I21.21643 Bijlagen bij toelichting vast te stellen bp "Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening".pdf
Tekst van het document
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA WONINGBOUW HOEKSEKADE NOORD, DEELLOCATIE B TE LANSINGERLAND
Rapportage quickscan flora en fauna Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie Bx te Lansingerland Opdrachtgever
Urban Jazz Almijstraat 14 5061 PA Oisterwijk
Rapportnummer Versienummer
6898.002 D2
Status
Eindrapportage
Datum
15 oktober 2018
Vestiging
Zuid-Holland Max Euwelaan 21-29 3062 MA Rotterdam 010 - 7640828 rotterdam@econsultancy.nl
Opsteller
M.I. van der Meer, MSc.
Paraaf
Kwaliteitscontrole
drs. A.N. de Keijzer
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden. Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt.
In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 5
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 6
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 7 4.1 4.2 4.3 4.4
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN ................................ 10 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
6
Vogels ............................................................................................................................. 10 Vleermuizen .................................................................................................................... 12 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 13 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 14 Ongewervelden............................................................................................................... 15 Vaatplanten..................................................................................................................... 15
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 16 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6
7
Zorgplicht .......................................................................................................................... 7 Soortenbescherming ........................................................................................................ 7 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 8 Houtopstanden ................................................................................................................. 9
Broedvogels .................................................................................................................... 16 Vleermuizen .................................................................................................................... 16 Algemene grondgebonden zoogdieren .......................................................................... 17 Amfibieën ........................................................................................................................ 17 Vissen ............................................................................................................................. 17 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 18
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 19 7.1 7.2
Natura 2000 .................................................................................................................... 19 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 19
8
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 21
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 22
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 6898.002
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Urban Jazz opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan flora en fauna aan de Hoeksekade Noord, deellocatie B te Lansingerland. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging, en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
Rapport 6898.002 versie D2
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 8.255 m²) ligt aan de Hoeksekade Noord, deellocatie B, circa 3,5 kilometer ten zuidoosten van de kern van Bergschenhoek. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 37 F (schaal 1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 95.147, Y = 444.188. De onderzoekslocatie betreft een perceel met een nu nog agrarische bestemming. Het perceel bestaat uit weiland met een gedeeltelijke verharding voor een centraal gelegen loods. De loods heeft 2 een oppervlak van ± 150 m , bestaat uit metaal en heeft een asbest dak. Aan de noordzijde van de loods is een aantal ramen gebroken. Tegen deze zijde liggen op de grond hopen bouwmateriaal, gedeeltelijk overwoekerd. Tegen de zuidkant van de loods staan twee tractorbanden. De verharding met daarop de loods is gelegen aan de zuidgrens van de onderzoekslocatie. Direct ten westen van de 2 verharding ligt een weiland van ± 550 m zonder omheining. Aan de zuidgrens van het weiland ligt een sloot en staat een aantal bomen, waaronder wilgen en een gewone es. Ook bevindt zich aan deze zuidgrens een grote takkenhoop op het grasveld. Aan de westkant van het grasveld staan een aantal zomereiken en een kersenboom. Het overige oppervlak op de onderzoekslocatie bestaat eveneens uit weiland dat omringd is door metalen hekken (voor de toegang tot het weiland) of linthekken. Tegen het metalen toegangshek staat een aantal oude vrachtwagen- of tractorbanden. Ook ligt naast het hek een stapel met schone grijze tegels.
In het westelijk deel van het weiland op de onderzoekslocatie staan koeien. Aan de westelijke rand van het weiland staat net buiten de grens van
Rapport 6898.002 versie D2
het plangebied een aantal bomen, waaronder gewone essen, een rode kornoelje en een notenboom. In het oostelijk deel van het weiland op de onderzoekslocatie staan paarden. De oostelijke rand van het weiland wordt begrensd door een heg. Langs de volledige noordzijde van het weiland staan coniferen. Direct ten noorden van de onderzoekslocatie bevindt zich een groot kassencomplex langs de hele noordzijde van het plangebied. Ook ten oosten van de onderzoekslocatie liggen grote kassen. Ten westen van de onderzoekslocatie bevinden zich verder weilanden, boerenerven, schuren en woonhuizen. Direct ten zuiden van het plangebied ligt een doorgaande weg. Aan de overkant van deze 2 weg liggen twee vijvers van ± 2.300 en ± 500 m . Ten zuiden van deze vijvers, op ± 90 meter van de onderzoekslocatie, ligt een sportpark met verschillende sportvelden. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
Rapport 6898.002 versie D2
Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.
Figuur 3. De verharding met metalen loods, en aan de oostzijde een woonhuis naast de onderzoekslocatie.
Figuur 4. Een takkenhoop in het weiland ten westen van de verharding.
Figuur 5. Metalen hek aan de verharding dat leidt naar het weiland. Op de achtergrond het kassencomplex ten noorden van de onderzoekslocatie.
Figuur 8. Zuidkant van de loods, met op de grond hopen stenen, dakpannen en buizen afgewisseld met begroeiing. Figuur 6. Aanzicht van de binnenkant van de metalen loods.
Rapport 6898.002 versie D2
Figuur 7. Weiland met daarin koeien, en op de achtergrond het weiland met daarin paarden.
2.2
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens om de onderzoekslocatie te herontwikkelen door op deze locatie 13 nieuwe grondgebonden woningen te realiseren. Het is nog onduidelijk of de aanwezige bomen op de onderzoekslocatie worden verwijderd.
Rapport 6898.002 versie D2
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 12 juni 2018. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Vanwege de aanwezigheid van een loods op de onderzoekslocatie is met behulp van onder andere een zaklantaarn gezocht naar aanwijzingen van verblijfplaatsen van vleermuizen, overige zoogdieren en vogels. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis - en diersoorten er voor kunnen komen en/of aanwezig zijn op de onderzoekslocatie omtrent gebiedsbeschermingsgegevens van de provincie Zuid-Holland. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen.
Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
Rapport 6898.002 versie D2
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen).
Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1
Zorgplicht
Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2
Soortenbescherming
Bij een quickscan flora en fauna wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 6898.002 versie D2
4.3
Gebiedenbescherming
Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1
Natura 2000
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).
Het is krachtens de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk,
Rapport 6898.002 versie D2
Natuurnetwerk Neder werk behoren.
t-
De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel V) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij gedeputeerde staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
Rapport 6898.002 versie D2
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1
Vogels Broedvogels categorie 1-4 (nesten jaarrond beschermd)
Deze categorie betreft broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn (categorie 1-4 broedvogelsoorten). Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in de afgelopen vijf jaar binnen twee kilometer van de onderzoekslocatie vogelsoorten waargenomen waarvan de nestlocaties jaarrond beschermd zijn. Deze categorie 1-4 broedvogelsoorten zijn: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, sperwer, steenuil en wespendief. De boomvalk, buizerd, havik, ooievaar, ransuil, sperwer en wespendief broeden in bossen of halfopen landschappen, vaak hoog in een boomkruin, waar ze grote nesten maken of hergebruiken. Tijdens het veldbezoek zijn geen grote nesten van deze soorten waargenomen op de onderzoekslocatie. Wel is langs de noordoostgrens van de onderzoekslocatie, net buiten het plangebied, een verlaten zwartekraaiennest waargenomen in een rode kornoelje. Dit type nest kan in potentie worden hergebruikt door vogelsoorten als de boomvalk, ransuil en wespendief. Tijdens het veldbezoek, dat plaatsvond in het broedseizoen, zijn geen aanwijzingen gevonden dat het nest in gebruik is. Wel zijn tijdens het veldbezoek een buizerd en boomvalk waargenomen die over de onderzoekslocatie vlogen, mogelijk op route of foeragerend.
De activiteiten waren echter niet gerelateerd aan het verlaten nest naast de onderzoekslocatie. Gecombineerd met het feit dat het verlaten kraaiennest in de nabijheid van een doorgaande weg ligt met bijbehorende verstoring, is het niet aannemelijk dat bovengenoemde vogelsoorten broeden op de onderzoekslocatie. De gierzwaluw en huismus bouwen de nesten in gebouwen onder bijvoorbeeld de dakgoot en dakpan, of in een gat in de muur. Tijdens het veldbezoek is geconstateerd dat de loods geen geschikte verblijfsplaats biedt aan gierzwaluwen en huismussen. Verder zijn tijdens het bezoek geen gierzwaluwen en huismussen op of rondom het plangebied waargenomen. Het is daarom voor deze vogelsoorten redelijkerwijs uit te sluiten dat ze op de onderzoekslocatie broeden. De grote gele kwikstaart nestelt graag bij stromend water in een nis in de muur, of bij bomenwortels in de oever. De zuidwestelijke grens van de onderzoekslocatie bestaat uit een rij met bomen (wilgen en gewone es) aan een sloot met weinig stroming. Tijdens het veldbezoek is daarnaast geen grote gele kwikstaart waargenomen. Er is daarom aannemelijk dat op de onderzoekslocatie geen gele kwikstaart broedt. De kerkuil komt voornamelijk voor in cultuurland met gras- en bouwlanden die begrensd worden door akkerranden, houtwallen, heggen of bosjes, maar nauwelijks in bossen. Deze soort broedt in Neder-
Rapport 6898.002 versie D2
land veelal in (nestkasten in) hoge, donkere en tochtvrije delen van boerenschuren, kerken en torens, en incidenteel in boomholten. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat en te veel verstoring in de omgeving, is het redelijkerwijs uit te sluiten dat negatieve effecten zullen optreden voor deze soort door de voorgenomen ingreep. De roek broedt in opvallende kolonies met grote nesten. Tijdens het veldbezoek is geen roekenkolonie aangetroffen op de onderzoekslocatie, waardoor het redelijkerwijs is uit te sluiten dat de roek op de onderzoekslocatie broedt. De steenuil broedt vaak in natuurlijke holtes van bomen, en in rustige hoeken en nissen van gebouwen of schuren, vaak op boerenerven. Op de onderzoekslocatie zijn in de aanwezige bomen geen holtes aangetroffen. Daarnaast biedt de lichte, metalen loods op de onderzoekslocatie weinig rustige, donkere hoeken en nestelplekken. Deze factoren maken het onwaarschijnlijk dat de onderzoekslocatie geschikt is als broedplek voor deze soort. 5.1.2
Broedvogels categorie 5 (nesten in sommige gevallen jaarrond beschermd)
De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Voor de vogelsoorten in deze categorie geldt een jaarronde nestbescherming enkel bij ecologisch zwaarwegende redenen (categorie 5 broedvogelsoorten). Uit verspreidingsgegevens van de NDFF blijkt dat er in de afgelopen vijf jaar binnen twee kilometer van de onderzoekslocatie de volgende categorie 5 broedvogelsoorten zijn waargenomen: blauwe reiger, boerenzwaluw, boomklever, boomkruiper, bosuil, ekster, gekraagde roodstaart, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, huiszwaluw, ijsvogel, kleine bonte specht, koolmees, oeverzwaluw, pimpelmees, spreeuw, tapuit, torenvalk, zwarte kraai, zwarte mees en zwarte roodstaart. Tijdens het veldbezoek is op het boerenerf, direct ten oosten van het erf op de onderzoekslocatie, een spreeuw waargenomen. Daarnaast is boven het grasveld ten oosten van het boerenerf een boeren- of huiszwaluw waargenomen. Als laatst zijn in het oostelijke deel van het weiland twee zwarte kraaien waargenomen. Tijdens het bezoek is langs de noordoostgrens van de onderzoekslocatie, net buiten de grens van het plangebied, een verlaten zwarte-kraaiennest waargenomen in een rode kornoelje (figuur 9).
Figuur 9. Oud verlaten nest van een zwarte kraai.
Rapport 6898.002 versie D2
Het gaat hierbij om soorten die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat eventueel aanwezige nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het kan gebeuren dat op een later moment alsnog nesten worden aangetroffen op de onderzoekslocatie. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.1.3
Overige broedvogels
Van de overige voorkomende algemene broedvogels zijn de nesten alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Tijdens het veldbezoek is op het boerenerf ten oosten van de onderzoekslocatie één merel waargenomen, en zijn in de metalen loods vijf oude merelnesten waargenomen die niet meer in gebruik zijn. Eén nest is ter illustratie weergegeven in figuur 10. Overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6).
Figuur 10. Oud merelnest in de metalen loods.
5.2
Vleermuizen
Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en de Vleermuiswerkgroep Nederland is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: baardvleermuis, bosvleermuis, bruine of gewone grootoorvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De bebouwing op de onderzoekslocatie is niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Er zijn in de loods geen spouwmuren aanwezig die middels stootvoegen bereikbaar zijn voor vleermuizen, omdat de loods uit enkelwandige metalen platen bestaat. De openingen langs de dakranden en bij gebroken ramen geven toegang tot de binnenkant van de loods, maar er zijn geen omsloten ruimtes onder dakpannen of betimmeringen aanwezig, die schuilmogelijkheden kunnen bieden aan vleermuizen. Daarnaast is het gebouw niet geïsoleerd en vindt er regelmatig verstoring plaats in de loods. Het is daarom redelijkerwijs uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie stelselmatig in gebruik is als vleermuisverblijf. De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, wat kan dienen als potentiële vaste rust- en verblijfplaats voor boom bewonende vleermuizen.
Dit is niet aangetroffen en daarmee zijn boom bewonende vleermuizen uit te sluiten.
Rapport 6898.002 versie D2
Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Aan de zuidoostzijde van de onderzoekslocatie bevindt zich op het aangrenzende boerenerf een woning. Ook ten noordwesten van de planlocatie liggen percelen met daarop woonboerderijen en schuren. Eventuele verblijfplaatsen hierin ondervinden door de afstand tot de bouwlocatie en de aard van de ingreep, naar verwachting geen verstoring van de ingreep op de onderzoekslocatie. Het is bij de voorgenomen ingreep nog onduidelijk of rondom de onderzoekslocatie aanwezige bomen worden gekapt. Bij de bomen op of in de directe nabijheid van de onderzoekslocatie zijn geen holtes en spleten onder de schors aangetroffen. Verblijfplaatsen van boom bewonende vleermuizen zijn hierdoor niet aan de orde. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat, gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis om te foerageren. Door de voorgenomen ingreep, waarbij het weiland verdwijnt, zal de omvang van mogelijk foerageerhabitat afnemen. Het aanbod van foerageermogelijkheden zal echter niet in het geding komen, aangezien er in de directe omgeving meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig is, bijvoorbeeld op nabijgelegen boerderijerven, boven weilanden, en langs wegen en bomenrijen.
Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie. De eventueel te kappen bomen in het zuiden van de onderzoekslocatie vormen door het geringe aantal, en de onderbreking tussen percelen, geen belangrijk lijnvormig element. Hierdoor worden naar verwachting geen potentiële vliegroutes verstoord. 5.3
Overige zoogdieren
Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in de afgelopen 5 jaar binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie geen volgens de habitatrichtlijn streng beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen. Wel is volgens verspreidingsgegevens van de NDFF in de afgelopen 5 jaar binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie de tweekleurige bosspitsmuis waargenomen. Voor de tweekleurige bosspitsmuis geldt in Zuid-Holland geen provinciale vrijstelling. De tweekleurige bosspitsmuis komt voor in verschillende soorten graslanden en bossen, zolang er een bodem bedekkende vegetatie aanwezig is. Bij voorkeur komt deze soort voor in hoog grasland, heggen en struwelen, maar de soort is ook te vinden in akkers, bermen, rietvelden, parken en tuinen. Vochtige terreinen en zanderige gebieden met een losse bodem worden gemeden. De onderzoekslocatie vormt hierdoor niet direct geschikt habitat, door de aanwezigheid van sloten aan de zuid- en westgrens van het plangebied, en de drassige bodem in het weiland. Tijdens het veldbezoek is geen tweekleurige bosspitsmuis (of ander insectenetend knaagdier) waargenomen.
Ook zijn in de loods geen sporen, zoals uitwerpselen, aangetroffen die duiden op het gebruik van de loods als vaste rust- of verblijfplaats door deze soort. Daarnaast is de tweekleurige bosspitsmuis volgens de NDFF eenmaal waargenomen op
Rapport 6898.002 versie D2
Het kan daarom redelijkerwijs worden gesteld dat de onderzoekslocatie niet in gebruik is door de tweekleurige bosspitsmuis. Licht beschermde soorten Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in de afgelopen vijf jaar binnen twee kilometer van de onderzoekslocatie de volgende licht beschermde grondgebonden zoogdieren uit de categorie bosmuis, bunzing, dwergmuis, egel, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, rosse woelmuis, vos en wezel. De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal van deze grondgebonden zoogdiersoorten. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat verblijfplaatsen van dergelijke soorten op de onderzoekslocatie worden verstoord of vernietigd. Voor deze algemeen voorkomende soorten geldt in de provincie Zuid-Holland een algehele vrijstelling, mits de zorgplicht in acht genomen wordt. Dit kan door bijvoorbeeld te werken volgens een goedgekeurde gedragscode (zie hoofdstuk 6). 5.4
Reptielen, amfibieën en vissen
Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is in de afgelopen 5 jaar binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie de ringslang waargenomen. Deze soort is streng beschermd in alle provincies van Nederland. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. De ringslang is een grote slang met een voorkeur voor waterrijke gebieden, zoals moerassen, laagveengebieden en begroeiing in oeverzones van meren, poelen en rivieren. De slang kan ook verder van water worden aangetroffen in bosranden of heidevelden. De soort is volgens de gegevens van de NDFF waargenomen op 1,6 kilometer ten zuiden van de onderzoekslocatie, in bosrijk gebied in de directe nabijheid ( ± 80 meter) van een grote plas. De voorkeurshabitattypen van deze slang zijn niet aanwezig op de planlocatie of in de directe omgeving ervan, door het open grasland, de smalle sloten en de weinige schuilmogelijkheden in begroeiing langs de nabije waterelementen. Verder bestaat het terrein tussen de huidige waarnemingslocatie en de onderzoekslocatie niet uit geschikt habitat voor de ringslang, door de aanwezigheid van open akkervelden en verharde wegen. De aanwezigheid van de ringslang op de onderzoekslocatie kan daarom redelijkerwijs worden uitgesloten.
Amfibieën Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende amfibiesoorten waargenomen: bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling van de Wet natuurbescherming. De bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker geven de voorkeur aan habitat met bosjes, overhoekjes en ruigten in kleinschalige landschappen met een vochtige bodem. Zij komen dan ook geregeld voor in bossen, parken, tuinen en weilanden. De meerkikker heeft daarnaast een sterke voorkeur voor habitat in, of in de directe nabijheid van, water. De sloten grenzend aan de onderzoekslocatie en het weiland kunnen een geschikt onderkomen bieden aan deze soorten. Op de onderzoekslocatie kunnen deze soorten tevens beschutting vinden tussen de ruigte, en onder de hopen met takken en hopen met stenen, dakpannen en palen. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve gevolgen ontstaan voor algemene soorten (zie hoofdstuk 6).
Rapport 6898.002 versie D2
Vissen Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen 2 kilometer van de onderzoekslocatie geen beschermde vissoorten waargenomen. Verstoring van beschermde vissoorten is als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden daarom niet aan de orde. Bij eventuele dempingswerkzaamheden bij de watergangen is het mogelijk dat voorkomende algemene vissoorten negatieve effecten ondervinden, waardoor met deze soorten rekening moet worden gehouden (zie hoofdstuk 6). 5.5
Ongewervelden
Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Dagvlinders Beschermde dagvlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat met waard- en nectarplanten. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoorn, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.6
Vaatplanten
De onderzoekslocatie bestaat uit bebouwing, verhard erf en begraasd weiland met langs de grenzen verschillende bomen, struiken en pioniersvegetatie. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde vaatplanten op de onderzoekslocatie niet te verwachten.
Rapport 6898.002 versie D2
6
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1
Broedvogels
6.1.1
Algemene broedvogels
Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten (o.a. zwarte kraaien en merels) geldt dat, indien het groen en de nesten buiten het broedseizoen worden verwijderd, geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen, te storen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot augustus worden aangehouden (zie Tabel I). Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien binnen het broedseizoen wordt gewerkt dient vooraf aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden door een ter zake kundige. Tabel I. Ecologische planning voor uitvoeren van werkzaamheden m.b.t. broedvogels. Ingreep
Verwijderen dakbedekking, verwijderen groen en overige werkzaamheden
Soortgroep
jan.
febr.
maart
april
mei
juni
juli
aug.
sept.
okt.
nov.
dec.
Broedvogels
minst ongunstige periode om werkzaamheden uit te voeren ongunstigste periode om werkzaamheden uit te voeren (werkzaamheden enkel uitvoeren na broedvogelinspectie)
Met betrekking tot het eventueel verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. 6.2
Vleermuizen
De bebouwing (loods) op de onderzoekslocatie is niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Het is daarom redelijkerwijs uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie stelselmatig in gebruik is als vleermuisverblijf. Wel bevindt zich op aangrenzende of nabijgelegen percelen bebouwing (woonhuizen en schuren) die eventuele geschikte verblijfplaatsen aan vleermuizen kan bieden. Deze potentiele verblijfplaatsen zullen naar verwachting geen fysieke verstoring ondervinden van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie, waarmee overtreding van de Wet natuurbescherming betreffende
Rapport 6898.002 versie D2
vleermuizen niet aan de orde is. Vervolgonderzoek in het kader van vleermuisbescherming wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Door de voorgenomen plannen kan de kunstmatige verlichting in de omgeving toenemen, wat wel verstorend kan werken voor eventueel in de omgeving verblijvende vleermuizen. Geadviseerd wordt daarom om verlichtingsarmaturen te gebruiken die naar beneden schijnen en daarmee zo min mogelijk strooilicht naar de omgeving veroorzaken, of om andere vleermuisvriendelijke verlichting toe te passen. 6.3
Algemene grondgebonden zoogdieren
Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.4
Amfibieën
De werkzaamheden kunnen verstorend werken voor amfibieën die zich op de onderzoekslocatie bevinden. Door de werkzaamheden kunnen dieren gewond raken of worden gedood. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de Wet natuurbescherming, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.5
Vissen
Bij eventuele dempingswerkzaamheden bij de watergangen aan de grenzen van de onderzoekslocatie zullen zonder maatregelen vissen worden gedood, hetgeen een overtreding van de Wet natuurbescherming inhoudt. Er worden echter geen soorten verwacht die onder het provinciale soortenbeleid vallen, zodat voor de werkzaamheden niet vooraf een ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Voor eventueel aanwezige inheemse vissoorten is echter wel de zorgplicht van toepassing. Dit houdt in dat het doden van individuen redelijkerwijs vermeden dient te worden. Dit kan door het afvangen van vissen voorafgaande aan de dempingswerkzaamheden en het verplaatsen van de vis in de te handhaven watergangen in de directe omgeving. Aanbevolen wordt om ten tijde van een eventuele uitvoering de werkwijze vast te leggen in een ecologisch werkprotocol dat bij de uitvoerende partij onder de aandacht dient te worden gebracht.
Rapport 6898.002 versie D2
Aangezien een quickscan flora en fauna over het algemeen geen document is dat bij de uitvoering van de werkzaamheden wordt geraadpleegd, wordt aanbevolen om voor eventuele dempingswerkzaamheden een separaat ecologisch werkprotocol op te laten stellen. In het werkprotocol worden de benodigde maatregelen verwoord en de verantwoordelijkheden van de betrokken partijen vastgelegd. 6.6
Overige soort(groep)en
Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens en de aanwezigheid van voldoende alternatieven, en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
Rapport 6898.002 versie D2
7
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen vanuit natuurwetgeving beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1
Natura 2000
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Boezems Kinderdijk, bevindt zich op circa 13,4 kilometer afstand ten zuidoosten van de onderzoekslocatie (zie figuur 11).
Figuur 11. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand (± 13 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen (sloop en woningbouw) niet te verwachten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht. 7.2
Natuurnetwerk Nederland
De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt ook niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen
Rapport 6898.002 versie D2
gebied bevindt zich circa 1,9 kilometer ten zuidwesten van de onderzoekslocatie. Het betreft een ecologische verbindingszone. In figuur 12 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 12. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.
De onderzoekslocatie is op een kleine twee kilometer afstand van een onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland gelegen. Door de voorgenomen plannen op de onderzoeklocatie in combinatie met de afstand, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.
Rapport 6898.002 versie D2
8
HOUTOPSTANDEN
In algemene zin is het mogelijk dat bij een voorgenomen ontwikkeling sprake is van het verloren gaan van houtopstanden die beschermd zijn conform artikel 4 van de Wet natuurbescherming. In een dergelijk geval kan er sprake zijn van een meldingsplicht en herplantplicht. In dit hoofdstuk wordt beschreven of bij de voorgenomen ontwikkeling mogelijk sprake is van een meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of vervolgstappen nodig zijn in kader van beschermde houtopstanden en of een ontheffingsaanvraag in het kader van de herplantplicht noodzakelijk is. De eventueel te kappen bomen in het zuiden van de onderzoekslocatie (de bomen parallel aan de Hoeksekade en de bomen tussen de onderzoekslocatie en het erf direct ten westen van de onderzoekslocatie) zijn niet beschermd conform artikel 4 van de Wet natuurbescherming. De bomen zijn gelegen binnen de door de gemeente vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Bij eventuele voorgenomen kap geldt dan ook geen meldingsplicht en herplantplicht. De eventueel te kappen bomen aan de westzijde van het weiland op de onderzoekslocatie langs de sloot zijn niet beschermd conform artikel 4 van de Wet natuurbescherming.
De bomen zijn mogelijk gelegen buiten de door de gemeente vastgestelde grenzen van de bebouwde kom, maar zijn geen onderdeel van een bos/boomoppervlak van meer dan tien are, en vormen geen bomenrij van meer dan 20 bomen. Hierdoor vallen deze bomen niet onder de definitie houtopstanden, en is er bij een eventuele voorgenomen kap geen meldingsplicht en herplantplicht. Het is echter in bovenstaande gevallen binnen de gemeentelijke verordening mogelijk noodzakelijk een kapvergunning aan te vragen. Geadviseerd wordt om hierover contact op te nemen met de gemeente Lansingerland. Aan de noordzijde van het weiland op de onderzoekslocatie (langs het kassencomplex) zijn houtopstanden (een coniferenhaag) aanwezig die vallen onder artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Deze eventueel te vellen houtopstanden zijn mogelijk gelegen buiten de door de gemeente vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Geadviseerd wordt om bij eventuele velling bij de gemeente na te vragen of op deze houtopstanden de meldingsplicht en herplantplicht van toepassing zijn. Indien deze plicht van toepassing is, dient voor de velling van de houtopstanden een melding gedaan te worden bij de provincie. Daarnaast dient herplant binnen 3 jaar plaats te vinden.
Indien herplant niet op dezelfde locatie kan plaatsvinden, dient conform artikel 4.5 van de Wet natuurbescherming een ontheffing bij de desbetreffende provincie te worden aangevraagd om de herplantplicht elders te laten plaatsvinden. Indien de herplant op dezelfde locatie kan plaatsvinden, is een ontheffing niet benodigd en kan volstaan worden met een melding en herplant binnen 3 jaar ter plaatse.
Rapport 6898.002 versie D2
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van Urban Jazz een quickscan flora en fauna uitgevoerd aan de Hoeksekade Noord, deellocatie B te Lansingerland. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens om de onderzoekslocatie te herontwikkelen door op deze locatie 13 nieuwe grondgebonden woningen te realiseren. Het is nog onduidelijk of de aanwezige bomen op de onderzoekslocatie worden verwijderd.De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel II. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel II. Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
Bijzonderheden / opmerkingen
algemeen
ja
ja
nee
nee
het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren, of, indien binnen het broedseizoen gewerkt wordt, vooraf een broedvogelinspectie laten uitvoeren
jaarrond beschermd
nee
nee
nee
nee
-
verblijfplaatsen
nee
nee
nee
nee
geadviseerd wordt om verlichtingsarmaturen te gebruiken die naar beneden schijnen of om andere vleermuisvriendelijke verlichting toe te passen om eventuele hinder door strooilicht van mogelijk in de omgeving verblijvende vleermuizen te minimaliseren
foerageergebied
ja
nee
nee
nee
-
vliegroutes
ja
nee
nee
nee
-
Grondgebonden zoogdieren
ja
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van grondgebonden zoogdieren
Amfibieën
ja
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemeen voorkomende amfibieën
Reptielen
nee
nee
nee
nee
-
Vissen
ja
mogelijk
nee
nee
geadviseerd wordt om voor eventuele dempingswerkzaamheden een separaat ecologisch werkprotocol op te laten stellen
Broedvogels
Vleermuizen
Libellen en dagvlinders
nee
nee
nee
nee
-
Overige ongewervelden
nee
nee
nee
nee
-
Vaatplanten
nee
nee
nee
nee
-
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Vergunningplicht
Gebiedsbescherming
Rapport 6898.002 versie D2
Natura 2000
~ 13 km
Natuurnetwerk Nederland
~2 km
nee
nee
nee
ja
mogelijk
nee
mogelijk
Houtopstanden
nee
nee
nee
nog onbekend of bomen in het plangebied worden verwijderd. eventueel aanvragen van een kapvergunning geadviseerd wordt om bij eventuele velling van houtopstand bij de gemeente na te vragen of meldingsplicht en herplantplicht van toepassing zijn
Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen. Het verwijderen van nestgelegenheden kan buiten het broedseizoen uitgevoerd worden. Indien werkzaamheden in het broedseizoen plaatsvinden dient voor aanvang van de werkzaamheden een broedvogelinspectie plaats te vinden. Ten aanzien van mogelijk in de omgeving rondom de onderzoekslocatie verblijvende vleermuizen wordt geadviseerd om verlichtingsarmaturen te gebruiken die naar beneden schijnen en daarmee zo min mogelijk strooilicht veroorzaken, of om andere vleermuisvriendelijke verlichting toe te passen. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen, zoals grondgebonden zoogdieren en amfibieën, zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Door eventuele dempingswerkzaamheden zullen zonder maatregelen vissen worden gedood, hetgeen een overtreding van de Wet natuurbescherming inhoudt.
Omdat op eventuele verwachte inheemse vissensoorten de zorgplicht van toepassing is, wordt aanbevolen om ten tijde van een eventuele uitvoering de werkwijze vast te leggen in een separaat opgesteld ecologisch werkprotocol dat bij de uitvoerende partij onder de aandacht dient te worden gebracht. Met betrekking tot gebiedsbescherming zijn ten aanzien van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie geen negatieve effecten te verwachten. Met betrekking tot de bescherming van houtopstanden wordt bij een eventuele velling van op de onderzoekslocatie aanwezige beschermde houtopstanden aanbevolen om bij de gemeente na te vragen of de meldingsplicht en herplantplicht van toepassing zijn. Conclusie Gelet op de gevonden en te verwachten ecologische waarden en de beoogde planontwikkeling zijn tegenstrijdigheden met de Wet natuurbescherming te voorkomen. Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden dient het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht te worden genomen, hetgeen zie tabel V en bovenstaande goed mogelijk is.
Econsultancy Rotterdam, 15 oktober 2018
Rapport 6898.002 versie D2
GERAADPLEEGDE BRONNEN Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), uitvoerportaal; https://ndff-ecogrid.nl, zoekgebied *, periode 2008-2018 Algemene websites www.sovon.nl (soortgegevens vogels) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ (Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten) www.verspreidingsatlas.nl/ (verspreidingsgegevens NDFF) www.ravon.nl (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen) www.rijksoverheid.nl (natuurwetgeving) www.mijn.rvo.nl (natuurwetgeving) www.rvo.nl (nationale natuurwetgeving en soortenstandaarden) www.zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren) www.bij12.nl (Kennisdocumenten Soorten Natuurbescherming)
Rapport 6898.002 versie D2
Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel III). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel III. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1. 2.
Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). In tabel IV t/m VI worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 6898.002 versie D2
Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.