Transitievisie Warmte Landsmeer
Tekst van het document
De Startanalyse geeft inzicht in de maatschappelijke kosten voor strategieën voor aardgasvrij per buurt. 2. De Handreiking Lokale Analyse. Dit is een document met procesvoorstellen, methodes, criteria, voorbeelden en best practices die gemeentes kunnen gebruiken voor de “lokale analyse”. De lokale analyse is het proces om met stakeholders in de transitievisie warmte te komen tot een oplossing en een tijdpad per buurt.
ACM Essent/ Eneco/ Vattenfall Regionale netbeheerders
Bron Wijk- en Buurtkaart Basisregistratie Adressen en Gebouwen Basisregistratie Topografie (TOP10NL) Basisregistratie Kadaster (eigendomsgegevens) Besluit maximumprijs levering warmte 2019
Open Data Netbeheerders (kleinverbruiksdata)
Over Morgen
Wat halen we eruit Buurtgeometrie Pandgeometrie Oppervlaktes Gebouwfuncties Bouwjaar Terreingeometrie (voor berekening bebouwingsdichtheid) Eigendomsgegevens Prijsinformatie gas en warmte Bestaande warmteleveringsgebieden Prijsinformatie elektriciteit Gasverbruiken op postcodeniveau ter validatie van gemodelleerde energieverbruiken Marktkennis investeringskosten en operationele kosten op basis van kosten kentallen getoetst aan gerealiseerde projecten.
Tabel 5: Overzicht brondata
Aanvullend is in de analyse gebruik gemaakt van o.a. de volgende lokale databronnen: • Ouderdomsanalyse gasleidingen en aansluitingen Liander • RWZI’s van Hoogheemraadschap Noorderkwartier (HHNK) • Rioolgemalen en leidingen van HHNK • Gepland onderhoud Rochdale • Geplande projecten gemeente Landsmeer
Op weg naar een aardgasvrije gebouwde omgeving
19
5.2 Maatschappelijke kosten van infrastructurele- en gebouwaanpassingen
De analyse op een hoger schaalniveau (buurtniveau) laat echter zien dat ook daar de verwachting is dat all-electric de laagste maatschappelijke kosten met zich meebrengt. Voor het noordelijk deel van de kern Purmerland geldt dat de verwachting is dat het kostenverschil tussen een warmtenet en all-electric kleiner is dan 10%. Echter, voor het noordelijke deel van Purmerland komt op een schaalniveau hoger (buurtniveau), het voorlopig laten liggen van het gasnet naar voren als voorkeursoptie. In het zuidelijk deel van Purmerland zijn door de lage bebouwingsdichtheid onvoldoende gegevens beschikbaar waardoor gegevens terug te herleiden zijn tot de individuele gebouwen, wat in strijd is met de privacywetgeving.
WARMTEKAART OVER MORGEN De warmtekaart in figuur 6 laat per ‘postcode 5 buurt1’ de alternatieve warmteopties voor 2050 zien op basis van de analyse met het Warmte Transitie Model. Het beslisdiagram in Figuur 7 laat op vereenvoudigde wijze zien hoe kansrijke buurten worden geïdentificeerd. De kleur van een buurt geeft aan wat per buurt de meest waarschijnlijke warmteoplossing is, op basis van de stand van techniek van vandaag en de laagst maatschappelijke kosten. Deze kosten omvatten de gehele keten, dus zowel bron, infrastructuur, levering en aanpassingen aan het vastgoed. Daarbij worden niet alleen de investeringen, maar ook onderhoud en operationele kosten meegenomen, inclusief de energierekening van de eindgebruiker, gedurende een periode van 30 jaar. In bijlage 2 wordt de werking van dit Warmte Transitie Model toegelicht en wordt uitgelegd hoe de warmtekaart tot stand is gekomen. De laagst maatschappelijke kosten zeggen echter niet per definitie dat een project rendabel is. Bij het opstellen van het wijkuitvoeringsplan gaan partijen met elkaar in gesprek over de verdeling van de kosten. Het is goed mogelijk dat in de loop der tijd, op basis van nieuwe inzichten en innovaties, het eindresultaat van de warmtetransitie er net anders uit zal zien. Het beeld van de warmtekaart is dus niet in beton gegoten en zal regelmatig worden herijkt.
Wel geeft de kaart voor nu een eerste inzicht in waar de keuze voor een aardgasvrij alternatief het meest zeker is. Er wordt dan ook gestart ook op die plekken waar die zekerheid het grootst is. Voor de wijken waarin als eerste wordt gestart zal een wijkuitvoeringsplan worden opgesteld. Hierin wordt beschreven wat de kosten zijn van de overstap naar aardgasvrij en hoe dit mogelijk kan worden gefinancierd, wat de rol is van de verschillende betrokken partijen en hoe de communicatie en participatie van bewoners wordt ingevuld. De wijken waarbij de uiteindelijke warmteoplossing minder duidelijk is volgen pas later in de tijd. Ook de oplossingen voor deze wijken zullen steeds duidelijker worden, aan de hand van de infrastructuur die zich met de jaren steeds verder ontwikkeld in de wijken waar de warmtetransitie al is gestart. Waar gestart wordt met de warmtetransitie, is er sprake van een samenspel van de warmtekaart en de ontwikkelingen die lopen bij de gemeente en betrokken stakeholders (denk bijvoorbeeld aan geplande investeringen en bewonersinitiatieven). Deze combinatie van factoren zijn in de volgende paragraaf vertaald in selectiecriteria: van welke ontwikkeling moet er minstens sprake zijn om een wijk of gebied als kansrijk te kunnen beschouwen. Figuur 6: Warmteopties per postcodebuurt in Landsmeer
20
Wonen in Landsmeer zonder aardgas - Transitievisie Warmte
1
Een postcode 5 buurt bestaat uit een gebied waarvan de eerste 4 letters en het 1e cijfer van de postcode gelijk zijn.
5.3 Criteria wijkselectie Figuur 7: Beslisdiagram Warmte Transitie Model Over Morgen
All-electric relatief gunstig in Landsmeer door lage bebouwingsdichtheid De warmtekaart van Landsmeer (Figuur 6) laat op postcode 5 niveau met name ‘rode’ en ‘lichtblauwe’ wijken en gebieden zien. Voor de rode gebieden betekent dit dat het kostenverschil tussen een warmtenet en all-electric minder dan 10% is. Uit het model komt bijvoorbeeld in Plan Centrum Noord een onrendabele top van tussen de €13.000 en €21.000 per woning bij basismaatregelen met warmtenet en voor all-electric in combinatie met de vergaande maatregelen die nodig zijn, is de onrendabele top per woning tussen de €12.000 en €22.000. Het gaat hier om maatschappelijke kosten, waarbij nog niet is bepaald bij welke partij deze kosten vallen. Onder onrendabele top wordt verstaan het deel van de investering dat niet wordt terugverdiend. Voor de lichtblauwe wijken geldt dat de oplossing all-electric op die plekken gemiddeld tussen de 10 en 30% goedkoper zal zijn dan een oplossing op basis van een warmtenet. In Landsmeer is er geen buurt waar een collectieve warmtenet oplossing gemiddeld meer dan 30% goedkoper is. Dit heeft met name te maken met de relatief lage dichtheid van de bebouwing in Landsmeer.
All electric gunstig in Luijendijk-Zuid en bij lintbebouwing Wijken die in aanmerking komen voor all-electric zijn doorgaans nieuwe wijken, waar woningen al vergaand geïsoleerd zijn en de kosten om elektrisch te gaan verwarmen relatief laag zijn. De kaart laat voor de nieuwbouwwijk Luijendijk-Zuid een voorkeur zien voor deze techniek. Deze wijk is gebouwd in 2015. Ook de lintbebouwing van de kern Landsmeer laat een voorkeur zien voor all-electric, evenals de lintbebouwing door Den Ilp. Dit kan worden verklaard door de lage bebouwingsdichtheid.
Waar wordt gestart met de warmtetransitie, is een samenspel van de kosten voor infrastructurele /gebouwaanpassingen en de ontwikkelingen die lopen bij de gemeente en betrokken stakeholders (denk bijvoorbeeld aan geplande investeringen en bewonersinitiatieven). Deze combinatie van factoren zijn in de volgende paragraaf vertaald naar selectiecriteria: van welke ontwikkeling moet er minstens sprake zijn om een wijk of gebied als kansrijk te kunnen beschouwen? Criterium 1. Laagste maatschappelijke kosten
2. Geplande investeringen in renovaties en infrastructuur
Toelichting Er wordt gekozen voor technisch haalbare warmte oplossingen tegen redelijke kosten. Op die manier blijft de warmtetransitie zo betaalbaar mogelijk voor iedereen. Met een analyse op basis van het warmtetransitiemodel zijn de warmteopties met de laagste maatschappelijke kosten per wijk inzichtelijk gemaakt. De transitie wordt efficiënt wanneer de werkzaamheden zo goed mogelijk op elkaar af worden gestemd. Dat betekent dat er ook is gekeken naar geplande investeringen boven en onder de grond. Hierbij is specifiek gekeken naar de ouderdom van de gasnetten, de riolerings- en vernieuwingsplanningen van de gemeente en onderhouds-, renovatie- en sloop/nieuwbouwplannen van woningcorporatie Rochdale en Eigen Haard. Het afstemmen van al deze planningen zorgt ervoor dat waar mogelijk onnodige investeringen en overlast voor bewoners worden voorkomen en bepaalt daarmee deels het tempo van de warmtetransitie. Daarnaast geeft dit selectiecriterium ook een beeld in welke wijken veel te bereiken is om de wijk kwalitatief beter te maken.
Op weg naar een aardgasvrije gebouwde omgeving
21
3. Draagvlak en betaalbaarheid voor de warmteoplossing in de wijk
4. Er is schaal te maken
De warmtetransitie brengt grote veranderingen met zich mee, zowel in de openbare ruimte als achter de voordeur van bewoners. Gemeente Landsmeer kan deze transitie alleen mogelijk maken samen met bewoners en bedrijven. Ze worden daarom in een vroeg stadium betrokken. Initiatieven in wijken waarin bewoners en bedrijven al zijn gestart met de collectieve verduurzaming van hun woningen vormen een goed aanknopingspunt. Door mensen met lef, enthousiasme en betrokkenheid te ondersteunen, kunnen zij als ambassadeurs in eigen wijk/dorp het voor anderen mogelijk maken om ook in te stappen. Wijken waar relatief veel corporatiebezit en maatschap pelijk vastgoed aanwezig is zijn geschikt om mee te starten. Ook wijken waar grote spelers aanwezig zijn, zoals een zorginstelling, een school of een bedrijf bieden kansen. In de analyse worden wijken met veel bezit van Eigen Haard en Rochdale en maatschappelijk vastgoed daarom als kansrijk gezien om te starten met de transitie. Daarnaast is in algemene zin gekeken naar de schaalbaarheid van een bepaalde warmteoplossing in een wijk door bijvoorbeeld hoge uniformiteit van gebouwen, een hoge bebouwingsdichtheid en een hoog percentage huurwoningen.
Voor heel Landsmeer geldt natuurlijk dat isoleren een maatregel is waar op korte termijn al mee begonnen kan worden. Maar er zijn ook buurten waar op korte termijn verder kan worden gekeken. Door de gezamenlijke selectiecriteria te combineren met de kennis over Landsmeer uit het Warmte Transitie Model, komen de volgende gebieden in aanmerking om in te starten met de warmtetransitie:
STARTGEBIED 1: WONINGCORPORATIE EIGEN HAARD ALS STARTMOTOR IN DE KERN LANDSMEER
1. Plan Centrum Noord: aardgasvrij-gereed maken met woningcorporatie Eigen Haard als startmotor (2021-2030) 2. Luijendijk Zuid: Individuele all-electric aanpak (2021-2030) 3. Havenzathe: eerste stappen naar aardgasvrij ready (2021-2030)
Figuur 10: Bouwperiode Landsmeer Plan Centrum Noord
Tabel 6: Selectiecriteria startgebieden gemeente Landsmeer
Gemeente Landsmeer kan niet in één keer aardgasvrij worden. Dit zal gefaseerd gebeuren tot 2050. De verkenning wordt gestart op de plekken die op dit moment al kansrijk zijn. Daarom heeft de projectgroep met verschillende stakeholders wijken, buurten of strategieën geselecteerd die kansrijk lijken om in de periode tot 2030 mee aan de slag te gaan (zie hoofdstuk 2.4 voor de samenstelling van deze groep). Een wijk of gebied is volgens de projectgroep kansrijk voor verder onderzoek naar aardgasvrije oplossingen wanneer er tenminste sprake is van één van de genoemde criteria.
5.4 Waar wordt gestart? Met de projectgroep is op basis van de uitkomsten van het Warmte Transitie Model en de selectiecriteria een keuze gemaakt voor de gebieden in gemeente Landsmeer die als kansrijk worden gezien om de komende periode mee aan de slag te gaan. Dit betekent dat hier samen met de betrokken stakeholders wordt gestart met de wijkuitvoeringsplannen. Door het uitvoeren van een haalbaarheidsstudie worden kansen verkend voor het aardgasvrij maken van woningen en ander vastgoed in die wijk.
22
Wonen in Landsmeer zonder aardgas - Transitievisie Warmte
Figuur 9: Plan Centrum Noord Landsmeer
Figuur 8: Overzicht sporen en tijdsplanning aardgasvrij maken Landsmeer
Per gebied wordt toegelicht waarom deze wijk of dit gebied is gekozen, wat de aandachtspunten zijn en hoe daar gestart kan worden.
Plan Centrum Noord heeft de volgende kenmerken: • Plan Centrum Noord in de kern Landsmeer bestaat uit ongeveer 1.226 woningen waarvan 1.043 eengezinswoningen en 125 appartementen, vrijwel allemaal gebouwd in de periode tussen 1950 en 1975. • Ongeveer 730 woningen (60%) is in het bezit zijn van Woningcorporatie Eigen Haard • Op basis van het gemiddelde bouwjaar van de woningen (1965) en het energielabel (90% van de woningen zit op label C of lager) is de verwachting dat de woningen nog onvoldoende geïsoleerd zijn om over te stappen op een aardgasvrije warmteoplossing. • Voor deze buurt geldt dat het verschil in maatschappelijke kosten tussen een collectief warmtenet of een individuele all-electric oplossing kleiner is dan 10%. Het warmtetransitiemodel geeft bij basismaatregelen met warmtenet een onrendabele top van de maatschappelijke kosten van tussen de €13.000 en €21.000. Bij een all-electric warmteoplossing met vergaande maatregelen ligt de onrendabele top per woning tussen de €12.000 en €24.000.
Figuur 11: Woningcorporatiebezit Landsmeer Plan Centrum Noord
Op weg naar een aardgasvrije gebouwde omgeving
23
gen van het aardgas af gaan halen. In 2019 is er al wel een pilot gedaan met Nul op de Meter (NOM) woningen in de Gorteslootbuurt die in deze wijk ligt (zie figuur 3 voor toelichting). In een Nul op de Meter-woning wordt het netto energiegebruik tot nul gereduceerd. Dit gebeurt door slim gebruik te maken van energiebesparende en energieopwekkende voorzieningen. Op dit moment wordt er een evaluatie gedaan van de energieprestatie uit de woningen, waarvan de geleerde lessen bepalend zullen zijn voor de verdere aardgasvrijaanpak van woningcorporatie Eigen Haard. Voor zowel het corporatiebezit als particuliere bezit geldt dat al kan worden gestart met een no-regret isolatiemaatregelenpakket om woningen geschikt te maken voor middentemperatuurverwarming van 70 graden Celsius. Op een later moment kunnen de woningen dan worden voorzien van een duurzame verwarmingsoptie die deze temperatuur haalt of wordt de woning verregaand geïsoleerd.
PARTNER AAN HET WOORD: EIGEN HAARD
Figuur 12: Energielabels Landsmeer Centrum Noord
Wat speelt er in dit gebied? De komende jaren gaat woningcorporatie Eigen Haard aan de slag met maatregelen om het energielabel voor de woningen in eigen bezit (60%) naar label B te brengen. Ook woningcorporatie Rochdale zet zich in voor verduurzaming van haar eigen bezit in Landsmeer naar energielabel B. In de voorbereidende fase van de werkzaamheden is het interessant te verkennen of de omliggende particuliere woningen gezamenlijk op kunnen trekken in het verduurzamen van hun woningen. Dit kan door bijvoorbeeld een passend gezamenlijk inkooptraject te organiseren en kennis te delen over de benodigde isolatiemaatregelen per woningtype. Door de markt te vragen arrangementen te ontwikkelen, ontstaat schaalvoordeel voor de hele buurt in de inkoopfase. In de komende periode zal deze mogelijkheid verder worden verkend, waarbij Eigen Haard een trekkersrol pakt voor de isolatieaanpak van het eigen bezit en de gemeente Landsmeer in afstemming met de particuliere woningbezitters de mogelijkheden verder gaat verkennen. Ten aanzien van de toekomstige warmteoplossing worden er op dit moment geen kansen gezien voor een warmtenet. Mochten hiervoor echter in de toekomst kansen ontstaan, zal dit zeer waarschijnlijk gaan om een lage- of middentemperatuur warmtebron, bijvoorbeeld thermische energie uit oppervlaktewater. Eigen Haard heeft nog geen concrete plannen hoe zij de wonin-
24
Wonen in Landsmeer zonder aardgas - Transitievisie Warmte
Eigen Haard werkt aan goede, betaalbare en duurzame huisvesting in de regio Amsterdam. En dus ook in Landsmeer. In Landsmeer beheren en verhuren we 946 woningen. Ieder jaar maken de gemeente Landsmeer en Eigen Hard afspraken. Die gaan over het toewijzen van woningen, betaalbaarheid, de staat van de woningen en over duurzaamheid. Een mooi, en uniek voorbeeld is de wijk Gortesloot. Daar hebben we 120 nul-op-de-meterwoningen gerealiseerd. De daken van de woningen liggen vol zonnepalen die zijn aangesloten op een warmtepomp. De warmtepompen maken warmte van de opgewekte zonne-energie. Daarnaast zijn de woningen ook aan de buitenkant opgeknapt en zien er nu eigentijdser uit. De hele wijk is hierdoor een stuk mooier geworden. Foto: Pilot NOM woningen Eigen Haard Gorteslootbuurt
Criterium 1. Laagste maatschappelijke kosten
Toelichting Door de woningen beter te isoleren worden deze gereed gemaakt voor aardgasvrije verwarming en dalen de maandlasten door vermindering van het energiegebruik 2. Geplande investeringen in Eigen Haard heeft plannen om de woningen in het centrum renovaties en infrastructuur van Landsmeer te verduurzamen en daarmee het energielabel naar ten minste label B te brengen. 3. Draagvlak en betaalbaarIn eerdere gesprekken die de woningcorporatie heeft gehad heid voor de warmteoplos- met haar eigen bewoners, is positief gereageerd op het versing in de wijk duurzamen van de woningen met isolatiemaatregelen. Aangezien er in dit startgebied sprake is van zo’n 40% particulier bezit, zal gemeente Landsmeer samen met deze bewoners kijken naar de mogelijkheden om te komen tot een aantrekkelijk aanbod voor het isoleren en aardgasvrij-gereed maken van de woningen. 4. Er is schaal te maken Ongeveer 60% van de woningen is in het bezit van woningcorporatie Eigen Haard. Daarmee is het aantal stakeholders waarmee moet worden afgestemd beperkter waardoor snel vaart kan worden gemaakt om tot uitvoering te komen.
Figuur 13: Energielabels Luijendijk Zuid
STARTGEBIED 2: INDIVIDUELE AANPAK ALL-ELECTRIC IN LUIJENDIJK ZUID Wat speelt er in dit gebied? De wijk Luijendijk Zuid is qua bouw geschikt om over te stappen op all-electric, omdat ze vanwege het recente bouwjaar al relatief goed geïsoleerd zijn. Luijendijk Zuid heeft de volgende kenmerken: • Dit gebied telt in totaal zo’n 574 woningen, waarvan 419 eengezinswoningen en 150 appartementen (meergezinswoningen) die vrijwel allemaal gebouwd zijn in 2015. • De meeste woningen zijn vanwege de recente bouw al voorzien van een hoog isolatieniveau en daardoor voldoende geschikt voor een individuele all-electric oplossing. Hierdoor zijn de investeringskosten relatief laag. • De maatschappelijke kosten voor all-electric ligt voor deze twee postcodebuurten tussen 10 en 30% lager dan voor een collectief warmtenet. Het warmtetransitiemodel geeft bij basismaatregelen met warmtenet een onrendabele top van de maatschappelijke kosten van tussen de €11.000 en €17.000. Bij een all-electric warmteoplossing met vergaande maat regelen ligt de onrendabele top per woning tussen de €8.000 en €12.000. • Deze wijk bestaat grotendeels uit particulier bezit, waardoor het voor de gemeente onder de huidige wet -en regelgeving niet mogelijk is een eigenstandig een besluit te nemen over de warmteoplossing die ik deze wijk komt.
Wel kan deze wijk kan als proeftuin dienen om te leren over de overstap naar aardgasvrij wonen voor particuliere woningeigenaren. De
Figuur 14: Bouwperiode woningen Luijendijk Zuid
gemeente kan hierbij leren van wat particuliere bewoners nodig hebben om zelf aan de slag te gaan en waar ze tegenaanlopen in het proces naar aardgasvrij. • Netbeheerder Liander heeft aangegeven dat bij een all-electric oplossing in dit startgebied Op weg naar een aardgasvrije gebouwde omgeving
25
extra transformatorhuisjes in de wijk nodig zullen zijn. Waarom dit gebied? Criterium 1. Laagste maatschappelijke kosten
Toelichting De woningen in deze twee buurten zijn door het recente bouwjaar al op ten minste een basisniveau geïsoleerd en waarschijnlijk al vergaand geïsoleerd. Hierdoor zullen de investeringen die nodig zijn om de woning geschikt te maken voor een all-electric oplossing relatief laag zijn. Op dit moment niet aan de orde
2. Geplande investeringen in renovaties en infrastructuur 3. Draagvlak en betaalbaarIn dit startgebied wonen grotendeels particuliere woningheid voor de warmteoplos- bezitters. In de volgende stap zal gekeken moeten worden sing in de wijk samen met bewoners wat nodig is om tot een aantrekkelijk aardgasvrij aanbod te komen, waarbij ook gekeken zal worden naar natuurlijke vervangingsmomenten 4. Er is schaal te maken Bijna alle woningen dateren uit 2015 en zijn grotendeels eengezinswoningen. Door de homogeniteit in de bebouwing ontstaan ook uniformiteit in de maatregelen en type warmtepomp dat nodig is in de woning, waardoor collectieve inkoop te organiseren is.
Een aantal bewoners heeft zich georganiseerd en wil aan de slag met de verduurzaming van Havenzathe. Ook heeft er al collectieve inkoop van isolatiemaatregelen en zonnepanelen plaatsgevonden in deze wijk. In 2018 is in opdracht van de gemeente door adviesbureau DWA een conceptenstudie uitgevoerd naar aardgasvrije oplossingen voor de wijk. Conclusies uit deze rapportage zullen worden meegenomen in de haalbaarheidsstudie die zal worden uitgevoerd bij het opstellen van een wijkuitvoeringsplan voor Havenzathe. Havenzathe heeft de volgende kenmerken: • De wijk is ruim opgezet, telt zo’n 645 eengezinswoningen, en bestaat hoofdzakelijk uit rijwoningen in particulier bezit. • Woningen in de wijk zijn gebouwd in de periode tussen 1950 en 1975. • De wijk is omringd door water, welke mogelijk geschikt is voor een aardgasvrije oplossing op basis van Thermische Energie uit Oppervlaktewater
Figuur 16: Woningtypes Havenzathe
Waarom dit gebied? Criterium 1. Laagste maatschappelijke kosten
STARTGEBIED 3: VERDUURZAMINGSAANPAK HAVENZATHE Wat speelt er in dit gebied? In de wijk Havenzathe, staat voor de komende jaren groot onderhoud en vervanging aan riolering en nutsvoorzieningen gepland. Deze kans wordt aangegrepen om ook de openbare ruimte flink aan te pakken. Dit zal in de komende 8 jaar gefaseerd plaatsvinden. Onder andere via het digitaal platform Buurbook wordt met bewoners gesproken over de plannen in de wijk. In totaal gaat het om 1.600 woningen waarvan er per fase bij 200 woningen de straat open gaat. De eerste werkzaamheden zijn al gestart en konden niet langer worden uitgesteld. Daarom geldt dat voor de eerste fase dat het niet mogelijk is deze af te stemmen met de werkzaamheden die volgen uit de toekomstige wijkuitvoeringsplannen van de warmtetransitie. Voor woningen die pas in een latere fase aan de beurt zijn, zijn deze kansen er mogelijk wel en zal verder worden onderzocht of er werk met werk kan worden gemaakt. Het toepassen van isolatie is daarbij een eerste stap. Van alle woningtypen is al een inventarisatie gedaan van de benodigde maatregelen zodat in de toekomst collectief inkopen mogelijk is.
26
Wonen in Landsmeer zonder aardgas - Transitievisie Warmte
Een overzicht van de startgebieden en de fasering staat in Figuur 17. Aanvullend op de start gebieden zal er ook gemeentebreed worden opgestart met een aanpak voor isolerende maatregelen.
Figuur 15: Warmteopties per postcodebuurt Havenzathe
Toelichting Het verschil in maatschappelijke kosten tussen een collectief warmtenet en all-electric is kleiner dan 10% en geeft dus geen eenduidig beeld, waardoor breder gekeken moet worden naar andere mogelijke koppelkansen. 2. Geplande investeringen in In Havenzathe staan de komende 8 jaar zowel ondergrondse renovaties en infrastructuur als bovengrondse investeringen en renovaties gepland. Hierdoor ontstaan koppelkansen om gelijktijdig verduurzamingsmaatregelen aan de woningen te treffen en over te stappen op een alternatieve warmtebron 3. Draagvlak en betaalbaarEr is in de wijk al initiatief genomen door een collectief heid voor de warmteoplos- van bewoners die interesse hebben om hun woning sing in de wijk te verduurzamen. Ook maken bewoners in het kader van de renovatieplannen in de wijk gebruik van communicatieplatform Buurboek, wat ook ingezet kan worden voor de warmtetransitie. Echter is ook in deze buurt sprake van particulier bezit. Goede bewonerscommunicatie en een interessant aanbod voor bewoners is daarom cruciaal om aardgasvrij-gereed woningen te kunnen realiseren en over te stappen op een alternatieve warmteoplossing. 4. Er is schaal te maken Er is sprake van een hoge mate van homogeniteit in de bebouwing.
Figuur 17 Overzicht startgebieden Landsmeer
Op weg naar een aardgasvrije gebouwde omgeving
27
6 Financieringsopties
blijft de ontwikkelingen op het gebied van financiering volgen.
6.3 Beschikbare financieringsopties De kosten voor de warmtetransitie in de komende 30 jaar zullen aanzienlijk zijn. Het tot een eerlijke verdeling komen van kosten tussen alle betrokken partijen en de bewoners is een randvoorwaarde voor succes. Hoe die kosten worden verdeeld en hoe de transitie naar aardgasvrij betaalbaar wordt, zijn vraagstukken waar men zich de komende jaren op landelijk niveau over buigt. Op dit moment kan duurzame warmte nog niet concurreren met fossiele warmtebronnen. Een flinke renovatie (die nodig is om woning aardgasvrij-gereed te krijgen) en apparatuur voor het opwekken van duurzame warmte zijn nog niet rendabel zonder aanvullende financiële steun. Het uitgangspunt van de sector gebouwde omgeving -een tafel binnen het klimaatakkoord die zich specifiek met dit onderwerp bezighoudt- is dat de warmtetransitie woonlastenneutraal moet zijn. Dat betekent dat de maandlasten van een lening die voor de verbouwing worden aangegaan niet hoger mogen zijn dan het voordeel dat op de energierekening wordt geboekt. Op dit moment is de realiteit dat de overstap naar aardgasvrij voor woningeigenaren niet woonlastenneutraal is. Voor particulieren is het enkel met een grote hoeveelheid subsidie haalbaar. Voor huurders kan het enkel met flinke investeringen vanuit de woningcorporatie.
6.1 Huidige financierbaarheid maatregelen Om dit moment is er voor de meeste gebouwen in Nederland nog geen sluitende businesscase voor aardgasvrij-gereed renovaties. Dat neemt niet weg dat de eerste stappen naar aardgasvrij-gereed wel kunnen worden gezet. De maatregelen die het best kunnen worden genomen zijn afhankelijk van het gebouw. Bij oudere gebouwen (van vóór 1990) is de potentie voor energiebesparing over het algemeen groot en kunnen er verschillende isolatiemaatregelen worden getroffen die
28
Wonen in Landsmeer zonder aardgas - Transitievisie Warmte
zich met behulp van Subsidie Energiebesparing Eigen Huis (SEEH) in relatief korte tijd terugverdienen (zie kader voor isolatiesubsidies). Bij relatief nieuwe gebouwen (van na 2005) die al goed zijn geïsoleerd, kan worden gekeken naar aanschaf van apparatuur om duurzame warmte mee op te wekken zoals een warmtepomp of zonnecollectoren. De investerings subsidie duurzame energie ondersteunt deze aanschaf (zie kader voor toelichting subsidies).
6.2 Rijksbeleid Tot het moment dat aanbod van aardgasvrij-gereed producten/diensten voldoende is ontwikkeld en concurrerend is met fossiele energie zijn er verschillende vormen van financiering nodig om de businesscase naar aardgasvrijgereed sluitend te krijgen. In de komende jaren wordt daarom op rijksniveau in samenspraak met verschillende stakeholders onderzoek gedaan naar mogelijkheden voor de ontwikkeling van een aantal financiële instrumenten (de betrokken partijen zijn o.a. fiscaal specialisten, woningbouwcorporaties, de bouwsector, de financiele sector en belangenverenigingen zoals VEH). Deze financiële instrumenten moeten leiden tot een kostenverdeling die de stap naar aardgasvrij-gereed voor 25% van de gebouwen al in de komende 10 jaar al betaalbaar maakt . Ook zal de rijksoverheid beleid ontwikkelen om en de resterende onrendabele top te verkleinen. FINANCIERINGSMOGELIJKHEDEN EN VERLAGING ONRENDABELE TOP • De energiebelasting op aardgas gaat de komende jaren omhoog en de energiebelasting op elektriciteit gaat omlaag. Hierdoor worden alternatieve warmteopties zoals elektrische warmtepompen aantrekkelijker. • De warmtetarieven worden in de nieuwe Warmtewet
ontkoppeld van de gasprijs. Door ontkoppeling kan de prijs van warmte niet nadelig worden beïnvloed door de verhoging van de energiebelasting op aardgas. • De Rijksoverheid ontwikkelt een warmtefonds waar alle woningeigenaren terecht kunnen voor aantrekkelijke financiering voor de verduurzaming van hun woning. Dit warmtefonds wordt toegankelijk voor iedereen, ook voor degenen die nu geen toegang hebben tot financiering. • De hypotheek is voor vrijwel alle woningeigenaren een vertrouwde en aantrekkelijke financieringsvorm. Verduurzamingsmaatregelen financieren door de hypotheek te verhogen, is daarom een logische route. De Rijksoverheid is voornemens om de verplichte kennis- en ervaringstoets voor het verhogen van hypotheken te schrappen waardoor een belangrijke drempel voor het verhogen van de hypotheek voor verduurzaming wordt verlaagd. • Gebouwgebonden financiering is financiering van verduurzaming die is gekoppeld aan de woning. Dit betekent dat de financiering bij verkoop van de woning mee overgaat en de resterende schuld en betalingsverplichtingen komen te rusten op de volgende eigenaar. Een eigenaar betaalt dus alleen rente en aflossing zolang hij of zij in de woning woont. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat er in het Burgerlijk Wetboek een bepaling wordt opgenomen die gebouwgebonden financiering mogelijk maakt.
Als onderdeel van de wijkuitvoeringsplannen zal gemeente Landsmeer kosten en onrendabele top van woningaanpassingen in kaart brengen van de zullen de mogelijkheden voor financiering in de geselecteerde wijken worden onderzocht. De gemeente houdt rekening met financieringsvormen die op dit moment beschikbaar zijn en
De hiernaastgenoemde hulpmiddelen zijn belangrijk, maar ze zijn nog niet toereikend om bewoners financieel volledig te ondersteunen. De vraag is echter of dat ook zal gaan gebeuren. Duurzame, toekomstbestendige en comfortabel verwarmde woningen worden steeds hoger gewaardeerd. Naast besparing op de energierekening zijn er meer financiële voordelen aanwezig, zoals bijvoorbeeld waardevermeerdering van de woning. Wanneer de wijkuitvoeringsplannen worden gemaakt zal de rijksoverheid waarschijnlijk verder zijn met haar financiële beleid waardoor de businesscase voor duurzame warmte er mogelijk aantrekkelijker uitziet.
SUBSIDIES
LENINGEN
• Subsidie Energiebesparing Eigen Huis (SEEH): stimuleert het treffen van energiebesparende maatregelen in bestaande koopwoningen • Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE): Particuliere huishoudens en zakelijke gebruikers (waaronder VvE's) die zelf duurzame energie willen opwekken kunnen subsidie aanvragen. Het mag gebruikt worden voor zonneboilers, warmtepompen, biomassaketels en pellet kachels. De subsidie is afhankelijk van de gekozen maatregel. Je kunt subsidie aanvragen tot en met 31 december 2020, tenzij de subsidiepot al voor die tijd leeg is. • Voor VvE’s is er subsidie beschikbaar voor een energieadvies en eventueel procesbegeleiding en een energieadvies in combinatie met Meer Jaren Onderhoudsplan en eventueel procesbegeleiding. • SDE++-regeling voor exploitatie warmtebron voor collectieve installaties, waaronder Thermische Energie uit Oppervlaktewater en Afvalwater (TEO en TEA) • Grootschalige Proeftuinen Aardgasvrij. Regeling voor startmotorprojecten in wijken waar concrete stappen naar aardgasvrij worden gezet. In 2018 zijn de eerste 27 wijken bekend gemaakt. • Subsidies van o.a. Provincie Noord-Holland en Europa kunnen ondersteuning bieden in de vorm van procesgeld of projectgeld. Voorbeelden zijn Subsidie warmtetransitie gebouwde omgeving op wijkniveau en ELENA. Op regionaal niveau worden kansen verkend en inschrijvingen gecoördineerd.
• Het Nationaal Energiebespaar Fonds (NEF) biedt energiebespaarleningen tegen lage rente voor VvE’s en particuliere eigenaren. Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn) is fondsmanager van het NEF. • Hypothecaire leningen: deze zijn rendabel vanaf €15.000,- vanwege de bijbehorende administratie- en advieskosten. • Consumptieve leningen
OVERIG • Collectieve inkoop acties (o.a. via het Duurzaam Bouwloket) zorgen voor lagere investeringskosten per maatregel, zoals isolatie en zonnepanelen. • Gebouwgebonden financiering. Een manier om lening te verstrekken voor maatregelen waarmee warmte kan worden bespaard en zodoende via de besparing de lening over een periode terug te betalen. Analyse laat zien dat dit voor enkele isolatiemaatregelen interessant kan zijn. Het volledig aardgasvrij-gereed maken van een woning (uitgaande van 70°C) rekent niet rond. Andere oplossingen naast gebouwgebonden financiering zijn dus nodig. Gebouwgebonden financiering is nu nog niet mogelijk, maar de mogelijkheden worden op nationaal niveau onderzocht. • Salderingsregeling voor zonnepanelen: De salderingsregeling blijft tot 1 januari 2023 zoals hij nu is. Daarna bouwt de overheid de regeling geleidelijk af. In 2031 stopt hij helemaal
Op weg naar een aardgasvrije gebouwde omgeving
29
7 Handreiking tot uitvoering: vervolgstappen en planning In hoofdstuk 5 zijn kansrijke gebieden om te starten benoemd. In dit hoofdstuk wordt verder ingegaan op de eerste stappen richting uitvoering en de zaken waar de gemeente samen met lokale stakeholders rekening mee moet houden om de komende jaren verder te kunnen werken aan de overstap naar een aardgasvrije gebouwde omgeving in Landsmeer.
7.1 Samenwerken in de warmtetransitie De warmtetransitie is ingewikkeld en wordt niet van de ene op de andere dag uitgevoerd. In de voorgaande hoofdstukken is toegelicht dat het gaat om veranderingen aan gebouwen en infrastructuur, dat er energiebronnen nodig zijn, en dat er grote investeringen bij komen kijken. Deze transitie vraagt ook om nieuwe vormen van samenwerken met gebouweigenaren, met bewoners en met het bedrijfsleven en om veranderingen binnen de gemeentelijke organisatie.
7.2 Programmatisch werken in Landsmeer De warmtetransitie is een complex proces dat vraagt om een programmatische aanpak. Het warmtetransitie programma wordt opgebouwd uit een aantal projecten. Dit zijn zowel gebiedsgerichte projecten waarin verder wordt gewerkt aan wijkuitvoeringsplannen, als projecten die op gemeenteniveau die nodig zijn om ook de rest van Landsmeer voor te bereiden op de warmtetransitie. De keuze van deze projecten vloeit voort uit de kansen gesignaleerd in hoofdstuk 5. Het programma kent dus twee sporen, namelijk de aanpak voor de startgebieden (wijkuitvoeringsplannen) en de gemeentebrede aanpak richting aardgasvrij-gereed woningen. Deze zorgen voor de samenhang in het programma. De eerste stap na het afronden van de transitievisie warmte is het inrichten van een programmastructuur om invulling te kunnen geven aan de uitvoering van de Transitievisie Warmte.
Samenwerken in de warmtetransitie betekent meer dan het naast elkaar uitvoeren van de projecten van de individuele stakeholders. Enerzijds dient er gebiedsgerichte coördinatie te zijn op de (samenhang tussen) specifieke projecten en opgaven. Anderzijds liggen er stevige uitdagingen op samenwerking, strategie, communicatie & participatie en financiering. Dit vraagt een programma-aanpak met programmasturing. De warmtetransitie is bovendien geen op zichzelf staande opgave. Het is belangrijk dat ambities en plannen worden afgestemd met de ambities en plannen op andere thema’s. Het gaat dan om thema’s als verbetering van de inrichting openbare ruimte, het verhogen van de leefbaarheid en het versterken van de sociale cohesie. De gemeente is regisseur van de warmtetransitie en zal als vervolg van deze Transitievisie Warmte samen met de belangrijkste partners in de gemeente en in de regio een programmastructuur inrichten met bijbehorende uitvoeringsorganisatie, om de ambities in de visie te kunnen realiseren. Randvoorwaarde is daarbij dat er voldoende gemeentelijke capaciteit beschikbaar komt om de regierol daadwerkelijk te kunnen invullen. Het doel is uiteindelijk om stappen te maken in de warmtetransitie. Het programma zal dan ook gericht moeten zijn op het daadkrachtig werken aan de eerste projecten in de wijken en hier leerervaringen uit te halen voor vervolgproces.
Omdat nog veel onzeker is in de warmtetransitie vraagt de uitvoering van een programma continue aandacht, regie, monitoring en bijsturing. Gelet op de enorme opgave zal het programma ook een aanzienlijke investering vergen in capaciteit vanuit zowel de gemeentelijke organisatie als haar partners.
30
Wonen in Landsmeer zonder aardgas - Transitievisie Warmte
Figuur 18: Programmatische aanpak transitievisie warmte gemeente Landsmeer
Binnen dit programma vallen: • Gebiedsgerichte projecten waarin verder wordt gewerkt aan wijkuitvoeringsplannen (WUPs) • Projecten die op gemeenteniveau nodig zijn om ook de rest van Landsmeer voor te bereiden op de warmtetransitie, waaronder een isolatie-aanpak • Participatie en communicatie om inwoners en organisaties te informeren en betrekken bij projecten (inwonersparticipatie) of faciliteren met initiatieven (overheidsparticipatie)
stellen dat de volgende onderwerpen van belang zijn wanneer we in gesprek gaan met bewoners: draagvlak, betaalbaarheid en flexibiliteit (in de oplossingen). Daarnaast hebben bewoners ook duidelijk aangegeven mee te willen denken in de weg naar een aardgasvrij Landsmeer. Dit wordt meegenomen bij het komen tot een gemeentelijke communicatie- en participatielijn.
7.3 Benodigde capaciteit
In Figuur 18 staat een weergave van het programma zoals dat eruit kan gaan zien. Onderdeel van het programma is het opstellen van wijkuitvoeringsplannen voor de drie startgebieden. In de wijkuitvoeringsplannen zullen o.a. de volgende afspraken worden gemaakt: • welke technieken er in de startgebieden ingezet gaat worden om aardgasvrij te worden • hoe de financiering wordt vormgegeven • hoe de uitvoeringsorganisatie eruit komt te zien • hoe bewoners worden betrokken en betaalbaarheid georganiseerd wordt • hoe het proces van communicatie en participatie van bewoners per wijk wordt ingericht.
Een complexe transitie als de warmtetransitie vraagt om extra inzet van zowel de gemeentelijke organisatie als haar partners. Bij het organogram in figuur 8 is een voorzet gedaan voor de benodigde capaciteit binnen de gemeente om de warmtetransitie te kunnen gaan vormgeven. Dit is gebaseerd op ervaringen met wijkuitvoeringsplannen in andere gemeentes. In tabel 7 is de minimaal benodigde capaciteit voor het uitvoeringsprogramma aangegeven. Om projecten van de grond te krijgen is het belangrijk dat er projectleiders geworven worden. Daarnaast is het belangrijk dat er een communicatieadviseur voor het specifieke project is. Dit vergt minimaal 1 dag in de week inzet. Ook zullen andere afdelingen binnen de gemeente betrokken worden bij de uitvoering van de warmtetransitie en hier tijd voor moeten reserveren. Voor een wijkaanpak is het goed om te kunnen rekenen op capaciteit vanuit de afdelingen.
Een eerste stap richting wijkuitvoeringsplannen is om de volgende onderdelen de komende periode verder uit te werken: • Het opstellen van een communicatie- en participatiestrategie voor de wijk • Haalbaarheidsonderzoek naar warmteoplossing en warmtebronnen in de startgebieden, waaronder thermische energie uit oppervlaktewater en mogelijke restwarmtebronnen uit de omgeving • Het bepalen van de rolverdeling tussen de partijen die samenwerken aan de wijkaanpak • Het voorbereiden van de benodigde stappen om de gekozen warmteoplossing te kunnen realiseren
Indicatie benodigde fte’s voor uitvoering warmtetransitie Programmamanagement Projectmanagement (projectleiders) Projectmedewerkers: Projectondersteuning Communicatie -en participatie Realisatie en beheer (afhankelijk van definitieve keuze voor alternatief in wijkuitvoeringsplan) Financiën/subsidieadviseur (afhankelijk van gekozen aanpak wijkuitvoeringsplan)
COMMUNICATIE & PARTICIPATIE Per project, maar ook gemeentebreed wordt een participatieplan en communicatieplan opgesteld. Een participatieplan beschrijft hoe inwoners en organisaties worden betrokken. In een communicatieplan wordt beschreven hoe inwoners en organisaties worden geinformeerd en voorgelicht. Belangrijk daarbij is dat de gemeentelijke communicatie de communicatie op projectniveau ondersteunt. Per project is het vervolgens nodig een eigen communicatie- en participatieplan op te stellen. Tijdens de digitale bewonersavond over de Transitievisie Warmte van 8 juni 2020 is inbreng opgehaald over de gewenste manier van communiceren en participeren bij in totaal ongeveer 35 inwoners van Landsmeer. Hoewel één bijeenkomst geen volledig beeld geeft van welke kansen en belemmeringen bewoners zien, kunnen we over het algemeen
Tabel 7: Fte’s uitvoeringsprogramma
0,5 1,2 0,2 0,4 0 - 0,2 0 - 0,2
Een aantal van deze fte’s zijn in te vullen met huidige capaciteit, zoals de rol van Regisseur Duurzaamheid, die al vanuit het programma Energietransitie wordt ingevuld. Voor de totale activiteiten om de warmtevisie te kunnen uitvoeren in een realistisch tempo, is naar verwachting minimaal 2,3 fte aan extra capaciteit nodig vanaf het jaar 2021. Tevens is de verwachting dat inhuur van externe expertise noodzakelijk gaat zijn voor de totstandkoming van de wijkuitvoeringsplannen en de daarbij horende technische haalbaarheidsstudies voor warmteoplossingen in de startgebieden. Het is belangrijk rekening te houden met deze extra inzet bij het voorbereiden van de gemeentelijke begroting. Op weg naar een aardgasvrije gebouwde omgeving
31
BIJL AGE
A Warmtetransitiemodel Het Warmtetransitiemodel in vogelvlucht
et Warmtetransitiemodel analyseert op gebouwniveau wat kansrijke gebieden H zijn om te beginnen met een collectieve warmtevoorziening op gebiedsniveau. Deze analyse kijkt naast maatschappelijke kosten ook naar andere informatie, zoals eigendomssituatie, en houdt geen rekening met buurtgrenzen waardoor buurtoverstijgende kansen zichtbaar worden. Deze analyse leent zich bij uitstek om te combineren met informatie over investeringsplanningen, zoals riolering, gasnet, renovatie en sloop-nieuwbouw.
Het Warmtetransitiemodel van Over Morgen geeft beleidsmakers, adviseurs, energiebedrijven en netwerkbedrijven inzicht in de opties en kosten daarvan voor een aardgasvrije gebouwde omgeving. Het model geeft inzicht in twee aspecten: • De laagste maatschappelijke transitiekosten per buurt of wijk voor verschillende warmteopties. • Gebieden die kansrijk zijn voor het starten van een collectieve warmtevoorziening in een gebied (potentie-eilanden) op basis van vastgoedkenmerken.
e resultaten van het Warmtetransitiemodel worden gevisualiseerd in interacD tieve, online GIS-applicaties die betrokken parttijen inzicht geven in de materie en concreet handelingsperspectief bieden. Het Warmtetransitiemodel van Over Morgen wordt door meer dan 100 gemeentes, provincies, woningcorporaties en netbeheerders gebruikt om de gebouwde omgeving te verduurzamen.
Het model heeft vijf essentiële kenmerken: et Warmtetransitiemodel geeft inzicht in een aardgasvrije gebouwde omgeving. H Het model is bedoeld om processen in de warmtetransitie te ondersteunen, faciliteren en versnellen. Het model kan ingezet worden in alle fases van het proces: van notie en urgentie, tot kansen en inzicht, tot gedragen visies en projecten, en uiteindelijk als ondersteunende tool in de uitvoering. et Warmtetransitiemodel is een ruimtelijk model dat gebaseerd is op GIS. Het H model voert analyses uit op gebouwen en buurten en maakt gebruik van openbare geografische data uit betrouwbare bronnen. Het model maakt inzichtelijk wat verschillen zijn tussen gebieden en hoe dat leidt tot andere warmteopties en kansen, en houdt daarbij rekening met de ruimtelijke samenhang van een gebied. et Warmtetransitiemodel maakt inzichtelijk wat de kosten zijn in een buurt als je H nu begint, uitgaande van de huidige stand van de techniek, prijzen en marktomstandigheden. Het model onderscheidt twee alternatieve warmte-infrastructuren voor het gasnet (warmteopties): een warmtenet en een verzwaard elektriciteitsnet (all-electric). Het is gebaseerd op integrale maatschappelijke kosten van de energieketen, dus zowel bron, infrastructuur, levering en aanpassingen aan het vastgoed.
Daarbij worden niet alleen de investeringen, maar ook onderhoud en operationele kosten meegenomen, inclusief de energierekening van de eindgebruiker, gedurende een periode van 30 jaar. Deze kosten worden uitgedrukt in bandbreedtes. De bandbreedtes houden rekening met zaken zoals onzekerheid in het prijspeil, het benutten van natuurlijke momenten en technische varianten binnen de warmteopties.
32
Wonen in Landsmeer zonder aardgas - Transitievisie Warmte
De gebouwendatabase wordt regelmatig geactualiseerd op basis van nieuwe databronnen of nieuwe inzichten. Op basis van de gebouwendatabase worden twee typen analyses uitgevoerd: • Een analyse, die de laagste maatschappelijke transitiekosten per buurt of wijk berekent voor verschillende warmteopties. Dit doet het model op basis van financiële en technische rekenregels. Deze analyse leidt tot de Warmtekaart. • Daarnaast voert het model een analyse uit die de gebouwendatabase doorzoekt op de meest kansrijke gebouwen om de slag te voor de ontwikkeling van een warmtenet in een gemeente op basis van een vooraf ingesteld filter. Deze analyse leidt tot de Kansenkaart. Samen met stakeholders kan het filter indien nodig aangepast worden. Zie figuur 14 voor een schematische weergave van het modelontwerp.
Kengetallen en uitgangspunten
Openbare databronnen
MODELONTWERP Het Warmtetransitiemodel is een op GIS gebaseerd model dat geschreven is in Python 3. Het model maakt voornamelijk gebruik van de ArcPy library en maakt daarnaast gebruik van enkele PostGIS-libraries. De basis voor het modelontwerp is een database van gebouwen. Deze database is gebaseerd op de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) van het Kadaster2. Deze gebouwendatabase is verrijkt met gegevens uit verschillende bronnen. Ook is informatie toegevoegd op basis van kengetallen. De gebouwendatabase bevat zodoende van ieder gebouw in Nederland informatie over onder andere: • Bouwjaar en gebouwtype • Buurtkenmerken, zoals dichtheid en eigendomssituatie • Gemodelleerd energieverbruik en energieprestatie, gevalideerd met werkelijke verbruiksgegevens • Investeringsbandbreedtes voor verschillende bouwkundige en energetische maatregelen • Bandbreedtes van de potentiele besparing en de onderhoudskosten. 2
Meer informatie: https://www.geobasisregistraties.nl/basisregistraties/adressen-en-gebouwen
ACM Essent/ Eneco/ Vattenfall Regionale netbeheerders
Bron Wijk- en Buurtkaart Basisregistratie Adressen en Gebouwen Basisregistratie Topografie (TOP10NL) Basisregistratie Kadaster (eigendomsgegevens) Besluit maximumprijs levering warmte 2019
Open Data Netbeheerders (kleinverbruiksdata)
Over Morgen
Modelontwerp, brondata en kengetallen Het Warmtetransitiemodel maakt zoveel mogelijk gebruik van openbare brondata uit betrouwbare bron. Daarnaast maakt het model gebruik van verschillende kengetallen om warmteopties te berekenen. Brondata en kengetallen komen samen in het model dat volgens logische regels is ontworpen. Dit hoofdstuk gaat dieper in op de brondata, kengetallen, en het modelontwerp.
Bronhouder(s) CBS Kadaster
Database van gebouwde omgeving
Filter
Kansrijke gebouwen en gebieden om aan de slag te gaan met een warmtenet
Rekenregels
Laagste maatschappelijke transitiekosten per wijk of buurt
Figuur 19: Schematisch modelontwerp
BRONDATA Het Warmtetransitiemodel maakt vrijwel geheel gebruik van open data uit betrouwbare bronnen. Daarnaast kan het model worden aangevuld met eigendomsgegevens en aanvullende vastgoeddata van bijvoorbeeld woningcorporaties, gemeentes en grootverbruikers. De resultaten kunnen in de kaart gecombineerd worden met kaarten van stakeholders, zoals planningen in de openbare ruimte of investeringsmomenten van vastgoed.
Wat halen we eruit Buurtgeometrie Pandgeometrie Oppervlaktes Gebouwfuncties Bouwjaar Terreingeometrie (voor berekening bebouwingsdichtheid) Eigendomsgegevens Prijsinformatie gas en warmte Bestaande warmteleveringsgebieden Prijsinformatie elektriciteit Gasverbruiken op postcodeniveau ter validatie van gemodelleerde energieverbruiken Marktkennis investeringskosten en operationele kosten op basis van kosten kentallen getoetst aan gerealiseerde projecten.
Tabel 8: Overzicht van brondata
KENGETALLEN De gebouwendatabase wordt verrijkt met kengetallen over investeringskosten en operationele kosten en opbrengsten en een realistische besparingspotentie. Met deze kengetallen wordt de Warmtekaart berekend. Kengetallen worden bij woningbouw toegekend aan gebouwen op basis van een woningtype - en bouwjaarcombinatie. Dit wordt een sleuteltype genoemd (tabel 9 en 10). Bij utiliteitbouw gebeurt dit op basis van energielabel en functie. Als er geen energielabel aanwezig is dan wordt dit bepaald op basis van het bijhorende bouwjaar. Daarnaast maken we nog onderscheidt tussen voor- en naoorlogs vastgoed. Bij utiliteitsbouw worden alleen investeringskosten berekend. Het berekenen van de onrendabele top is bij utiliteit niet mogelijk, omdat het huidige verbruik niet bekend is en omdat de kosten, die gebruikers van utiliteit betalen voor energie sterk verschillen. De belangrijkste reden hiervoor is dat de energiebelasting, die betaald moet worden, sterk afhankelijk is van het gebruik. De kengetallen van het Warmtetransitiemodel zijn gebaseerd op technische en marktkennis van Over Morgen, aangevuld met kengetallen van commercieel beschikbare bouwkostendatabases. Op weg naar een aardgasvrije gebouwde omgeving
33
Gebouwtype Rijwoning Twee-onder-een-kapwoning Vrijstaande woning Meergezinswoning Utiliteitsbouw
Tabel 9: Combinaties van bouwjaarklassen en woningtypen vormen sleuteltypen in het Warmtetransitiemodel bij woningen
Bouwjaarklassen < 1945 1946-1973 1974-1981 1982-1992 1993-1999 2000-2003 2004-2005 > 2005
Energielabel G G F E D C B A
Functie Kantoren Winkels Gezondheidszorg Onderwijs Logies Sport Bijeenkomst
Tabel 10: Sleuteltypen voor utiliteitsbouw worden bepaald door combinaties van afgemelde energie
B De Warmtekaart: technisch-financiële analyse van BIJL AGE
Bouwjaarklassen <1920 1920-1950 1950-1975 1975-1990 1990-2005 ≥2005
warmteopties per buurt
Het Warmtetransitiemodel berekent per wijk of buurt (CBS-wijk/buurt of postcodebuurt3) wat de totale maatschappelijke kosten zijn van warmteopties voor woningen. De verschillende kosten van de opties worden naast elkaar gelegd en vergeleken. De resultaten van deze analyse worden gevisualiseerd in de Warmtekaart. Aan het Warmtetransitiemodel ligt een afwegingskader ten grondslag. Dat betekent dat er al afwegingen hebben plaatsgevonden over de geschiktheid van warmteopties voordat deze worden berekend door het Warmtetransitie model. Dit hoofdstuk gaat eerst in op verschillende bouwkundige en installatietechnische aanpassingen op gebouwniveau, die randvoorwaarde zijn voor de warmtetransitie. Daarna worden de warmteopties besproken, en daarna wordt de afweging van warmteopties besproken.
Onder eengezinswoningen wordt verstaan rijwoningen, twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen. Meergezinswoningen zijn bijvoorbeeld galerijflats, portiekflats en portiekwoningen. Gemiddeld oppervlak m2
Gemiddeld gasverbruik m3
Gemiddelde warmtevraag ruimteverwarming kWh/m2
170 135 125 130 145 155 120
1920 1800 1630 1390 1180 990 -
90 105 95 75 60 45 30
Meergezinswoningen < 1920 85 ≥ 1920 - 1950 80 ≥ 1950 - 1975 75 ≥ 1975 - 1990 70 ≥ 1990 - 2005 90 ≥ 2005 90 Nieuwbouw 70
1240 1180 1120 840 790 670 -
95 95 90 70 50 40 25
1470
80
Eengezinswoningen < 1920 ≥ 1920 - 1950 ≥ 1950 - 1975 ≥ 1975 - 1990 ≥ 1990 - 2005 ≥ 2005 Nieuwbouw
Woningaanpassingen Woningaanpassingen afhankelijk van het temperatuurniveau Het is in principe altijd nodig om de warmtevraag van gebouwen en woningen te beperken. Enerzijds om woningen geschikt te maken voor duurzamere warmtebronnen die doorgaans een lagere temperatuur leveren dan aardgasverwarming, en anderzijds om schaarse warmtebronnen efficiënter te benutten (meer woningen per bron).
labels en gebruiksfuncties. Indien labels niet bekend zijn, worden bouwjaarklassen gebruikt om een label te berekenen.
De warmtevraag voor ruimteverwarming van een woning, hierna uitgedrukt in kilowattuur per vierkante meter gebruiksoppervlak (kWh/m2), wordt bepaald door de mate van isolatie, kierdichting en het ventilatiesysteem. De temperatuur die een woning nodig heeft om op de koudste dag van het jaar comfortabel warm te krijgen hangt hier voor een groot deel mee samen. Hoe beter de isolatie, kierdichting en hoe efficiënter het ventilatiesysteem, hoe geschikter de woning is om met een lagere temperatuur te kunnen verwarmen. In bestaande woningen moet daarnaast in een aantal gevallen radiatoren worden vervangen, om verwarming op een lagere temperatuur mogelijk te maken. Dit is niet op voorhand op woningniveau met zekerheid vast te stellen. De gemiddelde huidige warmtevraag per jaar voor ruimteverwarming in Nederland is circa 80 kWh/m2 voor woningen. De warmtevraag voor ruimteverwarming is sterk afhankelijk van het bouwjaar. In tabel 11 staat de gemiddelde warmtevraag voor eengezinswoningen en meergezinswoningen. Deze tabel is gebaseerd op data over het werkelijke gasgebruik op postcodeniveau (Open Data Netbeheerders). Voor warmtapwater is de warmtevraag ca. 15-20 kWh/m2. Met name bij de woningvoorraad gebouwd voor 1990 is er nog een grote besparingspotentie.
34
Wonen in Landsmeer zonder aardgas - Transitievisie Warmte
Nederlands gemiddelde
115
Tabel 11: Gemiddelde warmtevraag ruimteverwarming van woningen in Nederland gerelateerd aan bouwjaar.
3
Meer informatie: https://www.geobasisregistraties.nl/basisregistraties/adressen-en-gebouwen
Op weg naar een aardgasvrije gebouwde omgeving
35
De bestaande woningenvoorraad kunnen we grofweg opdelen in vier niveaus van isolatie: 1. Woningen met slechte of onvoldoende isolatie (80 kWh/m2 of hoger). Er is een hoge temperatuur van ca. 90°C nodig om op de koudste dagen deze woningen comfortabel warm te stoken. 2. Woningen die een minimumisolatieniveau hebben bereikt (65-80 kWh/m2). Bij het minimumniveau kunnen woningen comfortabel verwarmd worden met een maximumtemperatuur van 70°C (middentemperatuur). Het kan wel voorkomen dat er een aantal radiatoren vervangen moet worden voordat deze woningen daadwerkelijk met 70°C kunnen worden verwarmd. 3. Woningen die een basisisolatieniveau hebben bereikt (50-65 kWh/m2). Bij een basisniveau kan de woning zowel comfortabel worden verwarmd met een maximumtemperatuur van 70°C als met 40°C (laagtemperatuur) mits er een aantal beperkte, aanvullende maatregelen is genomen. De woning is daarmee toekomstbestendig en geschikt voor meerdere alternatieve verwarmingstechnieken. Woningen die reeds op dit niveau zitten zijn woningen gebouwd tussen 1990 en 2005. 4. Woningen met een hoog isolatieniveau en voorzien van een energiezuinig ventilatiesysteem (20-50 kWh/m2). Deze woningen zijn daarmee zeer geschikt om comfortabel te verwarmen met een maximumtemperatuur van 40°C. Dit zijn recent gebouwde woningen na 2005 en woningen die nog gebouwd gaan worden de komende jaren.
Bij aanpassing van de bestaande bouw tot dit niveau moeten vaak de radiatoren worden vervangen. Naast isolatie zijn er aanvullende gebouwgebonden maatregelen nodig om de woning te verduurzamen en geschikt te maken voor duurzame verwarming: • Elektrisch koken, zoals inductiekoken • Kierdichting • Voldoende (mechanische) ventilatie Voor warm tapwater geldt dat voor het veilig kunnen gebruiken van warm tapwater er met de huidige stand van de techniek en regelgeving een temperatuur van minimaal 55°C bij het tappunt nodig is. Om deze temperatuur te kunnen garanderen moet het opweksysteem in praktijk een temperatuur van 60-70°C kunnen leveren. Als de aanvoertemperatuur onvoldoende hoog is, moet er dus een aanvullende voorziening komen in de woning voor het opwekken of het boosten van de warmte voor warm tapwater.
36
Wonen in Landsmeer zonder aardgas - Transitievisie Warmte
Samenvattend kan het volgende gesteld worden over de isolatieniveaus van woningen: • Om een woning met 90°C (hoogtemperatuur) te kunnen verwarmen zijn geen aanpassingen nodig. • Om een woning comfortabel met 70°C (middentemperatuur) te kunnen verwarmen, moet dus het minimum- of basisolatieniveau bereikt zijn (50-80 kWh/m2) • Om een woning comfortabel met 40°C (laagtemperatuur) te kunnen verwarmen, moet een basis- of hoog isolatieniveau bereikt zijn (20-65 kWh/m2).
Basisisolatieniveau Tabel 13 geeft ter indicatie de maatregelen die genomen moeten zijn voor een basisisolatie niveau (50-65 kWh/m2). Bij alle isolatiemaatregelen geldt dat maximaal technisch geïsoleerd moet worden zonder dat onderdelen van de woning geheel vervangen hoeven te worden. Op het gebied van isolatie zitten alle woningen gebouwd na 1990 op dit niveau.
Minimumisolatieniveau Tabel 12 geeft ter indicatie per bouwjaar de maatregelen die genomen moeten zijn voor een minimumisolatieniveau (65-80 kWh/m2). Bij alle isolatiemaatregelen geldt dat maximaal technisch geïsoleerd moet worden zonder dat onderdelen van de woning geheel vervangen hoeven te worden. De isolatiewaarde die behaald kan worden is dus sterk situatieafhankelijk, omdat alle woningen anders zijn. Op het gebied van isolatie zitten alle woningen gebouwd na 1990 en een deel gebouwd tussen 1975 en 1990 al vanaf het jaar dat ze gebouwd zijn op dit minimumniveau.
Alle woningtypes < 1920 ≥ 1920 - 1950
Vloer Eengezinswoningen < 1920 ≥ 1920 - 1950 ≥ 1950 - 1975 ≥ 1975 - 1990
Gevel
Kozijnen en glas
Dak
≥ 1950 - 1975 ≥ 1975 - 1990
Gevel
Kozijnen en glas
Dak
Kruipruimte Isolatie isoleren indien binnenzijde aanwezig Spouw (na)isoleren
Minimaal HR glas
Dak (na)isoleren
Voldoet
Voldoet
Voldoet
Voldoet
≥ 1990 - 2005 ≥ 2005 Tabel 13: Indicatie basisniveau maatregelen per bouwjaar.
Kruipruimte Geen spouw isoleren indien aanwezig Spouw Isoleren
Minimaal HR++ Dak isoleren glas Minimaal dub- Voldoet bel glas
Voldoet
Voldoet
Voldoet
Geen spouw Spouw Isoleren
Minimaal HR++ Dak isoleren glas Minimaal dubbel glas
Voldoet
Voldoet
≥ 1990 - 2005 ≥ 2005 Meergezinswoningen < 1920 Kruipruimte ≥ 1920 - 1950 isoleren indien aanwezig ≥ 1950 - 1975 ≥ 1975 - 1990 Voldoet ≥ 1990 - 2005 ≥ 2005
Vloer
Voldoet
Hoog isolatieniveau In 2050 zal ook een deel van de voorraad een hoog isolatieniveau hebben. Het grootste deel daarvan moet nog gebouwd worden de komende 30 jaar. Alle huidige en toekomstige nieuwbouw voldoet namelijk aan dit niveau. Het is de landelijke ambitie om jaarlijks 75.000 nieuwe woningen in Nederland bij te bouwen. Van de bestaande bouw zal maar een beperkt deel op dit niveau worden gebracht is de verwachting. Om dit niveau te kunnen halen moeten er namelijk grote en kostbare ingrepen gedaan worden aan de schil. Dit is voor veel huizenbezitters niet betaalbaar, technisch niet altijd mogelijk en ook niet altijd efficiënt vanuit het oogpunt van circulariteit. In gevallen dat er veel achterstallig onderhoud is en de kozijnen en het dak volledig vervangen moeten worden, kan het wel raadzaam zijn om deze optie te onderzoeken.
Welke warmteopties zijn afgewogen In het model worden twee warmteopties afgewogen, die op basis van de huidige stand van de techniek realistisch zijn voor het aardgasvrij maken van een buurt: • Een collectieve warmteoplossing, met een middentemperatuur warmtenet in de wijk. • Een all-electric oplossing met een warmtepomp per gebouw of woning. • Het bestaande aardgasnet blijft (voorlopig nog) liggen.
Middentemperatuur warmtenet Een middentemperatuur warmtenet levert warmte van circa 70°C aan woningen en gebouwen. Alle woningen, die worden aangesloten moeten dus het minimum- of basisolatieniveau hebben bereikt (50-80 kWh/m2). Het warmtenet kan dus naast warmte voor ruimteverwarming ook direct warmte voor warm tapwater leveren. De bron en bijhorende opwekinstallatie waarmee dit net wordt gevoed is sterk afhankelijk van de locatie en de schaalgrote van het afzetgebied. Het Warmtetransitiemodel analyseert niet de beschikbaarheid van bronnen in een buurt, maar veronderstelt dat er altijd voldoende bronnen zijn. De potentiële bronnenmix in een gebied moet dus apart gevalideerd worden. Het verdient hier de opmerking dat een 70˚C-warmtenet wel degelijk kan starten als een warmtenet dat tijdelijk gevoed wordt door bronnen van 90˚C, bijvoorbeeld door een tijdelijke gasketel in de wijk, met een biomassacentrale of als er hoogtemperatuur restwarmte beschikbaar is. Vastgoedeigenaren hebben dan de tijd om hun gebouwen te isoleren en het warmtenet kan dan dus sneller groeien. De kosten voor de infrastructuur van een warmtenet bestaan uit de aanleg van de hoofdleiding naar de wijk, de wijkinfrastructuur en onderstations en het aansluiten van de woning inclusief het plaatsen van een afleverset.