CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

23.11.09 Technische vragen en beantwoording CDA

Commissie Samenleving 16 november 2023, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Raadsbrief LOO2 Afweging locatie opties Noordeindseweg en voorkeur college2.209 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Technische vragen

Betreft vergadering:

Samenleving van 16 november 2023

Nummer en agendapunt:

5a

Vraag van:

Jan Willem van den Beukel

Onderwerp:

LOO

Vraag: PROVINCIE 1. Welke ambtelijke overleggen hebben er met de provincie plaatsgevonden sinds de provincie op 2 mei 2023 in een regulier overleg heeft gesteld dat de bouw van flexwoningen in de hele Noordpolder strijdig is met de provinciale omgevingsverordening (zie beantwoording schriftelijke vragen CDA d.d. U23.02671)? Wie waren bij elk van deze overleggen aanwezig en wat is bij elk van deze overleggen besproken? Indien er verslagen van zijn gemaakt, dan ontvangen wij die graag. Antwoord: na het overleg op 2 mei 2023 is er tot nu toe een ambtelijk overleg geweest op 20 juni 2023 en op 14 september 2023 (daar zijn geen verslagen van). Tijdens het overleg op 14 september is de procedure besproken aan de hand van de provinciale verordening, is ingegaan op de stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing, de SWOT-analyse, de ladderonderbouwing en is een toelichting gegeven op de stand van zaken (voorbereidingen bewonersavond 2 oktober en commissievergadering op 16 november). Bij de gesprekken waren de projectleider, juridisch adviseur, jurist, strateeg en stedenbouwkundige aanwezig. 2.

Welke bestuurlijk overleggen hebben er sinds 2022 tussen gemeente en provincie plaatsgevonden waar de Noordpolder formeel of informeel ter sprake is geweest? Kunt u data, deelnemers, en het gewisselde met de Raad delen? Is er vaker dan de keer waaraan werd gerefereerd in U23.02671 bevestigend of ontkennend geantwoord op de vraag of flexwoningen of andere vormen van bebouwing in de Noordpolder toegestaan zijn? Antwoord: Zoals aan uw raad gemeld in brief U23.02671 is de locatie besproken tijdens een bestuurlijk overleg in 2022 met gedeputeerde Anne Koning. Hierbij was het dossier niet formeel geagendeerd en hier zijn geen concrete afspraken uit voortgekomen. De realisatie van LOO2 in de Noordpolder is ook nadien niet geagendeerd voor een bestuurlijk overleg tussen gemeente en provincie.

Ons kenmerk

T23.06691

1/6

3. In welke maand en in welke fase van het proces is formele communicatie (bv. vergunningaanvraag) voorzien bij de provincie? Zijn er andere instanties die toestemming moeten geven voor de realisatie van flexwoningen in de Noordpolder? Antwoord: dat is nog niet bekend. De vergunningaanvraag zal naar verwachting begin 2024 aan de orde zijn. Voor die tijd hopen we met de provincie duidelijk te hebben welke procedure gevolgd gaat worden (afwijking of ontheffing van de provinciale verordening). Er zijn formeel geen andere instanties die toestemming moeten geven. Wel betrekken we een aantal relevante overlegpartners zoals het waterschap bij het opstellen van de ruimtelijke onderbouwing. Ook worden deze instanties net als omwonenden en andere belanghebbenden in de gelegenheid gesteld zienswijzen in te dienen op de ontwerpvergunning. 4. Klopt het dat de criteria voor provinciale ontheffing zijn: onvoorzien en incidenteel, en dat het verzoek in overeenstemming moet zijn met door de gemeenteraad vastgesteld beleid. Op welke manier voldoet het voorliggend voorstel aan deze criteria, specifiek ook het criterium ‘onvoorzien’ in relatie tot de spoedzoekers? Antwoord: Nee, dit is onjuist.

Voor zover het gaat om ontheffing van de provinciale verordening als bedoeld in artikel 6.29 van de Omgevingsverordening, gelden de in dat artikel genoemde criteria, in samenhang met artikel 4.1a van de Wet ruimtelijke ordening. Deze artikelen vermelden we volledigheidshalve hieronder: Artikel 6.29 Omgevingsverordening Zuid-Holland 1.Gedeputeerde Staten zijn bevoegd ontheffing, als bedoeld in artikel 4.1a van de Wet ruimtelijke ordening, te verlenen van de bepalingen in Afdeling 6.2 van deze verordening. 2.Een verzoek om een ontheffing wordt ingediend met gebruikmaking van het daartoe door gedeputeerde staten vastgestelde e-formulier en gaat vergezeld van de daarin aangegeven bescheiden en bevat een motivering dat het verzoek is gedaan in overeenstemming met de raad. Artikel 4.1a Wet ruimtelijke ordening 1.Bij de verordening, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, kan worden bepaald dat gedeputeerde staten op aanvraag van burgemeester en wethouders ontheffing kunnen verlenen van krachtens dat lid vast te stellen regels, voor zover de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienen provinciale belangen. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden indien de betrokken provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

2.Voor zover de ontheffing wordt aangevraagd met het oog op een voorgenomen besluit tot verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2° of 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, wordt deze ontheffing aangemerkt als een verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Overigens merken we op dat een ontheffing mogelijk niet aan de orde is, omdat waarschijnlijk gebruik kan worden gemaakt van de afwijkingsbevoegdheid in de 2/6

verordening (bijvoorbeeld artikel 6.15 lid 4; zie hieronder). In overleg met de provincie wordt nog bepaald welke procedure wordt gevolgd. In het bestemmingsplan kan de begrenzing van het glastuinbouwgebied, bedoeld in het eerste lid, in beperkte mate worden aangepast aansluitend aan de randen van het glastuinbouwgebied, alsmede langs de linten waar reeds afwijkende functies aanwezig zijn, rekening houdend met de lokale omstandigheden en bestaande bedrijven en functies, anders dan glastuinbouwbedrijven en openlucht tuinbouwbedrijven, mits aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het glastuinbouwgebied. BESTUURLIJK EN FINANCIEEL 5.

De brief van 16 november vermeldt dat gebruik wordt gemaakt van een binnenplanse afwijking. Klopt het dat dan getoetst moet worden aan 1) de afwijkingsregels in het moederplan, 2) goede ruimtelijke ordening en 3) de Awb (zorgvuldige belangenafweging)? Zo nee, aan welke criteria moet dan worden getoetst? Op welke manier voldoet het voorliggend voorstel aan deze criteria? Antwoord: Een binnenplanse afwijking of kruimelprocedure is niet mogelijk. LOO2 moet als stedelijk ontwikkelingsproject worden aangemerkt, waardoor er, net als bij Sporthoeklaan, een buitenplanse procedure zal worden doorlopen. Daarbij geldt dat de aanvraag niet in strijd mag zijn met een goede ruimtelijke ordening en voorzien moet zijn van een goede ruimtelijke onderbouwing. Dit moet inderdaad conform de Awb goed worden gemotiveerd, waarbij de belangen zorgvuldig zijn afgewogen. Het college motiveert dit in de te verlenen omgevingsvergunning. Dit kan pas zodra er een ontvankelijke en volledige aanvraag is ingediend, waar een goede ruimtelijke onderbouwing deel van uit moet maken. Onder de Omgevingswet wordt dit een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) en dan is niet meer sprake van goede ruimtelijke ordening maar van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6. Welke schatting is er gemaakt van de kosten als een andere locatie wordt gekozen dan de Noordpolder, waarop de stelling is gebaseerd (verwoord door het college) dat die locaties duurder zouden zijn? Kunt u deze (globale) berekeningen delen? Antwoord: Er is in de locatiestudie op hoofdlijnen gekeken naar de (on)mogelijkheden van de locaties en de eventuele kosten en risico’s (hoog, laag). Te denken valt aan (afkoop van) lopende contracten met ontwikkelaars, beschikbaar krijgen van de grond (koop/huur), milieuaspecten (geluid, geur, (bodem)vervuiling) etc. Er zijn geen concrete ramingen gemaakt. Omdat in de locatiestudie fase ook globale berekeningen lastig te maken waren, is er op basis van ervaring een inschatting/afweging gemaakt van de locaties ten opzichte van elkaar. Daarbij aangegeven dat de financiën niet als belangrijkste selectiecriterium is gehanteerd om tot een locatiekeuze te komen. Ramingen worden gemaakt als er een concreter beeld is van de locatie, ontwerpen zijn gemaakt en de nodige onderzoeken zijn uitgevoerd. Dit is inmiddels het geval bij de locatievarianten in de Noordpolder, maar dus niet bij de afgevallen locaties.

3/6

LOKALE PARTICIPATIE 7. Welke overleggen hebben er plaatsgevonden met individuele tuinders, met de georganiseerde land- en tuinbouwsector over de bouw van flexwoningen in tuinbouwgebied de Noordpolder? Hoe luidde hun inbreng? Antwoord: De tuinders rond de Noordpolder zijn voor de informatiebijeenkomsten uitgenodigd. Er zijn geen overleggen met individuele tuinders geweest en er is niet met de georganiseerde land- en tuinbouwsector gesproken. 8. Hoeveel overleggen hebben er sinds januari 2023 plaatsgevonden over de Noordpolder met BPD? Wie waren er bij deze overleggen van de zijde van de gemeente aanwezig? Wilt u de verslagen van deze overleggen met de Raad delen? Antwoord: Er zijn zes overleggen geweest met BPD. Vanuit de gemeente waren hierbij in wisselende samenstellingen de projectleider, projectleider civiel, controller, planeconoom, jurist en projectondersteuner bij aanwezig. Op 14 maart 2023 is een directieoverleg geweest met vanuit de gemeente een directeur en projectleider. Het verslag hiervan is bijgevoegd. 9. Klopt het dat een vertegenwoordiger van het college gedurende het participatieproces individueel aan inwoners heeft verzekerd dat er geen ontsluiting zal plaatsvinden via de verlengde Oostersingel? Antwoord: Het is niet mogelijk om na te gaan welke uitspraken er zijn gedaan.

Er is gedurende het hele proces aangegeven dat álle opties bekeken worden: ontsluiting via het noorden, westen, zuiden en oosten. ALTERNATIEVEN 10. Heeft sinds de laatste commissiebespreking nog een verkenning plaatsgevonden naar de realisatie van LOO2 op andere locaties dan in de Noordpolder? Zo ja, welke stappen zijn er gezet en welke informatie heeft dit opgeleverd? Antwoord: Na de laatste commissiebespreking op 11 mei 2023 heeft het college op 30 juni 2023 de locatie Noordeindseweg / Noordpolder aangewezen. Er zijn daarna geen andere locaties meer verkend. ONTWERP 11. Wat is de aanleiding dat het ontbreken van een voetpad aan de Noordeindseweg een item is, terwijl dat er ook voor de huidige 100’en inwoners van het Noordeindse nooit is geweest? Antwoord: Het is niet mogelijk een voet- en fietspad door de Noordpolder naar het zuiden aan te leggen. Verwachting is dat een deel van met name de Oekraïners voor dagelijkse boodschappen te voet naar de winkelvoorzieningen in de Sterrenbuurt gaan lopen. Dit betekent een verhoging van de druk en kans op conflicten tussen verschillende weggebruikers. 4/6

12. Is de optie van een autoweg en fietspad naar de Noordeindseweg en een voetpad aansluitend op de Oostersingel in de voorbije maanden bestudeerd? Zo ja, op welke gronden is deze afgewezen? Antwoord: Deze optie is uitgewerkt en besproken met de boer die de meeste gronden in de Noordpolder pacht. Voor zijn bedrijfsvoering is deze verbinding onwenselijk. Het college heeft als uitgangspunt dat de bedrijfsvoering in stand moet blijven. 13. Wat zijn de (contouren van) de plannen voor een waterbassin? Welke noodzaak is hiertoe? Hoe is de Raad hierover geïnformeerd? Welke alternatieve locaties zijn er? Antwoord: het initiatief bevindt zich in de initiatie-fase. Er is nog geen plan. De huidige berging voldoet binnenkort niet meer – is verouderd en kan niet uitgebreid worden. Een andere locatie is noodzakelijk. Er zijn diverse alternatieven bekeken, maar die stuiten op ruimtelijke en technische bezwaren en zijn dus afgevallen. De raad wordt met een raadsinformatiebrief geïnformeerd over dit initiatief. De functie vormt milieukundig echter geen beperking voor een woonfunctie van LOO2, in de schets voor locatie 4 is hier rekening mee gehouden. 14. Klopt het dat locatie 4 de voorkeurslocatie is van de pachter? Antwoord: ja dat is juist. 15.

In het document ‘Beoordeling ontsluitingsvarianten def 230920’ staat een beoordelingsmatrix waarin de ontsluiting via de Oostersingel anders wordt beoordeeld dan in het document ‘SWOT analyse locatie opties LOO2 Noordeindseweg’. Kunt u de oorzaak / oorzaken van deze verschillen puntsgewijs toelichten? Antwoord: Het document ‘Beoordeling ontsluitingsvarianten def 230920’ behandelt de mogelijkheden voor ontsluiting van driehoek Noordpolder. Het document ‘SWOT analyse locatie opties LOO2 Noordeindseweg’ behandelt de mogelijkheden voor ontsluiting van LOO-2. De ontsluiting via de Noordzijde voor DNP is via een verbinding voor de auto naar de Oostersingel. Voor de ontsluiting voor locatie 4 van LOO-2 is ook gekeken naar een ontsluiting naar het oosten. Dit geeft een ander afwegingskader. 16. Welke verschillen zijn er tussen de criteria en definities in de beoordelingsmatrix van LOO1 en LOO2, nu er aan de Sporthoeklaan bv. (ook) geen voetpad is, de ontsluiting langs een bedrijfsterrein loopt, waar afstand is tot voorzieningen en die niet aansluit op een bestaande woonwijk? Antwoord: aanwezigheid van een voetpad is geen go/no-go factor in de weging van locatiekeuze, maar er wordt een groot belang aan verkeersveiligheid gehecht. 17.

Hoe is in de criteria voor beoordeling van de locaties in de Noordpolder de impact op de omwonenden in de Edelsteenbuurt en aan de Noordeindseweg meegewogen? Antwoord: Voor beide ontsluitingen (Noordeindseweg en verlengde Oostersingel) geldt dat omwonenden bezorgd zijn over de impact. Er is geluisterd naar zorgen van omwonenden om de impact waar mogelijk te beperken. Het is meegenomen maar er is geen apart criterium voor gemaakt. Aan de hand van kwaliteiten van de polder die veel zijn benoemd, zijn randvoorwaarden voor inpassing opgesteld. Een aantal andere zorgen krijgen plek in de planuitwerking zoals in de 5/6

verkaveling (plek van parkeerplaatsen), en inrichting van de openbare ruimte (uitwerking wegprofielen, inpassing groen) of in het locatiebeheer (overlast voorkomen, aanspreekpunt op locatie). 18. Welke plausabiliteitstoetsing heeft plaatsgevonden op de kennelijk betrokken stelling van de grondeigenaar dat varianten 2, 5 en 6 niet haalbaar zouden zijn omdat daar misschien iets gaat gebeuren met tuinbouw? Heeft BPD in de recente geschiedenis ergens in Nederland tuinbouwprojecten ontwikkeld? Antwoord: De grondeigenaar kan deze voorwaarde stellen. De locaties werden verder niet positief beoordeeld vanuit het provinciale beleid, lange afstand tot voorzieningen waarvan deels over een bedrijventerrein en sociale veiligheid. Ook kan wonen in de nabijheid van kassen leiden tot klachten.

6/6

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=f94d412c-abad-46b2-baa9-80cf3b2a6856