CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen T21.10323 Nota bodembeheer 2021-2031

Gemeenteraad 2 juni 2022, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Geactualiseerde Bodemnota en Bodemkwaliteitskaart (amendement GL)39.907 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

-

toetsingsverslagen

Wet openbaarheid van bestuur/ verdrag van Aarhus

-

verzorgen informatie en communicatie -

verzorgen bodemloket (intern en extern) op verzoek ter beschikking stellen gegevens over bodemkwaliteit

-

correspondentie makelaarsformulieren

Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen

-

bijhouden beperkingenregister en -registratie verzorgen informatie en communicatie -

inschrijven beperkingenbesluiten in register en doorgeven aan de landelijke voorziening op verzoek aangegeven of er een beperking (bijv. saneringsplicht, gebruiksbeperking) op een bepaald perceel rust

-

register beperkingen (voorheen kadastrale registratie) correspondentie

Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer (opgenomen als hoofdstuk 2 in het Besluit bodemkwaliteit)

-

kwalibo: alleen werken met erkende bodemintermediairs

besluiten baseren (bijv. verlenen vergunning, afgegeven beschikking) op bodemonderzoek dat is uitgevoerd door een daarvoor erkend onderzoeksbureau

-

erkenning bij Bodem+

Bijlage 2: Wet- en regelgeving

-

-

pagina 12/15

Tabel B2.2 Gemeente als eigenaar (privaatrechtelijk) wettelijk kader Wet bodembescherming

AmvB’s op basis van de Wbb

naam AmvB

Besluit bodemkwaliteit

Activiteitenbesluit Wet milieubeheer

verplichting sanering in eigen beheer

toelichting melden voorgenomen sanering saneren indien gemeente zelf eigenaar/gebruiker/ veroorzaker is

registratie / documentatie onderzoeksrapport saneringsverslag monitoringrapportage

-

zorgplicht art. 13 wbb

-

preventie bodemverontreiniging bij uitvoeren eigen werken

-

werkwijzer / werkafspraken

-

melding van hergebruik grond en bouwstoffen

-

aantonen kwaliteit van grond en bouwstoffen registratie

-

keuringsverslagen en certificaten register meldingsformulieren

-

toepassingseisen naleven

-

bij toepassing voldoen aan generiek danwel gebiedsspecifiek kader, toetsing kwaliteit aan ontvangende bodem

-

toetsingsresultaat

-

naleving regels bij gemeentelijke ondergrondse tanks

-

KIWA-keuringen laten uitvoeren bodemonderzoek

-

keuringsverslag onderzoeksrapport

-

preventie bodemverontreiniging aanvraag omgevingsvergunning/ melding doen i.h.k.v. AMvB stimuleren hergebruik grond

-

haalbaarheidsstudie grondbank: in eigen beheer of in samenwerking

melden transport verontreinigde grond indien van toepassing: omschrijvingsformulier en/of transportbegeleidingsbonnen invullen

-

toe te voegen bodemonderzoek bij aanvraag vergunning dient te zijn uitgevoerd door daarvoor erkende instantie initiëren van faciliteiten voor hergebruik (grondbank) bij afvoer van niet-gevaarlijk afval, zijnde bedrijfsafval naar depot/reiniger: melden transport, invullen en overleggen omschrijvingsformulier en transportbegeleidingsbonnen bij afvoer grond naar werk: buiten de locatie alleen permanente begeleidingsbrief bij afvoer gevaarlijk afval: lmv-formulier, melden transport, invullen omschrijvings-formulier en transportbegeleidingsformulier afdekken risico’s en aansprakelijkheid

onderzoeksrapporten clausules bij overdrachtsakten

Besluit melden Bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen

-

-

Burgerlijk Wetboek

Bijlage 2: Wet- en regelgeving

-

bodemonderzoek en saneringen

-

-

registratie transportbegeleidingsbonnen en omschrijvingsformulieren

pagina 13/15

2.6 Verdeling bevoegdheden 2.6.1 Verdeling bevoegdheden bij bodemverontreiniging Decentralisatie en deregulering staan hoog genoteerd. In dit kader is ook inzake bodemkwaliteitsbeheer een toenemende verantwoordelijkheid van de gemeenten gerealiseerd en te verwachten. Een overzicht van huidige bevoegdheidsverdeling tussen gemeente enerzijds en provincie en Wbb bevoegde gemeenten anderzijds staat in tabel B2.3. Tabel B2.3 Bevoegdheidsverdeling bij bodemverontreiniging

Omschrijving lokale, bestaande gevallen van bodemverontreiniging: • niet ernstig 1 • ernstig 2 nieuwe gevallen van bodemverontreiniging 3

X

•

binnen inrichting: omgevingsvergunning 4 • buiten inrichting: in bodem- of grondwaterbeschermingsgebied niet in beschermingsgebied 5 diffuse bodemverontreiniging:

X

• gebiedseigen grond • verhoogde achtergrondwaarden bij Wbb-sanering hergebruik grond:

X

• •

X X

•

1

2 3 4 5

Gemeente als bevoegd gezag in kader overige wetgeving

toepassing in het kader van Besluit bodemkwaliteit grondstromenbeleid / zonering (Besluit bodemkwaliteit) in (grondwater)beschermingsgebieden die zijn vastgelegd in PMV

Provincie en Wbb-gemeente als bevoegd gezag Wbb

X

X X X

X

X

X

Als het gaat om meer dan 50 m3 niet ernstige verontreiniging is niet de gemeente, maar de provincie (of de daarvoor aangewezen gemeenten) bevoegd gezag. Op basis van de Wet bodembescherming artikel 28 lid 4 is het Besluit overige nietmeldingsplichtige gevallen opgesteld. Hierin wordt onder andere geregeld dat voor niet-ernstige gevallen met een omvang groter dan 50 m3 grond of 100 m3 grondwater andere wettelijke kaders dan de Wbb van toepassing kunnen zijn, bijvoorbeeld de Woningwet. Hiervoor is de gemeente dan het bevoegd gezag. Gevallen van ernstige bodemverontreiniging kleiner dan 25 m3 grond of 100 m3 grondwater vallen sowieso niet onder de meldingsplicht, evenzo gevallen van bodemverontreiniging kleiner dan 50 m3 grond of 100 m3 grondwater, de gemeente is dan bevoegd gezag. Ontstaan/veroorzaakt na 1 januari 1987. Naast de typering ‘nieuwe gevallen’ kent de Wet bodembescherming ook het ‘ongewone voorval’. Dit is een bijzondere gebeurtenis waarbij verontreiniging of aantasting van de bodem is opgetreden. Afhankelijk van wie bevoegd gezag is in het kader van de Wabo/ Activiteitenbesluit. De inrichtingen die vallen onder de bevoegdheid van de minister van I&M zijn hier buiten beschouwing gelaten. De gemeente is het eerste aanspreekpunt bij de aanpak van nieuwe bodemverontreiniging buiten inrichtingen.

De gemeente neemt hierbij de formele besluiten aangaande instemming met de voorgenomen sanering van deze gevallen. Hierbij is wel afstemming vereist met de provincie. De provincie kan aanvullende eisen stellen.

Bijlage 2: Wet- en regelgeving

pagina 14/15

2.6.2 Omgevingsdiensten Sinds januari 2013 hebben gemeenten, provincies en Rijk hun taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) ondergebracht bij Omgevingsdiensten ook wel Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) genoemd. Het gaat om minimaal de VTH taken op het gebied van milieu en mogelijk ook bouwen, natuur en water. De gemeenten en provincies hebben ook hun VTH taken met betrekking tot bodem overgedragen aan de Omgevingsdienst. In het kader hieronder zijn de basistaken met betrekking tot bodem weergegeven die bij de Omgevingsdienst zijn neergelegd. Tot de basistaken met betrekking tot bodem van de Omgevingsdienst/RUD horen: — het milieutoezicht bij bedrijfsmatige activiteiten die vallen onder het Besluit bodemkwaliteit voor zover het die activiteiten betreft; — het milieutoezicht bij bodemsanering, sanering van bedrijfsterreinen en lozing van grondwater bij bodemsanering en proefbronnering voor zover het die activiteiten betreft; — het milieutoezicht bij bedrijfsmatige activiteiten met betrekking tot gevaarlijke afvalstoffen, bedrijfsafvalstoffen en ingezamelde huishoudelijke afvalstoffen, asbest, vuurwerk, bouwstoffen, grond, baggerspecie, meststoffen, dierlijke vetten, radioactief schroot, destructiemateriaal, explosieven voor civiel gebruik of andere gevaarlijke stoffen voor zover het die activiteiten betreft.

Het gaat hierbij om ketengericht milieutoezicht. Daarnaast hebben gemeenten en provincie ook nog een aantal bodemtaken die zij vrijwillig kunnen overdragen aan de omgevingsdienst.

Bijlage 2: Wet- en regelgeving

pagina 15/15

BIJLAGE

3 A

ONDERBOUWING BODEMFUNCTIEKLASSENKAART EN BODEMKWALITEITSKAART

Bijlage 3A: Onderbouwing bodemfunctieklassenkaart emn bodemkwaliteitskaart

pagina 1/14

BIJLAGE 3A: ONDERBOUWING BODEMFUNCTIEKLASSENKAART EN BODEMKWALITEITSKAART

Bijlage 3A: Onderbouwing bodemfunctieklassenkaart emn bodemkwaliteitskaart

pagina 2/14

1

Doelstelling bodemfunctieklassenkaart en bodemkwaliteitskaart

Het doel van het aanpassen van de gemeentelijke bodemfunctieklassenkaart is om aan te sluiten bij het Rotterdamse beleid[14] en om een betere weergave te verkrijgen van de ligging van de bodemfuncties ‘Industrie, ‘Wonen’, ‘Landbouw’ en ‘Natuur’ op het grondgebied van de gemeente Lansingerland. Het doel van het opstellen van de bodemkwaliteitskaart is om een actueel en dekkend beeld te krijgen van de algemene stedelijke bodemkwaliteit in de gemeente. De achterliggende doelstellingen is de wens van de gemeente om met de bodemkwaliteitskaart gebruik te kunnen maken van de mogelijkheden die het Besluit[2] en de Omgevingswet (die naar verwachting in 2022 inwerking treedt) bieden: — als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van vrijkomende grond en van de ontvangende bodem (hierdoor hoeven minder partijkeuringen en bodemonderzoeken te worden uitgevoerd wat een kosten- en tijdbesparende factor is bij grondverzet); — bij het toepassen van grond en baggerspecie op en in de landbodem; — bij het wegnemen van mogelijke knelpunten bij grondverzet (ontgraven en toepassen van grond); — als bewijsmiddel bij kleinschalig grondverzet; — om gebiedsspecifiek bodembeleid mogelijk te maken; — het vaststellen van terugsaneerwaarden bij bodemsaneringen in het kader van de Wet bodembescherming [5] en het Besluit en de Regeling Uniforme Saneringen[27] [28]; — bij de interpretatie van

eindsituatie-onderzoeken na beëindiging van bodembedreigende activiteiten; — bij vrijstelling van bodemonderzoek in het kader van omgevingsvergunningsaanvragen (activiteit bouwen en/of activiteit ruimtelijke planvorming). Op 8 juli 2019 is een tijdelijk handelingskader inwerking getreden voor hergebruik van PFAS 26-houdende grond en baggerspecie[20]. De initiatiefnemers van grondverzet moeten de kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen inzichtelijk maken in te verzetten grond en baggerspecie, die op of in de landbodem of in het oppervlaktewater wordt toegepast. Het tijdelijk handelingskader is op 29 november 2019 en op 1 juli 2020 geactualiseerd. Op 29 november 2019 zijn voorlopige landelijke achtergrondwaarden voor PFAS-gehalten gedefinieerd, evenals voorlopige toepassingswaarden in verschillende toepassingssituaties. Op 1 juli 2020 zijn de voorlopige landelijke achtergrondwaarden aangepast en voor een aantal toepassingssituaties in een oppervlaktewaterlichaam de toepassingswaarden gewijzigd. De eerder bestuurlijk vastgestelde bodemkwaliteitskaart van de gemeente Lansingerland[1] is niet voor PFAS-verbindingen vastgesteld. Door meetgegevens over PFAS-gegevens in de grond te verzamelen, stelt de gemeente Lansingerland de bodemkwaliteitskaart van de gemeente ook voor PFAS-verbindingen vast.

Hiermee faciliteert de gemeente de beoogde effecten zoals die deze nota bodembeheer zijn geformuleerd.

26

Poly- en perfluoralkylverbindingen, PFAS, zijn stoffen die al decennia worden gebruikt in industriële en andere processen en in vele producten. Ze worden toegepast in allerlei alledaagse toepassingen zoals verf, blusschuim, pannen, kleding en cosmetica. Kenmerkend voor deze stoffen is dat ze persistent, mobiel en nauwelijks biologisch afbreekbaar zijn. Bovendien is van verschillende PFAS-verbindingen aangetoond dat ze toxisch zijn.

Bijlage 3A: Onderbouwing bodemfunctieklassenkaart emn bodemkwaliteitskaart

pagina 3/14

2 Bodemfunctieklassenkaart Op de bodemfunctieklassenkaart (zie kaartbijlage 1) wordt de ligging van gebieden met de (toekomstige) bodemfuncties 'Industrie', 'Wonen', ‘Landbouw’ en ‘Natuur’ aangegeven. De bodemfunctieklassenkaart wordt gebruikt voor: — het mede bepalen van de kwaliteitseisen waaraan de toe te passen grond moet voldoen (zie ook § 3.10.4 van deze bijlage en bijlage 1 van de nota bodembeheer onder het kopje ‘Toepassingseis kwaliteit toe te passen grond op of in de bodem’); — het vaststellen van terugsaneerwaarden bij bodemsaneringen in het kader van de Wet bodembescherming [5]. De eerder bestuurlijk vastgestelde bodemfunctieklassenkaart van de gemeente Lansingerland[1] is aangepast. De bodemfunctie ‘Overig’ is gesplist in de bodemfuncties ‘Landbouw’ en ‘Natuur’. De gemeente heeft de rijkswegen, provinciale wegen en de spoor-/metrowegen inclusief de onverharde bermen in de bodemfunctieklasse ‘Industrie’ laten vallen. Onder onverharde wegbermen wordt verstaan de strook grond naast de verharde (klinker-, beton- of asfalt)weg. De strook omvat de bodemlaag tot maximaal 0,5 meter diepte, en heeft gerekend vanaf de wegverharding een maximale breedte van 10 meter.

De onverharde wegberm wordt begrensd door (zie ook figuur B3.1): — de erfgrens of; — de meest afgelegen insteek van een droge bermsloot of; — de meest nabij gelegen insteek van een natte bermsloot of; — als voorgaande niet aanwezig zijn, de overgang naar andere begroeiing (houtopstanden zoals hagen, struiken, bosschages, bos). Voor onverharde wegbermen gelegen in gebieden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, de voormalige Ecologische Hoofdstructuur) geldt voor beide zijden van het wegvak een strook van maximaal 2 meter. Dit in verband met de ecologische functie van de wegbermen. Buiten de aangegeven strook mag in de wegbermen alleen schone grond worden toegepast.

Figuur B3.1 Begrenzing wegbermen (bron: brief van het voormalige Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart, kenmerk RWS/DVS‐2009/2932, 19 november 2009).

Bijlage 3A: Onderbouwing bodemfunctieklassenkaart emn bodemkwaliteitskaart

pagina 4/14

3 Bodemkwaliteitskaart Deze bodemkwaliteitskaart is opgesteld volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten [13]. Er is gewerkt volgens het in de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten opgenomen stappenplan. Hieronder zijn de verschillende stappen weergegeven, die in de volgende paragrafen nader zijn toegelicht. In de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten is aangegeven dat de stappen niet chronologisch gevolgd hoeven te worden. Wel is het noodzakelijk dat elementen van alle stappen terugkomen in de werkwijze bij het vervaardigen van de bodemkwaliteitskaart. Stap 1: Stap 2: Stap 3: Stap 4: Stap 5: Stap 6: Stap 7: Stap 8:

Opstellen programma van eisen. Vaststellen onderscheidende gebiedskenmerken. Gegevensverzameling en gegevensbewerking. Indelen bodembeheergebied in deelgebieden. Controle indeling van het bodembeheergebied. Verzamelen aanvullende informatie. Vaststellen bodemkwaliteitszones. Bodemkwaliteitskaart (kaart uitgesloten locaties/gebieden, ontgravingskaart en toepassingskaart).

3.1

Stap 1: Opstellen programma van eisen

Voor deze bodemkwaliteitskaart zijn de volgende definities vastgesteld: — Het bodembeheergebied van de bodemkwaliteitskaart omvat het grondgebied van de gemeente Lansingerland. In § 4.2 van de hoofdtekst is aangegeven welke bodemkwaliteitskaarten de gemeente als bewijsmiddel bij grondverzet. — De bodemkwaliteitskaart is opgesteld voor de landbodem van het bodembeheergebied voor de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 2,0 meter diepte. — De volgende locaties/gebieden zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart: • Locaties waar vanwege (bedrijfs)activiteiten PFAS-verbindingen in verhoogde gehalten in de bodem kunnen voorkomen (PFAS producerende27 en verwerkende bedrijven28, inzet blusschuim29 en secundaire bronnen30). • De bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld. • De waterbodems (ander bevoegde gezag). • Ook het grondwater maakt geen onderdeel uit van de bodemkwaliteitskaart. — De onderstaande locaties/gebieden zijn ook uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart, maar voor PFASverbindingen maken deze locaties wél onderdeel uit van de bodemkwaliteitskaart: • Rijkswegen, provinciale wegen, spoorwegen en de metro inclusief de onverharde (weg- en spoor)bermen (allen een andere beheerorganisatie dan de gemeente).

• Locaties die in het Kadaster zijn geregistreerd met een aantekening Wet bodembescherming (de locaties met een beschikking ‘Ernstig’; specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart). • Locaties met, of die verdacht zijn voor, een sterke bodemverontreiniging (lokale bron/puntbron). — Deze bodemkwaliteitskaart is opgesteld voor de stoffen barium (zie ook bijlage 1 van de nota bodembeheer kopje ‘Barium’), cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie en de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). In deze bodemkwaliteitskaart is de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 1,0 meter diepte ter plaatse van de gebieden die verdacht zijn voor diffuus verhoogde gehalten met organochloorbestrijdingsmiddelen (bijvoorbeeld -voormalige- kassen et cetera) ook voor deze stofgroep vastgesteld.

27 28 29 30

Zoals bijvoorbeeld productie van o.a. PFOS, PFOA, telomeren en andere PFAS-verbindingen. Zoals bijvoorbeeld productie en verwerking van teflon, galvanische industrie, textielindustrie, papier(verwerkende) industrie, lak- en verfindustrie, fabricage van cosmetica. Brand blussen, brandweeroefenplaatsen (gemeenten), brandpreventie voorzieningen (industrie) met schuimblusinstallaties, militaire brandweeroefenplaatsen en vliegvelden, brandweeroefenplaatsen op vliegvelden (burgerluchtvaart). Zoals bijvoorbeeld stortplaatsen, waterzuiveringsinstallaties, afvalverbrandingsinstallaties, ijzerinzamelbedrijven (inzamelen brandblussers), gebruik bestrijdingsmiddelen.

Bijlage 3A: Onderbouwing bodemfunctieklassenkaart emn bodemkwaliteitskaart

pagina 5/14

Voor de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 1,5 meter diepte is de bodemkwaliteitskaart ook voor PFASverbindingen vastgesteld. — De gemeente wil aansluiten bij het grondstromenbeleid van de gemeenten Maassluis, Nissewaard, Rotterdam, Schiedam en Vlaardingen. Om die reden vindt de classificatie van de bodem- en ontgravingskwaliteit plaats op basis van de 80-percentielwaarden31, in plaats van op het gemiddelde. De 80-percentielwaarde geeft meer betrouwbaarheid aan de te verwachten ontgravingsklasse in een bodemkwaliteitszone. — De gegevens voor de bodemkwaliteitskaart zijn afkomstig van representatieve bodemonderzoeken uit het bodeminformatiesysteem van de DCMR waarin de bodemgegevens van de gemeente Lansingerland worden geregistreerd en beheerd. Om extra meetgegevens te verzamelen voor PFAS-verbindingen en te voldoen aan de minimumeisen uit de Richtlijn is een gemeente breed aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd[39].

3.2 Stappen 2 en 4: Vaststellen onderscheidende gebiedskenmerken en indelen bodembeheergebied in deelgebieden (1/2) De basis van deze bodemkwaliteitskaart is het identificeren van deelgebieden met onderscheidende gebiedskenmerken. De verwachting is dat de kwaliteit tussen deelgebieden kan verschillen als gevolg van de verschillende gebiedskenmerken. Op basis van de gebruikshistorie, de ontwikkeling van wijken of gebieden, het huidig gebruik en de verwachte bodemkwaliteit zijn de deelgebieden gedefinieerd. Binnen een deelgebied wordt de bodemkwaliteit homogeen verondersteld (vergelijkbare kwaliteit). Om aan te sluiten bij het grondstromenbeleid van de gemeenten Maassluis, Nissewaard, Rotterdam, Schiedam en Vlaardingen worden de bodemlagen vanaf het maaiveld tot en met 1,0 meter diepte en vanaf 1,0 meter tot en met 2,0 meter diepte gedefinieerd, in plaats van de bodemlagen vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte en vanaf 0,5 meter tot en met 2,0 meter diepte. In overleg met de DCMR (adviseur van de gemeente) is uitgegaan van de volgende deelgebieden (zie kaartbijlage 2): — (Lint)bebouwing voor 1930. — Wonen 1930-1970 32. — Wonen na 1970 33. — Wonen op voormalig glastuinbouwgebied 34. — Bedrijventerreinen. — Glastuinbouw tot 1970. — Buitengebied. Het is de verwachting dat er geen clustering van hogere of lagere PFAS-gehalten voorkomt in de gemeente.

Met deze verwachting worden voor de PFAS-verbindingen in het horizontale vlak de hiervoor benoemde deelgebieden samengevoegd, waardoor 1 PFAS-deelgebied ontstaat. In het verticale vlak worden voor de PFAS-verbindingen 2 bodemlagen onderscheiden: (1) vanaf het maaiveld tot 1,0 meter diepte en (2) vanaf 1,0 meter tot 1,5 meter diepte onderscheiden. Deze bodemlagen zijn mogelijk verdacht voor verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen door atmosferische depositie, grondroering en uitspoeling van de bovengrond naar de ondergrond. In deze bodemkwaliteitskaart worden de gebieden die verdacht zijn voor diffuus verhoogde OCB-gehalten als deelgebied voor de bodemlaag 0-1,0 m-mv opgenomen. Omdat deze percelen zeer verspreid en niet-aaneengesloten voorkomen is in overleg met de gemeente en de DCMR (adviseur van de gemeente) afgeweken van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Voor dit deelgebied is besloten dat meer dan 30 waarnemingen met bestrijdingsmiddelen

31 32 33 34

80% van de analyseresultaten ligt beneden deze waarde. Compacte woonkernen die traditioneel bouwrijp zijn gemaakt zonder integrale voorbelasting. In de periode 1930-1970 is gebruik gemaakt van kolenkachels waardoor de bodem mogelijk vervuild is geraakt. Compacte woonkernen die traditioneel bouwrijp zijn gemaakt zonder integrale voorbelasting. In de periode na 1970 is nagenoeg geen gebruik meer gemaakt van kolenkachels. De bodem is hierdoor waarschijnlijk minder vervuild. Als gevolg van voormalige glastuinbouw is de bodem mogelijk vervuild geraakt met bestrijdingsmiddelen.

Bijlage 3A: Onderbouwing bodemfunctieklassenkaart emn bodemkwaliteitskaart

pagina 6/14

aanwezig moeten zijn, maar dat niet per niet-aaneengesloten gebied 3 waarnemingen noodzakelijk zijn. Op basis van deze gegevens wordt een uitspraak gedaan over de diffuse bodemkwaliteit ten aanzien van OCB.

3.3 Stap 3: Gegevensverzameling en gegevensbewerking 3.3.1 Selecteren beschikbare gegevens Voor het maken van de bodemkwaliteitskaart is het van belang om een representatieve dataset te maken, zodat de algemene (stedelijke) bodemkwaliteit binnen een bodemkwaliteitszones zo goed mogelijk kan worden bepaald. Uit het bodeminformatiesysteem van de DCMR, die de gegevens voor de gemeente registreert en beheert, zijn de representatieve gegevens geselecteerd. In bijlage 3B van de nota bodembeheer is een overzicht gegeven welke selecties hebben plaatsgevonden om tot een representatieve dataset voor de bodemkwaliteitskaart te komen. Om extra meetgegevens van PFAS-verbindingen te verkrijgen, heeft de gemeente Lansingerland gemeente breed een aanvullend bodemonderzoek[39] uitgevoerd.

3.3.2 Samenvoegen van punt- en mengmonsters De dataset voor deze bodemkwaliteitskaart bestaat uit meng- en puntmonsters met meetgegevens. De landelijke IPO Werkgroep Achtergrondgehalten heeft onderzocht wat de invloed is van het meenemen van zowel punt- als mengmonsters op de berekening van percentielwaarden van de meetgegevens [40]. De resultaten laten zien dat percentielwaarden die zijn gebaseerd op een bestand met meetgegevens van zowel punt- als mengmonsters, vrijwel identiek zijn aan percentielwaarden die zijn gebaseerd op een bestand met meetgegevens van alléén mengmonsters. Er bestaan daarom geen praktische bezwaren tegen het berekenen van de bodemkwaliteit uit een bestand met meetgegevens, afkomstig van zowel punt- als mengmonsters. In dit project zijn de meetgegevens van de mengmonsters éénmaal meegenomen.

3.3.3 Het vervangen van waarden beneden de detectielimiet Bij analyses komt het vaak voor dat een bepaalde stof in het grond(meng)monster aanwezig is in een concentratie beneden de detectiegrens van de gangbare analyseapparatuur. Hoewel de werkelijke waarde onbekend is (de waarde kan variëren van nul tot de detectielimiet) leveren deze monsters wel waardevolle informatie voor de gemiddelde bodemkwaliteit in een gebied. Voor deze analyseresultaten is de methode van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten gehanteerd. Deze methode houdt in dat de gerapporteerde detectielimieten worden vermenigvuldigd met een factor 0,7 om tot een rekenwaarde te komen. De opgegeven detectielimiet van een bepaalde stof verschilt van rapport tot rapport. Verhoogde detectielimieten komen voor bij verstoringen in de grond(meng)monstermatrix. Daarnaast zijn de detectielimieten in de loop der jaren lager geworden doordat nauwkeuriger analyseapparatuur beschikbaar is gekomen.

3.3.4 Het opsporen van uitbijters Ondanks dat er representatieve meetgegevens zijn geselecteerd, kan er sprake zijn van uitschieters in de dataset: extreem hoge of lage gehalten als gevolg van bijvoorbeeld typefouten tijdens de invoer, onbetrouwbare analyses of verontreinigingen door lokale bronnen die niet als zodanig in het bodeminformatiesysteem zijn aangegeven. Hierbij worden vaak bij meerdere stoffen in hetzelfde monster relatief hoge gehalten aangetroffen. Per deelgebied en per stof zijn met een visuele methode (scatterplots) extreme gehalten gemarkeerd. Voor de uitbijters is nagegaan of deze tot een lokale bron, type- of meetfout zijn te herleiden. In die situaties zijn de analyseresultaten uit de dataset verwijderd of aangepast. In bijlage 3C van de nota bodembeheer staat een overzicht van de uiteindelijk verwijderde uitbijters.

Bijlage 3A: Onderbouwing bodemfunctieklassenkaart emn bodemkwaliteitskaart

pagina 7/14

3.4 Stappen 2 en 4: Vaststellen onderscheidende gebiedskenmerken en indelen bodembeheergebied in deelgebieden (2/2) Op basis van een eerste berekening van de kwaliteit per deelgebied is bepaald of de oorspronkelijke hypothese (onderscheid in bodemkwaliteit per deelgebied op basis van kenmerken van het gebied) juist is. Daarbij is vastgesteld dat de bodemkwaliteit in veel van de oorspronkelijk gedefinieerde gebieden in de gemeente hetzelfde is. De deelgebieden zijn daarom samengevoegd tot homogene zones van dezelfde bodemkwaliteit. In tabel B3.1 is een overzicht gegeven van de (samengevoegde) deelgebieden die op basis van kwaliteit zijn gedefinieerd en waarmee de uiteindelijke bodemkwaliteitskaart is opgesteld. Tabel B3.1 Onderscheiden (samengevoegde) deelgebieden VOORLOPIGE BODEMKWALITEITSKLASSE (BOVENGROND/ONDERGROND)

DEELGEBIED (Lint)bebouwing voor 1930

Wonen/Wonen

Wonen 1930-1970

Wonen / Natuur

1)

Wonen op voormalig glastuinbouwgebied

Wonen / Natuur

Wonen na 1970 2)

Landbouw / Natuur

Bedrijventerreinen

Landbouw / Natuur

Buitengebied

Landbouw / Natuur

Glastuinbouw tot 1970

Wonen / Landbouw

(SAMENGEVOEGD) DEELGEBIED

(Lint)bebouwing voor 1930 Wonen 1930-1970 en Wonen op voormalig glastuinbouwgebied Wonen na 1970, bedrijventerrein en Buitengebied Glastuinbouw tot 1970

3.5 Stap 5: Controle indeling van het bodembeheergebied (1/2) De Richtlijn bodemkwaliteitskaarten stelt de volgende minimale eisen aan het aantal en de spreiding van meetgegevens per deelgebied: — Per deelgebied zijn voor alle stoffen ten minste 20 meetgegevens beschikbaar. — De meetgegevens liggen voldoende verspreid over het deelgebied: • Voor aaneengesloten deelgebieden bij een systematische indeling in 20 vakken zijn in tenminste 10 vakken één of meer meetgegevens beschikbaar. • Voor elk niet-aaneengesloten deel van een deelgebied zijn ten minste 3 meetgegevens beschikbaar. Voor de PFAS-verbindingen is gebruik gemaakt van de systematiek van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten voor het eventueel uitbreiden van een bodemkwaliteitskaart voor de stoffen kobalt, molybdeen en PCB. Verspreid over het bodembeheergebied moeten minimaal 30 meetgegevens beschikbaar zijn. Deze systematiek mag conform het Model Beleid toepassen PFAS houdende grond[41] ook voor PFAS-verbindingen worden gebruikt.

Na het samenstellen van de dataset voor de bodemkwaliteitskaart (§ 3.3.1),de voorbewerkingen (§ 3.3.3 en § 3.3.4), blijkt dat het aantal meetgegevens in het deelgebied ‘Glastuinbouw tot 1970’ (bodemlaag 1-2 m-mv) en een aantal nietaaneengesloten deelgebieden in de samengevoegde deelgebieden “Wonen 1930-1970 en Wonen op voormalig glastuinbouwgebied” en “Wonen na 1970, bedrijventerrein en Buitengebied” niet voldoet aan de minimumeisen van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. In overleg met de gemeente is stap 6 uitgevoerd.

Bijlage 3A: Onderbouwing bodemfunctieklassenkaart emn bodemkwaliteitskaart

pagina 8/14

3.6 Stap 6: Verzamelen aanvullende informatie Zoals in § 3.5 is aangegeven voldoen een aantal (niet-aaneengesloten) deelgebieden niet aan de minimumeisen van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Om de nog noodzakelijke meetgegevens te verzamelen is aanvullend bodemonderzoek[42] uitgevoerd. Bij de samengevoegde deelgebieden “Wonen 1930-1970 en Wonen op voormalig glastuinbouwgebied” en “Wonen na 1970, bedrijventerrein en Buitengebied” is ervan uitgegaan dat niet-aaneengesloten deelgebieden die bijvoorbeeld alleen door een smalle strook lintbebouwing worden gescheiden, als één deelgebied kunnen worden beschouwd. Uitgangspunt hierbij is dat de kwaliteit van de bodem in deze niet-aaneengesloten deelgebieden door een smalle strook lintbebouwing niet zal verschillen. In overleg met de gemeente worden de deelgebieden ‘Glastuinbouw tot 1970’ in zowel de boven- als de ondergrond niet gezoneerd. Dit deelgebied komt versnipperd voor in de gemeente. Veel niet-aaneengesloten deelgebieden ‘Glastuinbouw tot 1970’ voldoen niet aan de minimumeis van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. De kosten om de noodzakelijke meetgegevens te verzamelen wegen niet op tegen het te verwachten grondverzet de komende 5 jaar in deze gebieden. De resultaten van het onderzoek zijn toegevoegd aan de dataset van de bodemkwaliteitskaart. Ook zijn er voorbewerkingen uitgevoerd (zie § 3.3.3 en § 3.3.4).

Er zijn geen uitbijters geïdentificeerd.

3.7 Stap 5: Controle indeling van het bodembeheergebied (2/2) 3.7.1 Aantal en spreiding meetgegevens Na het uitvoeren van het aanvullend bodemonderzoek voldoen alle (niet aaneengesloten) deelgebieden, uitgezonderd het deelgebied ‘Glastuinbouw tot 1970’ in zowel de boven- als de ondergrond, aan de minimumeisen van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten (aantal en spreiding, zie § 3.5). hierbij zijn geen uitbijters geïdentificeerd.

3.7.2 Splitsen van deelgebieden Op stofniveau is bekeken of er een ruimtelijke clustering aanwezig is van hoge of lage gehalten. Op basis van ervaringen van WSP bij andere bodemkwaliteitskaarten is de ruimtelijke clustering onderzocht wanneer zware metalen, minerale olie en PFAS-verbindingen een variatiecoëfficiënt hoger dan 1,5 hebben en voor de stofgroepen polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en polychloorbifenylen (PCB) een variatiecoëfficiënt hoger dan 2. Een hoge variatiecoëfficiënt is een indicatie van een mogelijke ruimtelijke clustering met hogere of lagere gehalten. De overzichten van de variatiecoëfficiënten staan in de bijlagen 4 van de nota bodembeheer (kolom ‘VC’). Hieruit blijkt, dat bij een aantal deelgebieden voor PAK sprake is van een hoge variatiecoëfficiënt. Hetzelfde geldt voor (in bodemlaag 0-1,0 m-mv van de gebieden verdacht voor diffuus verhoogde gehalten aan bestrijdingsmiddelen) en PFOA lineair in de bodemlaag 1-1,5 m-mv. De locaties waar de relatief hoge waarden zijn vastgesteld vertonen binnen de deelgebieden zelf geen ruimtelijke clustering. De relatief hoge variatiecoëfficiënten geven daarmee geen aanleiding tot het splitsen van deelgebieden.

Bijlage 3A: Onderbouwing bodemfunctieklassenkaart emn bodemkwaliteitskaart

pagina 9/14

3.8 Vaststellen definitieve deelgebieden en bodemkwaliteitszones De (samengevoegde) deelgebieden die voldoen aan de minimumeisen van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten worden definitief vastgesteld. De definitieve deelgebieden worden de bodemkwaliteitszones van de gemeente. Vanwege de mogelijke verschillen in gehalten van PFAS-verbindingen is er een scheiding gemaakt tussen de bovenlaag (0-1 m-mv) en de tussenlaag (1,0-1,5 m-mv). Voor de tussenlaag en de ondergrond is de kwaliteit voor de stoffen barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie, PCB en PAK gelijk gesteld. Voor de bovenlaag (traject vanaf het maaiveld tot en met 1,0 meter diepte, aangegeven met de code ‘B’) en de onderlaag (traject vanaf 1,0 meter diepte tot en met 2,0 meter diepte, aangegeven met de code ‘O’) zijn de volgende bodemkwaliteitszones onderscheiden (zie ook kaartbijlage 3): — B1/O1. (Lint)bebouwing voor 1930. — B2/O2. Wonen 1930-1970 35 en Wonen op voormalig glastuinbouwgebied 36. — B3/O3. Wonen na 1970 37, Bedrijventerreinen en Buitengebied.

3.9 Stap 7: Vaststellen en karakteriseren bodemkwaliteitszones De gemeente Lansingerland heeft besloten om bij het vaststellen en karakteriseren van de bodemkwaliteitszones niet aan te sluiten bij de standaard werkwijze uit het Besluit bodemkwaliteit [2] en de Regeling bodemkwaliteit[3], maar uit te gaan van het bodembeleid van de gemeente Rotterdam [14] (zie bijlage 1 van de nota bodembeheer onder het kopje 'Bodemkwaliteitsklasse'). Voor het karakteriseren van de bodemkwaliteitszones is de 80-percentielwaarde getoetst aan de Lokale Maximale Waarden van de gemeente Rotterdam (zie de bijlagen 4 van de nota bodembeheer, kolom 'P80'). De bodemkwaliteitszones kunnen vallen in de vier bodemkwaliteitsklassen: ‘Natuur’, ‘Landbouw’, ‘Wonen’ of ‘Industrie’. Voor het toetsen van de bodemkwaliteitsklasse is gebruik gemaakt van de ‘Rotterdamse Toetsingstabel’ (STI en BKK) én aan de toepassingswaarden die zijn benoemd in het ‘tijdelijke handelingskader hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecie’[20]. In tabel B3.2 is aangegeven in welke bodemkwaliteitsklasse iedere bodemkwaliteitszone valt. De bodemkwaliteitsklasse wordt samen met de bodemfunctieklasse gebruikt voor het bepalen van de toepassingseis (zie § 3.10.4 van deze bijlage).

Door de indeling in vier kwaliteitsklassen en deze te baseren op de 80-percentielwaarde, wordt naar Rotterdams beleid ongewenst grondverzet met de bodemkwaliteitskaart (in combinatie met een uitgevoerd historisch onderzoek) als bewijsmiddel beperkt. Met deze werkwijze vindt de gemeente het niet nodig om, conform de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten, een controle op het saneringscriterium uit te voeren voor die bodemkwaliteitszones waar de 95-percentielwaarde de Interventiewaarde overschrijdt. Voor PFAS-verbindingen zijn er geen interventiewaarden beschikbaar maar zijn de Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV’s) voor PFOS, PFOA en GenX 38 [43] aangehouden. Op basis van bekende PFAS-gegevens in de gemeente nemen de gehalten aan PFAS-verbindingen af in de diepere bodemlagen. Gezien dit gegeven is het de verwachting dat de bodemlaag dieper dan 1,5 meter van een vergelijkbare of betere kwaliteit is als de bodemlaag 1,0-1,5 m-mv.

35 36 37 38

Compacte woonkernen die traditioneel bouwrijp zijn gemaakt zonder integrale voorbelasting. In de periode 1930-1970 is gebruik gemaakt van kolenkachels waardoor de bodem mogelijk vervuild is geraakt. Als gevolg van voormalige glastuinbouw is de bodem mogelijk vervuild geraakt met bestrijdingsmiddelen. Compacte woonkernen die traditioneel bouwrijp zijn gemaakt zonder integrale voorbelasting. In de periode na 1970 is nagenoeg geen gebruik meer gemaakt van kolenkachels. De bodem is hierdoor waarschijnlijk minder vervuild. INEV’s: PFOS: 110 µg/kg ds; PFOA: 1.100 µg/kg ds; GenX: 97 µg/kg ds.

Bijlage 3A: Onderbouwing bodemfunctieklassenkaart emn bodemkwaliteitskaart

pagina 10/14

Heterogeniteit Naast de percentielwaarden en de variatiecoëfficiënt is ook de heterogeniteit van de analysegegevens berekend, volgens de methodiek zoals beschreven onder het kopje “Heterogeniteit” in bijlage 1 van de nota bodembeheer. In de gemeente Lansingerland is in 5 van de 7 bodemkwaliteitszones sprake van sterke heterogeniteit voor één of meerdere stoffen (zie tabel B3.2). Het vaststellen van een sterke heterogeniteit wordt niet als een belemmering gezien om de bodemkwaliteitskaart (in combinatie met een historisch onderzoek) als bewijsmiddel te gebruiken voor de kwaliteit van de nuttig toe te passen grond. De betreffende stoffen in de bodemkwaliteitszones bevatten ruim voldoende analysegegevens om de bodemkwaliteit goed te beschrijven. Tabel B3.2 Bodemkwaliteitszones, verwachte bodemkwaliteits-/ontgravingsklasse, kwaliteitsbepalende stof en sterke heterogeniteit BODEMKWALITEITSZONE

VERWACHTE BODEMKWALITEITS-/ ONTGRAVINGSKLASSE

KWALITEITSBEPALENDE STOF

STERKE HETEROGENITEIT [AANTAL MEETGEGEVENS]

Bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 1,0 meter diepte # B1. (Lint)bebouwing voor 1930

Wonen

Koper, lood, zink, PAK

Lood [280], nikkel [224], zink [241], PAK [240], PFOS lineair [47]

B2. Wonen 1930-1970 1) en Wonen op voormalig glastuinbouwgebied $

Wonen

Zink

Nikkel [401], zink [411] , PFOS lineair [47]

B3. Wonen na 1970 2), Bedrijventerreinen en Buitengebied

Landbouw

Kwik, lood, zink

Nikkel [1.186] , PFOS lineair [47]

Bodemlaag vanaf 1,0 meter diepte tot en met 2,0 meter diepte ## O1. (Lint)bebouwing voor 1930 Wonen

Koper, zink

Koper [65], nikkel [55]

O2. Wonen 1930-1970 en Wonen op voormalig glastuinbouwgebied

Koper

Nikkel [115]

1)

Wonen

O3. Wonen na 1970 2), Bedrijventerreinen en Natuur Buitengebied 1) Compacte woonkernen die traditioneel bouwrijp zijn gemaakt zonder integrale voorbelasting. In de periode 1930-1970 is gebruik gemaakt van kolenkachels waardoor de bodem mogelijk vervuild is geraakt. 2) Compacte woonkernen die traditioneel bouwrijp zijn gemaakt zonder integrale voorbelasting. In de periode na 1970 is nagenoeg geen gebruik meer gemaakt van kolenkachels. De bodem is hierdoor waarschijnlijk minder vervuild. # De 80-percentielwaarden van de PFAS-verbindingen zijn lager dan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden vastgesteld, maar voor een aantal PFAS-verbindingen boven de bepalingsgrens. Dit leidt mogelijk tot beperkingen bij het toepassen van grond in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden. ## De 80-percentielwaarden van de PFAS-verbindingen zijn lager dan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden vastgesteld, maar voor een aantal PFAS-verbindingen boven de bepalingsgrens. Dit leidt mogelijk tot beperkingen bij het toepassen van grond in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden. De ondergrond (1,5-2,0 m-mv) heeft naar verwachting een vergelijkbare of betere kwaliteit als de bodemlaag 1,0-1,5 m-mv. $ De kwaliteit van deze bodemkwaliteitszone is óók gebaseerd voor bestrijdingsmiddelen (zie bijlage 4C).

Bijlage 3A: Onderbouwing bodemfunctieklassenkaart emn bodemkwaliteitskaart

pagina 11/14

3.10 Stap 8: Bodemkwaliteit 3.10.1 Inleiding De bodemkwaliteitskaart bestaat uit drie hoofdkaarten: 1. Een kaart met uitgesloten locaties en gebieden. 2. De ontgravingskaart. 3. De toepassingskaart. In de volgende paragrafen wordt nader ingegaan op de hoofdkaarten.

3.10.2 Kaart met uitgesloten locaties en gebieden In de gemeente Lansingerland is een aantal locaties en gebieden uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Een overzicht van de uitgesloten locaties en gebieden is aangegeven in hoofdstuk 4 van deze bijlage. De uitgesloten deelgebied ‘Glastuinbouw tot 1970’ in zowel de boven- als de ondergrond én de uitgesloten waterbodems zijn afgebeeld op de kaartbijlagen. De ligging van de overige uitgesloten locaties en gebieden is (soms) vanwege het dynamische karakter niet op de kaarten weergegeven. Voor een actueel overzicht van deze locaties moet contact worden opgenomen met de DCRM. De beschikbare (bodem)informatie is ook via het internet inzichtelijk gemaakt op de volgende websites: http://dcmr.gisinternet.nl/ en https://www.dcmr.nl/vooronderzoek. Voor locaties die uitgesloten zijn van de bodemkwaliteitskaart en waarvan provincie Zuid-Holland gegevensbeheerder is (te saneren of gesaneerde locaties in het kader van de Wet bodembescherming en stortplaatsen), moet contact worden opgenomen met provincie Zuid-Holland. Deze bodemkwaliteitskaart kan niet worden gebruikt als bewijsmiddel voor de grond die wordt ontgraven ter plaatse van de uitgesloten locaties en gebieden. Ook kan deze bodemkwaliteitskaart niet worden gebruikt om de toepassingseis te bepalen als grond op deze locaties/gebieden wordt toegepast.

In deze nota bodembeheer (zie § 4.14.1 van de hoofdtekst) is hier nader op ingegaan.

3.10.3 Ontgravingskaart De ontgravingskaart geeft de te verwachten kwaliteit aan van de eventueel te ontgraven grond op een voor de bodemkwaliteitskaart niet uitgesloten locatie/gebied. Deze kaart mag onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast. Voorafgaand aan het grondverzet moet altijd informatie worden achterhaald waaruit blijkt of de locatie onderdeel uitmaakt van de bodemkwaliteitskaart (zie § 6.1 van de hoofdtekst van deze nota bodembeheer). De kaart doet alleen een uitspraak over welke kwaliteit in het algemeen verwacht mag worden. De kwaliteit van een individuele partij kan daarvan afwijken. De ontgravingsklasse is bepaald met dezelfde toetsingsmethodiek als de bodemkwaliteitsklasse (zie bijlage 1 van de nota bodembeheer onder het kopje 'Bodemkwaliteitsklasse'). In tabel B4.1 is de verwachte ontgravingsklasse per bodemkwaliteitszone aangegeven. De verwachte ontgravingskaart per bodemlaag is opgenomen in de kaartbijlagen 4. De kleuren in tabel B4.1 komen overeen met de gebruikte kleuren op de kaartbijlagen.

3.10.4 Toepassingskaart De toepassingskaart is opgesteld aan de hand van de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse en de (toekomstige) functie van de bodem (zie bijlage 1 van de nota bodembeheer onder het kopje 'Toepassingskaart'). Voorafgaand aan het grondverzet moet altijd informatie worden achterhaald waaruit blijkt of de locatie onderdeel uitmaakt van de bodemkwaliteitskaart (zie § 6.1 van de hoofdtekst van deze nota bodembeheer). Omdat in één bodemkwaliteitszone meerdere bodemfuncties kunnen voorkomen, kunnen ook meerdere toepassingseisen voorkomen. In tabel B4.1 is het resultaat van deze werkwijze voor de toepassingskaart van de gemeente Lansingerland samengevat. Per bodemkwaliteitszone kunnen meerdere bodemfuncties voorkomen, dit is verwerkt in tabel B4.1.

Bijlage 3A: Onderbouwing bodemfunctieklassenkaart emn bodemkwaliteitskaart

pagina 12/14

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=b45f3f40-8c79-45ee-aab7-fce5986fedd8