Beantwoording technische vragen van de ChristenUnie betreffende 'Beëindigen duurzaamheidslening'
Tekst van het document
Formulier beantwoording technische vragen gemeenteraad en commissies
Soort vraag:
Cie AB
Steller van de vraag en partij: Bram Oostdijk, ChristenUnie Datum:
23 juni 2025
Onderwerp:
Beëindigen duurzaamheidslening
Vraag: 1. In het raadsvoorstel staat op pagina 1/5 onder punt 1 “Aanleiding” dat de gemeente “waarschijnlijk” tot het maximale bedrag van 5 miljoen zal moeten bijstorten. Waarom staat hier “waarschijnlijk”? Waar is dit van afhankelijk? Er staat ook dat er elk jaar € 500.000 wordt afgelost. Dient er ondanks het opnieuw inzetten van deze € 500.000 toch extra (extern) geld aangetrokken te worden? Antwoord: Wanneer de raad op 17 juli 2025 besluit om de duurzaamheidslening per 1 januari 2026 te beëindigen, en we hierover actief gaan communiceren, verwachten we tot 1 januari 2026 meer aanvragen. De rente van de duurzaamheidslening is immers erg gunstig voor inwoners met een verzamelinkomen boven de €60.000,-.
2. In het raadsvoorstel staat dat er bij continuering van de duurzaamheidslening vreemd vermogen aangetrokken moet worden. Dit gaat jaarlijks ongeveer € 65.000 kosten. Hoe is dit bedrag berekend? Antwoord: Dit is berekend door het verschil tussen de rente die wij rekenen voor de duurzaamheidslening (1,7%) en de rente die wij op dit moment betalen (3%) van het totale bedrag van €5.000.000,-. De werkelijkheid is anders omdat de rente die wij betalen kan stijgen en dalen. Dit kunnen wij echter niet voorspellen.
3. Is het echt noodzakelijk om vreemd vermogen aan te trekken? Of is er toch nog een mogelijkheid om eigen vermogen in te zetten? Antwoord: Ja, het is noodzakelijk om vreemd vermogen aan te trekken, waar rentelasten aan verbonden zijn. Het is niet mogelijk om het eigen vermogen te gebruiken om aan te wenden voor betaling. Het eigen vermogen bestaat vooral uit bezittingen zoals gebouwen, wegen en grond. Omdat deze bezittingen niet in geld zijn om te zetten, kunnen ze niet worden ingezet voor betalingen.
Ons kenmerk
T25.04206
1/2
4. In het raadsvoorstel staat (onder punt 4 “Kanttekeningen”) dat het Rijk werkt aan regelgeving waardoor verhuurders gedwongen kunnen worden om woningen met een bepaald label te verduurzamen. Hoe ver staat het met deze regelgeving? Wanneer treedt deze wetgeving naar verwachting in werking? Antwoord: Op 7 maart j.l. heeft minister Keijzer een kamerbrief1 gestuurd waarin zij aankondigt de regels voor particuliere verhuurders m.b.t. isolatie van woningen met label E,F en G aan te scherpen zodat deze vanaf 2029 minimaal label D worden. Dit wordt vanaf 2026 opgenomen in het Bouwbesluit. Particuliere verhuurders hebben dan nog de tijd om de woningen te verduurzamen. Vanaf 2029 kan de gemeente gaan handhaven met het reguliere instrumentarium (last onder dwangsom). Daarnaast wordt er gewerkt aan een verplichting voor huurders om mee te werken aan verduurzaming en worden normen opgesteld voor een ‘redelijke huurverhoging bij verduurzaming’. Dit moet nog uitgewerkt worden. Ondertussen worden particuliere verhuurders ook ondersteund met een (verruimde) subsidieregeling en een ‘ondersteuningspakket verduurzaming particuliere verhuur’. Het is niet bekend of door de val van het kabinet deze regels vanaf 2026 daadwerkelijk in zullen gaan. Dit zal mede afhankelijk zijn van de verdere uitwerking van de hiervoor genoemde regels voor huurders en normen voor huurverhoging.
Deze uitwerking is nodig om de verduurzaming voor particuliere verhuurders mogelijk te maken. Woningen van corporaties worden overigens verduurzaamd m.b.v. de nationale prestatieafspraken. De hiervoor genoemde regels zijn gericht op particuliere verhuurders.
1 https://open.overheid.nl/documenten/318ec7f0-34c2-41e8-8678-cc61e58c490c/file
2/2