 8.2

Ensemblewaarden en stedenbouwkundige waarden

In de richtlijnen voor bouwhistorisch onderzoek wordt aangegeven dat voor de bepaling van de ensemblewaarden en stedenbouwkundige waarden inzicht moet worden verkregen in de status van vijf te onderscheiden componenten, waarvan hieronder enkele worden gecombineerd. - Belang van het complex als essentieel onderdeel van een groter geheel dat cultuurhistorisch, architectuurhistorisch en stedenbouwkundig van (inter)nationale betekenis is. Het pand is niet gelegen binnen de grenzen van een beschermd dorpsgezicht. - Belang van het complex wegens de situering, verbondenheid met de ontwikkeling/uitbreiding van een streek, stad of wijk. Dit belang is beperkt geraakt door oprukkende uitbreidingswijken die het landschap sterk hebben gewijzigd. De molenlocatie dreigt hierdoor opgeslokt te worden. Overigens moeten we hier opmerken dat het weidse in de loop van de twintigste eeuw (met name tweede helft) al teloor is gegaan door begroeiing op het voormalige molenterrein. Foto's van de molens en de boerderijen die na de sloop van de molens werden gebouwd, tonen een ledig polderlandschap met dijken, waterlopen en weilanden. - Belang van het complex wegens de wijze van verkaveling Z inrichting Z voorzieningen. Dit belang is geschaad met de sloop van de molen, waarna de locatie een boerderijerf werd.

De fundamenten van de molen, de watergang en de weinige substantie die van het molenhuis resteert, brengen de poldergeschiedenis nog wat in herinnering. Aan de boerderijgeschiedenis herinnert betrekkelijk weinig in het pand (het heeft sinds de jaren zeventig in het geheel een woonfunctie, en heeft dus ook betrekkelijk kort als boerderij gefunctioneerd). Aardige herinnering aan het agrarische gebruik is nog wel de silo voor persvoeder, een element dat in hoog tempo verdwijnt, omdat de meeste silo's in onbruik zijn geraakt en daardoor niet meer onderhouden worden. 8.3

Architectonische waarden

In de richtlijnen voor bouwhistorisch onderzoek wordt aangegeven dat voor de bepaling van de architectonische waarden inzicht moet worden verkregen in de status van vijf te onderscheiden componenten, waarvan er hieronder enkele worden gecombineerd. - Belang van het complex voor de geschiedenis van de architectuur en het oeuvre van de architect(en). Dit belang is als gevolg van de vele, vele wijzigingen vrijwel nihil. - Belang vanwege de hoogwaardige esthetische kwaliteit van het ontwerp en de ornamentiek. Dit belang is als gevolg van de vele, vele wijzigingen vrijwel nihil. 8.4

Bouwhistorische waarden

In de richtlijnen voor bouwhistorisch onderzoek wordt aangegeven dat voor de bepaling van de bouwhistorische waarden van het gebouw onderscheid wordt gemaakt in drie componenten.

ESES

Bouwhistorische verkenning

54

Concreet wordt de bouwhistoricus gevraagd te toetsen of het gebouw van belang is vanwege één of meerdere van deze componenten en hoe groot dit belang is, waarbij authenticiteit en zeldzaamheid de belangrijkste toetsingscriteria zijn. - Het belang van het object voor de geschiedenis van de bouwtechniek. Dit belang is redelijk beperkt doordat er in de constructies van zoldervloer en kap weinig sprake is van samenhang én er in het gebouw geen constructies zijn aangetroffen die een bijzondere rol hebben gespeeld in de geschiedenis van de bouwtechniek. De constructies geven vooral het inzicht dat het gebouw in de loop der tijd op verschillende momenten (zeer) ingrijpend is verbouwd. - Het belang van het object vanwege de historische gelaagdheid. Hiervan is wel sprake, maar het is lastig om hier waardering aan te koppelen. Dit komt doordat onderlinge samenhang vaak niet duidelijk is en het hierdoor buitengewoon lastig is om verhalen te koppelen aan onderdelen van het pand. Indien de mogelijkheid zich voordoet, is het nuttig om onderzoek te verrichten na verwijdering van porisowanden, omdat dan meer duidelijkheid zal ontstaan voor wat betreft relaties tussen opgaand metselwerk en balklagen, het ontstaan en de ontwikkeling van de gevelindeling.

8.5 Waarden vanuit de gebruikshistorie In de richtlijnen voor bouwhistorisch onderzoek wordt aangegeven dat voor de bepaling van de waarden vanuit de gebruikshistorie van het gebouw onderscheid wordt gemaakt in drie componenten. Concreet wordt de bouwhistoricus gevraagd te toetsen of het gebouw van belang is vanwege één of meerdere van deze componenten en hoe groot dit belang is, waarbij authenticiteit en zeldzaamheid de belangrijkste toetsingscriteria zijn. - Het belang vanwege de ordening, samenhang of inrichting van gebouwen of ruimten, passend bij een historische functie, gebruik of productie in het object/complex. Dit belang is als gevolg van vele verbouwingen beperkt geraakt. De historische functie van bouwdelen en ruimten is hierdoor ernstig vertroebeld. Herinneringen aan molenhuis en daarop volgende boerderij zijn geminimaliseerd. - Het belang van het object/complex als herinnering aan een historische gebeurtenis of prominente bewoner/gebruiker/opdrachtgever. Binnen de kaders van de verkenning is te weinig informatie verzameld over vroegere bewoners en latere eigenaren. 8.6 Waardestellingen De waardenstellingen zijn gebaseerd op de in deze rapportage verzamelde gegevens en inzichten.

Tijdens een bouwhistorische verkenning blijft veel van de geschiedenis van een gebouw voor de onderzoeker onbekend, omdat er niet achter afwerkingen kan worden gekeken (met name de porisosteen verborg veel aan het zicht). Soms is de opgedane kennis eenvoudigweg te beperkt om tot een deugdelijke onderbouwing van de monumentwaarde te komen. Er wordt in deze paragraaf getoetst aan de mate van authenticiteit en de mate van zeldzaamheid. Stelling 01: Op basis van de gegevens en de interpretaties in deze rapportage wordt er hoge monumentwaarde toegekend aan de noordelijke kopgevel van het pand, omdat dit de enige gevel is met aantoonbaar oorspronkelijke (zij het dichtgezette) gevelopeningen en omdat die indeling correspondeert met één van de kopgevels van de (gesloopte) twintigste-eeuwse boerderijen op de andere molenlocaties en daarmee een zekere verhaalkracht heeft (ondanks dat dit verhaal voor ons niet geheel duidelijk is). Het authentieke gevelbeeld is hier redelijk herkenbaar gebleven.

55

l:r.T.T«C

Stelling 02: Op basis van de gegevens en de interpretaties in deze rapportage wordt hoge monumentwaarde toegekend aan de balklaag en de vloerdelen boven het entreeportaaltje en een deel van de keuken, om de enkele reden dat dit deel van de vloer(constructies) in het pand het oudst is (XIX), in combinatie met het sterke vermoeden dat we hier nog van doen hebben met een restant van het zeer sterk gewijzigde molenhuis, een authentieke en vrij zeldzame situatie dus. Stelling 01: Op basis van de gegevens en de interpretaties in deze rapportage wordt er positieve monumentwaarde toegekend aan de lange gevels van bouwdeel 1. De mate van authenticiteit is in hoge mate aangetast, gevelopeningen én gevelelementen zijn secundair en herinneren niet of nauwelijks meer aan de functie van molenhuis en boerderij. De waarde wordt men name toegekend op basis van de oudere delen van het metselwerk én het gegeven dat er vanaf de late achttiende eeuw op deze plek een gebouw heeft gestaan met gelijke breedte als het huidige. Stelling 02: Op basis van de gegevens en de interpretaties in deze rapportage wordt er positieve monumentwaarde toegekend aan de balklaag van de zoldervloer van bouwdeel 1 (de hoofdbalken), met name op grond van de mate van zeldzaamheid.

Het lijkt er op dat de balken zijn hergebruikt (vloerdelen zijn van recentere datum en vertegenwoordigen indifferente monumentwaarde vanwege de veelvoorkomendheid). Stelling 03: Op basis van de gegevens en de interpretaties in deze rapportage wordt er positieve monumentwaarde toegekend aan de hergebruikte trappen (1 en 2), welke inmiddels al behoorlijk zeldzaam beginnen te worden. De herkomst van de trappen staat niet vast, inpandig hergebruik is aannemelijk te maken. Stelling 04: Op basis van de gegevens en de interpretaties in deze rapportage wordt er positieve monumentwaarde toegekend aan de kapconstructie van bouwdeel 2. De constructie is authentiek (boerderijfase) doch niet zeldzaam te noemen. Het schilderen van het spant heeft de monumentwaarde enigszins aangetast. Stelling 05: Op basis van de gegevens en de interpretaties in deze rapportage wordt er positieve monumentwaarde toegekend aan kapconstructie van bouwdeel 1. De constructie verkeert in redelijke mate van authenticiteit. Verschillen in de constructie van de kapspanten geven enig inzicht in de historische gelaagdheid, waarbij één van de spanten mogelijk nog een spant uit de begintijd van het molenhuis is.

Stelling 06: Op basis van de gegevens en de interpretaties in deze rapportage wordt er positieve monumentwaarde toegekend aan het hergebruikte raamkozijn in de topgevel van bouwdeel 2, als uitdrukking van de historische gelaagdheid, en er vanuit gaande dat het kozijn in een eerder gebruik deel uitmaakte van het molenhuis (of de molen). Stelling 01: Op basis van de gegevens en de interpretaties in deze rapportage wordt er indifferente toegekend aan de gevels uit de jaren zeventig of tachtig van de vorige eeuw (bouwdelen 3 en 4). Van een authentieke en/of zeldzame toestand is geen sprake. Stelling 02: Op basis van de gegevens en de interpretaties in deze rapportage wordt er indifferente toegekend aan alle deuren en vensters uit de jaren zeventig of tachtig van de vorige eeuw. Van een authentieke en/of zeldzame toestand is geen sprake. Stelling 03: Op basis van de gegevens en de interpretaties in deze rapportage wordt er indifferente toegekend aan binnendeuren uit de jaren zeventig of tachtig van de vorige eeuw. Van een authentieke en/of zeldzame toestand is geen sprake. Stelling 04: Op basis van de gegevens en de interpretaties in deze rapportage wordt er indifferente toegekend aan de kachel(plaats) (1) uit de jaren zeventig of tachtig van de vorige eeuw. Van een authentieke en/of zeldzame toestand is geen sprake.

Stelling 05: Op basis van de gegevens en de interpretaties in deze rapportage wordt er indifferente toegekend aan de waskuip (2) uit de jaren zeventig van de vorige eeuw. Van een authentieke en/of zeldzame toestand is geen sprake.

ESES

Bouwhistorische verkenning

56

Stelling 06: Op basis van de gegevens en de interpretaties in deze rapportage wordt er indifferente monumentwaarde toegekend aan de keuken (3). Van een authentieke en/of zeldzame toestand is geen sprake. Stelling 07: Op basis van de gegevens en de interpretaties in deze rapportage wordt er indifferente monumentwaarde toegekend aan scheidingswanden uit de jaren zeventig of tachtig van de vorige eeuw. Van een authentieke en/of zeldzame toestand is geen sprake. Stelling 08: Op basis van de gegevens en de interpretaties in deze rapportage wordt er indifferente monumentwaarde toegekend aan vloerafwerkingen uit de jaren zeventig of tachtig van de vorige eeuw. Van een authentieke en/of zeldzame toestand is geen sprake. Stelling 09: Op basis van de gegevens en de interpretaties in deze rapportage wordt er indifferente monumentwaarde toegekend aan wandafwerkingen uit de jaren zeventig of tachtig van de vorige eeuw. Van een authentieke en/of zeldzame toestand is geen sprake. Stelling 10: Op basis van de gegevens en de interpretaties in deze rapportage wordt er indifferente monumentwaarde toegekend aan de voorzetwanden van porisosteen. Van een authentieke en/of zeldzame toestand is geen sprake. Stelling 11: Op basis van de gegevens en de interpretaties in deze rapportage wordt er indifferente monumentwaarde toegekend aan de zolderindeling.

Van een authentieke en/of zeldzame toestand is geen sprake. Nader te bepalen Stelling 01: Op basis van de gegevens en de interpretaties in deze rapportage is er onvoldoende kennis verzameld over gevels en binnenmuren die volledig zijn weggewerkt achter gevelbetimmering en/of latere porisowanden. Stelling 02: Op basis van de gegevens en de interpretaties in deze rapportage is niet vast komen te staan dat er een kelder onder een deel van het pand aanwezig is. Er zijn wel aanwijzingen voor.

57

l:r.T.T«C

hoge intrinsieke waarde positieve intrinsieke waarde indifferente intrinsieke waarde nader te bepalen intrinsieke waarde A

M V ® (D De waarderingskaart geeft globaal een indicatie van de monumentwaarden. De kaart kan niet los worden gezien van de waardenstellingen. Stellingen zijn bepalend.

plafondafwerking wandafwerking vloerafwerking deur/raam en kozijn element

- Het bedrijf BAAC is een onafhankelijk onderzoeksbureau dat zich sinds de oprichting in 2000 bezig houdt met cultuurhistorie in de breedste zin van het woord. BAAC voert alle mogelijke facetten van archeologisch en bouwhistorisch onderzoek uit en beschikt over een groot aantal specialisten. Het bedrijf heeft ongeveer 80 werknemers in dienst, verdeeld over vestigingen in Nederland en Vlaanderen. Bouwhistorie is van begin af aan één van de pijlers van het bedrijf. De afdeling bouwhistorie bestaat uit: De afdeling bouwhistorie bestaat uit:

- De onderzoeker(s) en auteur(s) studeerde bouwkunde aan de Hogeschool Enschede, waarbij hij stages vervulde bij Van Wijnen en IAA architecten. Daarna volgde hij aan de toenmalige Katholieke Universiteit Nijmegen (Radboud Universiteit Nijmegen) de studie Kunstgeschiedenis en Archeologie, waarbinnen hij zich vooral specialiseerde op de geschiedenis van architectuur en stedenbouw. Gedurende deze opleiding vervulde hij bij de gemeente 's-Hertogenbosch, afdeling Bouwhistorie, Archeologie en Monumenten, een opleidingsplaats voor bouwhistorie. In twee jaar tijd werd een groot aantal panden in de Bossche binnenstad onderzocht en gedocumenteerd. In 2001 kreeg hij, aansluitend op deze opleiding, een baan aangeboden als bouwhistoricus bij BAAC. Daar werkte hij zich in korte tijd op tot senior bouwhistoricus. In 2008 studeerde hij als laatste doctorandus in de kunstgeschiedenis af met een scriptie waarin het leven en het werk van de negentiende-eeuwse, Zutphense stadsarchitect A.B.W. Langenberg centraal stond. Inmiddels heeft hij als onderzoeker zo'n 500 projecten uitgevoerd.

59

liTOW

- Richtlijnen voor Bouwhistorisch onderzoek 2009. - Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. - Kadaster.nl - Delpher.nl - Beeldbank historische vereniging. - In noten genoemde websites. - Informatie aangeleverd door de huidige eigenaar.

I..WH

Bouwhistorische verkenning

60

In reactie op het concept rapport werden op 4 juli enkele vragen gesteld door de opdrachtgever. Deze vragen zijn per e-mail beantwoord. Op verzoek van de opdrachtgever zijn vragen en antwoorden in de rapportage opgenomen. BAAC heeft er voor gekozen om dit te doen in de vorm van dit addendum. [Naar aanleiding van het concept] Wel een vraag: het is nog een concept. Verwacht je van ons een reactie op het complete rapport? En hoe uitgebreid? - Het is vooral belangrijk dat gecontroleerd wordt of de tekst in de rapportage eenduidig is, dus niet voor meerdere interpretaties vatbaar. Onduidelijkheden die de lezer ervaart, willen we graag verhelpen in een definitief rapport. Het komt soms ook voor dat een eigenaar of opdrachtgever nog wat aanvullende informatie heeft, die in een definitief rapport kan worden verwerkt. Anders de vraag of je een overall waardering en conclusie kunt trekken uit deze opname? Zo ja, wat is die dan en zo nee, waarom niet? Want een echte harde eindconclusie is niet gegeven in het licht van 'wat nu'(?): behouden in huidige staat, renovatie om bewoonbaarder te maken, constructie fixeren door aanbrengen palen onder bouwdeel 1 of slopen vanwege gebreken in het gehele bouwwerk van weinig tot geen waarde. Of is dat aan ons als gemeente Lansingerland? Dat wordt dan lastig, omdat wij geen bouwkundige zijn en moeilijk objectief kunnen oordelen.

- Het is inderdaad niet aan ons om te bepalen/voor te schrijven of een object behouden dient te blijven of gesloopt kan worden. Wij geven een zo objectief mogelijk beeld van de herinneringswaarde die het object vertegenwoordigt. Die betekenis dient dan afgewogen te worden tegen alle andere belangen die er spelen, om zo een keuze voor behoud of sloop te kunnen onderbouwen. Een vraag die hierbij misschien helpt, is de vraag wát er nog overeind staat wanneer alles dat weinig tot geen waarde vertegenwoordigt, is verwijderd. Voor een echt harde eindconclusie lopen we ook aan tegen kennislacunes. Er bestaat geen volledige zekerheid over de ouderdom van twee gevel(delen) en de porisostenen voorzetwanden ontnemen het zicht op belangrijke punten (aansluiting van balklagen of de gevels bijvoorbeeld). Een harde conclusie die wel zou kunnen worden gegeven, is dat er van een sterke verhalende samenhang in het pand, en tastbare (verhaal)herinnering aan het vroegere gebruik als boerderij en deels wellicht nog molenhuis, nauwelijks nog sprake is. In dat opzicht kan worden opgemerkt dat de bouwhistorische verkenning zeer ingewikkeld was, omdat er weinig harde aanknopingspunten met de geschiedenis zijn te maken. Dit laat onverlet dat er duidelijk wel sprake is van een duidelijke conceptuele waarde (een huis/molenplaats).

En is uit de opname een verschil in een overall conclusie te trekken over het woonhuis en de aanbouwen? - De aanbouwen onder plat dak zijn vanuit bouwhistorisch oogpunt zondermeer verwijderbaar. Ik heb de rapportage doorgestuurd naar de gemeente.

61

liTOW

Volgende week ben ik op vakantie en daarna bespreken we intern wat we verder willen doen. In dat kader zou een overallconclusie en te nemen stappen voor de besluitvorming , ook op politiek en financieel vlak, welkom zijn. - Indien de mogelijkheid zich voordoet, zou het kunnen helpen om nader (destructief) onderzoek te verrichten naar de aansluit van de balklagen op de gevels door verwijdering van voorzetwanden en wellicht naspeuring te doen of er onder een deel van het pand inderdaad nog sprake is van een kelder. Dat onderzoek is echter niet mogelijk zolang het pand bewoond wordt.

Bouwhistorische verkenning

62

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=eb703ec1-e16d-4fa5-b5bd-6b4954e9b7b1