I20.25388 Bestemmingsplan vast te stellen (zonder bijlagen)
Tekst van het document
De ambities voor de huidige planperiode concentreren zich met name op het in stand houden van het systeem, het vernieuwen van de basisrioleringsplannen (BRP’s) en het uitbouwen van kennis over het functioneren van het systeem door meten en monitoren. Ook wordt de samenwerking en afstemming binnen de (afval)waterketen tussen Lansingerland, de twee hoogheemraadschappen en andere gemeenten in de regio voortgezet en versterkt. Waar in de voorgaande planperiode de focus lag op maatregelen ter verbetering van het rioolstelsel zullen in deze planperiode nieuwe inzichten worden vergaard waar vervolgens weer nieuwe maatregelen uit zullen volgen. We hechten verder als gemeente belang aan duurzaam verwerken van hemelwater, zoals het scheiden van schone en vuile waterstromen (daar waar kansen zijn) en het op locatie vasthouden/verwerken van hemelwater. Maar wel vanuit een realistisch oogpunt, waarbij ook de kosten die het met zich mee brengt worden meegewogen. 5.2
Onderzoek Bodem en grondwater Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse (lichte) klei. Er is sprake van grondwatertrap III. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand op minder dan 0,4 m beneden maaiveld ligt en dat de gemiddelde laagste grondwaterstand varieert tussen 0,8 en 1,2 m beneden maaiveld. De maaiveldhoogte ter plaatse bedraagt circa NAP -4,2 m. Waterkwantiteit In de provinciale Waterverordening zijn per type landgebruik normen vastgelegd betreffende de beschermingsniveaus voor inundatie vanuit het oppervlaktewater. In onderstaand overzicht zijn deze normen weergegeven.
Bestemmingsplan “Noordeindseweg t.o. 117a” Toelichting Vast te stellen 23 november 2020
28
Landgebruik
Beschermingsniveaus
Maaiveldcriterium
Stedelijk gebied
1 x per 100 jaar
0 % laagste maaiveld
Overig stedelijk gebied*
1 x per 100 jaar
1 % laagste maaiveld
Glastuinbouw
1 x per 50 jaar
1 % laagste maaiveld
Hoogwaardige land- en tuinbouw
1 x per 50 jaar
1 % laagste maaiveld
Akkerbouw
1 x per 25 jaar
1 % laagste maaiveld
Volkstuinen
1 x per 25 jaar
1 % laagste maaiveld
Grasland
1 x per 10 jaar
5 % laagste maaiveld
Natuur
1 x per 10 jaar
5 % laagste maaiveld
*Overige gebied is in ieder geval openbaar groen en sportvelden en eventueel volkstuinen
Het voorliggende plangebied ligt in de deelpolders Meerpolder, Oostmeerpolder, Nieuwe droogmaking en Voorafsche polder, die liggen binnen de Polder Berkel. Het peil ter plaatse van het plangebied bedraagt NAP -5,50 meter. Het voorliggende plangebied is in de huidige situatie deels verhard. Zoals blijkt uit afbeelding 5.1 zijn er verschillende watergangen aanwezig. Door het plangebied loopt een primaire watergang en ook aan de noordzijde wordt het gebied deels begrensd door een watergang. Ten slotte is in het zuiden van het plangebied ook een watergang gelegen. Deze watergangen worden niet aangetast bij voorgenomen ontwikkeling en blijven behouden.
Afbeelding 5.1: uitsnede Legger Wateren Hoogheemraadschap van Delfland.
Waterkwaliteit In het plangebied zijn geen KRW-waterlichamen aanwezig. Wel is de Noordeindsevaart, ten oosten van het plangebied, aangewezen als KRW-waterlichaam. Veiligheid en waterkeringen
Bestemmingsplan “Noordeindseweg t.o. 117a” Toelichting Vast te stellen 23 november 2020
29
Uit afbeelding 5.1 blijkt dat het plangebied deels binnen de beschermingszone van een waterkering ligt. Binnen dit deel van het plangebied zijn geen ontwikkelingen voorzien. Ter bescherming is de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen. Afvalwaterketen en riolering Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de waterhuishoudkundige situatie niet mag verslechteren. Dit betekent bijvoorbeeld dat de waterhuishouding kan worden verbeterd door het afkoppelen van schoon verhard oppervlak. Hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Dit betekent ook dat toename van het verharde oppervlak en/of dempingen binnen het gebied moeten worden gecompenseerd. Ook combinaties met andere functies zoals groen en recreatie liggen voor de hand. Door de aanleg van natuurvriendelijke en ecologische oevers wordt bijvoorbeeld meer waterberging gerealiseerd. Daarnaast is het van belang om bij eventuele ontwikkeling diffuse verontreinigingen te voorkomen door het gebruik van duurzame, niet-uitloogbare materialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen), zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Toekomstige situatie Bodem en grondwater Uit het bodemonderzoek blijkt dat de grondwaterstand circa 1,1 m -mv ligt.
In het bestemmingsplan Lint Noord wordt gesteld dat alleen een normale ophoging van ongeveer 25 cm mag worden uitgevoerd. Tijdens de voorgesprekken over dit plan is aangegeven dat het niet wenselijk is om meer op te hogen dan dat. Waterkwantiteit Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de bouw van twee nieuwe woningen op het perceel Noordeindseweg tegenover nummer 117a. Op de noordelijk en westelijk gelegen gronden zijn geen ontwikkelingen voorzien. Om deze reden wordt dit deel van het plangebied bij navolgende berekening buiten beschouwing gelaten. Daarnaast is de bestemming ‘Verkeer’ in de huidige situatie ook al verhard. Op deze gronden zijn ook geen ontwikkelingen voorzien. In afbeeldingen 5.2 en 5.3 is de huidige situatie op het gebied van verharding weergegeven.
Bestemmingsplan “Noordeindseweg t.o. 117a” Toelichting Vast te stellen 23 november 2020
30
Afbeelding 5.2: Huidige situatie op het gebied van verharding.
Afbeelding 5.3: Huidige situatie op het gebied van verharding in westelijk deel van het plangebied (oranje cirkel in afbeelding 5.2).
Bestemmingsplan “Noordeindseweg t.o. 117a” Toelichting Vast te stellen 23 november 2020
31
In afbeelding 5.4 is een overzicht weergegeven van de gronden die wel (blauw) en niet (rood) betrokken worden in de watertoets.
Afbeelding 5.4: Overzicht plangebied in relatie tot watertoets.
De gronden waarop de woningen zijn voorzien kennen een oppervlakte van 2.942 m2. Ten behoeve van de nieuwe woningen zijn bouwvlakken opgenomen die geheel bebouwd mogen worden. De bouwvlakken hebben gezamenlijk een oppervlak van 233,04 m2. Tot slot is te verwachten dat het overige deel van het woonperceel en tuin in de toekomstige situatie ook gedeeltelijk verhard wordt, ofwel met erfbebouwing ofwel met bestrating e.d. Hierbij kan de vuistregel worden gehanteerd dat bij vrijstaande woningen circa 25% van het uitgeefbare kavel verhard wordt. In afbeelding 5.5 is de toekomstige situatie weergegeven.
Bestemmingsplan “Noordeindseweg t.o. 117a” Toelichting Vast te stellen 23 november 2020
32
Afbeelding 5.5: Overzicht toekomstige situatie in relatie tot watertoets.
Een en ander resulteert in het volgende: Verharding huidige situatie Type verharding:
Berekening:
Toename oppervlakteverharding in m2
Bebouwing
100% van 128,6 m2
128,6 m2
Verharding
100% van 135,1 m2
135,1 m2
Bestemming ‘Verkeer’
100% 660,9 m2
660,9 m2
Totale verharding
924,6 m2
Bestemmingsplan “Noordeindseweg t.o. 117a” Toelichting Vast te stellen 23 november 2020
33
Verharding toekomstige situatie Toename oppervlakteverharding in m2
Type verharding:
Berekening:
Bouwvlak woningen
100% van 131,0 m2 en 233,04 m2 102,0 m2
Overige ‘Wonen’
gronden
bestemming 25% van 1.693,8 m2
423,5 m2
Bestemming ‘Tuin’
25% van 354,1 m2
88,5 m2
Bestemming ‘Verkeer’
100% 660,9 m2
660,9 m2
Totale verharding
1.405,9 m2
In de huidige situatie is circa 924,6 m2 van het plangebied verhard. Dit zal in de toekomstige situatie toenemen tot circa 1.405,9 m2. Er is watercompensatie benodigd. In onderstaande watersleutel is berekend wat de compensatievraag is.
Afbeelding 5.6: Watersleutel.
Uit de watersleutel blijkt dat in totaal 24 m3 berging of 120 m2 aan extra wateroppervlak gerealiseerd dient te worden. Deze wateropgave wordt in een alternatieve vasthoudmaatregel, in de vorm van wadi’s, gerealiseerd. Hierover is overleg geweest met het waterschap en gebleken is dat aan de richtlijn vasthoudmaatregelen voldaan wordt. Belangrijk hierbij is dat de gekozen maatregel goed functioneert, past binnen het gebied en ook op de lange termijn betrouwbaar is. De eigenaar van het perceel is immers zelf volledig verantwoordelijk voor de aanleg, het functioneren en het instandhouding van de voorziening. In bijlage 5 is meer informatie met betrekking tot de wadi’s en de situering hiervan weergegeven.
Bestemmingsplan “Noordeindseweg t.o. 117a” Toelichting Vast te stellen 23 november 2020
34
Veiligheid Het plangebied is niet gelegen binnen de kern- en beschermingszone van een waterkering. Op het gebied van veiligheid bestaan geen belemmeringen. Riolering Bij de nieuwe ontwikkeling moet het afvalwater worden aangesloten op de riolering. Het huishoudelijk afvalwater (droogweerafvoer; DWA) zal aangesloten worden op het bestaande (druk)rioleringssysteem van de gemeente Lansingerland. Het hemelwater moet worden afgekoppeld. Hemelwater dat op daken en verharding van het perceel valt wordt afgekoppeld van DWA. De afvoermogelijkheden in het plangebied voor het verwerken van hemelwater in voorkeursvolgorde zijn: 1. hemelwater vasthouden voor benutting; 2. (in-)filtratie van afstromend hemelwater; 3. afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; De lozer dient er voor te zorgen dat het hemelwater bij de afstroming niet onnodig vervuild en indien nodig maatregelen treffen om dit te voorkomen. Volksgezondheid Door het afkoppelen van hemelwater van de DWA worden vuilwateroverstorten (in de omgeving) tegengegaan. De risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd. Waterkwaliteit Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld naar het oppervlaktewater, wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen.
Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Afkoppeling van hemelwater zorgt ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is. Ook dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Beheer en onderhoud Het Hoogheemraadschap is de beheerder van het totale watersysteem en van de waterkering. Het onderhoud van de waterkering en hoofd- en boezemwatergangen is tevens de verantwoordelijkheid van het Hoogheemraadschap. Hieronder valt ook de primaire watergang langs het westelijke perceel. Het onderhoud van de overige watergangen ligt bij particulieren, de gemeente en andere instanties. Het beheer en onderhoud van het gemeentelijke inzamelings- en transportstelsel ligt bij de gemeente tot aan het eindgemaal Bleiswijk dat in beheer is van het Hoogheemraadschap van Delfland. Het Hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het transport vanuit het eindgemaal tot en met afvalwaterzuiveringsinstallatie en voor de zuivering. De gemeentelijke riolering moet bereikbaar zijn voor beheer en onderhoud
Bestemmingsplan “Noordeindseweg t.o. 117a” Toelichting Vast te stellen 23 november 2020
35
5.3.
Conclusie Wanneer voldaan wordt aan de wateropgave van 120 m2. Vormt het aspect water geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Het voorontwerpbestemmingsplan wordt, conform het gestelde in artikel ex 3.1.1. van het Bro, aan het Hoogheemraadschap van Delfland voorgelegd.
Bestemmingsplan “Noordeindseweg t.o. 117a” Toelichting Vast te stellen 23 november 2020
36
6
Archeologie en cultuurhistorie
6.1
Archeologie
6.1.1 Kader Wet op de archeologische monumentenzorg In de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, 2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Valletta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De Wamz wijzigde een deel van de Monumentenwet 1988, waardoor deze wet het volgende regelt: de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: “de veroorzaker betaalt”. Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief “in situ” (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologievriendelijke alternatieven. Gemeentelijk archeologiebeleid De gemeente Lansingerland beschikt over eigen archeologiebeleid. Op basis van dit archeologiebeleid kan worden bepaald wat de verwachtingswaarde van een bepaald gebied is. 6.1.2 Onderzoek en conclusie Volgens de beleidsadvieskaart kent het plangebied geen archeologische verwachting (zie afbeelding 6.1). Deze kaart is afkomstig uit 2016.
Het deel van het plangebied, waar het bestemmingsplan ‘Lint-Noord’ vigeert, kent de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’. Dit bestemmingsplan is echter op 27 juni 2013 vastgesteld. Na die tijd heeft een actualisatie van het gemeentelijk archeologiebeleid plaatsgevonden en is de verwachtingswaarde voor het plangebied bijgesteld. Omdat het gebied geen archeologische verwachtingswaarde kent is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk en vormt het aspect archeologie geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.
Bestemmingsplan “Noordeindseweg t.o. 117a” Toelichting Vast te stellen 23 november 2020
37
Afbeelding 6.1: Uitsnede archeologische beleidskaart Lansingerland (het plangebied is globaal zwart omlijnd).
De algemene meldingsplicht bij het aantreffen van oudheden is altijd van toepassing. Op basis van paragraaf 5.4 van de Erfgoedwet moet iedereen die, anders dan bij het doen van archeologisch onderzoek, iets vind waarvan hij/zij weet of kan vermoeden dat het een (roerend of onroerend) monument betreft, dit melden bij de minister van OCW (of in deze, bij de gemeente Lansingerland, of bij diens archeologisch adviseur Archeologie Delft via tel. nr. 0620526028). Indien het bevoegd gezag van mening is dat dit noodzakelijk is, moet er tijd en ruimte geboden worden de resten te onderzoeken, documenteren en eventueel veiligstellen. Het niet melden van het aantreffen van oudheden is een overtreding van de Erfgoedwet en daarmee een strafbaar feit. Consequenties die hieraan verbonden kunnen worden, zijn het intrekken van de verleende omgevingsvergunning of het opleggen van een geldboete.
Bestemmingsplan “Noordeindseweg t.o. 117a” Toelichting Vast te stellen 23 november 2020
38
6.2
Cultuurhistorie
6.2.1 Beleid Visie erfgoed en ruimte ‘Kiezen voor karakter’ In de Visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' (juni 2011) zet het rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2015. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang. In de Visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat. Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen.
Het rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren: 1. werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; 2. eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; 3. herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; 4. levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie; 5. en wederopbouw: het tonen van een tijdperk. Regioprofielen Cultuurhistorie De provincie Zuid-Holland wil waardevolle cultuurhistorische elementen behouden of inpassen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Om dit richting te geven, zijn Regioprofielen Cultuurhistorie opgesteld. De zestien regioprofielen dienen als een handreiking en sturingskader voor gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders en adviesbureaus om cultuurhistorie op te nemen in ruimtelijke plannen. Ze zijn een uitwerking van de algemene richtlijnen voor cultuurhistorie in ruimtelijke plannen zoals die staan in het provinciale omgevingsbeleid. Nota Cultuurhistorie Plus - Lansingerland De gemeente Lansingerland heeft de ambitie om uit te groeien tot een aantrekkelijke parkstad waarin het goed wonen, werken en recreëren is. Om die ambitie te verwezenlijken voert de gemeente een uitgesproken ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Als onderdeel van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid is de Nota Cultuurhistorie Plus (vastgesteld d.d. 26 april 2012) opgesteld.
Bestemmingsplan “Noordeindseweg t.o. 117a” Toelichting Vast te stellen 23 november 2020
39
6.2.2 Onderzoek en conclusie Cultuurhistorische hoofdstructuur Op basis van de cultuurhistorische hoofdstructuur van de provincie Zuid-Holland zijn in het plangebied geen cultuurhistorische waarden aangetroffen (zie afbeelding 6.2). Cultuurhistorische waarden zijn enkel gelegen ten oosten van het plangebied: de Noordeindsevaart is gewaardeerd als een landschappelijke lijn met een redelijk hoge waarde. Deze waarde wordt met de realisatie van de woningen niet aangetast en een vertaling in een bestemmingsplanregeling is derhalve niet benodigd.
Afbeelding 6.2: Uitsnede van de provinciale culturele verwachtingskaart (het plangebied is globaal zwart omlijnd).
Nota Cultuurhistorie Plus In deze nota wordt de Noordeindseweg als een bijzonder historisch polderlint omschreven. Dergelijke polderlinten vinden hun oorsprong in de ontginningsassen in het veengebied. Vanaf ca. 1000 n. Chr. werd het veengebied ontwaterd door vanuit een ontginningsbasis sloten te graven. Het gebied werd daardoor geschikt voor agrarisch gebruik. De ontginningsbasis functioneerde tegelijkertijd als weg, waarlangs in de 12de en 13de eeuw boerderijen werden gebouwd. In de 17de, maar vooral vroeg in de 18de eeuw werd in het gebied veen gewonnen, zo diep dat de polderlinten met de bebouwing erlangs te midden van uitgestrekte veenplassen kwamen te liggen. Die werden vanaf 1772 tot in de 19de eeuw drooggemalen, zodat het niveau van het maaiveld daar enkele meters lager kwam te liggen. De ontginningsassen met de bebouwing erlangs staken vanaf dat moment uit boven de droogmakerijen in de omgeving. Tussen de boerderijen verrezen tuinders- en arbeiderswoningen en bedrijfjes, vooral na 1850. Die verdichting gaat tot nu toe door.
Bestemmingsplan “Noordeindseweg t.o. 117a” Toelichting Vast te stellen 23 november 2020
40
Aan de Noordeindseweg zijn in eerste instantie aan de oostkant van de weg boerderijen gebouwd, de vaart lag aan de westkant. Vanaf het midden van de 19de eeuw werden westelijk van de vaart vooral tuinderswoningen gebouwd, veelal met een toegangsbrug. Het lint heeft het oorspronkelijke karakter goed behouden. Langs de Noordeindseweg is er nog relatief veel tussenruimte tussen de bebouwing. Aan de westkant grenzen nu achter de vaart aangelegde nieuwbouwwijken aan het lint. Deze bebouwing is niet op het lint georiënteerd, een brug ontbreekt dan ook. Aan de Noordeindseweg staan relatief veel historische boerderijen, soms met een nieuwe functie. Daartussen staan (historische) woonhuizen, bedrijfsgebouwen, nieuwbouw en een gemaal. Nogal wat panden zijn dan ook op de gemeentelijke monumentenlijst geplaatst. Naar het noorden toe is meer bedrijfsbebouwing aanwezig in de vorm van loodsen en kassen. Soms is nieuwbouw, bijvoorbeeld villa’s, in series gebouwd. De bebouwing is dan ook uiterst divers. Wel volgt de meeste bebouwing de richting van de kavelsloten, waardoor de panden met de voorgevel op de weg zijn georiënteerd. Typerend is dat er meestal pand voor pand is gebouwd, door of in opdracht van de eigenaren zelf. Daardoor zijn de panden onderling heel verschillend.
Ze dateren uit verschillende tijden, zijn in verschillende stijlen gebouwd, de grootte verschilt en de dakcontour verspringt. Ook de kaprichting varieert, zowel parallel aan als haaks op de weg komt voor. Het gaat om boerderijen, tuinderswoningen, allerlei soorten woonhuizen en bedrijfsgebouwen. Ook materiaal- en kleurgebruik kan per pand verschillen. Diversiteit is daarmee karakteristiek voor dit gebiedstype. Ondanks de doorgaande verkeersfunctie en de relatief grote bouwstroom van de afgelopen decennia heeft de Noordeindseweg nog steeds de uitstraling van een historisch lint. Op verschillende plekken zijn nog doorzichten aanwezig en de recente bebouwing voegt zich over het algemeen goed in de voor de Noordeindseweg kenmerkende historische verkavelingsstructuur. De beoogde nieuwe woningen tasten de uitstraling van de Noordeindseweg niet aan en de verkaveling sluit aan op de historische structuur. Conclusie Het aspect ‘cultuurhistorie’ vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het plan.
Bestemmingsplan “Noordeindseweg t.o. 117a” Toelichting Vast te stellen 23 november 2020
41
7
Milieu
7.1
Algemeen In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke (on)mogelijkheden vanuit diverse milieuaspecten inzichtelijk gemaakt. Waar nodig moet een vertaling plaatsvinden naar de juridische regeling. Het uitgangspunt hierbij is dat de juridische regeling zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit voldoende dient te borgen. Het oostelijk deel van het plangebied, waar de vigerende bestemmingen worden overgenomen en geen ontwikkelingen plaatsvinden, wordt in dit hoofdstuk buiten beschouwing gelaten. Hier zijn geen ontwikkelingen voorzien en zijn om deze reden dan ook geen nadelige milieueffecten te verwachten.
7.2
M.e.r.-beoordeling Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage of te wel m.e.r. ontwikkeld. De m.e.r.-beoordeling is een instrument met als hoofddoel het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. Vanaf 16 mei 2017 is het door de wijziging van de mer-richtlijn verplicht om een aanmeldnotitie te schrijven (indien de gemeente niet zelf initiatiefnemer is) voor activiteiten die onder de drempelwaarden van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. vallen. Het Besluit m.e.r. is aangepast vanwege de richtlijn en in werking getreden op 7 juli 2017. Eén van die activiteiten is: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen” (categorie 11.2). De realisatie van twee woningen kan aangemerkt worden als een stedelijk ontwikkelingsproject en komt voor in de eerste kolom van de D-lijst horende bij het Besluit mer (categorie 11.2). Hoewel de drempelwaarde (kolom 2) niet wordt overschreden, dient een vormvrije m.e.r.beoordeling te worden opgesteld.
Dit dient plaats te vinden aan de hand van drie criteria: Kenmerken project / activiteit: De omvang van het project betreft het realiseren van 2 woningen. Daarmee zit de beoogde ontwikkeling ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. Het betreft een reeds bestaand stedelijk gebied, waarbij in de omgeving al diverse woningen aanwezig zijn. De beoogde herontwikkeling heeft met betrekking tot verkeer geen significant effect. De aanwezige wegen in de directe omgeving van het plangebied worden reeds gebruikt voor de omliggende functies. Het plan voldoet ruimschoots aan de wettelijke bepalingen voor de luchtkwaliteit en kan zonder verdere maatregelen worden uitgevoerd.
Bestemmingsplan “Noordeindseweg t.o. 117a” Toelichting Vast te stellen 23 november 2020
42
Plaats van het project / activiteit: De gronden waarop de nieuwe woning is voorzien liggen op grond van de provinciale verordening in het bestaand bebouwd gebied. Voor de beoogde herontwikkeling zijn meerdere omgevingsaspecten nader beoordeeld en/of onderzocht zoals aangegeven in dit hoofdstuk van de toelichting. Samenhang met andere activiteiten: Er is geen samenhang met andere plannen/ontwikkelingen buiten het plangebied. De onderzoeken naar de verscheidene milieueffecten in dit hoofdstuk wordt toegelicht. Daarnaast belemmert de planontwikkeling de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven niet. Kenmerken van de (mogelijk belangrijke) nadelige milieugevolgen: uit dit hoofdstuk van de toelichting blijkt, dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot belangrijke milieugevolgen. Er is daarom geen sprake van onomkeerbare effecten. De toetsing aan de selectiecriteria uit de bijlage III EU-richtlijnen 85/337/EEG maakt duidelijk dat geen sprake is van belangrijke nadelige effecten op het milieu die het opstellen van een MER of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk maken. In bijlage 7 is het m.e.r.-beoordelingsbesluit opgenomen waarin is besloten dat geen milieueffectrapportage hoeft te worden opgesteld ten behoeve van dit bestemmingsplan. 7.3
Bodemkwaliteit
7.3.1 Kader Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (landof water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit.
Bestemmingsplan “Noordeindseweg t.o. 117a” Toelichting Vast te stellen 23 november 2020
43
Relatie Wabo, Wbb en Woningwet (Wonw) De inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 1 oktober 2010) heeft effect op de Wbb en de Woningwet (Ww): in de Wabo is aangegeven dat in de plaats van de aanhoudingsgrond (uit de Ww) een afstemmingsregeling wordt opgesteld waarbij de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning wordt afgestemd op de acties ten aanzien van de bodemverontreiniging. Voorts geldt ten aanzien van de bodem dat de Woningwet gemeenten verplicht in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen. Die voorschriften dienen in elk geval betrekking te hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport. Gemeentelijk bodembeleid De gemeentelijke Bodemkwaliteitskaart geeft een beeld van de diffuse bodemkwaliteit (ook wel achtergrondkwaliteit genoemd) van de gemeente. In het daaraan gekoppelde Bodembeheerplan is aangegeven welke regels gelden met betrekking tot grondverzet binnen de gemeente. Ook moet in dat kader rekening worden gehouden met de door gemeente Lansingerland vastgestelde bodembeleidsnotitie, als het gaat om grensoverschrijdend grondverzet.
7.3.2 Onderzoek De gronden waarop voorzien is in de ontwikkeling van de woningen zijn bestemd als ‘Agrarisch’ en ‘Gemengd’. Binnen beide bestemmingen is het niet toegestaan om woningen te realiseren. Omdat binnen deze bestemmingen de toekomstige functie, wonen, niet is toegestaan dient aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de toekomstige functie. Door ABO-milieuconsult is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is te raadplegen in bijlage 3. Hieronder zijn de resultaten beknopt weergegeven. Uit het bodemonderzoek blijkt dat lichte verontreinigingen met PAK, cadmium, kwik, lood en barium zijn aangetoond. De licht verhoogde gehalten zijn dermate gering dat de resultaten hiervan geen aanleiding geven tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De vastgestelde bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de aanvraag van de omgevingsvergunning en het toekomstige gebruik. 7.3.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling. 7.4
Geluid
7.4.1 Kader Onderzoekszone Behalve langs 30 km/uur-wegen en woonerven, bevindt zich volgens artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) aan weerszijden van iedere weg een zone waarbinnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Voordat nieuwe woningen binnen deze zone kunnen worden geprojecteerd dient te worden onderzocht of aan de normen van de Wgh wordt voldaan. De zonebreedte is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk gebied).
Bestemmingsplan “Noordeindseweg t.o. 117a” Toelichting Vast te stellen 23 november 2020
44
De definities van stedelijk en buitenstedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 Wgh. Deze definities luiden: - stedelijk gebied: het gebied binnen de bebouwde kom (bepaald door komgrensborden) met uitzondering van het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg; - buitenstedelijk gebied: het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de bebouwde kom, dat is gelegen binnen de zone van een autoweg of autosnelweg. De nieuwe woningen zijn gelegen binnen de onderzoekszone van de N470 , de Noordeindseweg, de Munnikenweg en de Berkelseweg. De N470 bestaat ten oosten van de rotonde uit 2x2 rijstroken, waardoor dit weggedeelte een zone heeft van 400 meter. De overige wegen hebben een zone van 200 m (2x1 rijstroken stedelijk gebied). Deze zone wordt gemeten vanaf de buitenste begrenzing van de buitenste rijstrook. Normstelling Wanneer er nieuwe woningen worden gerealiseerd binnen een zone van een weg, mag de geluidsbelasting niet meer bedragen dan de voorkeurswaarde. Indien de geluidsbelasting hoger is dan de voorkeurswaarde moeten er maatregelen worden getroffen om hieraan alsnog te kunnen voldoen. Blijkt dat niet mogelijk of op overwegende bezwaren te stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard, dan is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lansingerland bevoegd tot het vaststellen van hogere waarden.
Hogere waardenbeleid gemeente Lansingerland In de situatie dat woningen een geluidsbelasting ondervinden die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde moet worden getoetst aan de voorwaarden die zijn neergelegd in de gemeentelijke geluidsnota ‘Beleidsnota Hogere Waarden’. De Wgh schrijft een aantal onderzoeksverplichtingen voor: er moet een akoestisch onderzoek worden ingesteld naar de geluidsbelasting. Indien van toepassing wordt tevens de doeltreffendheid van de benodigde maatregelen onderzocht; De voorkeurswaarde moet in acht worden genomen; Wanneer de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, moeten maatregelen worden onderzocht waarmee deze waarde alsnog kan worden bereikt. Bij het vaststellen van een hogere waarde wordt op grond van artikel 110a Wgh rekening gehouden met cumulatie van geluid. In het beleid is aangegeven dat de cumulatieve geluidsbelasting per aanvraag wordt beoordeeld. 7.4.2 Onderzoek Door KuiperCompagnons is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit akoestisch onderzoek is opgenomen in bijlage 4. De resultaten van dit onderzoek worden hieronder beknopt weergegeven. Op de gronden aan de Noordeindseweg tegenover nummer 117a in Berkel en Rodenrijs bestaat het voornemen om twee woningen te realiseren. De nieuwe woningen zijn gelegen
Bestemmingsplan “Noordeindseweg t.o. 117a” Toelichting Vast te stellen 23 november 2020
45
binnen de onderzoekszone van de N470, de Noordeindseweg, de Munnikenweg en de Berkelseweg. Op grond van de Wgh is om deze reden onderzoek noodzakelijk. Het wegverkeer op de N470 en de Noordeindseweg veroorzaakt een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. De geluidsbelasting door het wegverkeer bedraagt maximaal 50 dB voor de N470 en maximaal 52 dB voor de Noordeindseweg. De maximale hogere waarde wordt niet overschreden. Tegelijkertijd met het ontwerpbestemmingsplan wordt een ontwerpbesluit hogere waarden ter inzage gelegd. Het verkeer op de Berkelseweg en de Munnikenweg veroorzaakt geen geluidsbelasting die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde. De woningen waar de voorkeursgrenswaarde voor de N470 en de Noordeindseweg wordt overschreden, beschikken beide over een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is dan ook bij elk van de woningen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu. Omdat het treffen van geluidreducerende maatregelen voor de bouw van twee woningen financieel niet doelmatig is, is het noodzakelijk hogere waarden vast te stellen vanwege het verkeer op N470 en de Noordeindseweg.
Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen de nieuwe woningen te realiseren, dient de geluidwering van de gevels van de nieuwe woningen te worden afgestemd op de cumulatieve geluidsbelastingen vanwege het wegverkeer. 7.4.3 Conclusie Uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt echter niet overschreden. Omdat het treffen van geluidreducerende maatregelen financieel niet doelmatig is, is het noodzakelijk hogere waarden vast te stellen vanwege het verkeer op N470 en de Noordeindseweg. In bijlage 6 is het ontwerpbesluit hogere waarden opgenomen. Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de nieuwe woningen te realiseren, dient daarnaast kritisch gekeken te worden naar de geluidwering van de gevels van de nieuwe woningen. 7.5
Luchtkwaliteit
7.5.1 Kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau
Bestemmingsplan “Noordeindseweg t.o. 117a” Toelichting Vast te stellen 23 november 2020
46
die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. De jaargemiddelde grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) bedraagt 25 µg/m3. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 aangepast. Voor PM10 is dat 11 juni 2011 en 1 januari 2015 voor NO2. De grenswaarde voor PM2,5 is vanaf 1 januari 2015 van toepassing. Naast de introductie van het NSL is het begrip ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen.
Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: - de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; - de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; - de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; - projectsaldering kan worden toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. 7.5.2 Onderzoek Een project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De ontwikkeling van twee woningen in dit plan valt ook binnen de NIBM-regeling zodat onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit niet noodzakelijk is. Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool) In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het plangebied.
In de NSL-monitoringstool zijn langs de belangrijkste wegen (Noordeindseweg, Munnikenweg en de N470) de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. In afbeelding 7.1 zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 weergegeven voor het peiljaar 2020. Uit de afbeelding blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van het projectgebied de jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25
Bestemmingsplan “Noordeindseweg t.o. 117a” Toelichting Vast te stellen 23 november 2020
47
µg/m3 (voor PM2,5) niet overschrijden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.
Afbeelding 7.1: overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2020 (NSL-monitoringstool)
7.5.3 Conclusie De ontwikkeling in dit plan is aan te merken als een project dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit is dan ook niet nodig. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen oplevert voor de voorgenomen ontwikkelingen in dit bestemmingsplan (artikel 5.16, lid 1 aanhef en onder c Wm). Daarnaast zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening ter plaatse van het plan de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. Deze waarden zijn veel
Bestemmingsplan “Noordeindseweg t.o. 117a” Toelichting Vast te stellen 23 november 2020
48
lager dan de gestelde grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit. Een overschrijding van de grenswaarden is dan ook niet te verwachten. 7.6
Milieuzonering
7.6.1 Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken.
Afbeelding 7.2: Richtafstanden VNG-brochure.
7.6.2 Onderzoek Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van twee vrijstaande woningen mogelijk. In de omgeving van het plangebied, zijn naast woningen, verschillende andere functies/inrichtingen aanwezig en bovendien is het plangebied gelegen aan een drukke ontsluitingsweg, waardoor het gebied is aan te merken als ‘gemengd gebied’. Voor een dergelijk gebied mogen de VNG-richtafstanden, zoals genomen in de VNG-publicatie, worden gereduceerd (dat wil zeggen: één stap terug in de oorspronkelijke richtafstand). Op basis van het vigerende bestemmingsplan ‘Lint-Noord’ blijkt dat er twee relevante bestemmingen in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen. Ten noorden van het plangebied is de bestemming ‘Gemengd’ gelegen. Binnen deze bestemming is een kas gerealiseerd. Afgaande op de vigerende bestemming vertegenwoordigt deze kas ook de maximale planologische invulling. Uit de VNG-brochure blijkt dat een dergelijke inrichting valt onder categorie 2. Bij deze categorie hoort een richtafstand van 30 meter. Als deze gereduceerd wordt, rest een afstand van 10 meter. De werkelijke afstand van de grens van de bestemming ‘Gemengd’ en de woningen bedraagt meer dan 25 meter. De richtafstand wordt dus gerespecteerd. Ten oosten van het plangebied zijn de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Gemengd gelegen.
Deze agrarische bestemming kent echter geen bouwvlak en is daardoor inrichting in de zin van de
Bestemmingsplan “Noordeindseweg t.o. 117a” Toelichting Vast te stellen 23 november 2020
49
Wet milieubeheer en de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering. Hierdoor hoeft er geen rekening te worden gehouden met richtafstanden. Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering worden dan ook geen belemmeringen verwacht. 7.6.3 Conclusie Het milieuaspect bedrijven- en milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 7.7
Externe veiligheid
7.7.1 Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering.
Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour. Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Desondanks hebben overheden en betrokken private instellingen een inspanningsverplichting om te voldoen aan deze oriënterende waarde en dient een toename van het GR bestuurlijk te worden verantwoord. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) uit 2004 legt veiligheidsnormen op aan overheden die besluiten nemen over bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het gaat daarbij om bijvoorbeeld chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij (beperkt) kwetsbare objecten waaronder woningen, ziekenhuizen, scholen, winkels, horecagelegenheden en sporthallen. Hierdoor ontstaan risico’s voor mensen die in de buurt ervan wonen of werken.
Bestemmingsplan “Noordeindseweg t.o. 117a” Toelichting Vast te stellen 23 november 2020
50
Het besluit verplicht gemeenten en provincies bij het verlenen van omgevingsvergunningen voor de activiteit milieu en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. Dit betekent bijvoorbeeld dat woningen op een bepaalde afstand moeten staan van een bedrijf dat werkt met gevaarlijke stoffen. Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarmee zijn nieuwe kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 contour niet toegestaan. Ook is vastgesteld dat wanneer binnen het invloedsgebied van een buisleiding een ruimtelijk besluit wordt genomen, de verantwoordingsplicht van toepassing is. Het Bevb gaat uit van een belemmerde strook van 4 of 5 meter, afhankelijk van de werkdruk. Voor deze strook geldt een bouwverbod en een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden. Net als bij het Bevi worden de risicoafstanden en rekenmethodiek die volgen uit het Bevb opgenomen in een regeling, de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb).
7.7.2 Onderzoek Op basis van de risicokaart kan worden geconcludeerd dat er in de omgeving van het plangebied geen risicobronnen aanwezig zijn. In het plan zelf worden geen risicobronnen mogelijk gemaakt. Het aspect externe veiligheid levert dan ook geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling 7.8
Overige belemmeringen Naast de hiervoor beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij het plangebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming. Het gaat bijvoorbeeld om de aanwezigheid van straalpaden, planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen of rioleringsleidingen), beschermingszones en dergelijke. Toetsingsvlakken Luchtverkeersleiding Nederland Ten behoeve van de luchtverkeersbeveiliging van luchthaven “Rotterdam The Hague Airport”. zijn technische installaties en systemen op en in de omgeving van het luchtvaartterrein aanwezig. Deze zogenaamde Communicatie, Navigatie en Surveillance (CNS)-infrastructuur maakt gebruik van radiogolven die uitgezonden en/of ontvangen worden door antennesystemen. Obstakels, zowel vast (gebouwen, windmolens, et cetera) als mobiel (bouwkranen, heistellingen, et cetera) vormen in potentie een bedreiging voor de goede werking van de apparatuur omdat ze de uitgezonden radiosignalen kunnen verstoren. Verstoring van de apparatuur maakt de CNS apparatuur minder betrouwbaar of zelfs geheel onbruikbaar waardoor direct de veiligheid van het luchtverkeer wordt beïnvloed. Het is daarom in het belang van de veiligheid van de luchtvaart alles in het werk te stellen om de diverse systemen tegen verstorende obstakels te beschermen.
Aan de hand van de internationale burgerluchtvaartcriteria dient beoordeeld te worden of de voorgenomen bouwplannen en werktuigen van invloed zijn op de correcte werking van CNS-hulpmiddelen.
Bestemmingsplan “Noordeindseweg t.o. 117a” Toelichting Vast te stellen 23 november 2020
51
Binnen het plangebied bevindt zich geen toetsingsvlak van de CNS-apparatuur (afbeelding 7.3). Het is daarom niet nodig een beschermende regeling in het plan op te nemen.
Afbeelding 7.3: toetsingsvlakken ILS 24
Akoestiek Bij de luchthaven “Rotterdam The Hague Airport” speelt ook het aspect ‘akoestiek’ een rol. De maatgevende contour, waarbinnen geen geluidgevoelige bebouwing (zoals woningen) mag worden gerealiseerd, is weergegeven middels de zogenaamde 35 KE-contour. Voorliggend plangebied is gelegen buiten de geluidszones van de luchthaven. Er gelden ten aanzien van geluidhinder als gevolg van de luchthaven binnen voorliggend plangebied geen restricties. VOR/DME Het plangebied bevindt zich nabij het toetsingsvlak behorende bij de VOR/DME RTM (Rotterdam). Een VOR (VHF Omni-Directional Radiorange) geeft een vliegtuig koersinformatie en een DME (Distance Measuring Equipment) geeft een vliegtuig afstandsinformatie. Het toetsingsvlak van de VOR/DME kent een straal van 600 m gemeten vanaf de basis van de antenne op maaiveldhoogte, waarbinnen een toetsingshoogte van 4,47 (NAP) m geldt; elk op te richten object dat hoger is kan verstoring veroorzaken. Vanaf de basis van de antenne loopt het toetsingsvlak trechtervormig omhoog tot een hoogte van 46,07 m (NAP) op een afstand van 3 km (zie onderstaande afbeelding 7.4). Het plangebied is niet binnen het toetsingsvlak VOR/DME van 3 km gelegen. De toetsingshoogte van 46,07 m die geldt in het vlak tussen 3 en
Bestemmingsplan “Noordeindseweg t.o. 117a” Toelichting Vast te stellen 23 november 2020
52
10 km, waarbinnen het plangebied ligt, wordt niet overschreden. De maximaal toegestane bouwhoogtes zoals opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan vallen hier ruim onder. Er is om deze reden dan ook geen vrijwaringszone opgenomen op de verbeelding.
Afbeelding 7.4: toetsingsvlak VOR/DME Rotterdam (RTM) (het plangebied is globaal rood omcirkeld).
Bestemmingsplan “Noordeindseweg t.o. 117a” Toelichting Vast te stellen 23 november 2020
53
Afbeelding 7.5: uitsnede kaart hoogtebeperkingen invliegfunnel Rotterdam The Hague Airport.
Invliegfunnel Bij de luchthaven “Rotterdam The Hague Airport” hoort een aanvliegroute (invliegfunnel). In verband met de vliegveiligheid geldt er binnen de aanvliegroute een hoogtebeperking voor gebouwen en andere bouwwerken. In verband met de vliegveiligheid geldt er binnen de aanvliegroute een hoogtebeperking voor gebouwen en andere bouwwerken tot de aangegeven hoogtes. Zoals blijkt uit afbeelding 7.5 is het voorliggende plangebied niet binnen de aanvliegroute gelegen. Derhalve gelden er geen beperkingen voor dit bestemmingsplan. 7.9
Duurzaamheid
7.9.1 Kader Duurzaam bouwen Duurzaam bouwen staat voor het ontwikkelen en beheren van de gebouwde omgeving met respect voor mens en milieu zodat kan worden voorzien in de behoefte van de huidige generatie zonder dat voor toekomstige generaties de mogelijkheid wordt ontnomen om ook in hun behoeften te kunnen voorzien. Duurzaam bouwen is daarmee onderdeel van de kwaliteit van de gebouwde omgeving. Lansingerland Duurzaam De gemeente Lansingerland heeft de ambitie vastgesteld om in 2050 een CO2 -neutrale gemeente te zijn. Hiertoe is de duurzaamheidsvisie ‘Lansingerland duurzaam’ opgesteld, die op 18 juli 2019 door de gemeenteraad is vastgesteld. Door een inzet op de thema’s energietransitie, circulaire economie en klimaatadaptatie wil de gemeente ook voor de toekomst de kwaliteit van wonen en onze aantrekkelijke leefomgeving behouden en de impact op het milieu en het klimaat te minimaliseren. Dat betekent de overgang van fossiele bronnen naar energie uit hernieuwbare bronnen, gesloten grondstofkringlopen met een zo hoog mogelijk behoud van waarde en de aanpassing aan klimaatverandering om de negatieve effecten hiervan op te vangen, zodat een zekere mate van klimaatbestendigheid ontstaat. Daarbij geeft de gemeente zelf het goede voorbeeld, maar vraagt de gemeente ook iets van andere partijen.
Bestemmingsplan “Noordeindseweg t.o. 117a” Toelichting Vast te stellen 23 november 2020
54
Kader Duurzame Gebiedsontwikkeling In de anterieure overeenkomst is vastgelegd dat exploitant ten behoeve van de ontwikkeling en realisatie van het bouwplan zal aansluiten bij de in het DGO (zie paragraaf 3.3) genoemde duurzaamheidsmaatregelen, waarbij het ‘Verbeterd aanvullend niveau’ het streven is, maar tenminste op het niveau zoals vermeld in de kolom ‘Minimaal aanvullend niveau’ zal worden ontwikkeld. 7.9.2 Afweging en conclusie Het aspect duurzaamheid is geborgd in de anterieure overeenkomst. Op deze manier is verzekerd dat de woningen conform de laatste duurzaamheidseisen worden gerealiseerd.
Bestemmingsplan “Noordeindseweg t.o. 117a” Toelichting Vast te stellen 23 november 2020
55
8
Uitvoerbaarheid
8.1
Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens moeten, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken (bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten) deze kosten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Met betrekking tot de realisatie van de twee woningen is de gemeente en de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. Het kostenverhaal is hiermee anderszins verzekerd en het opstellen van een exploitatieplan is niet noodzakelijk. Gezien het bovenstaande wordt de economische uitvoerbaarheid van het plan voldoende gewaarborgd geacht.
8.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Met dit bestemmingsplan wordt voorzien in twee kavels voor particulier opdrachtgeverschap. De woningen worden op een gepaste wijze ingevoegd in de bestaande stedenbouwkundige structuur. Tevens wordt de ontwikkeling passend geacht binnen de actuele beleidskaders van het rijk, de provincie en gemeente. Daarmee wordt verondersteld dat er voldoende draagvlak is. Bovendien is in de bestemmingsplanprocedure de mogelijkheid geboden om zienswijzen in te dienen (zie ook hoofdstuk 9 van deze toelichting). Gezien het bovenstaande wordt de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan voldoende gewaarborgd geacht.
8.3
Handhavingsaspecten Inleidend Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening (Wro), de Woningwet (Ww) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder omgevingsvergunning voor het bouwen, bouwen in afwijking van een verleende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en voor werkzaam-
Bestemmingsplan “Noordeindseweg t.o. 117a” Toelichting Vast te stellen 23 november 2020
56
heden (de vroegere aanlegvergunning) en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een afwijking. De handhaafbaarheid van een bestemmingsplan is met name afhankelijk van het draagvlak van de regels onder de burgers en van de duidelijkheid van de regels. Vertaling naar bestemmingsregeling Bij het opstellen van dit nieuwe bestemmingsplan zijn de gronden zo gedetailleerd mogelijk bestemd. Binnen de bestemmingen is weinig flexibiliteit, veel rechtszekerheid en daarmee weinig kans op interpretatieverschillen. Ook zijn de verbeelding, de regels en de toelichting zodanig op elkaar afgestemd dat interpretatieproblemen en problemen met betrekking tot de uitvoering zo veel mogelijk worden voorkomen.
Bestemmingsplan “Noordeindseweg t.o. 117a” Toelichting Vast te stellen 23 november 2020
57
9
Procedure
9.1
Voorbereidingsfase Vooraankondiging Op grond van artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient voorafgaand aan een procedure van een bestemmingsplan, waarin een ruimtelijke ontwikkeling wordt gefaciliteerd, een vooraankondiging te worden gepubliceerd waarin de gemeente aangeeft een bestemmingsplan voor te bereiden. Overleg Conform artikel 3.1.1. van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. In dit kader is het voorontwerpbestemmingsplan voor advies toegezonden aan diverse instanties. De ontvangen overlegreacties zijn samengevat en beantwoord in de ‘Nota vooroverleg en staat van wijzigingen bestemmingsplan "Noordeindseweg t.o. 117a"’, zie bijlage 8. De toelichting, regels en verbeelding zijn hierop aangepast.
9.2
Ontwerpfase Na afronding van het vooroverleg is de formele bestemmingsplanprocedure gestart. De aanpassingen en/of aanvullingen volgend uit de overlegreacties zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan, evenals enkele ambtshalve aanpassingen. Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is artikel 3.8 Wro (gelezen in samenhang met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) van toepassing. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 24 augustus tot en met 4 oktober gedurende zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Er zijn tijdens deze termijn geen zienswijzen ontvangen. Tot slot zijn er wel enkele ambtshalve aanpassingen doorgevoerd. Deze zijn terug te vinden in de Staat van wijzigingen zoals opgenomen in bijlage 9. Het betreft hoofdzakelijk een aanpassing van de begrenzing van het plangebied, en daarnaast enkele wijzigingen van ondergeschikte aard.
9.3
Vaststellingsfase Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging moet de gemeenteraad beslissen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking en kunnen vergunningen worden afgegeven.
Bestemmingsplan “Noordeindseweg t.o. 117a” Toelichting Vast te stellen 23 november 2020
REGELS
Noordeindseweg t.o. 117a
2
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
INLEIDENDE REGELS Begrippen Wijze van meten
5 5 10
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9
BESTEMMINGSREGELS Agrarisch - Weide Tuin Verkeer Water Wonen - 1 Leiding - Water Waterstaat - Waterkering
11 11 13 14 15 16 19 21
Hoofdstuk 3 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14 Artikel 15
ALGEMENE REGELS Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Algemene procedureregels
23 23 24 26 30 32 34
Hoofdstuk 4 Artikel 16 Artikel 17
OVERGANGS- EN SLOTREGELS Overgangsrecht Slotregel
35 35 36
Bijlagen bij de regels Bijlage 1: Staat van Bedrijfsactiviteiten Bijlage 2: Watersleutel Noordeindseweg t.o. 117a
Bestemmingsplan “Noordeindseweg t.o. 117a” Regels Vast te stellen 23 november 2020
3
Regels
Bestemmingsplan “Noordeindseweg t.o. 117a” Regels Vast te stellen 23 november 2020
4
Bestemmingsplan “Noordeindseweg t.o. 117a” Regels Vast te stellen 23 november 2020
5
Hoofdstuk 1 INLEIDENDE REGELS Artikel 1 1.1
Begrippen
Plan:
het bestemmingsplan "Noordeindseweg t.o. 117a" van de gemeente Lansingerland. 1.2
Bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1621.BP0196-VAST met de bijbehorende regels en bijlagen.