[I21.21625] Vast te stellen bp "Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening" (excl. bijlagen bij de toelichting)
Tekst van het document
Welstandsvrlj Vrij met excessenregeling Licht Bijzonder Ontv/ikkelingsgebied Transformatiegebied Woonwijken vrij met excessenregeling Figuur 9: Uitsneden welstandsnota De locatie (figuur 9) is gelegen in een gebied met licht welstandsniveau. Daar is de preventieve welstandsbeoordeling primair gericht op het bewaren van de stedenbouwkundige en architectonische samenhang. Dit welstandsniveau is toegekend aan veel woonwijken buiten de kernen. In deze gebieden worden de openbaarheid en de publieke ruimte vooral beleefd door de mensen die er wonen of werken. Het zijn 'rustige' gebieden waar de leefbaarheid vangroot belang is omdat mensen er langdurig (moeten) verblijven. De ordende principes en dragende kwaliteiten zijn: ^ ruimtelijke structuur: kassencomplexen met bijbehorende woonhuizen, gekoppeld aan de historische bovenland-linten en de (insteek)wegen in de droogmakerijen vrijwel monofunctioneel ruimtelijk karakter: glastuinbouw- en sierteeltcomplexen bestaand uit kassen, gietwaterbassins en bedrijfshallen e.d. ^ individuele vormgeving van de woonhuizen Uitgangspunten welstandsbeleid Ondernemers en bewoners zijn zelf verantwoordelijk voor de ruimtelijke kwaliteit. Gezien het monofunctionele en minimaal publieke karakter kan de rol van welstand beperkt blijven. Aanwezige ruimtelijke kwaliteit wordt via het bestemmingsplan gewaarborgd.
De woon-werklinten zijn daarom qua welstand 'vrij'. Een uitzondering hierop is gemaakt bij een strook ten westen van de N209 ter hoogte van Bleiswijk. Gezien de grote zichtbaarheid van het glastuinbouwgebied vanaf de N209 is het gewenst dat voor deze zone een excessenregeling van toepassing is. Transformatiegebieden zijn aangewezen om op termijn te transformeren naar een ander gebiedstype, maar nog niet daadwerkelijk in ontwikkeling. Daarmee zijn ze een 'voorloper' of voorfase van de ontwikkelingsgebieden. De transformatiegebieden hebben nu nog de verschijningsvorm van het gebiedstype waar ze tot dusver bij horen.
Bestemmingsplan "Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening' Toelichting, Vast te stellen, 24 februari 2022
29 Met name bij ruimtelijke ingrepen wordt al rekening gehouden met de toekomstige bestemming, totdat de stedenbouwkundige planvorming start en er een nieuwe welstandsparagraaf wordt vastgesteld. Bomenverordening 2012 De gemeenteraad heeft in de raadsvergadering van 26 april 2012 de Bomenverordening Lansingerland 2012 vastgesteld. Met deze verordening wordt het kapvergunningstelsel uit de Algemene Plaatselijke Verordening gehaald en in deze bomenverordening opgenomen. Volgens de Bomenverordening zijn de bomen langs de Hoeksekade waardevolle houtopstanden. Conclusie gemeentelijk beleid Zowel uit de toekomstvisie als uit de woonvisie blijkt, dat Lansingerland tot 2020 een bovenregionale woningbouwopgave kent. In de regionale woningbouwafspraken is dan ook afgesproken, dat Lansingerland jaarlijks 400 woningen mag bouwen (zie Ş 3.2). In de structuurvisie zijn de locaties vastgelegd waar nieuwe woningbouw voorzien is. Een van deze ontwikkellocaties betreft 'HoeksekadeNoord'. Ten behoeve van de ontwikkeling van deze locatie is een Programma van Eisen opgesteld, waarbij in het gebied in totaal 60 woningen zijn voorzien. Op grond van de woonvisie, alsook de aangenomen motie, is 30^! van deze woningen sociaal bereikbaar. Het plangebied betreft het noordelijk deel van de ontwikkellocatie 'Hoeksekade-Noord'.
De ontwikkeling van dit gebied tot woningbouwlocatie past dan ook binnen de toekomstvisie en de structuurvisie. Ten behoeve van de herontwikkeling van het plangebied is het Programma van Eisen vertaald in een stedenbouwkundig plan, dat op 30 juni 2015 door het college is vastgesteld. Hiermee wordt gesteld, dat dit stedenbouwkundig plan past binnen de in het Programma van Eisen opgenomen uitgangspunten en randvoorwaarden. Aangezien het stedenbouwkundig plan de onderligger vormt voor dit bestemmingsplan, wordt laatstgenoemde ook als passend binnen dit programma ervaren.
3.4
Toetsing beleidskaders
Een en ander is derhalve passend binnen het rijks- en provinciaal en gemeentelijk beleid, met uitzondering van het bestemmingsplan. Het rijksbeleid wordt niet aangetast. Het provinciaal beleid wordt in acht genomen door een zuinig ruimtegebruik, zoals deze uit de Verordening Ruimte blijkt. Om deze reden is er dan ook planologisch gezien geen probleem om de ontwikkeling door te zetten.
Bestemmingsplan "Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening' Toelichting, Vast te stellen, 24 februari 2022
30
Hoofdstuk 4
Sectorale aspecten, kwaliteit van de leefomgeving
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de (milieukundige) uitvoerbaarheid beschreven voor de 13 woningen. Het betreft de thema's geluid, milieuzonering, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectrapportage.
4.1
Bodem
De Wet bodembescherming (Wbb) vormt het wettelijk kader bij de bepaling van de mate en de ernst van een bodemverontreiniging. Conform de Wbb wordt op grond van de mate en omvang van een verontreiniging in grond en/of grondwater bepaald of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hierop is de principiële noodzaak tot sanering gebaseerd. In de Wbb wordt op basis van risico's voor mens en ecosysteem onderscheid gemaakt tussen spoedeisende en niet spoedeisende sanering. Bij eerst genoemde dient binnen vier jaar aangevangen te worden met de sanering; bij laatstgenoemde kan gewacht worden totdat op de locatie een herinrichting en/of bestemmingswijziging aan de orde is. Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Met andere woorden, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient de bodemkwaliteit door middel van een bodemonderzoek in beeld te worden gebracht. Wettelijk is bepaald dat een omgevingsvergunningplichtig bouwwerk niet mag worden gebouwd op een zodanig verontreinigd terrein, dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu.
De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het wijzigen of opstellen van een bestemmingsplan of afwijkingsbesluit. Bij grondafvoer en grondverzet vanaf het plangebied naar elders treden de regels van het Besluit bodemkwaliteit in werking. De uiteindelijke beslissing met betrekking tot de functionele geschiktheid van de bodem voor de beoogde doelstelling is strikt voorbehouden aan het bevoegd gezag. In dit kader is een verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in bodem uitgevoerd door Econsultancy, met rapportage d.d. 17 oktober 2018 (bijlage 2). De bovengrond van de gehele onderzoekslocatie is plaatselijk zwak tot matig puinhoudend. Verder is de bovengrond plaatselijk zwak baksteen- en plastichoudend. In de bovengrond is plaatselijk een lichte verontreiniging lood, minerale olie, kwik en PAK aangetroffen. In de bovengrond van het noordwestelijk terreindeel is plaatselijk (boring 19 en 20) een sterke verontreiniging met lood aangetroffen die tevens de regionale achtergrondwaarden overschrijden voor dit gebied. In het grondwater zijn lichte verontreinigingen met barium aangetroffen. Nader onderzoek is geadviseerd en uitgevoerd naar de aard en de omvang van de geconstateerde sterke verontreiniging met lood. De rapportage van Econsultancy d.d. 30 april 2019 is opgenomen in bijlage 9.
Bestemmingsplan "Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening' Toelichting, Vast te stellen, 24 februari 2022
31 Asbestverdachte bovengrond: In de bodem zijn zintuiglijk in de fractie > 20 mm geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. Analytisch is in de fractie < 20 mm maximaal een gehalte van 1,1 mg/kg d.s. aan hechtgebonden amfibool en serpentijn asbest aangetoond. Dakrand loods: De bovengrond is matig glashoudend. Verder zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen aangetroffen. De bovengrond is sterk verontreinigd met serpentijn- en amfiboolasbest. Het gehalte overschrijdt ruim de interventiewaarde. Het materiaal betreft voornamelijk niet-hechtgebonden asbest. Op basis van de analyseresultaten en de zintuiglijke waarnemingen worden de sterke loodverontreinigingen in de grond als afgeperkt beschouwd. De sterke verontreiniging bevindt zich enkel in de bovengrond. De geschatte omvang van de sterke loodverontreiniging bedraagt 15 m3 (0,45 x 33 m2). De meer zuidelijk gelegen sterke verontreiniging lood (rondom boring 106) bevindt zich in boven en ondergrond en heeft tevens een omvang van 15 m3 (0,5 x 30 m2). De sterke verontreiniging wordt als afgeperkt beschouwd. De herkomst van beide puntverontreinigingen is niet eenduidig te herleiden en worden gezien als twee losstaande gevallen van bodemverontreiniging.
Uitgaande van de mate en het volume van de geconstateerde grondverontreiniging op de onderzoekslocatie (minder dan 25 m3 sterk verontreinigde grond per puntverontreiniging) is er geen sprake van ernstige bodemverontreiniging. Wel is geadviseerd om de rapportage ter beoordeling voor te leggen bij het bevoegd gezag (Gedeputeerde Staten). Als er graafwerkzaamheden plaatsvinden wordt geadviseerd om de sterke puntverontreinigingen met lood te saneren conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd plan van aanpak. Gelet op de beperkte omvang van de bodemverontreiniging worden er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen verwacht voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. Aangezien de bodemrapportages niet ouder zijn dan 5 jaar, kunnen deze nog worden gehanteerd bij het aanvragen van de omgevingsvergunning tot bouwen. Conclusie Geadviseerd wordt om de aangetroffen verontreiniging met lood en asbest op deellocatie B te saneren. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast.
4.2
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Valletta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Om dit meewegen te laten plaatsvinden wordt, naast de in ontwikkeling zijnde regelgeving en beleid, een economische factor toegevoegd. De kosten voor het zorgvuldig omgaan met het bodemarchief, dus de kosten voor inventarisatie, (voor)onderzoeken, bodemonderzoek en documentatie, worden door de initiatiefnemer betaald. Op 1 januari 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De uitgangspunten van het Verdrag van Valletta worden hiermee in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Sinds 2007 zijn gemeenten wettelijk belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Dat wil zeggen dat men rekening dient te houden met de in de bodem aanwezige, dan wel te
Bestemmingsplan "Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening" Toelichting, Vast te stellen, 24 februari 2022
32 verwachten archeologische resten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn. Is de verwachting dat er archeologisch waardevolle zaken aanwezig kunnen zijn , dan is vooronderzoek nodig. Algemeen uitgangspunt is dat verwachte archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem behouden moeten blijven. Het provinciaal ruimtelijk beleid voor terreinen van provinciaal belang is vastgelegd in de provinciale Visie Ruimte en Mobiliteit (paragraaf 4.3.5 Archeologie) en uitgewerkt in de Verordening Ruimte (artikel 2.4.4 Archeologie en Romeinse Limes). Per 18 april 2013 is de beleidsnota Archeologie Lansingerland in werking getreden, vastgesteld 28 maart 2013. Per 7 maart 2017 is deze geactualiseerd. Met het vaststellen van deze Archeologienota (en de daarmee samenhangende archeologische verwachtingen en -beleidsadvieskaart) wil de gemeente Lansingerland de onderstaande doelstellingen realiseren: 1. Een beknopt inzicht geven in het geldende Rijks- en provinciale archeologiebeleid. 2. Aangeven met welke wettelijke verplichtingen de gemeente rekening dient te houden. 3. Weergeven welke archeologische verwachtingen er zijn in Lansingerland. 4. De aanwezige archeologische verwachtingen vertalen in archeologisch beleidsadviezen en vrijstellingen. 5.
Het verankeren van deze archeologische beleidsadviezen, door ze op een kaart te verbeelden (zie de zogenaamde archeologische beleidsadvieskaart). 6. Het benoemen en helder maken van overige beleidskeuzes. 7. Het verschaffen van inzicht in de organisatorische gevolgen die samenhangen met de archeologische adviezen en overige gemaakte beleidskeuzen. Zone I: vrijstelling > 0 m2 S 0,3 m -Mv Zone II: vrijstelling » 50 m2 s 0,3 m -Mv Zone III: vmstelling » 100 m2 8.0,3 m -Mv Zone IV: vrijstelling » 500 m2 8, 0,3 m -Mv Zone V: vrijstelling > 500 m2 ä 10 m -Mv Zone VI: vrijstelling 1000 m2 Ã 2,5 m -Mv Ľ3 Lansingerland
W'ï'+J AM
Onderzoeksgebieden
Figuur 10: Archeologische beleidskaart 2016 Vanwege het ontbreken van een arcering wordt uit figuur 10 opgemaakt, dat ter plaatse een lage archeologische verwachtingswaarde geldt. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek en/of het opnemen van een archeologische dubbelbestemming is daarom niet noodzakelijk. Archeologische vondsten moeten altijd bij de gemeentelijke archeoloog worden gemeld. Daarbij doet het er niet toe of de gemeente of een burger de grondeigenaar is en of de vondst toevallig is of het resultaat van onderzoek. Bestemmingsplan "Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening' Toelichting, Vast te stellen, 24 februari 2022
33 In de Erfgoedwet is een meldingsplicht opgenomen. Deze meldingsplicht houdt in dat degene die archeologische waarnemingen doet, waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat die waarnemingen van belang zijn voor de archeologische monumentenzorg, die waarnemingen meldt bij het Rijk. Melden bij de gemeentelijke archeoloog is eveneens toegestaan, deze zal dan zorgdragen voor de doormelding aan het Rijk. Het niet melden van een archeologische vondst is door de wetgever strafbaar gesteld. Cultuurhistorie Sinds 1 januari 2012 is artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd en verdient cultuurhistorie nadrukkelijk aandacht in een bestemmingsplan. De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument "Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS)"; deze is inzichtelijk gemaakt in de cultuurhistorische atlas. In het bijbehorende "Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland" zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van het beleid. Uit de cultuurhistorische atlas (figuur 11) blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. De dichtstbijzijnde waarden betreffen het bebouwingslint langs de Bergweg-Noord en de Dorpsstraat.
De voorgenomen herontwikkeling van het plangebied heeft hier geen (negatieve) invloed op.
Figuur 11: Uitsnede provinciale cultuurhistorische atlas Op 12 juli 2017 is de Nota Cultuurhistorie Plus 2012 in werking getreden. Deze nota vormt de basis voor de gemeentelijke ambitie: "uitgroeien tot een aantrekkelijke parkstad waarin het goed wonen, werken en recreëren is". De nota vertelt de ruimtelijke geschiedenis van het gebied. Ook de samenhang tussen de verschillende disciplines van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid, zoals ruimtelijk beleid en stedenbouw, beleid ten aanzien van het landschap, welstandsbeleid, monumentenbeleid en het beleid met betrekking tot de openbare ruimte, wordt duidelijker. Het gebiedstype woon- en werklinten is van toepassing aan de Hoeksekade. Het gaat om glastuinbouw- en sierteeltgebieden, ruimtelijk gedomineerd door kassencomplexen. Vanaf begin 20e eeuw heeft de tuinbouw zich ontwikkeld in de droogmakerijen. In de periode na 1945 is met name de glastuinbouw explosief gegroeid, het laatste decennium gevolgd door de sierteelt. De kenmerkende ruimtelijke structuur van de droogmakerijen is bij de ontwikkeling van de glastuinbouw gedeeltelijk zichtbaar gebleven, met name in de waterstructuur (tochten), in mindere mate in de verkavelingsstructuur. De verkavelingsrichting, haaks op de historische linten, is in stand gebleven. De kavelgrootte is echter met de opkomst van de glastuinbouw sterk vergroot.
Bestemmingsplan "Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening' Toelichting, Vast te stellen, 24 februari 2022
34 Behalve aan de historische linten, liggen de kassencomplexen aan later aangelegde (insteek)wegen in de droogmakerijen en aan de N209-omleidingen bij Bergschenhoek en Bleiswijk. Kenmerkend voor de glastuinbouw is dat wonen en werken in veel gevallen gecombineerd worden. De woningen in de linten bestaan veelal uit één laag met kap en zijn uitgevoerd in zeer uiteenlopende individuele vormgeving. Door de aanwezigheid van de tuinderswoningen, zijn de afzonderlijke (familie)bedrijven herkenbaar. Dit gegeven, in combinatie met de zeer diverse, individuele vormgeving van de woningen, heeft een schaalverkleinend effect, ondanks de eenvormigheid en de omvang van de kassen. Cultuurhistorisch waardevolle objecten en landschapselementen moeten worden geduid en beschermd via bestemmingsplan (bijvoorbeeld door een dubbelbestemming). Ter plaatse aan de Hoeksekade is het welstandsbeleid vrij, echter kennen monumenten en cultuurhistorisch waardevolle bouwwerken een bijzonder welstandsniveau met specifieke objectcriteria. In het plangebied is hiervan echter geen sprake. Op 15 november 2016 is de Erfgoedverordening gemeente Lansingerland 2016 in werking getreden. De Erfgoedverordening is vernieuwd vanwege de invoering van de nieuwe Erfgoedwet, per 1 juli 2016. De Erfgoedwet vervangt en integreert verschillende wettelijke regelingen op het gebied van het cultureel erfgoed.
Naast de Erfgoedwet wordt besluitvorming over cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving op termijn geregeld via de Omgevingswet. In aansluiting op de Erfgoedwet is gekozen voor een brede Erfgoedverordening die conform het begrip 'cultureel erfgoed' ziet op zowel onroerend cultureel erfgoed (monumenten) als roerend cultureel erfgoed (cultuurgoederen). De verordening ziet niet op archeologie. Nader archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk en van aantasting van cultuurhistorische waarden is, bij het ontbreken van deze waarde, geen sprake. De woningen worden ingepast in het woon- en werkgebied.
4.3
Water
Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging te voorkomen. Volgens het Bro is een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan, aanvullend op het vigerende bestemmingsplan. Het plangebied is gelegen in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK), dat zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het oppervlaktewater beheert. De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW, 2000) schrijft voor dat in 2015 alle waterlichamen een "goede ecologische toestand" (GET), en voor sterk veranderde/kunstmatige wateren een "goed ecologisch potentieel" (GEP) moeten hebben bereikt. De chemische toestand moet voor alle waterlichamen (natuurlijk en kunstmatig) in 2015 goed zijn. Het Nationaal Bestuursakkoord Water-actueel (NBW-actueel, 2008) is een actualisatie van het oorspronkelijk NBW uit 2003.
Het betreft een overeenkomst tussen het rijk, de provincies, het Inter Provinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Unie van Waterschappen. Het beleid van WB21 en KRW zijn belangrijke pijlers van het akkoord. Het NBW heeft tot doel om in 2015 het watersysteem op orde te hebben en daarna op orde te houden anticiperend op veranderende omstandigheden zoals onder andere de verwachte klimaatverandering, zeespiegelstijging,
Bestemmingsplan "Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening" Toelichting, Vast te stellen, 24 februari 2022
35 bodemdaling en toename verharde oppervlak. In de actualisatie 2008 is meer nadruk gelegd op klimaatveranderingen, de stedelijke wateropgave, ontwikkelingen in de woningbouw en infrastructuur en de implementatie van de Kaderrichtlijn Water. Ook het hoogheemraadschap heeft haar beleid vastgelegd in een waterbeheerplan. Deze beleidsplannen, inclusief het gemeentelijk Waterplan Lansingerland, zijn er allemaal in hoofdzaak op gericht, dat ontwikkelingen hydrologisch neutraal ontwikkeld moeten worden. Deze beleidsterm heeft dan ook vooral betrekking op het zoveel mogelijk (binnen de ontwikkeling) neutraliseren van de negatieve hydrologische gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen in ruimte en tijd. Hierbij speelt de trits 'vasthouden-bergen-afvoeren' een belangrijke rol. Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan is opgesteld voor de planperiode 2016 - 2021. Het Nationaal Waterplan is in december 2015 door de ministerraad vastgesteld. Het Nationaal Waterplan beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid. Het rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening.
Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het van belang bij ruimtelijke ontwikke lingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op de korte en de lange termijn. Om een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem te bereiken moet het water meer bepalend zijn bij de besluitvorming over grote ruimtelijke opgaven dan voorheen. De mate van bepalendheid wordt afhankelijk gesteld van, onder meer, de omvang en de aard van de ingrepen, bestaande functies, nieuwe andere ruimteclaims en de bodemgesteldheid van een gebied. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het Nationaal Waterplan, vervangt daarmee op onderdelen het beleid uit de Nota Ruimte. Specifiek gaat het over de gebieden die deel uitmaken van de ruimtelijke hoofdstructuur, het IJsselmeer, de Noordzee en de rivieren. Hiervoor geldt de AMvB Ruimte. Ook de bescherming van vitale functies en kwetsbare objecten is een onderwerp van nationaal belang. Hiervoor wordt een afzonderlijke AMvB opgesteld. Waterwet De Waterwet van 22 december 2009 vervangt een aantal bestaande wetten, zoals het Waterbeleid 21e eeuw en de Kaderrichtlijn Water, op het gebied van waterbeheer.
De Waterwet is gericht op integraal waterbeheer, met de doelstelling voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en vervulling van maatschappelijke functies van watersystemen. De waterschappen krijgen een nieuwe bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 mYjaar. Gemeenten krijgen verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekom stige waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd.
Bestemmingsplan "Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening' Toelichting, Vast te stellen, 24 februari 2022
36 Provinciaal Waterplan Op 29 juni 2016 is het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016-2021 in werking getreden. Het Hoofdlijnenakkoord 2015 - 2019 van het college van Gedeputeerde Staten schetst de ambitie om beleid zo veel mogelijk integraal vorm te geven en te anticiperen op de visie die ten grondslag ligt aan de Omgevingswet. Dit plan bepaalt het waterbeleid. Het gaat om waterveiligheid, waterkwantiteit, waterkwaliteit en een robuust en veerkrachtig watersysteem Specifiek voor het regionale waterbeleid is hieraan voldaan met de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) en de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water. Dit maakt een volledig nieuw regionaal waterplan overbodig. Voor een klein aantal onderdelen blijft het provinciale waterplan 2010-2015 ongewijzigd van kracht. Waterbeheerplan 2016-2021 De waterbeheerder ter plaatse van het plangebied is het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK). Het algemeen bestuur heeft op 29 juni 2016 het Waterbeheerplan 2016 2021 'Met mensen en water'(WBP) vastgesteld. Het hoogheemraadschap heeft het plan opgesteld met inbreng van diverse partijen tijdens regionale bijeenkomsten: onafhankelijke experts, belanghebbende organisaties, mede-overheden en enkele bewonersorganisaties. Met het nieuwe Waterbeheerplan staat het hoogheemraadschap voor een doelmatig en duurzaam waterbeheer, in directe verbinding met de omgeving.
De taken worden uitgevoerd uit tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Bijgedragen wordt aan de leefbaarheid van het gebied en vergroten de toekomstbestendigheid en duurzaamheid van het watersysteem. Het hoogheemraadschap gaat actief in gesprek met de omgeving en staat open voor initiatieven van inwoners, bedrijven en partners. Particuliere initiatieven, die kunnen bijdragen aan duurzaam waterbeheer, worden gestimuleerd via een bijdrageregeling. Het Waterbeheerplan bevat de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het hoogheemraadschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard. Aandachtspunten voor het duurzame stedelijk waterbeheer zijn het minimaliseren van wateroverlast, het realiseren van voldoende waterberging waarbij zoveel mogelijk een ecologische inrichting wordt nagestreefd, het verantwoord afkoppelen van verhard oppervlak en het voorkomen van diffuse verontreinigingen door toepassing van duurzame bouwmaterialen.
De visie is uitgewerkt in een concreet maatregelenplan: ^ Het woongenot, de belevingswaarde en de recreatieve mogelijkheden op en in het water voor burgers nemen toe; ^ De waterkwaliteit voldoet tenminste aan de algemene milieukwaliteitseisen; ^ Het waterhuishoudkundige systeem kent goede aan- en afvoermogelijkheden, waarbij de doorspoelbaarheid en de mogelijkheid om onder normale omstandigheden het waterpeil binnen zekere marges te handhaven, voldoende worden gewaarborgd; ^ Het watersysteem is zo ingericht dat het de ontwikkeling van biologisch gezond water bevordert. In zijn algemeenheid geldt dat voor aanpassingen aan het bestaande waterhuishoudingsysteem bij het hoogheemraadschap vergunning dient te worden aangevraagd op grond van de Keur, tenzij voor de activiteit algemene regels van toepassing zijn. In het voorheen geldende Waterbeheersplan schrijft het hoogheemraadschap het volgende voor met betrekking tot randvoorwaarden bij ruimtelijke ontwikkelingen: "Verhardingstoename groter dan 500 m2 compenseren door realisatie van voldoende waterberging volgens NBW-systematiek: maatwerk". De benodigde aanvullende waterberging wordt door het hoogheemraadschap berekend volgens de landelijke norm (NBW afspraken). De norm verschilt per gebiedsfunctie (woongebied, bedrijfsterrein
Bestemmingsplan "Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening" Toelichting, Vast te stellen, 24 februari 2022
37 of glastuinbouwgebied) en is mede gebaseerd op de actuele klimaatontwikkelingen en de daaraan gelieerde wateropgave in het gebied. De benodigde aanvullende waterberging wordt berekend als volume en doorgaans omgerekend in een wateroppervlak of percentage. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten: ^ compenserende waterberging wordt in beginsel gerealiseerd door het graven van open water; ^ wanneer compensatie in het plangebied niet mogelijk is, dan wordt de compensatie in ieder geval gerealiseerd in hetzelfde peilgebied; ^ wanneer er geen mogelijkheid is om compenserende waterberging te realiseren binnen het plangebied of het peilgebied kan in overleg met het hoogheemraadschap een andere positie worden bepaald. Tevens zijn onder restricties bepaalde vormen van alternatieve waterberging bespreekbaar; ^ waterberging wordt gerealiseerd vóór uitvoering van het plan; ^ het aanbrengen van ^00 m2 verharding is vergunningplichtig op grond van de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard; ^ de berging wordt niet later gerealiseerd dan de uitvoering van de rest van het plan. Daarbij: ^ Hoofdwaterstructuur met de bestemming "water" opnemen op de verbeelding. In bepaalde gevallen volstaat een aanduiding binnen een andere bestemming ook; ^ In toelichting en bij voorkeur in regels opnemen dat op grond van de Keur onderhoudsstroken langs de hoofdwatergangen moeten worden vrijgehouden.
Indien de ligging van de onderhoudsstroken exact bekend is, is het gewenst deze ook op de verbeelding op te nemen; ^ Vastleggen van belangrijke peilregulerende kunstwerken op verbeelding en in de regels. De voorwaarden in de regels moeten een goede bedrijfsvoering niet hinderen. Wateraanvulling opnemen in toelichting en indien belangrijk ook in regels. Bij minder belangrijke plannen kan ook worden verwezen naar de watervergunning. Uitgangspunt is dat vervuiling van het watersysteem (en het milieu) moet worden voorkomen. Bij ontwikkelingen moeten geen nieuwe vervuilingsbronnen worden geïntroduceerd. Uitlogende metalen, PAK's, bepaalde coatings en andere stoffen kunnen leiden tot belasting van het oppervlakte en grondwater. Wanneer afstromend water (licht) verontreinigd is, moet het afstromend worden gezuiverd met behulp van zuiveringsvoorzieningen. In het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van het principe schoonhouden, scheiden, zuiveren (3-traps-strategie waterkwaliteit). Verontreinigingen worden in beginsel voorkomen, vervolgens worden deze aangepakt bij de bron. Het verdient de voorkeur bij de inrichting van nieuwe terreinen preventieve maatregelen te nemen die onkruidbestrijding met betrekking tot chemische bestrijdingsmiddelen zoveel mogelijk voorkomen.
Lozingen in oppervlaktewater van hemelwater die als gevolg van uitlogende materialen verwerkt in bouwwerken (bijv. zinken of koperen daken) verontreinigd zijn geraakt zijn vergunningplichtig. Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen op straatverharding is ongewenst en mag volgens wettelijke gebruiksvoorschriften uitsluitend volgens de DOB-methode (Duurzaam OnkruidBeheer) worden toegepast. Waterplan Lansingerland De gemeente Lansingerland en de hoogheemraadschappen werken samen om een goede waterkwaliteit te realiseren. In het Waterplan Lansingerland staat hun gezamenlijke visie en de plannen en maatregelen tot 2040. De thema's die beschreven staan in het Waterplan Lansingerland van 29 april 2010 zijn voldoende en schoon water, veilige kaden en dijken, grondwater, riolering en afvalwaterzuivering, beheer en onderhoud, recreatie en samenwerking. Het doel van het Waterplan is het maken van afspraken, waarmee een robuust, veilig en duurzaam watersysteem gerealiseerd kan worden. Dit watersysteem Bestemmingsplan "Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening' Toelichting, Vast te stellen, 24 februari 2022
38 moet voldoen aan landelijke en Europese normen en moet gebaseerd zijn op een gezamenlijke visie van gemeente en hoogheemraadschappen. Onderdelen hiervan zijn: a. een samenhangende beschouwing van de ambities, ruimtelijke ontwikkelingen en (water)problemen; b. een integrale (ruimtelijke) visie op het grondwater, oppervlaktewater en de riolering; c. een concreet maatregelenpakket voor de realisatie van maatregelen. De doelgroep van het stedelijk Waterplan bestaat uit bestuurders (van de gemeente en de hoogheemraadschappen), bewoners, beleidsmakers en beheerders. Het Waterplan heeft geen wettelijke status, maar fungeert als koepelplan en integraal kader voor afspraken over watermaatregelen tussen gemeente en hoogheemraadschappen. Op 30 juni 2011 is de eindrapportage van het Waterplan vastgesteld. In het plan staat beschreven dat 50% van oevers natuurvriendelijk ingericht moeten zijn. Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 In het Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 (GRP) van november 2020 staat beschreven hoe de gemeente omgaat met afvalwater, hemelwater en grondwater. De gemeente wil zoveel mogelijk het afvoeren van hemelwater naar de vuilwaterriolering voorkomen. Bij nieuwe ontwikkelingen is klimaatadaptief bouwen het nieuwe normaal. Dit betekent dat een nieuwe woonwijk regenwater vast kan houden, kan bergen, kan afvoeren of kan hergebruiken.
Maar wel vanuit een realistisch oogpunt, waarbij ook de kosten die het met zich mee brengt worden meegewogen. Waar in de voorgaande planperiode de focus lag op maatregelen ter verbetering van het rioolstelsel zullen in deze planperiode nieuwe inzichten worden vergaard waar vervolgens weer nieuwe maatregelen uit zullen volgen. Ook wordt de samenwerking en afstemming binnen de (afval)waterketen tussen Lansingerland, het hoogheemraadschap van Delfland, het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard en andere gemeenten in de regio voortgezet en versterkt. . Watertoets Huidig watersysteem Het plangebied is volgens de provinciale risicokaart gelegen in dijkring "Zuid-Holland"; deze ring is onder andere gelegen langs de Nieuwe Maas en de Hollandsche IJssel. Het betreft hier een primaire waterkering met een beschermingsniveau van 1 op 10.000 jaar. Dit betekent dat de waterkering bescherming biedt tegen een extreem hoogwaterpeil dat gemiddeld genomen eens in de 10.000 jaar voorkomt. Daarnaast is het plangebied ook gelegen binnen de regionale dijkring "Centraal Holland". Hier geldt een beschermingsniveau van 1 op 100. Geen van de waterkeringen, dan wel de bijbehorende beschermingszones, zijn binnen het plangebied gelegen. Bij een eventuele doorbraak van de waterkeringen is het mogelijk dat het plangebied onder water komt te staan.
Een groot deel van het bebouwingslint langs de Hoeksekade is aangesloten op een gemengd rioolstelsel. Dit betekent, dat het relatief schone hemelwater tegelijk met het (huishoudelijk) afvalwater wordt afgevoerd. Het eindgemaal op de hoek Leeuwhoekweg Z Sporthoekpad transporteert dit afvalwater naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie Kralingseveer. Toekomstig watersysteem Het hoogheemraadschap stelt dat sprake is van een middelgroot plan waarbij minimaal 15% van de toename gecompenseerd moet worden, minus de 500 m2 vergunningvrije toename. Door de realisatie van het voorgenomen bouwplan neemt het verhard oppervlak vanwege daken, tuinen en ontsluiting toe met netto circa 2550 m2 (3050 m2 min 500 m2) Dit betekent, dat minimaal 383 m2 aan watercompensatie plaats moet vinden. In het plangebied komt een waterpartij, nieuwe watergang en wordt een bestaande watergang verbreed. Dit leidt tot een toename van het wateroppervlak met circa 400 m2, waarmee ruimschoots wordt voldaan aan de compensatieverplichting. In het Bestemmingsplan "Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening" Toelichting, Vast te stellen, 24 februari 2022
39 stedenbouwkundig plan en daarmee ook in dit bestemmingsplan is hiermee rekening gehouden, door aan deze gronden de bestemming 'Water' toe te kennen. Omdat het plangebied niet is gelegen in (de nabijheid van) een waterkering, noch in de daarbij behorende beschermingszone, heeft de voorgenomen ontwikkeling geen invloed hierop. Omdat geen parkeerkelders worden voorzien, treden ook geen effecten op het grondwatersysteem op. De voorziene woningen worden voorzien van een gescheiden rioolstelsel, waardoor het afval- en het hemelwater gescheiden worden afgevoerd. Het hemelwater wordt geloosd op de omliggende watergangen. Het vuilwater wordt aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Om diffuse verontreinigingen van water en bodem te voorkomen, wordt de nieuwe bebouwing voorzien van duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen. Zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen mogen uitsluitend worden toegepast als deze worden voorzien van een coating. Op 6 februari 2019 is het voorontwerpbestemmingsplan toegestuurd aan het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard met het verzoek om een advies uit te brengen conform artikel 3.1.1 lid 1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De reactie van het hoogheemraadschap en de gemeentelijke reactie daarop is opgenomen in de nota inspraak en overleg en staat van wijzigingen die als bijlage 10 bij deze toelichting is gevoegd.
Het complete wateradvies van Econsultancy van 5 november 2018 is opgenomen in bijlage 4 van deze toelichting. Kortom, de planontwikkeling heeft geen negatief effect op de wateraspecten. Extra verhard oppervlak wordt ruim voldoende gecompenseerd met extra wateroppervlak. Voor realisatie van het plan is het aanvragen een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast geldt voor enkele werkzaamheden een meldingsplicht, zoals voor het verbreden/verlengen van de watergangen. Het plan is vooruitlopend op het nieuwe GRP, al in voldoende mate klimaatadaptief ontworpen, bestand tegen de weersextremen van de toekomst, en voldoet tevens aan de provinciale eisen en wensen om de risico's van de klimaatverandering te beperken; het gaat om de risico's ten aanzien van wateroverlast door overvloedige neerslag, overstroming, hitte en droogte. De woningen zullen ten minste voldoen aan de wettelijke verplichtingen. De kans op een hittegolf is steeds groter in Nederland. De afgelopen jaren werd het ene na het andere hitterecord verbroken. De binnen- en buitenruimte is hier niet op ontworpen, terwijl hitte grote gezondheidsrisico's met zich mee kan brengen. Een versteende omgeving houdt de hitte vast en het koelt 's nachts niet meer af. Om hitte tegen te gaan is in dit plan voldoende water en groen opgenomen. Bij hitte kan een deel van dit water verdampen en het gebied verkoelen.
Tevens zorgen bomen voor voldoende schaduwplekken. Tijdens het droogteseizoen, van april tot oktober, is door de start van het groeiseizoen en de stijgende temperaturen de kans op watertekort aanwezig. Daarom monitoren de waterbeheerders, hoogheemraadschappen, waterschappen en drinkwaterbedrijven de situatie met het oog op eventuele problemen met droogte, watertekort en -kwaliteit. Binnen het plangebied wordt voldoende water gerealiseerd dat in verbinding staat met het gehele watersysteem.
4.4
Geluidhinder
Sinds 1 januari 2007 is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Geluidsgevoelige ontwikkelingen moeten aan deze wet worden getoetst. In de Wgh is bepaald dat de geluidsbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en/of industrielawaai op de gevels van (andere) geluidsgevoelige gebouwen getoetst moet worden aan de in de Wgh opgenomen (voorkeurs)grenswaarden. Wegverkeerslawaai Uit het geactualiseerde akoestisch onderzoek van Econsultancy van 25 november 2021 (bijlage 3) blijkt dat de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woningen alleen ten gevolge
Bestemmingsplan "Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening" Toelichting, Vast te stellen, 24 februari 2022
40 van het gedeelte van de Hoeksekade waar 30 km/uur gereden mag worden, wordt overschreden met 1 dB op één woning. Daarom heeft voor dit gedeelte van de Hoeksekade een afweging van geluidsreducerende maatregelen plaatsgevonden. Op basis van de maatregelenafweging worden zowel bron- als overdrachtsmaatregelen niet doelmatig geacht. De maatregelen stuiten op overwegende financiële en stedenbouwkundige bezwaren. Omdat er alleen een overschrijding optreedt ten gevolge van het 30 km/uur deel van de Hoeksekade, hoeft geen hogere waarde worden vastgesteld. Overige geluidsbronnen Wgh Omdat het plangebied niet is gelegen binnen de toetsingszone van een zoneplichte spoorweg en/of binnen de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein, is toetsing aan de betreffende normen uit de Wet geluidhinder niet aan de orde. Naast de bronnen uit de Wgh zijn er nog twee andere bronnen relevant voor het plangebied. Luchtvaartlawaai Het plangebied is op circa 4,3 kilometer van de luchthaven Rotterdam The Hague Airport gelegen. Op grond van de geldende omzettingsregeling van de luchthaven gelden momenteel geen beperkingen ter plaatse van het plangebied. De toekomstige woningen zijn immers gelegen buiten de 35 Kecontour. Het plangebied ligt in het verlengde van de startVlandingsbaan van het vliegveld, waardoor vliegtuigen op een hoogte van circa 250 meter passeren.
Uitgaande van een gemiddelde bezetting van 2,4 mensen per woning, leidt realisatie van het bouwplan (13 woningen) tot circa 32 extra gehinderden. Gezien de huidige persoonsdichtheid binnen de 20 Ke-contouren wordt deze beperkte toename acceptabel geacht. De gemeente en de ontwikkelaar zijn zich bewust van deze situatie en zullen de toekomstige bewoners bij de aankoop van hun woning attenderen op het feit dat hun woning is gelegen binnen de invloedssferen van Rotterdam The Hague Airport. Tevens is met de ontwikkelaar afgesproken dat in het koopcontract hiervoor een kettingbeding wordt opgenomen, zodat ook nieuwe kopers hiervan op de hoogte zijn. Daarnaast is de herontwikkeling van deze locatie al geruime tijd voorzien en opgenomen in zowel de provinciale, als de gemeentelijke structuurvisie. Het anticiperen op toekomstig beleid voor de luchthaven, waarvan de richting en uitkomst nog onzeker is, is gezien het bovenstaande niet wenselijk. Bedrijfslawaai Gelet op de uitspraak van de Raad van State is door SPA WNP ingenieurs akoestisch onderzoek verricht naar de geluidbelasting van het naastgelegen bedrijf ter plaatse van de voorziene woningen. In bijlage 14 is dit onderzoek d.d. 9 december 2021 opgenomen. Het bedrijf valt onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Dit wil zeggen dat bij de woningen in eerste instantie voldaan dient te worden aan de standaardnormen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van het Activiteitenbesluit milieubeheer, de door het bedrijf verstrekte gegevens over de bedrijfsvoering en metingen die op 12 augustus 2021 ter plaatse zijn gedaan. Bij de bronmetingen zijn de meetpunten zodanig gekozen, dat het gemeten geluidniveau uitsluitend door de te meten bron wordt bepaald. De metingen zijn verricht in de situatie waarin de bronnen onder representatieve bedrijfssituatie in werking zijn. Uit het onderzoek blijkt dat het bedrijf bij de bestaande woningen in de huidige situatie niet voldoet aan de voor het bedrijf geldende standaardnormen uit het Activiteitenbesluit. Gelet op het voorgaande is onderzocht bij welke bronnen maatregelen getroffen moeten worden, zodanig dat het bedrijf voldoet aan de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit bij de bestaande woningen. Het bedrijf zal daartoe aangeschreven worden en - zo nodig - zal de gemeente handhavend optreden. Als de maatregelen zijn getroffen, blijven bij de geplande woningen de geluidniveaus in de avondperiode beperkt tot maximaal 47 dB(A) en in de nachtperiode tot maximaal 45 dB(A).
Bestemmingsplan "Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening' Toelichting, Vast te stellen, 24 februari 2022
41 Door dan voor het bedrijf maatwerkvoorschriften op te nemen vanwege deze drie meest zuidoostelijk gelegen woningen in de avond- en nachtperiode wordt de op basis van het Activiteitenbesluit toelaatbare bedrijfsvoering van het bedrijf niet in gevaar gebracht. Er zal dan bovendien sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de woningen. Gelet op de eisen in het Bouwbesluit ten aanzien van de geluidwering van de woningen van 20 dB, blijven in de woning de niveaus in de avond- en nachtperiode beperkt tot respectievelijk maximaal 27 dB(A) en 25 dB(A) en wordt voldaan aan de normaal gehanteerde eis van 35 dB(A) etmaalwaarde in woningen. Het onderzoek is afgestemd met het bedrijf en op basis daarvan op enkele punten aangevuld. Bij de beoordeling van het geluid aan de achterzijde van de woningen dient ook rekening te worden gehouden met de cumulatie van geluid van diverse geluidbronnen. Op basis van de Atlas Leefomgeving treden bij de nieuwe woningen L den -niveaus voor wegverkeer op van maximaal 55 dB, deze worden voornamelijk bepaald door Leeuwenakkerweg (N209). Daarnaast treden ten gevolge van het vliegverkeer vanaf Rotterdam The Hague Airport Lden-niveaus op van circa 54 dB. Deze laatste waarde is bepaald op basis van de Lden-contouren, zoals weergegeven in de milieueffectrapportage 077981572:F van 19 februari 2016.
Ten gevolge van het naastgelegen bedrijf treedt een maximaal geluidbelasting op van 55 dB(A) (etmaalwaarde). De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt daarmee circa 62 dB en wordt grotendeels bepaald door het vliegtuiglawaai. De geluidemissie van het bedrijf is van ondergeschikt belang (bijdrage circa 0,5 dB). Dit wil zeggen dat de milieukwaliteit (methode Miedema), met of zonder het bedrijf., ter plaatse van de woningen als "tamelijk slecht" dient te worden aangemerkt. Het plan leidt niet tot verslechtering van het akoestisch klimaat in en rond het plangebied; het akoestisch klimaat bij de bestaande woningen in de bestaande situatie wordt ook al als 'tamelijk slecht' gekwalificeerd, m.n. door de bijdrage van het vliegtuiglawaai. Het plan is, ook wat betreft het geluidklimaat, in het licht van alle betrokken belangen, waaronder het belang bij de bouw van nieuwe woningen, aanvaardbaar. Daarbij is van belang dat bij het geluidsonderzoek is uitgegaan van een worst case benadering. Uit rechtspraak van de Afdeling blijkt dat ook sprake kan zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de kwalificaties 'matig' en 'tamelijk slecht' van de kwaliteit van de akoestische omgeving rondom het plangebied (ABRS 25 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2821, r.o. 13.7 en ABRS 5 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3967, r.o. 5.2.).
Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd, dat het thema geluid geen belemmering vormt voor de voorgenomen herontwikkeling.
4.5
Luchtkwaliteit
Doel van de Wet luchtkwaliteit 2007 is het verbeteren van de luchtkwaliteit waarbij gewenste ruimtelijke ontwikkelingen doorgang kunnen vinden. In deze wet is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Voor luchtkwaliteit is stikstofdioxide het meest maatgevend. Daarnaast zijn ook de concentraties van fijn stof van belang. Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen, verder te noemen het Besluit NIBM, legt vast wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof en daarmee geen verdere toetsing nodig is. De Ministeriële Regeling, verder aan te duiden als de Regeling NIBM, geeft voor een aantal categorieën van projecten een (getalsmatige) invulling aan de NIBM-grens. Het gaat onder meer om woningbouw- en kantoorprojecten en enkele soorten van inrichtingen (bijvoorbeeld emplacementen, kassen en andere landbouwinrichtingen). Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3% van de grenswaarde voor het jaargemiddelde concentratie van fijn stof en stikstofdioxide. Dit komt overeen met 1,2 pg/m3 voor zowel fijn stof als stikstofdioxide. Voor woningbouw aan één ontsluitingsweg is een grens van 1500 woningen bepaald. Het project ligt heel ver onder deze grens. Het project leidt dus 'niet in betekenende mate' tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.
Bestemmingsplan "Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening" Toelichting, Vast te stellen, 24 februari 2022
42
Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is niet alleen het Besluit NIBM maar ook het Besluit gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen als bedoeld in dit besluit. Bovendien ligt de planlocatie niet binnen een dergelijke zone. Voor kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier - op basis van in te voeren verkeersgegevens - worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt (NIBM) aan de concentratie van een stof in de buitenlucht.
Het omslagpunt waarbij een project eventueel een bijdrage van betekenis kan leveren ligt bij circa 1250 voertuigbewegingen (auto's zonder vrachtverkeer) per etmaal. Het aantal verwachtte vervoerbewegingen als gevolg van de 13 grondgebonden woningen ligt beduidend lager dan dit aantal, waarmee het project NIBM is.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2022
Extra voertuigbewegingen [weekdaggemiddelde)
91
Aandeel vrachtverkeer
10,0*
NO2 in gg/m3
0,12 0,02
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer
PMiū in gg/m1 Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in gg/m1
1.2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig
De grootschalige concentratiekaarten (GCN-kaarten) van luchtverontreinigende stoffen zijn bekeken. De kaarten (figuur 12 en 13) geven een beeld van de luchtkwaliteit in Nederland en hebben betrekking op zowel recente als toekomstige jaren. Voor het jaar 2019 is de achtergrondconcentratie in het projectgebied voor stikstofdioxide circa 19 ^/m3 en voor fijn stof is dit circa 16 pg/m3. De grenswaarden zijn in 2020 voor stikstofdioxide 40 pg/m3 en voor fijn stof 40 pg/m3. Dit betekent dat de achtergrondconcentraties ver onder de normen blijven en dat daarmee sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Bestemmingsplan "Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening' Toelichting, Vast te stellen, 24 februari 2022
43
Oud Venaal
lū -12 12 -14 14 -16 16 -13 18 - 20 20 - 25 25 - 30 Figuur 12: Kaart stikstofdioxide
c 15 15 -17 17 -18 18 -19 19 - 20 20 - 21 21 - 22
i Figuur 13: Kaart fijnstof
4.6
22 - 23
Externe veiligheid
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: ^ het Besluit externe veiligheid inrichtingen(Bevi); ^ de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); ^ het Registratiebesluit externe veiligheid; ^ het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); ^ het Vuurwerkbesluit. Bestemmingsplan "Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening" Toelichting, Vast te stellen, 24 februari 2022
44 Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: ^ het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); ^ de Regeling basisnet; ^ de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom de risicobron. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
De wetgeving verdeelt gevoelige objecten in beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten. Deze verdeling is gemaakt om bepaalde groepen mensen in het bijzonder te beschermen. Dit onderscheid resulteert in een aantal criteria en anderzijds in met naam genoemde objecten. Kwetsbare objecten zijn woningen en gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van minimaal 50 personen verblijven gedurende een aaneengesloten tijd. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen verminderd zelfredzaam zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen, bejaardenhuizen, kinderdagverblijven). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Om eventuele belemmeringen en risico's op het gebied van externe veiligheid in beeld te brengen is de risicokaart (figuur 14) geraadpleegd. Aan hand van de risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.
Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: ^ zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); ^ zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; ^ niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; ^ niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Bestemmingsplan "Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening' Toelichting, Vast te stellen, 24 februari 2022
45
xerdorp
U
Figuur 14: Provinciale risicokaart Mobiele risicobronnen Op een afstand van circa 500 meter ten noordwesten van het plangebied is een buisleiding W-521-01 voor aardgas gelegen. Het betreft hier een leiding van de Gasunie, met een diameter van circa 12,44 inch en een maximale werkdruk van 40 bar. De bijbehorende 10-6 plaatsgebonden risicocontour ligt niet buiten de leiding. De Gasunie geeft aan op welke afstand van een leiding het uitvoeren van een groepsrisicoberekening noodzakelijk is. Voor een leiding met deze diameter en druk van strekt deze contour (invloedsgebied) zich uit tot 150 meter aan weerszijden van de leiding. Omdat de voorgenomen ontwikkeling ruim buiten deze contour is gelegen, wordt gesteld dat deze geen invloed heeft op het groepsrisico. Een nadere beschouwing en/of verantwoording van deze bron is niet aan de orde, zoals ook Econcultancy concludeert in haar rapport van 5 november 2018 (bijlage 5). Sinds het opstellen van het rapport zijn er geen wijzigingen op het gebied van externe veiligheid doorgevoerd, zodat aan de conclusies nog waarde mag worden gehecht. Ook over de N209 worden gevaarlijke stoffen getransporteerd. Aangezien deze weg niet in het Basisnet Weg is opgenomen, wordt gesteld dat het aantal transportbewegingen minimaal is. Uit het bestemmingsplan "Leeuwenhoekweg" blijkt dat het om circa 3.527 bewegingen gaat.
De stofgroep GF3 (brandbare gassen, zoals LPG) leidt hierbij tot het grootste invloedsgebied: 355 meter vanuit het midden van de weg. Het plangebied ligt op zo'n 540 meter afstand en daarmee buiten het invloedsgebied. Een nadere beschouwing en/of verantwoording van deze bron is daardoor niet aan de orde. Het bouwplan ligt ook ruimschoots buiten de 200 m zone waarbinnen conform art. 8 van het Bevt verantwoording over het GR moet worden afgelegd. Stationaire bronnen In de omgeving van het plangebied zijn drie stationaire bronnen aanwezig, te weten: ^ Een gebouw voor de productie en distributie van elektriciteit, aardgas, stoom en warm water op het perceel Leeuwenhoekweg 56 W-078, gekoppeld aan eerdergenoemde aardgastransportleiding, waarvoor een invloedsgebied van 150 meter geldt. ^ Brandstofservicestation op het perceel Burgemeester van Oostenweg 7, zonder LPG-verkoop. Bestemmingsplan "Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening" Toelichting, Vast te stellen, 24 februari 2022
46 ^ Brandstofservicestation op het perceel Bergweg-Zuid 70, met LPG-verkoop. De afstand van deze bronnen tot aan het plangebied bedraagt circa 550 resp. 950 en 1280 meter. Gezien deze afstanden staat vast dat de bij deze bronnen behorende risicocontouren en invloedsgebieden niet over het plangebied zijn gelegen. Een nadere beschouwing en/of verantwoording van deze bronnen is daardoor niet aan de orde. Op een afstand van circa 4.300 meter is het vliegveld Rotterdam The Hague Airport gesitueerd. De bijbehorende 10-6 plaatsgebonden risicocontour is niet over het plangebied gelegen. De locatie valt zelfs juist buiten de PR-contour 10-7. Wel bevindt het plangebied zich in het verantwoordingsgebied groepsrisico. Vandaar dat een groepsrisicoberekening is uitgevoerd voor deellocatie A, waarvan ook in dit bestemmingsplan gebruik wordt gemaakt. Dit rapport is als bijlage 6 toegevoegd. Uit deze berekening blijkt, dat de toevoeging van de woningen niet leidt tot een berekenbare toename van het groepsrisico. Omdat zowel in de huidige als in de toekomstige situatie het groepsrisico meer dan 1.000 keer kleiner is dan de oriëntatiewaarde, wordt een nadere verantwoording niet noodzakelijk geacht. Het plan is aan de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) ter advisering voorgelegd.
De reactie van de VVR en de gemeentelijke reactie daarop is opgenomen in de nota inspraak en overleg en staat van wijzigingen die als bijlage 10 bij deze toelichting is gevoegd.