Uitspraak Raad van State d.d. 6 april 2022 Verzoek om bestemmingsplanwijziging Ruijs
Tekst van het document
e
Raad vanState
. . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . ................... • • • • • • • • • •
Afdeling bestuursrechtspraak
Pagina 1 van 1
INGEKOMEN Z4WEI Oz2
College van burgemeester en wethouders van Landsmeer Postbus 1 1120 AA LANDSMEER
Datum
Ons nummer
Uw kenmerk
23 mei 2022
202200067/2/R1
26095-2021
lnlichtingen
Onderwerp
Mw. C.J.M. van der Knaap-Bom 070-4264370
Ruijs/BW Landsmeer onjuiste bestemming industriepercelen (Kanaalweg 29 te Landsmeer)
Procedure
Verzet Geachte heer/mevrouw, In bovengenoemde procedure heeft de Afdeling uitspraak gedaan. De procedure is daarmee beëindigd. Een kopie van deze uitspraak treft u hierbij aan. Aangezien dit bericht geautomatiseerd is aangemaakt, is dit niet ondertekend. Hoogachtend, de griffier
Postbus 20019 - 2500 EA Den Haag - T 070 426 44 26- F 070 365 13 80 - www.raadvanstate.nl Bij correspondentie de datum en het nummer van deze brief vermelden
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Raad vanState 202200067/2/R1. Datum uitspraak: 23 mei 2022
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzet (artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van: P.R. Ruijs, wonend te Landsmeer, opposant, tegen de uitspraak van de Afdeling van 6 aprii 2022 in zaak nr. 202200067 /1 /R 1.
202200067/2/R1
2
23 mei 2022
Procesverloop Bij uitspraak van 6 aprii 2022, in zaak nr. 202200067 /1 /R 1, heeft de Afdeling na vereenvoudigde behandeling het beroep van Ruijs tegen het door het college van burgemeester en wethouders van Landsmeer niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag van 11 juni 2021 om de bestemming "Agrarisch met waarden" van zijn percelen N-1125, N-1126 en N-1082, Kanaalweg 29 te Landsmeer, te wijzigen naar de bestemming "Industrie locatie" kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak van de Afdeling is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft Ruijs verzet gedaan. Overwegingen 1. Het op deze zaak betrekking hebbend wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak. 2. Een beroep kan alleen zonder zitting niet-ontvankelijk worden verklaard als dat 'kennelijk' het geval is (artikel 8:54 van de Awb). De term niet-ontvankelijk betekent dat er geen inhoudelijke behandeling van het beroep is. De term 'kennelijk' betekent dat er geen twijfel mogelijk is over de uitkomst van het beroep. Als tegen zo'n 'kennelijk'-uitspraak verzet wordt ingesteld, moet de rechter die op dat verzet beslist beoordelen: (a) of terecht is geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk is en (b) of daar geen twijfel over mogelijk is.
Daarbij neemt de rechter alle argumenten van de indiener mee die te maken hebben met die niet-ontvankelijkverklaring. Dat kunnen ook nieuwe feiten of nieuwe argumenten zijn die daar over gaan. 3. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 6 aprii 2022 het beroep van Ruijs tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn brief van 11 juni 2021 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het college inmiddels, op 6 januari 2022, een besluit heeft genomen op de aanvraag van Ruijs. Dit betekent dat Ruijs geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van zijn beroep, voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De inzet van die procedure was immers om alsnog een besluit te verkrijgen. De omstandigheid dat het besluit van 6 januari 2022 inhoudelijk niet aan de wensen van Ruijs tegemoetkomt, maakt dit niet anders. Verder overwoog de Afdeling dat, uitgaande van de datum van ontvangst van de aanvraag door de gemeente van 14 juni 2021 de in de uitspraak van 4 juni 201 O, ECLl:NL:RVS:201 O:BN4062, geformuleerde en sindsdien in vaste rechtspraak van de Afdeling gehanteerde beslistermijn van 14 weken eindigde op 20 september 2021. De door de gemeente op 18 september 2021 ontvangen ingebrekestelling was daarom prematuur. 4.
In zijn verzet wijst Ruijs er allereerst op dat hij met zijn verzoek slechts een wijziging van de bestemming van zijn perceel wenste en niet een geheel nieuw bestemmingsplan "Landelijk gebied". Ruijs wenst een postzegelplan voor 3 kavels met een oppervlakte van 13.000 m?. Volgens Ruijs heeft de overheid tot taak de juiste duidingen in plannen op te nemen. Op de huidige locatie bevindt zieh 1 2.000 ton industrieafval. De bestemming "natuur met waarden" past daarop niet. Dit is de gemeente sinds 2002
202200067/2/R1
3
23 mei 2022
bekend. De gemeente weigert structureel mee te werken. Ruijs blijft van mening dat het college binnen de door hem gestelde termijn van 8 weken had kunnen beslissen op zijn verzoek. Tot slot verzoekt Ruijs de Afdeling coulant om te gaan met de twee dagen te vroeg verzonden ingebrekestelling en verklaart zieh bereid zijn verzet mondeling in een zitting toe te lichten wanneer de Afdeling dat wenst. 5. De Afdeling heeft het beroepschrift van Ruijs op grond van artikel 6:20 van de Awb doorgezonden aan de raad om in zoverre als bezwaarschrift tegen het besluit van het college te worden behandeld .. De vraag of het college dan wel de raad bevoegd is op de aanvraag van Ruijs te beslissen kan bij de behandeling van dat bezwaar onder ogen worden gezien. Dit heeft de Afdeling gedaan, omdat de raad het bevoegde orgaan is te beslissen over vaststelling van bestemmingsplannen als bedoeld in artikel 3. 1 van de Wet ruimtelijke ordening. Het college is het bevoegde orgaan voor het vaststellen van wijzigingsplannen in de zin van artikel 3.9a van die wet. Het standpunt van Ruijs dat de Afdeling ervan is uitgegaan dat Ruijs' aanvraag zag op een geheel nieuw bestemmingsplan voor het gehele landelijke gebied berust dan ook op een onjuiste lezing. Zoals onder 3 al is overwogen, is het beroep niet-ontvankelijk verklaard bij gemis aan procesbelang.
Wat Ruijs met zijn beroep beoogde, te weten het verkrijgen van een beslissing op zijn verzoek, heeft hij ontvangen. Wat betreft het pleidooi van Ruijs om coulance te betrachten met betrekking tot de datum van de ingebrekestelling, merkt de Afdeling ter informatie van Ruijs nog op dat om van in vaste rechtspraak neergelegde termijnen af te wijken sprake moet zijn van bijzondere omstandigheden. Daarvan is in dit geval geen sprake. De Afdeling acht een mondelinge behandeling van het verzet van Ruijs daarom niet nodig. 6. Het verzet is ongegrond. Oat betekent dat het beroep niet verder inhoudelijk wordt behandeld. 7.
De proceskosten hoeven niet te worden vergo ed.
202200067 /2/R 1
23 mei 2022
4
Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het verzet ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Klingers, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Klingers griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2022 341-209 Verzonden: 23 mei 2022
202200067 /2/R 1
5
23 mei 2022
BIJLAGE ALGEMENE WET BESTUURSRECHT Hoofdstuk 8 Bijzondere bepalingen over de wijze van procederen bij de bestuursrechter Titel 8.2 Behandeling van het beroep in eerste aanleg Afdeling 8.2.4 Vereenvoudigde behandeling Artikel 8:54 1. Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat: a. de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is, b. het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, c. het beroep kennelijk ongegrond is, of d. het beroep kennelijk gegrond is. 2. In de uitspraak na toepassing van het eerste lid worden partijen gewezen op artikel 8:55, eerste lid. Artikel 8:55 1. Tegen de uitspraak, bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan verzet doen bij de bestuursrechter. [. .. ] 4. Alvorens uitspraak te doen op het verzet, stelt de bestuursrechter de indiener van het verzetschrift die daarom heeft gevraagd, in de gelegenheid op een zitting te worden gehoord, tenzij hij van oordeel is dat het verzet gegrond is. In andere gevallen kan de bestuursrechter de indiener in de gelegenheid stellen op een zitting te worden gehoord.
Raad vanState 202200067 /1 /R 1. Datum uitspraak: 6 aprii 2022
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht {hierna: de Awb) in het geding tussen: P.R. Ruijs, wonend te Landsmeer, appellant, en het college van burgemeester en wethouders van Landsmeer verweerder.
202200067/1/R1
2
6 aprii 2022
Procesverloop Ruijs heeft beroep ingesteld tegen het door het college niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag van 11 jun i 2021 om de bestemming "Agrarisch met waarden" van zijn percelen N-1125, N-1126 en N-1082, Kanaalweg 29 te Landsmeer, te wijzigen naar de bestemming "Industrie locatie". Het college heeft een verweerschrift ingediend. Ruijs heeft nad ere stukken ingediend. Overwegingen 1. Het op deze zaak betrekking hebbend wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak. 2. De Afdeling gaat uit van de volgende feiten. De aanvraag van Ruijs van 11 juni 2021 houdt verband met zijn wens om bij Stichting Bodembeheer Nederland voor de, met ingang van 2024 eindigende, landelijke industriële saneringssubsidie in aanmerking te kamen. Bij e-mail van 27 augustus 2021 heeft Ruijs de gemeente bericht dat volgens hem de termijn voor behandeling van zijn aanvraag van 8 weken is verlopen, dat hij alsnog een reactie verwacht en dat te late berichtgeving financiële consequenties kan hebben. Op 18 september 2021 heeft Ruijs vervolgens een formulier dwangsom bij niet tijdig beslissen bij de gemeente ingediend. Bij brief van 29 oktober 2021 heeft het college Ruijs verzocht binnen 6 weken zijn aanvraag om bestemmingswijziging met in die brief genoemde stukken aan te vullen.
Bij e-mail van 1 december 2021 heeft Ruijs daarop meegedeeld geen naciere stukken bij zijn aanvraag in te dienen. In vervolg hierop heeft het college op 6 januari 2022 besloten de aanvraag van Ruijs van 11 juni 2021 op grand van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling te laten. 3. Ruijs heeft zieh op het standpunt gesteld dat binnen een termijn van 8 weken beslist had moeten worden op zijn aanvraag van 11 juni 2021. Omdat dit niet is gebeurd, is volgens hem sprake van het niet tijdig nemen van een besluit. Ruijs stelt in zijn beroepschrift, aangevuld met zijn brief van 11 november 2021, dat de gemeente Landsmeer hem in een lastige positie heeft gebracht en dat hij van mening is dat de gemeente, gezien haar gedrag in het verleden, van hem geen leges noch naciere stukken ter onderbouwing van zijn aanvraag mag verlangen. 4. In zijn verweerschrift wijst het college erop dat in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) is bepaald dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is. In het tot deze afdeling behorende artikel 3: 18, eerste lid, van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan uiterlijk zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beslissing neemt.
Het college leidt hieruit af dat, uitgaande van de aanvraag van 14 juni 2021 en de ontvangst op 18 september 2021 van het formulier dwangsom, dat door het college als een ingebrekestelling is opgevat, de beslistermijn van 6 maanden op het moment van de ontvangst van de ingebrekestelling nag niet was verstreken. Omdat een ingebrekestelling pas
202200067/1/R1
3
6 aprii 2022
kan plaatsvinden op de eerste dag na afloop van de termijn voor het nemen van een besluit, is het formulier dwangsom volgens het college te vroeg ingediend. Oak wijst het college erop dat de beslistermijn door zijn brief van 29 oktober 2021 is opgeschort op grand van artikel 4: 1 5 van de Awb. Het beroep van Ruijs is volgens het college dan ook niet-ontvankelijk. 5. Het college wijst er op zichzelf terecht op dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is. Het afwijzen van een verzoek om vaststelling van een bestemmingsplan of het buiten behandeling laten daarvan is echter oak mogelijk zonder dat die afdeling wordt toegepast. Bij het indienen van een dergelijk verzoek staat daarom niet op voorhand vast dat afdeling 3.4 aan de orde is. In verband daarmee heeft de Afdeling in haar uitspraak van 4 jun i 201 O, ECLI :NL:RVS:201 0:BN4062, overwogen dat de beslistermijn wordt geacht te zijn overschreden, indien het bevoegd gezag binnen 14 weken na ontvangst van de aanvraag geen definitief besluit heeft genomen en evenmin een ontwerp van een besluit ter inzage heeft gelegd. Uitgaande van de datum van ontvangst van de aanvraag door de gemeente van 14 juni 2021 eindigde deze termijn op 20 september 2021. De ingebrekestelling van 18 september 2020 was daarom prematuur.
De Afdeling stelt los van het voorgaande vast dat het college inmiddels een besluit heeft genomen op de aanvraag van Ruijs. Dit betekent dat Ruijs geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van zijn beroep, voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De inzet van die procedure was immers om alsnog een besluit te verkrijgen. De omstandigheid dat het besluit inhoudelijk niet aan Ruijs tegemoetkomt, maakt dit niet anders. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. 6. Het besluit van het college van 6 januari 2022 wordt, geiet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb, geacht oak onderwerp te zijn van dit geding. De Afdeling zal het beroepschrift van Ruijs in zoverre echter met toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb doorzenden aan de raad van de gemeente om als bezwaarschrift tegen dat besluit te worden behandeld. De Afdeling gaat er geiet op de stukken namelijk van uit dat Ruijs heeft verzocht om vaststelling van een nieuw bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wro en niet om een wijzigingsplan in de zin van artikel 3.9a van die wet. Dit betekent dat niet het college maar de raad bevoegd was om een besluit te nemen. De raad moet dit aspect betrekken bij de behandeling van het bezwaar van Ruijs tegen het door het college genomen besluit van 6 januari 2022. 7.
In aanmerking genomen dat de ingebrekestelling prematuur was en het beroep dus ook niet-ontvankelijk zou zijn verklaard als nag wel procesbelang had bestaan, hoeven de proceskosten niet te worden vergoed.
202200067 I 1/R1
4
6 aprii 2022
Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.C.P. Venema, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Sparreboom griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 aprii 2022 195-209 Verzonden: 6 aprii 2022
Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij de Afdeling (artikel 8:55 van de Awb). - Verzet moet schriftelijk en binnen zes weken na verzending van deze uitspraak worden gedaan. - In het verzetschrift moeten de redenen worden vermeid waarom de indiener het niet eens is met de gronden waarop de beslissing is gebaseerd. - Als de indiener over het verzet door de Afdeling wil worden gehoord, moet dit in het verzetschrift worden gevraagd. Het horen gebeurt dan alleen over het verzet.
202200067 /1/R1
5
6 aprii 2022
BIJLAGE ALGEMENE WET BESTUURSRECHT Hoofdstuk 6 Algemene bepalingen over bezwaar en beroep Afdeling 6.1 lnleidende bepalingen Artikel 6:2 Voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep worden met een besluit gelijkgesteld: a. [ ... ], en b. het niet tijdig nemen van een besluit. Afdeling 6.2 Overige algemene bepalingen Artikel 6: 12 1. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking, is het niet aan een termijn gebenden. 2. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra: a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. 3. Indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, kan het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen. Artikel 6:20 1. Indien het beroep zieh richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit, blijft het bestuursorgaan verplicht dit besluit te nemen, tenzij de belanghebbende daarbij als gevolg van de beslissing op het beroep geen belang meer heeft. 2.
Het bestuursorgaan stelt een besluit als bedoeld in het eerste lid onverwijld ter beschikking aan het orgaan waarbij het beroep aanhangig is. 3. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet kamt. 4. De beslissing op het beroep kan echter worden verwezen naar een ander orgaan waarbij bezwaar of beroep tegen het alsnog genomen besluit aanhangig is, dan wel kan of kan worden gemaakt of ingesteld. 5. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan alsnog gegrond worden verklaard, indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft.
202200067/1/R1
6
6 aprii 2022
Hoofdstuk 8 Bijzondere bepalingen over de wijze van procederen bij de best u u rs rechter Titel 8. 2 Behandeling van het beroep in e erste aanleg Afdeling 8.2.4 Vereenvoudigde behandeling Artikel 8:54 1. Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat: a. de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is, b. het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, c. het beroep kennelijk ongegrond is, of d. het beroep kennelijk gegrond is. 2. In de uitspraak na toepassing van het eerste lid worden partijen gewezen op artikel 8:55, eerste lid. Afdeling 8.2.4a Beroep bij niet tijdig handelen Artikel 8:55b 1. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, doet de bestuursrechter binnen acht weken nadat het beroepschrift is ontvangen en aan de vereisten van artikel 6:5 is voldaan, uitspraak met toepassing van artikel 8:54, tenzij de bestuursrechter een onderzoek ter zitting nodig acht. [ ... ]