Beantwoording technische vragen Jan Willem van den Beukel over LOO.docx
Tekst van het document
Technische vragen
Betreft vergadering:
Algemeen Bestuur van 14 juni 2022
Nummer en naam agendapunt:
3a
Vraag van:
Jan Willem van den Beukel
Onderwerp: LOO
Vraag: 1.
Wat is het antwoord van het college op de vorige week door het gemeentebestuur van Zoetermeer aan het bestuur van Lansingerland gestelde vragen, zoals medegedeeld aan de Zoetermeerse gemeenteraad en in afschrift verzonden aan het college van Lansingerland. Antwoord: Het college van Lansingerland heeft hier nog geen antwoord op geformuleerd. Een afschrift van de brief van Zoetermeer treft u als bijlage bij deze beantwoording aan.
B&W-ADVIES 2. Is het correct dat het concept B&W advies geen besluit bevat voor de vestiging van een even groot aantal niet-vluchtelingen? Zo ja, waaruit blijkt dat? Zo nee, op welke manier voldoet het college dan aan zijn eigen 50-50 randvoorwaarde? Antwoord: Het klopt dat in het huidige voorstel nog geen besluit is opgenomen over de inzet van flexwoningen voor niet-Oekraïners. We richten ons nu in eerste instantie op de doelgroep Oekraïners, waarbij het wel de bedoeling is dat op termijn er een mix plaatsvindt. De (exacte) 50/50 verdeling is losgelaten. Wel is bekend dat enige ‘mix’ van bewonersgroepen positieve effecten heeft op de participatie van ‘vluchtelingen’. Hierbij wordt in eerste instantie de lokale behoefte voor flexwonen meegenomen. Het gaat hierbij om flexwoningen voor minimaal 100-150 personen (zie ook de eerdere notitie van het college over dit onderwerp; U21.06561). Indien er een fase 2 voorzien is, wat is dan de planning van die fase? (In de business case is op blz. 8 te lezen: “(Op termijn) mogelijk een mix van Oekraïners en inwoners uit de regio.”). Antwoord: Daar is nog geen concrete planning voor. Het is een iteratief proces. Eerst organiseren we de (start) van de opvang van Oekraïners. Als dat op gang is zetten we flexwoningen ook in voor niet-Oekraïners. Waarbij we in eerste instantie rekening houden met de lokale behoefte van woningzoekenden. 3.
Is het voorgenomen besluit een besluit van het college of van de burgemeester op basis van zijn eigen wettelijke bevoegdheden? Antwoord: Er is geen voorgenomen besluit. Er is een concept collegevoorstel dat tegelijkertijd aan Raad en college is voorgelegd door de burgemeester in zijn rol als portefeuillehouder van zijn wettelijke taak ‘opvang van ontheemde Oekraïners’.
4.
Wat is de stand van zaken van het overleg met provincie resp. Rijksoverheid over het zicht op permanente woningbouw op Bleizo-West, gelet op de door de burgemeester gevoelde noodzaak om per medio juni hierover duidelijkheid te hebben? Antwoord: De gedeputeerde heeft aangegeven vast te houden aan de Provinciale beleidslijn, zie ook het antwoord op de eerdere door het CDA gestelde vragen t.b.v. de commissie op 18 mei j.l.
5.
Welke zekerheid kan het college aan de Raad geven college een eenmaal gerealiseerde opvang niet zal worden gevorderd (met of zonder dwang) tot gebruik voor de opvang van reguliere
asielzoekers of statushouders etc.? Antwoord: Die zekerheid kan het college niet geven. 6.
Het concept voorstel stelt: “zonder ‘harde’ garanties (convenant) vanuit het Rijk is het college niet bereid tot realisatie van grootschalige opvang”. Hoe kan het college zich aan deze voorwaarde houden, nu die garantie er d.d. 3 juni kennelijk nog niet is? Antwoord: Op 3 juni was deze garantie er niet. Het is wel een voorwaarde die mede geformuleerd is op basis van uw wensen en bedenkingen. Dus het besluit tot realisatie kan alsnog, mits (later) alsnog aan de voorwaarden wordt voldaan. Gebeurt dit niet, dan komt het college bij de Raad terug en kan de consequentie zijn dat er geen grootschalige opvang wordt gerealiseerd. Indien die garantie al wel ontvangen is, ontvangen wij daarvan graag een afschrift voordat het college tot besluitvorming overgaat, om vast te stellen dat aan deze eis wordt voldaan.
7.
Welk wetsartikel uit de Wvb of welke andere grondslag is er voor de burgemeester voor de opvang van vluchtelingen in specifiek zogeheten ‘niet-bebouwd’ gebied? Antwoord: Voor het realiseren van de tijdelijke opvang kan waarschijnlijk een beroep worden gedaan op de zogeheten ‘Kruimelregeling’. Door middel van een tijdelijke vergunning voor 10 jaar kan tijdelijke bebouwing mogelijk worden gemaakt. Voorwaarde hiervoor is dat er geen Mer-plicht is voor de tijdelijke bebouwing. Gezien de omvang van het aantal flexwoningen (kleiner dan 2.000 flexwoningen) lijkt o.b.v. bijlage D van het besluit Mer geen Mer van toepassing te zijn voor deze (tijdelijke) activiteit (tijdelijke bebouwing maximaal 10 jaar voor Oekraïners en voor lokale woningzoekenden). De business case ligt zoals aangegeven in de technische toelichting op 8 juni ook ter beoordeling/samenwerking voor bij het Rijk. Het Rijk betrekt ook de juridische aspecten in haar beoordeling en geeft dan (verdere) handreikingen. Mocht geen gebruik gemaakt kunnen worden van de ‘Kruimelregeling’ dan is een reguliere procedure voor het wijzigen an het bestemmingsplan nodig en daarmee wordt het (tot nu toe bekende) standpunt van de Provincie Zuid-Holland van belang.
8.
Houdt het college vast aan de 50-50 eis, in de decentrale optie, hoewel de nabijheid van sterke schouders op die plekken al ingevuld is, dankzij de nabijheid van bestaande kernen waarin deze mensen al woonachtig zijn? Antwoord: Nee. De 50-50 is daarvoor, maar ook voor de centrale variant, geen randvoorwaarde (meer). Zie ook de brief van het college aan de Raad n.a.v. de opiniërende bespreking in het college.
MEMO SCENARIO VERSPREID 9.
Vindt de mogelijke besluitvorming in de decentrale variant ook gefaseerd plaats, dus eerst voor Oekraïners en daarna voor Nederlanders, zoals in de centrale variant? Zo nee, waarom niet? Dit biedt immers meer tijd voor zorgvuldige besluitvorming mogelijk is, en afstemming met omwonenden. Antwoord: Hier is nog geen standpunt van het college over.
10. Waarop is de stelling gebaseerd dat “voorzieningen het beste te realiseren zijn op één of hooguit twee locaties”? Voor welke voorzieningen geldt dit? Voor welke voorzieningen geldt dit niet? Wat verzet zich per bedoelde voorziening tegen een opzet waarin juist gebruik wordt gemaakt van bestaande capaciteit, waarmee deze beter wordt benut, de integratie wordt bevorderd, en er minder separate capaciteit hoeft te worden gerealiseerd, zowel in termen van personeel als van materieel? Antwoord: Dit geldt vooral voor onderwijs en zorg. Voor onderwijs geldt dat er geen ruimte is in de huidige onderwijsgebouwen en dat er waarschijnlijk onvoldoende personeel is bij de lokale scholen om naast regulier onderwijs ook onderwijs te verzorgen aan Oekraïense kinderen. Door centraal te organiseren ontstaat voldoende kritische massa om in een (aantal) tijdelijke gebouwen voor voorzieningen te investeren en daar ook het onderwijs te organiseren of vanaf een centrale plek vervoer te regelen naar bijvoorbeeld de scholen in Rotterdam waar de betreffende kinderen nu onderwijs genieten. Vanuit het kabinet is, mede om dergelijke tijdelijke onderwijsconcepten mogelijk te maken, ook een tijdelijke noodwet gemaakt en ter behandeling naar de TK gestuurd. Voor zorg geldt hetzelfde.
Lokale/decentrale praktijken voor huisartsen, tandartsen, fysio zijn al behoorlijk vol en de komende jaren groeit ook de ‘lokale’ bevolking al door bouw van nieuwe woningen (de bestaande zorg vangt ook deze inwoners op). Centrale organisatie op 1 locatie is naar de mening van het college dan ook efficiënter. Dit scheelt ook vervoersbewegingen van Oekraïners (en daarmee maatschappelijke kosten). 11. Welke nadere ideeën zijn inmiddels ontwikkeld over de “bouwcarrousel”? Antwoord: Aangezien er nog geen besluit is over een centrale of decentrale variant is dit nog niet nader uitgewerkt. College ziet wel in een scenario van decentrale opvang dat de eerste mogelijkheid bij Bleizo-West ten noorden van de A12 ligt (mits aan de eis van de gemeente Zoetermeer voldaan) en daarna zou opvang onder bepaalde condities en binnen een bepaalde tijdsperiode plaats kunnen vinden op Wilderszijde. Dat laatste is ook afhankelijk van de samenwerking en afspraken die daar dan met de ontwikkelaars van Wilderszijde over gemaakt moeten worden. 12. Wat zijn de minimaal vereiste aanwezige nutsvoorzieningen voor de bouw van flexwoningen, nu er in de praktijk ook voorbeelden zijn van flexwoningen die zonder grondberoering worden uitgevoerd, bv. met behulp van mobiele riolering, water- en stroomvoorzieningen? Antwoord: Flexwoningen moeten voldoen aan de eisen uit het bouwbesluit. 13.
Welke afstemming met omwonenden van de diverse locaties heeft er inmiddels plaatsgevonden, bv. Rond de Hoeksekade? Antwoord: Deze afstemmingen hebben nog niet plaats gevonden. Indien het college besluit, gehoord hebbende de wensen en bedenkingen van de Raad, decentrale opvang te organiseren zal per locatie een communicatie en participatie aanpak worden gemaakt en uitgevoerd. Vergelijkbaar met de aanpak die is gebruikt voor de COA-opvang (de Tobias) bij het gemeentehuis. 14. Welke gesprekken hebben er plaatsgevonden met BPD over de locatie Noordpolder (niet zijnde de Driehoek Noordpolder)? Antwoord: Hier hebben nog geen gesprekken plaatsgevonden met als onderwerp de mogelijke opvang van ontheemde ‘Oekraïners’. 15. Klopt het dat dit memo nu wel de zinsnede bevat: “Kleinere locaties hebben vanuit het verleden de voorkeur [volgens Vluchtelingenwerk]”, terwijl dit in de eerdere brief over LOO ontbrak? Wat is hiervan de reden? Antwoord: De afgelopen periode is Vluchtelingenwerk betrokken bij de verdere uitwerking van de business case. Deze input heeft een plek gekregen in de nu voorliggende documenten. 16. Hoe verhoudt zich de geluidsoverlast bij Parnassia tot de geluidsoverlast bij Bleizo? Is dit verschil te kwantificeren? Antwoord: Parnassia is als locatie niet vergelijkbaar met Bleizo.
Parnassia ligt veel dichter bij Rotterdam-Airport en mogelijk gelden daar (aanvullende) eisen voor geluid die voor BleizoWest niet gelden. De tijd is te beperkt geweest om deze vraag nu verder te beantwoorden. Indien gewenst komen wij daar later op terug. 17. Welke exacte locatie en omvang in hectares wordt bedoeld met ‘Wilderszijde (achter het gemeentehuis)’? Antwoord: De verkenning naar decentrale locaties betrof een eerste verkenning. Voordat deze locaties in aanmerking komen voor opvang van Oekraïners is verder overleg nodig met de ontwikkelaars en omwonenden (participatie). Gezien de omvang van de locatie is een deel van Wilderszijde mogelijk geschikt. Het eerste contact met de ontwikkelaar hierover is gelegd. Conclusie van dit eerste contact is dat de periode van beschikbaarheid van een deel van de locatie beperkt zal zijn tot circa 2 jaar, onder voorwaarden (zoals kwaliteit bebouwing, geen hinder bouw- en werkverkeer, de exacte locatie) nader overeen te komen met de ontwikkelaars. BUSINESS CASE CENTRAAL 18. Welke juridische onderbouwing wordt gebruikt waardoor het Didam-arrest de ruimte zou bieden voor het onderhands verhuren van de grond voor de vestiging van flexwoningen, zowel
voor Oekraïners als voor Nederlanders? Antwoord: De gronden benodigd voor de bouw van de woningen (variant centraal op BleizoWest) is eigendom van de GR Bleizo en Hoefweg (overheidsorganisaties). Gronduitgifte is niet aanbestedingsplichtig – wel zijn gemeenten (en gemeenschappelijke regelingen) gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het gelijkheidsbeginsel, bij gronduitgifte. Dit is recent bevestigd in het Didam-arrest. 1 op 1 gronduitgifte is nog steeds mogelijk, maar dient vooraf objectief te worden gemotiveerd. Onderdeel van de nog te nemen stappen tot realisatie is deze motivatie en een juridische toets daarop. 19. Welke totale gebruiksduur van de flexwoningen wordt voorzien (bv. 10 of 20 jaar)? Is dit juridisch toegestaan? Welke duur daarvan is bedoeld op welke locatie? Wie zal de eigenaar worden van de flexwoningen in de eerste gebruiksperiode? Wie zal eigenaar zijn in de tweede? Antwoord: De technische gebruiksduur van de flexwoningen is 20 jr. Een tijdelijke vergunning ontheffing bestemmingsplan (‘kruimelregeling’) kan maximaal voor 10 jr worden verleend. Het is nog niet duidelijk wie eigenaar wordt van de flexwoningen in de eerste en/of tweede gebruiksperiode. Vooralsnog is de opzet dat een corporatie of aantal corporaties samen eigenaar worden van de flexwoningen (of deze ‘leasen’ bij de leverancier en daarna mogelijk kopen).
De duur per locatie is nog niet bepaald. 20. In de beantwoording van de eerdere technische vragen werd gesteld dat de opsomming van spoedzoekers inclusief beoogde aantallen per doelgroep een plek krijgt in de business case. Wat is de huidige stand van denken op dit vlak? Antwoord: Het gaat hierbij nu (huidige stand van denken) om flexwoningen voor minimaal 100-150 personen (zie ook de eerdere notitie van het college over dit onderwerp; U21.06561). Er is behoefte aan minimaal 100-150 flexwoningen voor lokale behoefte. In de betreffende notitie is de samenstelling als volgt; 100 plekken voor lokale woningzoekenden (mensen die scheiden, starters, etc.) en 50 plekken voor statushouders (als vervanging voor Hergerborch). In de betreffende notitie is ook een omschrijving opgenomen van de doelgroep voor flexwonen. 21. Zullen spoedzoekers, starters etc. die er wonen naast de vluchtelingen straks ook gebruik maken van de kwantitatief bemeten voorzieningen, zoals de Oekraïense huisarts en dito basisschool? Zo nee, welke voorzieningen worden voor hen voorzien? Antwoord: Dit is nog niet uitgewerkt. Voor de spoedzoekers zal een beroep worden gedaan op de reguliere zorg en regulier onderwijs. De gemeente zal dan eventueel vervoer moeten regelen. 22.
De quickscan (H 6.1 BuCA) bevat uitspraken over diverse milieugebieden, bijvoorbeeld: “Naast industrielawaai is de snelweg geluidstechnisch problematisch.” Er ontbreekt echter een categorie Luchtkwaliteit. Wat is hierover inmiddels bekend? Antwoord: Deze is nog niet uitgevoerd. In het kader van deze ontwikkeling is dit onderzoek nog wel nodig. 23. Wanneer wordt Externe Veiligheid onderzocht? Er kunnen immers buisleidingen en vervoer van gevaarlijke stoffen hindercirkels veroorzaken. Antwoord: Er wordt een QRA opgesteld voor de omgevingsvergunning. 24. Er wordt geconstateerd dat de ‘snelweg geluidstechnisch problematisch’ is (pag 23)? Wordt dat opgelost voordat de eerste flexwoning er staat en hoe? Antwoord: In het kader van deze ontwikkeling is een akoestisch onderzoek nodig. De woningen moeten voldoen aan het bouwbesluit en indien geplaatst met gebruikmaking van de ‘kruimelregeling’ moet de gemeente de aanvraag toetsen aan de algemene beginselen van een goede ‘ruimtelijke ordening’ (w.o. geluid). Indien geen gebruik gemaakt kan worden van de kruimelregeling is een procedure nodig voor het wijzigen van het bestemmingsplan. Dan zal uitgebreide motivatie van o.a. voldoen aan geluidseisen door de aanvrager nodig zijn. 25. Volgens de geluidskaart is de geluidsbelasting matig tot slecht.
Voldoen de flexwoningen aan de geluidsnormen zoals deze in de wet geluidhinder staan beschreven? Hoe dik zijn de gevels? Oftewel, kunnen deze mensen rustig slapen? En kan in de zomer er een raampje open? Antwoord: Uitgaande van tijdelijke bouw voor een periode van maximaal 10 jaar (toepassing kruimelgeval), dient het aspect geluid te worden beoordeeld in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Er is dan geen noodzaak tot een toetsing in het kader van de Wet
geluidhinder ten behoeve van een hogere waarde besluit. Omdat de grenswaarden van de Wet geluidhinder wel goed inzicht geven in de geluidssituatie zal wel gebruik worden gemaakt van deze grenswaarden en vindt toetsing in analogie met de Wet geluidhinder plaats. Uit het akoestisch onderzoek zal blijken aan welke minimale eisen moet worden voldaan voor een goed woon- en leefklimaat. 26. Waarom zijn belangrijke onderzoeken zoals geluid en luchtkwaliteit nog niet klaar? Wanneer wel? Antwoord: Dit wordt opgestart in het kader van de omgevingsvergunning. 27. Is het college voornemens om een mer uit te voeren voorafgaand aan de bouw van flexwoningen op Bleizo? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet? Welke risico’s brengt dit afzien met zich mee en hoe zijn die risico’s gemitigeerd? Antwoord: Er geldt waarschijnlijk geen MER-plicht. Concreet betekent dit dat het aantal flexwoningen onder de drempelwaarde van 2.000 of meer blijft, volgens categorie D 11.2 Stedelijk ontwikkelingsproject uit de Bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage (er dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld te worden). Aan deze eis wordt voldaan. 28.
“De onderzoeken worden volledig doorlopen.” Welke onderzoeken zijn dit, wie voert elk van die onderzoeken uit, wie is daarvoor op dit moment verantwoordelijk en wanneer worden de resultaten verwacht? Antwoord: Op dit moment is, formeel gezien, nog niemand verantwoordelijk voor deze onderzoeken. Er is immers nog geen belanghebbende die een vergunning aanvraagt c.q. een tijdelijke ontheffing bestemmingsplan aanvraagt. De resultaten zullen onderdeel moeten zijn van een eventueel in te dienen aanvraag voor tijdelijke ontheffing bestemmingsplan of procedure voor het wijzigen van het bestemmingsplan. 29. Voor het realiseren van de woningen voor Oekraïners kan mogelijk worden gestart met de bouw voordat een vergunning verleend is, blijkens de analyse. Geldt dit ook voor de bouw voor spoedzoekers? Zo nee, welke zekerheid kan nu gegeven dat het überhaupt binnen een jaar mogelijk is om een vergunning te verlenen voor deze doelgroep? Wanneer is deze zekerheid wel te bieden? Is het denkbaar dat fase 1 wel slaagt, maar fase 2 niet mogelijk blijkt? (blz. 24). Antwoord: Deze vraag kon nog niet beantwoord worden. Mocht voor dinsdag 14 juni hier wel antwoord op zijn, dan volgt dit nog in een nazending. 30.
Betekent aanschaf of lease van de woongebouwen door de woningcorporatie dat de gemeente hierin geen rol speelt, zelfs niet in de vorm van garantstelling? Zo nee, welke rol heeft de gemeente hierin en welke financiële impact heeft dit op de gemeentelijke begroting? Antwoord: Dit is nog niet uitgewerkt en wordt momenteel onderzocht. Leidend hierin is de randvoorwaarde dat de gemeente geen nadelige financiële effecten mag ondervinden van realisatie van de grootschalige opvang en ook geen risico in de vorm van afgegeven garanties. 31. Op blz. 26 e.v. ontbreekt inzicht in de materiaal- en personeelskosten van elders in de documentatie genoemde voorzieningen voor zorg, onderwijs, vervoer. Waar landen deze kosten en hoe hoog zijn deze? Antwoord: Deze kosten zijn tot op heden zeer moeilijk te ramen. En qua volgorde is eerst het accent gelegd op het in beeld brengen van de kosten/investeringen voor het fysiek realiseren van de opvang locatie. Nu deze nagenoeg in beeld zijn en duidelijk is wat er wordt gebouwd ramen we de overige kosten waarbij alleen een zeer grove raming mogelijk is o.b.v. een aantal kengetallen. Deze kosten landen bij de gemeente (huidige financiële regeling), waarbij het kabinet voor 2022 besloot geld opzij te zetten om eventuele hogere kosten voor gemeenten te dekken. Er is dus (nog) geen specifieke regeling voor dergelijke kosten c.q. zekerheid vooraf. 32.
Welke uitgaven dienen te worden gedekt met de EUR 1M reservering voor bouwrijp maken? Waar in de begroting landen de kosten voor landscaping en groene inrichting (gelet op de benodigde groene ruimte), nutsvoorzieningen ten noorden en ten zuiden van de A12, sportvelden etc.? Antwoord: De business case op dit punt in ontwikkeling. Inmiddels liggen er offertes van een aantal partijen voor het bouw- en woonrijp maken. In een volgende versie van de business
case worden die meegenomen. De kosten voor (groene) inrichting vallen onder het woonrijp maken. Nutsvoorzieningen onder het bouwrijpmaken. 33. Paragraaf 7.2: Er circuleren bedragen van een 100 miljoen negatieve grondexploitatie voor Bleizo als gevolg van voorgesteld besluit. Kunt u deze bevestigen en uitsplitsen over de diverse onderliggende posten? Eventueel kunt u werken met bandbreedtes. Zo nee, wilt u de anderszins op dit moment bekende financiële projecties van de effecten op de GR Bleizo met ons delen? Antwoord: Door de GR Bleizo/Hoefweg is een eerste inventarisatie gemaakt van mogelijke financiële effecten, maar ook fiscale aandachtspunten. De bandbreedte qua financiële effecten is relatief groot en afhankelijk van te maken keuzes in de uitwerking. Randvoorwaarde zoals ook genoemd in de brief van het college aan de Raad en in de technische toelichting op 8 juni genoemd is dat de opvang geen nadelige effecten mag hebben op de financiën van de gemeente, waaronder ook het ‘belang’ in GR Bleizo/Hoefweg. Voor het bestuur van de GR Bleizo/Hoefweg geldt dezelfde financiële randvoorwaarde.