_Ruimtelijke_onderbouwing_15_maart_2021
Tekst van het document
Ruimtelijke Onderbouwing Noordeinde 160 Landsmeer
Gemeente Landsmeer
15 maart 2021
Inhoud: 1.
Inleiding ........................................................................................................................................... 4 1.1
2.
Geldende planologische situatie ..................................................................................................... 5 2.1
3.
4.
Omgevingsvergunning ............................................................................................................. 5
Analyse van het plangebied ............................................................................................................ 6 3.1
Bestaande situatie ................................................................................................................... 6
3.2
Karakter van de omgeving ....................................................................................................... 7
3.3
Stedenbouwkundige uitgangspunten ..................................................................................... 7
3.4
Verkeer en Parkeren................................................................................................................ 7
Beleid ............................................................................................................................................... 9 4.1
Rijksbeleid................................................................................................................................ 9
4.1.1
Nationale Omgevingsvisie (Novi) .................................................................................... 9
4.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) ..................................................... 9
4.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking ............................................................................ 9
4.2
Provinciaal beleid .................................................................................................................. 10
4.2.1
Omgevingsvisie NH 2050 ............................................................................................... 10
4.2.2
Omgevingsverordening NH2020 ................................................................................... 10
4.3
5.
Aanleiding en doel ................................................................................................................... 4
Gemeentelijk beleid .............................................................................................................. 11
4.3.1
Goed wonen in Landsmeer, Woonvisie 2016-2024 ....................................................... 11
4.3.2
Welstandsnota Landsmeer ............................................................................................ 11
Omgevingsaspecten ...................................................................................................................... 12 5.1
Natuur.................................................................................................................................... 12
5.1.1
Gebiedsbescherming ..................................................................................................... 12
5.1.2
Soortbescherming .......................................................................................................... 12
5.2
Bodem ................................................................................................................................... 13
5.3
Geluid .................................................................................................................................... 14
5.4
Luchtkwaliteit ........................................................................................................................ 14
5.4.1
Besluit niet in betekenende mate (NIBM)...................................................................... 14
5.5
Externe veiligheid .................................................................................................................. 15
5.6
Milieuzonering....................................................................................................................... 15
5.7
Water ..................................................................................................................................... 16
5.7.1
Verharding en compenserende maatregelen ................................................................ 16
5.7.2
Waterkwaliteit ............................................................................................................... 16
5.8
6.
Cultuurhistorie en archeologie .............................................................................................. 17
5.8.1
Cultuurhistorie ............................................................................................................... 17
5.8.2
Archeologie .................................................................................................................... 17
5.9
Belemmeringen ..................................................................................................................... 18
5.10
Duurzaamheid ....................................................................................................................... 18
5.11
Milieueffectrapportage (MER) .......................................................................................... 18
Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid .................................................................... 19 6.1
Algemeen............................................................................................................................... 19
6.2
Grondexploitatie (economische uitvoerbaarheid) ................................................................ 19
6.3
Afweging (maatschappelijke uitvoerbaarheid) ..................................................................... 19
Bijlagen: Bijlage 1:
Verkennend onderzoek natuur
Bijlage 2:
Berekening stikstofdepositie
Bijlage 3:
Verkennend bodemonderzoek
Bijlage 4:
Watertoets
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding en doel
Op het perceel Noordeinde 160 in Landsmeer is in de huidige situatie een gedateerde woning aanwezig welke zal worden gesloopt. Het plan is om op het perceel een nieuwe woning te bouwen en deze woning zal naar achteren worden verplaatst. De woning wordt op een afstand van 15 meter vanaf de straat geplaatst. De welstandscommissie is akkoord met de ontwikkeling van het plan. Aan de achterzijde van het perceel staat een schuur en er is een boothuis langs de noordelijk gelegen waterloop aanwezig. Dit bestaande boothuis zal worden vervangen.
Planlocatie
In deze Goede Ruimtelijke Onderbouwing (GRO) wordt gemotiveerd dat het mogelijk is om de ontwikkeling van het plan uit te voeren. De GRO maakt onderdeel uit van de aanvraag omgevingsvergunning voor dit bouwplan.
4
2.
Geldende planologische situatie
2.1
Omgevingsvergunning
De bouw van een nieuwe woning is in strijd met het geldende bestemmingsplan “Het Lint 2015 waarin het perceel de bestemming ‘Wonen - 2’ heeft met een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1 en 2’.
Verbeelding vigerend bestemmingsplan
De reden is dat door de verplaatsing van de woning deze buiten het bestaande bouwvlak wordt geplaatst. Dit is in strijd met het vigerende bestemmingsplan en en daarom moet een ruimtelijke procedure worden doorlopen. Om de bouw van een nieuwe woning mogelijk te maken is het doorlopen van een afzonderlijke planologische procedure noodzakelijk. Dit initiatief kan mogelijk worden gemaakt via een omgevingsvergunning ex artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), een buitenplanse afwijking. De vervanging van het boothuis is niet strijdig met het vigerende bestemmingsplan.
5
3.
Analyse van het plangebied
3.1
Bestaande situatie
Het plangebied is gelegen in het dorpslint langs het Noordeinde in Landsmeer. Op het perceel is een woning aanwezig die in vervallen staat verkeerd en niet meer voldoet aan de eisen van deze tijd. Aan de achterzijde van de bestaande woning is een grote tuin aanwezig met een schuur en langs de noordelijk gelegen waterloop is een boothuis gerealiseerd. Aan het Noordeinde is heel veel verschillende bebouwing aanwezig met veel verschillende functies, zoals woningen, winkels, bedrijven en maatschappelijke voorzieningen. Het Noordeinde vormt een verbindingsweg tussen Den Ilp en Landsmeer.
Planomgeving
Bron: Google Maps
6
3.2
Karakter van de omgeving
Ondanks dat de planlocatie in een geheel verstedelijkte omgeving is gelegen, is het karakter van de vroegere ontginningsas langs het Noordeinde nog wel goed herkenbaar in het straatbeeld. Langs de smalle weg is een mix van oude- en nieuwe woningen aanwezig, waaronder ook woningen met een karakteristieke Zaanse uitstraling. Loodrecht op deze as zijn evenwijdig aan elkaar lopende sloten gegraven en aan de noordzijde van de planlocatie is nog een brede sloot aanwezig. Aan de achterzijde van de planlocatie is een grote waterplas aanwezig, de Kerkebreek. Dit water is gelegen tussen de lintbebouwing van Landsmeer en natuur-en recreatiegebied het Twiske.
3.3
Stedenbouwkundige uitgangspunten
De nieuwe woning op Noordeinde 160 krijgt een modern uiterlijk en kan getypeerde worden als een “schuurwoning”. Door de woning naar achteren te plaatsen op het perceel wordt er een samenhang aangebracht met de woningen langs het lint. Er is als het ware een scheiding aanwezig tussen de vroegere woon- en werkzone. Door het materiaalgebruik is de woning passend bij de overige bebouwing in het lint. Het pand krijgt een moderne en toch karakteristieke uitstraling met een luxe uitstraling.
Ontwerp nieuwe woning
3.4
Verkeer en Parkeren
Op de planlocatie zullen aan de rechterzijde van de woning parkeerplaatsen worden aangelegd. In de Mobiliteitsvisie Landsmeer staat opgenomen dat voor parkeereisen de CROW-normen leidend zijn. Het betreft hier de vervanging van een bestaande woning. Voor een vrijstaande woning (rest bebouwde kom, matig stedelijk) moeten volgens de CROW-
7
norm 2,3 parkeerplaatsen worden aangelegd. Het perceel aan Noordeinde is voldoende groot om parkeren op eigen terrein mogelijk te maken.
8
4.
Beleid
4.1
Rijksbeleid
4.1.1
Nationale Omgevingsvisie (Novi)
In de Nationale Omgevingsvisie wordt een langetermijnvisie voor de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland aangegeven. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland veranderen en de visie is bedoeld om het land mooier te maken en voort te bouwen op de het bestaande landschap en de steden. De Novi is op 11 september 2020 vastgesteld en op 15 september 2020 in werking getreden. In de visie wordt een integrale aanpak voorgesteld, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties en met meer regie vanuit het Rijk. Met een zorgvuldige afweging van belangen wordt er gewerkt aan de onderstaande prioriteiten: • • • •
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Zowel op de korte- al lange termijn zijn maatregelen nodig om de bovengenoemde prioriteiten te bewerkstelligen. Deze maatregelen zullen in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Vanuit het Rijk zal hier de regie over worden gevoerd. Conclusie: Voor het plan heeft de Novi geen directe consequenties. 4.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Bij het vaststellen van ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met het Barro, inclusief de wijzigingen. Conclusie: De in het Barro opgenomen regelingen hebben geen consequenties voor deze ruimtelijke onderbouwing. 4.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. De ladder is opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het is een verplichte motivering die moet worden opgenomen bij ieder plan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De realisatie van een nieuwe woning valt conform de ladder niet onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling (meer dan 11 woningen). De bouw van de nieuwe woning vindt plaats binnen Bestaand Stedelijk Gebied (BSG) en dit is de reden dat alleen de behoefte voor het plan moet worden gemotiveerd.
9
Uit cijfers van Provincie Noord-Holland (Monitoring woningbouw 2020) blijkt dat er in- en rond Amsterdam tot 2040 voldoende capaciteit is om in de woningbehoefte te voorzien, maar dit bestaat merendeels uit potentiële plannen. Om in de woningbehoefte te kunnen voorzien is het van belang dat een deel van deze plannen op korte termijn worden ontwikkeld. Het aantal verleende bouwvergunningen is vanaf 2015 gedaald en blijft de laatste twee jaar gelijk en dit geldt waarschijnlijk ook voor de nieuwbouwproductie. Dit is gezien de woningbehoefte geen gewenste ontwikkeling. Door de ontwikkeling op Noordeinde 160 van een vrijstaande woning wordt voorzien in de woningbouwbehoefte, zowel in kwantiteit, maar ook het type woning. Het realiseren van een vrijstaande woning zorgt voor een gevarieerde samenstelling aan bewoners. Dit bevordert de sociale cohesie en is belangrijk voor de leefbaarheid. Conclusie: De ontwikkeling van één woning voldoet aan een behoefte en daarmee aan de ladder.
4.2
Provinciaal beleid
4.2.1
Omgevingsvisie NH 2050
Op 19 november 2018 is door Provinciale Staten van Noord-Holland de Omgevingsvisie NH2050 vastgesteld. De hoofdambitie binnen deze visie is om de leefomgeving af te stemmen op de economische groei. Er wordt uitgegaan van de sturingsfilosofie ‘lokaal wat kan, regionaal wat moet’. Belangrijk hierbij zijn de ambities voor: • een gezonde- en veilige basiskwaliteit van de leefomgeving; • het faciliteren van ruimtelijke ontwikkelingen onder voorwaarde van behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit; • volledig klimaatneutraal in 2050, gebaseerd op een maximale inzet of opwekking van hernieuwbare energie. De planlocatie is gelegen binnen de Metropoolregio Amsterdam. In de Omgevingsvisie staat vermeld dat door de grote economische dynamiek er vooral woon- en werklocaties in dit deel van Amsterdam nodig zijn. Het is nodig om hierin te investeren. Daarbij moet zorgvuldig worden omgegaan met het metropolitane landschap. Door de ontwikkeling van het plan aan het Noordeinde wordt een nieuwe woning gerealiseerd, binnen een stedelijke omgeving en dicht bij vele voorzieningen. Tevens vindt een kwalitatieve verbetering plaats van de stedenbouwkundige kwaliteit op het perceel door de realisatie van een nieuwe woning. De bouw van de woning is in overeenstemming met de Omgevingsvisie.
Conclusie: Het vervangen van de woning op de planlocatie is in overeenstemming met het provinciale beleid. 4.2.2
Omgevingsverordening NH2020
De Omgevingsverordening is vastgesteld op 22 oktober 2020 door Provinciale Staten en is in werking getreden per 16 november 2020. De verordening schrijft voor waaraan de inhoud
10
van (gemeentelijke) ruimtelijke plannen, zoals de voorliggende ruimtelijke onderbouwing, moet voldoen. Bij bouwen in het landelijk gebied speelt de provincie een belangrijke rol, maar voor het bouwen in stedelijk gebied is de gemeente het eerste aanspreekpunt. De realisatie van de woning vindt plaats binnen stedelijk gebied. Dit betekent dat de voorwaarde in de Omgevingsverordening niet van toepassing zijn op dit plan. Conclusie: Het is mogelijk om binnen de regels van de Omgevingsverordening het plan te ontwikkelen.
4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1
Goed wonen in Landsmeer, Woonvisie 2016-2024
Met de woonvisie geeft de gemeente een kader aan voor beslissingen op het gebied van wonen en woningbouw tot en met 2024. Als kernpunten komen in de visie onder andere naar voren: • verhoging van de dynamiek op de woningmarkt (doorstroming); • creëren van een vraaggericht woningaanbod; • vooral bouwen op inbreidingslocaties gericht op de groen en waterrijke omgeving; • het realiseren van het veiligheidsgevoel van inwoners. Door de vervanging van de woning op het perceel Noordeinde 160 wordt voldaan aan een aantal kernpunten in de woonvisie. De woning wordt ingebreid op een locatie in het dorplint, er is sprake van vraaggericht bouwen, het zorgt voor doorstroming en door een nieuwe woning op het perceel verbetert het woonklimaat rond de locatie waardoor het veiligheidsgevoel ook toeneemt. Conclusie: Het is mogelijk om binnen de regels van de Woonvisie het plan te ontwikkelen 4.3.2
Welstandsnota Landsmeer
Het doel van het welstandstoezicht is een bijdrage te leveren aan de beeldkwaliteit en de aantrekkelijkheid van Landsmeer. Het welstandsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid om de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden die in een bepaald gebied aanwezig zijn te benoemen en een rol te laten spelen bij de ontwikkeling en de beoordeling van bouwplannen. De welstandscommissie heeft de ontwikkeling van het plan beoordeeld op grond van de gebiedsgerichte criteria uit de gemeentelijke welstandsnota, deelgebied ‘A1, Dorpscentrum Landsmeer’. De commissie is akkoord met de verplaatsing en ontwikkeling van de nieuwe woning. Belangrijk hierbij is dat de parkeerplaatsen aan de rechterzijde van de woning worden gerealiseerd en aan de voorzijde een open situatie blijft met een tuininrichting.
11
5.
Omgevingsaspecten
5.1
Natuur
In het onderzoek naar natuurwaarden zijn de effecten van de voorgenomen ingreep getoetst aan het beleid, wet- en regelgeving in het kader van de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. In het kader van de Wet Natuurbescherming kunnen de volgende stappen worden onderscheiden voor het toetsen van een plangebied: a. vaststellen of sprake is van beschermde gebieden in of nabij het plangebied; b. vaststellen of de ruimtelijke ontwikkeling effect heeft op natuur. Door Ecologisch Advies Bureau Limosa is een verkennend onderzoek natuur uitgevoerd (bijlage 1) op de planlocatie en door Hedgehog Company is een Aeriusberekening uitgevoerd (bijlage 2). 5.1.1
Gebiedsbescherming
Al jaren is er in Natura 2000-gebieden een overschot aan stikstof (ammoniak en stikstofoxiden). Door bijvoorbeeld mest van landbouwbedrijven en uitstoot door industrie en auto's. Dit is schadelijk voor de natuurgebieden. Per Natura 2000 gebied is in beheerplannen aangegeven welke habitattypen gevoelig zijn voor (overmatige) stikstofdepositie en welke afspraken hierover zijn vastgelegd. Alleen als de hoeveelheid laag genoeg is (onder de gestelde drempelwaarde van 0,0 kg/jr.), zijn nieuwe activiteiten met stikstofuitstoot mogelijk. Voor de ontwikkeling van het plan aan het Noordeinde 160 geldt dat het mogelijk is dat er stikstofdepositie plaatsvindt richting Natura 2000 gebieden. De dichtstbijzijnde gebieden Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twikse liggen op een afstand van 333 meter. Binnen dit planvoornemen zijn de sloop- en bouwwerkzaamheden van het plan aan te merken als tijdelijke stikstofbronnen voor de omgeving en de omliggende Natura 2000gebieden. Om te bepalen wat de gevolgen zijn voor de stikstofdepositie van dit plan zijn de bouwwerkzaamheden geïnventariseerd. Uit de Aeriusberekening (bijlage 2) blijkt dat de nabijgelegen Natura 2000 gebieden geen overschrijding verkrijgen door (extra) stikstofdepositie. Aan de hand van de gehanteerde ‘worst case’ benadering zijn er binnen Natura 2000 gebieden geen rekenresultaten hoger van de 0,00 mol/ha/j.
Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van natuurlijke habitats en soorten. Voor deze ontwikkeling is daarom geen vergunning op grond van de Wet Natuurbescherming nodig. 5.1.2
Soortbescherming
Planten Er zijn binnen het plangebied geen beschermde soorten en Habitats aangetroffen. Deze worden ook niet verwacht. Om deze redenen bestaan er geen verplichtingen vanuit de Wet natuurbescherming en is aanvullend onderzoek of een ontheffing niet nodig. 12
Vogels Er zijn binnen het perceel geen sporen van vogels met een vaste- of jaarrond beschermde- of tijdelijke verblijfplaatsen van vogels aangetroffen. Deze worden ook niet verwacht. Om deze redenen bestaan er geen verplichtingen vanuit de Wet natuurbescherming en is aanvullend onderzoek of een ontheffing niet nodig. Zoogdieren De aanwezigheid van beschermde zoogdieren binnen het perceel is uitgesloten. Anders dan de algemene zorgplicht (zie laatste alinea van dit hoofdstuk) bestaan er vanuit de Wet natuurbescherming en vanuit N2000 geen verplichtingen ten aanzien van zoogdieren en is aanvullend onderzoek of een ontheffing niet nodig. Vissen De aanwezigheid van beschermde vissoorten binnen het perceel is uitgesloten. Anders dan de algemene zorgplicht (zie laatste alinea van dit hoofdstuk) bestaan er vanuit de Wet natuurbescherming en vanuit N2000 geen verplichtingen ten aanzien van vissen. Vleermuizen De aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen binnen het perceel kan worden uitgesloten. De essentiële vliegroutes (langs bomen rij en over rechte watergangen) liggen naast het perceel. Anders dan de algemene zorgplicht (zie laatste alinea van dit hoofdstuk) bestaan er vanuit de Wet natuurbescherming en vanuit N2000 geen verplichtingen ten aanzien van vleermuizen.
5.2
Bodem
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening is een onderzoek noodzakelijk naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. In dit geval wijzigt de bestemming niet, maar wordt er een nieuwe woning gebouwd. Daarom is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Back Milieu- advies en onderzoek B.V. (bijlage 3). Uit dit onderzoek blijkt: • Op basis van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek wordt de gestelde hypothese verdachte locatie voor NEN5740 aangenomen. De hypothese verdachte locatie voor NEN5707 (asbest) voor puinhoudende grond binnen het toekomstig bouwvlak wordt verworpen. • De grond is licht tot sterk verontreinigd met zware metalen en PAK. De sterke verontreinigingen betreffen koper en zink in de puinhoudende/sintelhoudende grond. De aangetroffen verontreinigingen zijn te relateren aan de bijmengingen in de bodem. • Het grondwater is niet noemenswaardig verontreinigd. • De aangetroffen verontreinigingen in de bodem op het terrein wijken niet af van de bodemkwaliteit zoals die in de omgeving bekend is en geven verder ook geen aanleiding tot nader onderzoek. Voor het gebruik van het terrein (wonen met tuin) zijn ondanks de aangetoonde verontreinigingen geen belemmeringen. Wel zal bij grondverzet ten behoeve van
13
toekomstige bouwwerkzaamheden een melding in het kader van het Besluit uniforme saneringen (een zogenaamde BUS-melding) moeten worden ingediend. Conclusie: Het onderdeel bodem staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
5.3
Geluid
De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer, door spoorwegverkeer en/of inrichtingen (industrielawaai) het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet Geluidhinder. Voor wegverkeer stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op geluidsgevoelige functies de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. Voor spoorwegverkeer mag de voorkeursgrenswaarde van 55 dB niet worden overschreden. Indien nieuwe geluidgevoelige of geluidbelastende functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle (spoor)wegen op een bepaalde afstand van de geluidgevoelige functie. Een woning is een geluidgevoelige functie in het kader van de Wet geluidhinder. In dit geval is de planlocatie gelegen binnen een 30 kilometerzone/woonerf en binnen een dergelijke zone geldt geen onderzoeksplicht voor wegverkeer. Bij een normale bouwuitvoering zal het binnen niveau in de woning ruimschoots voldoen aan het Bouwbesluit. Conclusie: Het onderdeel geluid staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
5.4
Luchtkwaliteit
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5 van de Wet Milieubeheer (Wm). De Wm bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide- en oxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Op grond van artikel 5.16 kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de verontreiniging van de buitenlucht. 5.4.1
Besluit niet in betekenende mate (NIBM)
In dit besluit is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Dit is onder meer het geval wanneer een plan een bijdrage aan de luchtkwaliteit heeft van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10). Het 3% criterium geldt sinds de vaststelling op 1 augustus 2009 van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Voor woningbouw geldt een grens van minder of gelijk aan 1500 (netto) woningen bij minimaal één ontsluitingsweg. In dit geval wordt de bijdrage aan de luchtkwaliteit voornamelijk bepaald door het realiseren van één nieuwe woning. Daarmee blijft het aantal
14
woningen ver beneden de gestelde norm van 1500. Dit betekent dat een toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege kan blijven. Conclusie: Het onderdeel luchtkwaliteit staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
5.5
Externe veiligheid
Externe veiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Het huidige beleid voor inrichtingen (bedrijven) is afkomstig uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het beleid voor transportmodaliteiten staat beschreven in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het beleid met betrekking tot buisleidingen is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) gaat over de kans om op een bepaalde plaats te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt doorgaans begrensd door de 1% letaliteitsgrens, ofwel door de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.
Bij de beoordeling van de verschillende externe veiligheidsaspecten van het plan aan het Noordeinde gaat het om de volgende risicobronnen: bedrijven waar handelingen met gevaarlijke stoffen worden uitgevoerd vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg/spoor transport van gevaarlijke stoffen door een buisleiding De conclusie van de beoordeling is: er zijn in de directe omgeving van de locatie geen bedrijven gelegen, waar handelingen met gevaarlijke stoffen worden uitgevoerd, waarvan de risicocontouren zich uitstrekken over het plangebied; er bevinden zich ook geen routes voor vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg in de nabijheid van het plangebied; het plangebied is niet gelegen binnen een invloedgebied van buisleidingen waardoor vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.
5.6
Milieuzonering
Een goede ruimtelijke ordening voorziet onder meer in het voorkomen van voorzienbare hinder door milieubelastende activiteiten. De bouw van een woning kan alleen worden gerealiseerd indien er wordt voldaan aan de milieutechnische bepalingen en de omliggende bedrijven niet wettelijk worden beperkt. 15
De publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is hierbij een belangrijk hulpmiddel. In de publicatie zijn richtlijnen opgenomen ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau, teneinde voorzienbare hinder door milieubelastende activiteiten te voorkomen. De VNG zorgt met deze richtlijnen dat nieuwe ontwikkelingen op een verantwoorde afstand van bedrijven en woningen worden gesitueerd. In dit geval is rond de planlocatie geen bedrijvigheid aanwezig, maar alleen particuliere woningen. De bouw van een nieuwe woning vormt geen belemmering voor de toekomstige ontwikkelingen van de omringende woningen. Conclusie: Door de uitvoering van het plan worden de omringende woningen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden beperkt.
5.7
Water
Via de Digitale Watertoets is aan het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) gevraagd een reactie te geven op het plan aan het Noordeinde 160 (zie bijlage 4). In dit advies staan de maatregelen opgenomen die HHNK adviseert om wateroverlast te voorkomen en het water in de sloten schoon te houden. Op basis van de door de aanvrager ingevoerde gegevens heeft HHNK aangegeven dat het plan van invloed is op de waterhuishouding/waterveiligheid en dat de normale procedure moet worden doorlopen. In het Waterprogramma 2016-2021 van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) zijn de programma’s en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen en deze zijn bepalend voor het waterbeleid binnen het beheersgebied van HHNK. Het Waterprogramma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken en is toegespitst op de thema’s waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Daarnaast beschikt HHNK over een verordening, de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op waterlopen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de waterlopen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. 5.7.1
Verharding en compenserende maatregelen
Het betreft de vervanging van een woning op de planlocatie. Er zal wellicht een toename aan verharding worden gerealiseerd, maar dit is minder dan 800 m². Dit betekent dat er geen compenserende maatregelen hoeven te worden getroffen in de vorm van waterberging. 5.7.2
Waterkwaliteit
Binnen het plan is geen sprake van activiteiten die tot gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd en worden geloosd op de waterlopen. Tenslotte wordt wel geadviseerd om het gebruik van uitloogbare materialen, zoals zink, lood en koper zoveel mogelijk te voorkomen.
16
5.8
Cultuurhistorie en archeologie
5.8.1
Cultuurhistorie
Landsmeer ligt in een waterrijk veenweidelandschap. De eerste bewoners van het gebied troffen natuurlijk gevormde veenstromen aan. Rond de 11e en 12e eeuw is de ontginning van het gebied gestart door het graven van sloten haaks op de ontginningsas, de veenstroom. Hierdoor ontstond de zo typerende strokenverkaveling. De bewoning bevindt zich in eerste instantie langs deze sloten. Aan het einde van de 15e eeuw is het land dusdanig ingeklonken dat het niet meer geschikt is voor akkerbouw. De bewoners trekken zich terug op de hoger gelegen veenkade, het huidige dorpslint van Landsmeer. Men zoekt naar een andere bron van inkomsten en stapt over van akkerbouw op de veeteelt. Doordat de gronden maar matig geschikt zijn voor de veeteelt heeft men een bijverdienste door de winning van turf. Door de verveningen is een sterk verbrokkeld landschap ontstaan met veel open water. Het bebouwingslint langs de veenkade groeide in de lengte, maar in de 18e eeuw komt er een gestage achteruitgang van het dorp op gang. In de tweede helft van de negentiende eeuw kwam de beschuitfabricage in de Zaanstreek op. Hierdoor nam de vraag aan eenden- en kippeneieren als grondstof toe. In Landsmeer leidde dit tot een explosieve uitbreiding van het aantal pluimveehouderijen op de lange smalle kavels achter de lintbebouwing. Een groot aantal schuren en loodsen is nu nog aanwezig.
Na de aanleg van de Coen- en IJtunnel (jaren 60-80) kwamen er veel Amsterdammers in Landsmeer wonen. Op de planlocatie aan het Noordeinde 160 zullen door de vervanging van de woning geen cultuurhistorische waarden worden aangetast, want de verkaveling en het slotenpatroon blijven ongewijzigd. De historische uitstraling van het perceel blijft hierdoor gehandhaafd. Conclusie: Bij de ontwikkeling van het plan zijn de cultuurhistorische waarden gewaarborgd. 5.8.2
Archeologie
Op de planlocatie is een beschermingsregime aanwezig voor archeologische waarden (dubbelbestemming Archeologie-1). Het is verboden om de bodem te verstoren met een oppervlakte groter dan 50 m² en dieper dan 0,35 meter. In dit geval wordt de bestaande woning gesloopt en hier is de bodem al geroerd. Door de sloop zullen geen archeologische waarden worden aangetast. De nieuwe woning wordt 15 meter naar achter geplaatst, maar op de nieuwe bouwlocatie is de bodem ook geroerd. Gedeeltelijk is er bebouwing aanwezig en de verwachting is dat de tuin intensief is bewerkt. Op basis van de (relatief) geringe omvang van het plangebied en de verstoring van het bodemarchief ter plaatse door de vervanging van de woning is de verwachting dat er geen archeologische waarden op het perceel worden aangetast. Conclusie: Op het perceel is een beschermingsregime voor archeologische waarden aanwezig, maar door de ontwikkeling van het plan zullen geen archeologische waarden worden aangetast.
17
5.9
Belemmeringen
Voor zover bekend bevinden zich binnen het plangebied alleen huisaansluitingen voor water, elektriciteit en datatransport ten behoeve van de aanwezige bebouwing. Geen sprake is van de aanwezigheid van hoofdtransportleidingen. Bovengronds zijn ervoor zover bekend geen beperkingen.
5.10 Duurzaamheid Bij de ontwikkeling van het plan aan het Noordeinde wordt de nieuwe woningen gasloos uitgevoerd. Om de woningen te verwarmen wordt gekozen voor een duurzame oplossing. Uiteraard wordt bij de bouw van de woningen rekening gehouden met de isolatiewaarden van het pand en mogelijkheden om zelf energie op te wekken.
5.11 Milieueffectrapportage (MER) Een m.e.r.- beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te bepalen of er bij een voorgenomen activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De Europese Unie heeft in de richtlijn m.e.r. (2011/92/EU) aangegeven bij welke activiteiten er zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige gevolgen. Deze activiteiten zijn door de Nederlandse regering overgenomen en verwerkt in onderdeel C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.), Voor activiteiten in onderdeel C geldt direct een m.e.r.-plicht. Voor activiteiten in onderdeel D is het niet zeker of er belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Of een bepaalde activiteit in een bepaalde omvang belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben, is afhankelijk van het soort activiteit, de omvang daarvan en het type procedure. De drempelwaarden waarbij een m.e.r.-plicht aan de orde is, zijn vastgelegd in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Op voorliggend plan is de drempelwaarde voor stedelijke ontwikkelingsprojecten van toepassing (D 11). In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: a. een oppervlakte van 100 hectare of meer; b. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of; c. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Het voorliggende plan is niet van dusdanige aard en schaal dat deze drempelwaarden worden overschreden. Er geldt om die reden een vormvrije m.e.r.-beoordeling. In deze GRO zijn de milieueffecten van de voorgenomen ontwikkeling onderzocht. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat de toekomstige activiteiten in het plangebied geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zullen hebben.
18
6.
Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.1
Algemeen
Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een omgevingsvergunning. Het project betreft een particulier initiatief, waarmee de gemeente geen financiële bemoeienis heeft. De kosten zijn voor rekening van de aanvrager.
6.2
Grondexploitatie (economische uitvoerbaarheid)
Door middel van de grondexploitatieregeling in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) beschikken gemeenten over mogelijkheden voor het verhalen van kosten. Hierbij valt te denken aan kosten voor het bouw- en woonrijp maken en kosten voor de planologische procedure. Daarnaast hebben gemeenten sturingsmogelijkheden, omdat in het geval van grondexploitatie door derden, diverse eisen en regels gesteld kunnen worden. De omgevingsvergunning voorziet in de vervanging van een woning. Dit valt niet onder een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. Conclusie: Het vaststellen van een exploitatieplan is niet nodig, omdat het geen bouwplan betreft zoals bedoeld in artikel 6.2.1. Bro.
6.3
Afweging (maatschappelijke uitvoerbaarheid)
Deze ruimtelijke onderbouwing dient ter afweging voor het verlenen van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12 eerste lid, onder a, sub 3 van de Wabo, waarmee de vervanging van een woning buiten het bestaande bouwvlak, in afwijking van het bestemmingsplan, mogelijk wordt gemaakt. De omgevingsvergunning wordt samen met deze goede ruimtelijke onderbouwing in het kader van het vooroverleg aangeboden aan diverse overlegpartners. Daarnaast worden de stukken 6 weken ter inzage gelegd, zodat belanghebbenden de mogelijkheid hebben om een zienswijze in te dienen. Het project is niet strijdig met de relevante beleidsuitgangspunten op zowel provinciaal als gemeentelijk niveau en veroorzaakt geen conflicten met de sectorale wet- en regelgeving. In de beoogde situatie is ook sprake van een verantwoorde milieusituatie. Conclusie: Het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project is niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening.
19