B5. Nader onderzoek natuur
Tekst van het document
Onderzoek Wet Natuurbescherming Herinrichting Den Ilp 85, Den Ilp 22 december 2023, Hippolytushoef
Opdrachtgever: AMB Advies Korte Bosweg 55 1756 CA ‘t Zand Tel: 06-29148106 e-mail: info@ambadvies.nl
Opdrachtnemer: Bureau Aandacht Natuur Slingerweg 85 1777AG Hippolytushoef Tel: 0227-595576 Mob: 06-24818383 e-mail: aandachtnatuur@kpnmail.nl www.aandachtnatuur.nl
Bureau Aandacht Natuur
Inhoudsopgave 1. Inleiding…………………………………..…………………………………….. blz. 2 1.1 Aanleiding en doel……………..………..…………………………………….. blz. 2 1.2 De Wet Natuurbescherming..………..……………..…………………….….. blz. 2 2. Huidige situatie en methode….…………………………………………….... blz. 6 2.1 Gebieds- en planbeschrijving..………...……..………..…………..………… blz. 6 2.2 Ligging t.o.v. Natura 2000 gebieden, NNN en natuurverbindingen…….…blz. 8 2.3 Houtopstanden...……………………………..………..…………..………….. blz. 9 2.4 Methode………...……………………………..………..…………..………….. blz. 9 3. Resultaten soortbescherming…..…..………..…………..………………….. blz. 12 3.1 Flora…………………………………………………….……...……………......blz. 12 3.2 Vogels…………………………………………………….…………………...... blz. 12 3.3 Zoogdieren...…………………………………………….…………………...... blz. 13 3.3 Amfibieën en reptielen...……………………..………..…………..………….. blz. 15 3.4 Overige beschermde soorten.....…………………………………................. blz. 16 4. Resultaten gebiedsbescherming..….………..…………..………………….. blz. 17 4.1 Voortoets Natura 2000 gebieden...………………….……...……………......blz. 17 4.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) …………………….……...…………….... blz. 20 4.3 Bijzonder Provinciaal Landschap....…………….…………………............... blz. 22 4.3 Overige aspecten gebiedsbescherming..…………….…………………...... blz. 22 5. Conclusies en advies….……….…………..……………………………….… blz. 23 5.1 Soortbescherming ……………………………..……….…………………...... blz. 23 5.2 Gebiedsbescherming...…………..…………………….…………………...... blz.
25 5.3 Houtopstanden.………………………………………….…………………...... blz. 26 Literatuurlijst……...……………………………………………...…………………. blz. 27 Bijlage 1: Toelichting Wet Natuurbescherming
1
Bureau Aandacht Natuur
1. Inleiding In opdracht van AMB advies heeft een verkennend onderzoek (quickscan) in het kader van de Wet Natuurbescherming plaatsgevonden voor de herinrichting van een perceel aan Den Ilp 85 te Den Ilp. Het verkennend veldonderzoek heeft op 25 juli 2023 plaatsgevonden. Op basis van het verkennend onderzoek is bepaald dat nader onderzoek noodzakelijk is naar het voorkomen van noordse woelmuis, waterspitsmuis en kleine marterachtigen. Het nader onderzoek heeft in de periode van september t/m december plaatsgevonden. De bevindingen van dit veldonderzoek aangevuld met literatuurgegevens worden hieronder verder besproken.
Figuur 1. Ligging van de planlocatie aan Den Ilp 85 te Den Ilp
1.1 Aanleiding en doel De initiatiefnemer is voornemens om de projectlocatie aan de Den Ilp 85 opnieuw in te richten voor woningbouw. In verband met de (mogelijke) aanwezigheid van de beschermde soorten op de projectlocatie, heeft ten behoeve van deze ontwikkeling op 25 juli 2023 en in de periode van 15 september t/m 7 december een veldonderzoek in het kader van de Wet Natuurbescherming plaatsgevonden. Het veldonderzoek is uitgevoerd door Bureau Aandacht Natuur met als doel om vast te stellen of de beoogde locatie een functie heeft voor beschermde dier- en plantensoorten. 1.2 Wet Natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden en richt zich op de bescherming van natuurgebieden, -verbindingen, planten- en diersoorten en houtopstanden. Deze wet gaat uit van het 'nee, tenzij'-principe. Bepaalde handelingen, waaronder ruimtelijke ingrepen, waarbij beschermde soorten of gebieden in het geding zijn, zijn slechts bij uitzondering en onder voorwaarden mogelijk. Centraal hierbij staat de zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving.
2
Bureau Aandacht Natuur
Hieronder volgt een beknopte toelichting van de verschillende onderdelen in de Wet Natuurbescherming. Voor een meer uitgebreide toelichting wordt verwezen naar bijlage 1. Gebiedsbescherming Met de gebiedsbescherming zijn de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De beschermde gebieden uit de beide richtlijnen zijn hiermee opgenomen in de zogeheten Natura 2000-gebieden. Andere binnen de Wet Natuurbescherming te beschermen gebieden zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN), natuurverbinding of provinciaal landschap. Voor ieder Natura 2000 gebied dient te worden getoetst aan de hiertoe aangewezen instandhoudingsdoelstellingen. Een onderdeel hiervan is tevens de beoordeling van externe effecten zoals de stikstof-emissie van projecten ten opzichte van eventueel aanwezige stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Voor de NNN, natuurverbindingen of andere beschermde gebieden gelden andere toetsingscriteria. Hierbij gaat het om een toetsing van de ‘wezenlijke’ of ‘landschappelijke’ waarden van een gebied of natuurverbinding. De regelgeving met betrekking tot deze gebieden is vastgelegd in de Omgevingsverordening van de betreffende provincie.
Soortbescherming De soortbescherming binnen de Wet Natuurbescherming kent drie beschermingsregimes, namelijk voor soorten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn (inclusief het verdrag van de Bern en Bonn) en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’ die vanuit nationaal oogpunt beschermd zijn. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade aan soorten en/of hun (functionele) leefomgeving mag worden toegebracht, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het ‘nee, tenzij-principe’). Centraal hierbij staat de zorgplicht, wat inhoudt dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving. Om de instandhouding van de wettelijk beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. De mate van negatieve effecten is afhankelijk van soort, locatie en aard van de ingreep. Voor de soortbescherming zijn per beschermingsregime dan ook een aantal verbodsbepalingen van kracht. Vogelrichtlijnsoorten Op alle vogels is het beschermingsregime van paragraaf 3.1 van de Wet Natuurbescherming van toepassing. Hiermee is het verboden om in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen en worden ze voornamelijk tijdens de broedperiode beschermd.
Voor het verstoren van broedende vogels of nesten kan in het belang van een ruimtelijk ingreep of bestendig beheer en onderhoud geen ontheffing of vrijstelling worden verkregen. Buiten het broedseizoen mogen de nestplaatsen, zonder ontheffing, worden verstoord, mits dit niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Daarnaast zijn de voortplantings- en vaste rust- of verblijfplaatsen van een aantal vogelsoorten jaarrond beschermd (mits niet definitief verlaten). Het betreft nesten van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Negatieve effecten dienen te worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren. Als ondanks het treffen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden is een ontheffing noodzakelijk, maar kan alleen op grond van de volgende belangen worden afgegeven: - in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; - in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
3
Bureau Aandacht Natuur
ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; - ter bescherming van flora of fauna; - voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, - om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; Een ontheffing kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen verslechtering van de staat van instandhouding van vogelsoort(en) optreedt. -
Habitatrichtlijnsoorten Deze soorten worden beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Op deze soorten is het beschermingsregime van paragraaf 3.2 van de Wet Natuurbescherming van toepassing. Het is hierbij verboden om soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, dan wel hun vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren te beschadigen, te vernielen of te rapen. Ook het opzettelijk verontrusten van bedoelde diersoorten is niet toegestaan. Met betrekking tot de hierin opgenomen plantensoorten is het verboden om deze in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor het verstoren van deze soorten kan in het belang van een ruimtelijk ingreep of bestendig beheer en onderhoud geen ontheffing of vrijstelling worden verkregen. Negatieve effecten en daarmee een ontheffingsaanvraag dienen te worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren.
Als ondanks het treffen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden is een ontheffing noodzakelijk, maar kan alleen op grond van de volgende belangen worden afgegeven: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; - in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; - voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of - om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.
Een ontheffing kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van Europees beschermde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. “Andere” nationaal beschermde soorten Dit betreffen de overige soorten welke bescherming vanuit nationaal oogpunt behoeven. Op deze bijlage staan soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Het betreft een limitatieve lijst waarvoor het beschermingsregime van paragraaf 3.3 van de Wet Natuurbescherming van toepassing is. Het is hierbij verboden om soorten opzettelijk te doden of te vangen, dan 4
Bureau Aandacht Natuur
wel hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Met betrekking tot de hierin opgenomen plantensoorten is het verboden om deze in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Het beschermingsregime voor deze 'nationaal' beschermde soorten is geïnspireerd op de Habitatrichtlijn, maar zijn in sommige opzichten minder streng. Zo zijn de hierboven genoemde verboden niet van toepassing op de bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Tevens is het mogelijk om voor deze soorten een ontheffing of vrijstelling te verkrijgen in het kader van een ruimtelijke inrichting dan wel bestendig beheer en onderhoud. Ten aanzien van de ruimtelijke ordening en bestendig beheer is per provincie voor een aantal soorten een aparte vrijstellingslijst opgesteld. Het betreft veelal algemeen voorkomende soorten uit het beschermingsregime ‘andere’ beschermde soorten. Bescherming houtopstanden Voor het vellen van bomen buiten de bebouwde kom1 in een houtopstand groter dan 10 are of een bomenrij van meer dan 20 bomen, dient dit vooraf te worden gemeld/ aangevraagd. De initiatiefnemer is hierbij tevens verplicht om hetzelfde areaal te herplanten.
Ontheffing, vrijstelling of vergunning Bij werkzaamheden waarbij een schadelijk effect optreedt voor beschermde soorten of gebieden, is een vergunning, ontheffing of vrijstelling nodig. De verantwoording van de Wet Natuurbescherming ligt nagenoeg geheel bij de Provincies en voorziet in één rechtsdocument, waarmee zowel een vergunning als ontheffing kan worden verleend. Voor locatie gebonden ingrepen die in de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO) staan vermeld kan de ontheffings- en/of vergunningsaanvraag worden aangehaakt bij de omgevingsvergunning. De gemeente is het bevoegd gezag voor de aanvraag van een omgevingsvergunning. Bij de omgevingsvergunning vindt de natuurtoestemming plaats in de vorm van ‘Verklaringen van geen bedenking’ (Vvgb). De ‘Verklaring van geen bedenkingen’ wordt onder de Wet Natuurbescherming afgegeven door de provincie aan de gemeente. Als er geen Vvgb kan worden afgegeven door de provincie, kan de omgevingsvergunning niet verleend worden door de gemeente. De eindverantwoordelijkheid voor de aan te leveren informatie ligt bij de aanvrager/initiatiefnemer. Gemeenten zijn als bevoegd gezag omgevingsvergunning er mede verantwoordelijk voor om te beoordelen of een aanvraag omgevingsvergunning compleet is.
Het is ook mogelijk om een aparte ontheffing soortenbescherming of vergunning gebiedsbescherming in het kader van de Wet Natuurbescherming aan te vragen bij de desbetreffende provincie (bevoegd gezag). Voor initiatieven die niet vallen binnen de activiteiten van een omgevingsvergunning is dit eveneens van toepassing.
1
De begrenzing van de bebouwde kom zoals vastgesteld door het college als “bebouwde kom Boswet”
5
Bureau Aandacht Natuur
2. Huidige situatie en methode 2.1 Gebieds- en planbeschrijving De planlocatie is gelegen in de gemeente Landsmeer, aan de oostzijde van het lintdorp Den Ilp. De planlocatie betreft een lege kavel welke in gebruik is geweest als jachthaven, maar al enkele jaren niet meer wordt gebruikt. De oostzijde van het terrein is inmiddels
Figuur 2. Huidige situatie van de planlocatie aan Den Ilp 85 te Den Ilp.
behoorlijk verruigt en bestaat uit een rietvegetatie met een dicht braamstruweel. Alleen de westzijde (straatzijde) van het perceel is nog redelijk open en wordt gebruikt als stalling van werktuigen en lopen er hangbuikzwijnen om de vegetatie kort te houden. Aan de zuidzijde van de kavel is een watergang aanwezig, wat naar de weg toe versmalt tot een kavelsloot. Langs de noordzijde van het perceel is een smalle boomsingel aanwezig. Het hierboven beschreven terrein zal opnieuw worden ingericht ten behoeve van woningbouw. Aan de voorzijde van de kavel zal een vrijstaande woning worden gebouwd, met verder naar achteren nog vier twee-onder-een-kapwoningen in de vorm van schuurwoningen. Ten behoeve van de beoogde herinrichting wordt er vanuit gegaan dat de aanwezige terreintypen grotendeels zullen verdwijnen. De singel ten noorden van het plangebied blijft als erfafscheiding gehandhaafd, zie figuur 3.
6
Bureau Aandacht Natuur
Figuur 3. Inrichtingsschets beoogde situatie.
7
Bureau Aandacht Natuur
2.2 Ligging t.o.v. Natura 2000 gebieden, NNN en natuurverbindingen De planlocatie is gelegen in een Bijzonder Provinciaal Landschap en grenst direct aan een gebied dat is begrenst als Natuurnetwerk Nederland (NNN), zie figuur 4. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied betreft Ilperveld, Varkensland, Oostzanderveld & Twiske en ligt op nog geen 50 meter afstand van het plangebied.
Figuur 4. Ligging van de planlocatie in Bijzonder Provinciaal Landschap (donker groen) en aan de NNN (licht groen) en t.o.v. het Natura 2000 gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske.
Figuur 5. Gekarteerde habitattypen in de omgeving van het plangebied
8
Bureau Aandacht Natuur
Het Natura 2000 gebied ter hoogte van de projectlocatie is aangewezen als zowel habitatricht- als vogellijngebied en ligt hoofdzakelijk aan het habitattype H91D0 Hoogveenbossen, zie figuur 5. Verder naar het zuidwesten ligt een klein perceel met het habitattype H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietland). Met de aanwijzing als NNN, bevat de oostzijde van het projectgebied de aanwijzing om de watergangen nog om te vormen naar natuur. De aangreenzen waterelementen hebben het beheertype N04.02 zoete plas en zijn in de omgeving de beheertypen N12.02 Kruidenrijk- en faunarijk grasland en N14.02 Hoog- en Laagveenbossen, zie figuur 6.
Figuur 6. Aangewezen beheertypen in de omgeving van het plangebied
De projectlocatie ligt verder niet aan een natuurverbinding en maakt hier geen onderdeel van uit. 2.3 Houtopstanden Op de planlocatie is geen sprake van een beschermde houtopstand zoals bedoeld in de Wet Natuurbescherming. De windsingel op de erfgrens blijft gehandhaafd en verder zijn er enkele solitaire bomen aanwezig en wordt het perceel gekenmerkt door jonge opslag. Tevens valt het westelijk deel van het perceel binnen de grens bebouwde Wet Natuurbescherming. 2.4 Methode Op 25 juli 2020 heeft overdag een verkennend veldbezoek plaatsgevonden aan de hierboven beschreven projectlocatie. Het onderzoek heeft zich gericht op het voorkomen of mogelijk voorkomen van beschermde plant- en diersoorten binnen of in de directe omgeving van de projectlocatie.
9
Bureau Aandacht Natuur
In de periode van 19 t/m 26 oktober 2023 is een onderzoek naar het voorkomen van beschermde muissoorten uitgevoerd. Hierbij is gebruik gemaakt van zogenaamde inloopvallen (Heslinga live-traps), zie figuur 5. De rietvegetatie en oeverzones op de achterste helft van het perceel vormen geschikt leefgebied voor de strikt beschermde soort waterspitsmuis en noordse woelmuis. Het onderdeel van de projectlocatie met geschikt leefgebied is zo’n 1800m2 groot. Hierbij is volstaan met één onderzoeksraai met 22 inloop vallen, die per twee in één rij uitgezet worden op een minimale afstand van tien meter van elkaar. Bij de situering van de raaien is goed gekeken naar geschikt biotoop voor noordse woelmuis en waterspitsmuis. De inloopvallen zijn voornamelijk uitgezet op locaties waar veel dekking aanwezig is in de vorm van een ruigtekruiden vegetatie en/of riet en nabij de aanwezigheid van water. Voor de situering van de onderzoeksraaien zie figuur 5.
Figuur 5. Situering van de live-traps in het projectgebied.
Het muizenonderzoek heeft plaatsgevonden in de periode 19 t/m 26 oktober 2023. De vallen zijn twee keer per etmaal gecontroleerd. Tussen 19 en 23 oktober heeft de pre-bait periode plaatsgevonden. De vallen zijn hierbij niet actief, waardoor muizen vrij in en uit kunnen lopen. Op de ochtend van 24 oktober 2023 is de eerste controle uitgevoerd. Als (lok)voer is een mengsel van pindakaas, wortel en een zadenmengsel gebruikt, ten behoeve van (water)spitsmuis zijn daar meelwormen aan toegevoegd. Daarnaast is er hooi in de inloopvallen gedaan, aangezien ook deze geur muizen aantrekt. De vallen worden na een vangst opnieuw voorzien van vers (lok)voer en hooi. In totaal hebben er drie vangnachten plaatsgevonden met in totaal vijf vangmomenten. Dit is voldoende om een goed beeld de krijgen van de aanwezige muissoorten (Koelman (VZZ), sept. 2007). In verband met de herinrichting van het perceel is tevens beoordeeld dat functioneel leefgebied voor kleine marterachtigen zoals wezel, bunzing of hermelijn kan worden aangetast. Met behulp van cameravallen is conform de handreiking kleine marters (Provincie Noord-Holland) onderzoek verricht naar het voorkomen van deze soorten. Het verruigde terreindeel, geschikt als leefgebied voor kleine marterachtigen, is circa 0,25 hectare groot. Conform de handreiking dienen 4 cameravallen per hectare worden ingezet.
Aangezien de oppervlakte betrekking heeft op een kleine 25% van één hectare, zou in theorie kunnen volstaan met één cameraval. Echter heeft de inventarisatie niet in de optimale periode (mei t/m augustus) plaatsgevonden en is het aantal cameravallen conform de handreiking kleine marterachtigen in relatie tot soortbescherming (provincie Noord-Brabant) verdubbeld en twaalf weken in het veld geplaatst. In de periode van 14 10
Bureau Aandacht Natuur
september t/m 7 december zijn 2 mostela’s/struikrover in de rietruigte binnen het plangebied geplaatst. De mostela’s/struikrovers bestaan uit een (marter)box met aan weerszijde een opening van 80 mm, waardoor zowel de kleinere soorten wezel en hermelijn, als ook een grotere soort als bunzing of zelfs steenmarter naar binnen kan. De mostela’s zijn geplaatst tussen de ruigtekruidenvegetaties en aanwezige struweel. bij de camera’s is een lokstof (een geperforeerd blikje kattenvoer) aangebracht om de trefkans te vergroten. In figuur 6 is een overzicht weergegeven van de locaties van geplaatste cameraval en mostela’s in het projectgebied.
Figuur 6. Locaties van mostela’s (oranje driehoek) in het verruigde deel van de planlocatie.
Verder is op basis van literatuurgegevens beoordeeld of beschermde soorten (kunnen) voorkomen.
11
Bureau Aandacht Natuur
3. Resultaten soortbescherming Tijdens het veldonderzoek zijn met uitzondering van enkele vogelsoorten en wezel uitsluitend algemeen voorkomende beschermde soorten aangetroffen. Gezien de ligging nabij het Natura 2000 gebied Ilperveld Hieronder worden per soortgroep de bevindingen van het onderzoek verder omschreven en aangegeven welke beschermde soorten eventueel te verwachten dan wel uit te sluiten zijn binnen de projectlocatie. Tabel 1. Te verwachten beschermde soorten binnen het plangebied. soortgroep
te verwachten beschermde soorten
functie plangebied
flora
-
-
vogels
algemene vogelsoorten
broed- en foerageergebied
zoogdieren
algemeen voorkomende zoogdieren
leefgebied
marterachtigen (wezel)
leefgebied
vleermuizen
foerageergebied
noordse woelmuis / waterspitsmuis
-
amfibieën
algemeen voorkomende amfibieën
landhabitat
reptielen
ringslang
-
overige soorten
-
-
3.1 Flora Circa twee-derde van de projectlocatie bestaat uit een rietruigte, overwoekerd met braam en opslag van boswilg, schietwilg, gewone es, gewone els, gewone esdoorn en ruwe berk. In het meer open terreindeel stonden soorten varkensgras, duizendblad, smalle weegbree, rolklaver, pitrus, vogelmuur, madelief, liggend vetmuur, hondsdraf, ridderzuring, zwarte mosterd, blaartrekkende boterbloem, kruipende boterbloem, honingklaver, rode klaver, witte klaver, melganzevoet, zilverschoon en kruipganzerik. Langs de oeverzones waren soorten als wolfspoot, watermunt, waterzuring, grote lisdodde, moerasbastaardwederik, waternavel en gele lis aanwezig. Beschermde plantensoorten of vegetatietypen waarbij verwacht wordt dat beschermde flora voorkomt zijn niet aangetroffen. Aan de hand van huidige verspreidingsgegevens (FLORON/NDFF, 2021) zijn binnen het betreffende atlasblok (5x5km) tevens geen waarnemingen bekend van beschermde plantensoorten en worden op basis van de aanwezige terreintypen ook niet verwacht binnen de projectlocatie. 3.2 Vogels In de omgeving van het projectgebied zijn enkele vogelsoorten zoals merel, zanglijster, zwartkop, koolmees, wilde eend, krakeend en waterhoen waargenomen. Gezien de aanwezige biotooptypen en tijd van het jaar, kan worden verwacht dat verschillende soorten riet- en watervogels en vogels van bos en struweel binnen het plangebied tot broeden komen.
Op de locatie zijn echter geen aanwijzingen gevonden die wijzen op de aanwezigheid van vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats. In de singel en bomen in de directe omgeving zijn geen (mogelijke) nestlocaties van roofvogels of uilen aangetroffen. Met betrekking tot eventueel gebouw bewonende jaarrond beschermde 12
Bureau Aandacht Natuur
soorten zoals huismus, gierzwaluw of kerkuil hebben de plannen geen betrekking, aangezien bebouwing ontbreekt binnen het plangebied. 3.3 Zoogdieren Op de projectlocatie zijn met uitzondering van wezel, voornamelijk algemeen voorkomende zoogdieren aangetroffen. Met het muizenonderzoek zijn 5 soorten muizen aangetroffen en betreffen uitsluitend de algemeen voorkomende beschermde soorten huisspitsmuis, rosse woelmuis, dwergmuis, bosmuis en bosspitsmuis, zie tabel 2. De zwaar beschermde muissoorten noordse woelmuis en waterspitsmuis zijn niet aangetroffen tijden het muizenonderzoek in oktober 2023. Tabel 2. Resultaten muizenonderzoek Den Ilp 85.
Ook met het cameraonderzoek naar kleine marterachtigen zijn een aantal algemeen voorkomende muissoorten waargenomen en betreffen bosmuis, huisspitsmuis en rosse woelmuis. Andere algemeen voorkomende beschermde soorten zoogdieren die op de projectlocatie verwacht kunnen worden betreffen haas, vos en egel. Genoemde soorten of sporen daarvan zijn niet waargenomen gedurende het nader onderzoek. Binnen de Wet Natuurbescherming geldt voor de algemeen voorkomende beschermde soorten een vrijstelling in het kader van de ruimtelijke ordening of bestendig beheer. Uiteraard blijft ook voor deze soorten de algemene zorgplicht zoals bedoeld in de Wet Natuurbescherming van toepassing.
13
Bureau Aandacht Natuur
Met betrekking tot de zwaarder beschermde soorten is het mogelijk dat vleermuizen en verschillende soorten marterachtigen zoals wezel, hermelijn, bunzing, steenmarter of boommarter voorkomen in de omgeving van de projectlocatie. Met betrekking tot boommarter zijn er geen nesten of boomholten aangetroffen die geschikt kunnen zijn als verblijfplaats voor deze soort. Gezien de aanwezigheid van rietoevers en verruigde terreintypen is nader onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van (kleine) marterachtigen. Met uitzondering van een éénmalige waarneming van wezel op 15 oktober 2023 zijn er geen camerabeelden van (kleine) marterachtigen opgenomen op de projectlocatie. Naast wezel zijn er op de cameravallen bosmuis, huisspitsmuis en rosse woelmuis waargenomen. Voor de waargenomen soorten op de camerabeelden per locatie, zie figuur 7 en 8.
Figuur 7. Camerabeelden van huisspitsmuis (linksboven), bosmuis (rechtsboven), wezel (linksonder) en rosse woelmuis (rechtsonder) van de camera aan de zuidzijde van het perceel.
Verder kan de projectlocatie een geschikt foerageergebied vormen voor vleermuizen. Van mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen is op de locatie geen sprake. Bomen met geschikte holten zijn niet aanwezig en ook (geschikte) bebouwing ontbreekt binnen de projectlocatie. Gezien de situering van de projectlocatie tussen het dorpslint en een bosen waterrijk gebied van het Ilperveld, wordt niet verwacht dat de projectlocatie van essentieel belang is voor vleermuizen. Aanliggende waterelementen vormen geen doorgaande structuur, welke een vliegroute kunnen vormen voor soorten als meer- of watervleermuis. De windsingel ten noorden van het plangebied vormt eveneens geen doorlopende groenstructuur in een verder open gebied, maar sluit aan bij andere bospercelen, waardoor niet wordt verwacht dat de projectlocatie een belangrijk onderdeel zal uitmaken van het foerageergebied of een vliegroute van vleermuizen. Daarbij zijn de windsingel en waterelementen niet onderhevig zijn aan de herinrichting, waarmee de functie van deze elementen voor vleermuizen niet verloren gaan.
14
Bureau Aandacht Natuur
Figuur 8. Camerabeelden van bosmuis (boven) huisspitsmuis (linksonder), en rosse woelmuis (rechtsonder) van de camera aan de noordoostzijde van het perceel.
Andere beschermde zoogdieren worden gezien de huidige verspreidingsgegevens en habitatvoorkeur niet verwacht binnen of in de directe omgeving van het plangebied. 3.4 Amfibieën en reptielen Naast de aanwezigheid van algemeen voorkomende amfibieën, is het voorkomen van de strikt beschermde soorten rugstreeppad bekend het betreffende atlasblok waarbinnen de planlocatie valt (Creemers & van Delft, 2009 en telmee.nl). Geschikt leefgebied voor rugstreeppad, zoals voortplantingswateren (ondiepe sloten of plassen) ontbreken binnen het plangebied. Daarbij ontbreken open zanderige terreintypen waar de soort zich gedurende dag of voor de overwintering kan ingraven. Tevens is het voorkomen van ringslang bekend uit de omgeving van Den Ilp, (telmee.nl/NDFF, 2023). De ringslang komt echter (nog) niet voor in het Ilpenverld en de waarnemingen zijn afkomstig uit ’t Twiske. De projectlocatie vormt mogelijk geschikt jachtgebied voor de ringslang, maar verder ontbreken er geschikte elementen voor de voorplanting en de overwintering, zoals broeihopen of dikke strooisellagen. Met betrekking tot de beoogde plannen wordt dan ook niet verwacht dat leefgebied of exemplaren van rugstreeppad of ringslang worden verstoord of zullen verdwijnen met het planvoornemen.
Andere in de Wet Natuurbescherming aangewezen beschermde amfibieën of reptielen komen aan de hand van de huidige verspreidingsgegevens (Creemers & van Delft, 2009) niet voor in dit deel van Noord-Holland. Aan de hand van de huidige verspreidingsgegevens en habitatvoorkomen kunnen andere strikt beschermde amfibieën en reptielen worden uitgesloten van de projectlocatie. 15
Bureau Aandacht Natuur
3.5 Overige beschermde soorten Tijdens het veldonderzoek zijn geen andere beschermde diersoorten dan hierboven genoemd aangetroffen. Met uitzondering van de gevlekte witsnuitlibel en de vlindersoorten “grote vos” en zilveren maan (NDFF en telmee.nl) worden overige beschermde soorten (vissen, dagvlinders, libellen, kevers en andere ongewervelden) op grond van de huidige verspreidingsgegevens en habitatvoorkeuren niet verwacht binnen of in de omgeving van het projectgebied. De zilveren maan is in 2001 uitgezet in het Ilperveld, maar is hier inmiddels weer verdwenen, waardoor het voorkomen van deze soort niet wordt verwacht binnen het plangebied. Grote Vos heeft een voorkeur voor vochtige, open bossen, bosranden en boomgaarden met als waardplant de Iep, maar komt ook voor op zoete kers en sommige wilgensoorten. Met uitzondering van opslag van enkele soorten wilg komen genoemde boomsoorten niet voor binnen het plangebied. Verder ontbreken binnen het plangebied ook andere geschikte elementen die grote vos nodig heeft voor het volbrengen van zijn levenscyclus. Verder is de soort zeer zeldzaam en worden er de laatste jaren gemiddeld zo’n vijf exemplaren in Nederland waargenomen. De soort wordt met acuut uitsterven bedreigd en is sinds 2010 niet meer binnen het betreffende atlasvlok (5x5km) waargenomen.
Ten aanzien van de gevlekte witsnuitlibel ontbreken geschikte voortplantingswateren op en rond de planlocatie. Voor de voortplanting is de soort afhankelijk van laagveenmoerassen, duinplassen en vennen. In het Ilperveld is de soort veelal afhankelijk van verlandingszones met ondiepe, heldere wateren. Gezien het voormalige gebruik als jachthaven en de vaarbewegingen van pleziervaart achter het dorpslint van Den Ilp, wordt niet verwacht dat waterelementen rond de projectlocatie van belang zijn voor gevlekte witsnuitlibel. Aan de hand van de huidige verspreidingsgegevens en habitatvoorkeuren van genoemde zwaar beschermde soorten, wordt dan ook niet verwacht dat overige beschermde soorten voorkomen binnen het projectgebied.
16
Bureau Aandacht Natuur
4. Resultaten gebiedsbescherming Gezien de ligging van de projectlocatie op nog geen 50 meter van het Natura 2000 gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanderveld & Twiske en de situering in een Bijzonder Provinciaal Landschap, zal in dit hoofdstuk per onderdeel een toetsing plaatsvinden ten aanzien van de gebiedsbescherming. 4.1 Voortoets Natura 2000 gebieden In deze paragraaf wordt onderzocht of de voorgenomen werkzaamheden een negatief effect (kunnen) hebben op het Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanderveld & Twiske. Op deze vraag zijn drie antwoorden mogelijk: ▪ Er is zeker geen negatief effect te verwachten. ▪ Er is een mogelijk negatief effect, maar zeker geen significant negatief effect te verwachten. ▪ Er is kans op een significant negatief effect. Met betrekking tot dit project worden zowel de aanleg als de gevolgen van de te realiseren aanvoerroute getoetst. De beoordeling van de activiteiten vindt plaats in drie stappen: 1. Bepalen of de voorgenomen activiteiten “nieuw” zijn. 2. Bepalen wat de mogelijke effecten kunnen zijn. 3. Bepalen of de kans bestaat dat de gevolgen kunnen leiden tot verslechtering van de kwaliteit van de aangewezen waarden.
Nieuwe activiteit In het kader van de gebiedsbescherming in de Wet Natuurbescherming is er sprake van “nieuw” indien de activiteiten nog niet in precies dezelfde vorm (dus zonder verandering van gegevens) eerder beoordeeld zijn. De bouw van vier woningen op de projectlocatie is niet eerder getoetst en kan dan ook als een “nieuwe activiteit” worden beschouwd. De projectlocatie ligt nog geen 50 meter van het Natura 2000 gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanderveld & Twiske. Gezien de korte afstand tot het Natura 2000 gebied, is een zogeheten Voortoets noodzakelijk voor de voorgestane ontwikkeling. Op basis van de effectenindicator Natura 2000 gebieden (tabel 3), wordt hieronder beschreven welke effecten kunnen worden verwacht door de beoogde woningbouw op de eventueel aanwezige kwalificerende soorten en habitattypen. Mogelijke effecten van de werkzaamheden Het betreffende plangebied ligt op een minimale afstand van 35 meter van de begrenzing van het Natura 2000 gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanderveld & Twiske. De bouw van de woningen vindt echter plaats op een minimale afstand van zo’n 75 meter van het Natura 2000 gebied. Hierbij is er dan ook geen sprake van werkzaamheden in kwalificerend habitattypen en zijn directe gevolgen zoals oppervlakteverlies niet aan de orde en betreft het voornamelijk externe effecten van de bouw- en gebruiksfase.
Voor de effectenbepaling van de beoogde werkzaamheden en inrichting op genoemd Natura 2000 gebied, zal er worden getoetst aan de hand van de effectenindicator habitattypen en -soorten voor de activiteit “woningbouw” (synbiosys.alterra.nl/bij12), zie tabel 3.
17
Bureau Aandacht Natuur
Tabel 3. Effectenindicator Natura 2000 gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanderveld & Twiske met betrekking tot woningbouw
Eventuele effecten zijn uitsluitend van toepassing op het habitattype “Hoogveenbossen”. Met uitzondering van het habitattypen “Overgangs- en trilvenen (veenmosrietland)” zijn de overige habitattypen niet aanwezig in de directe omgeving van de werkzaamheden. Gezien afstand van de projectlocatie tot het veenmosrietland en de tussenliggende Hoogveenbossen, is het niet waarschijnlijk dat dit habitattype negatieve gevolgen ondervindt van de beoogde herinrichting. De genoemde habitatsoorten “noordse woelmuis” en “meervleermuis” komen eveneens niet voor in de omgeving van het projectgebied, zie hiervoor paragraaf 3.3 zoogdieren van dit rapport. Wel is het mogelijk dat genoemde vissoorten kleine modderkuiper, bittervoorn en eventueel rivierdonderpad (afhankelijk van waterbodem) voorkomen rond de projectlocatie. Gezien het voormalige gebruik als jachthaven en de vaarbewegingen door achterliggende watergang, wordt echter niet verwacht dat de wateren rond de projectlocatie een belangrijke functie hebben ten aanzien van het leefgebied van genoemde vissoorten. Met betrekking tot genoemde vogelrichtlijnsoorten wordt eveneens niet verwacht dat de omgeving van het plangebied een belangrijke functie heeft. Het plangebied ligt in de het dorpslint van Den Ilp en wordt aan de zijde van het Natura 2000 gebied omringd door bosgebieden. Geen van genoemde broedvogelsoorten, broed in bossen.
Bruine kiekendief, rietzanger, roerdomp, snor en watersnip zijn broedvogels van rietvegetaties en 18
Bureau Aandacht Natuur
moerassen veelal gelegen op uitgestrekte en afgelegen plaatsen waar weinig menselijke activiteiten plaatvinden. Kemphaan broed op natte graslanden en visdief is een koloniebroeder op afgelopen eilandjes in waterrijke open gebieden. Dergelijk open terreintypen en geschikt habitat ontbreken in de directe omgeving van de projectlocatie. Aangezien het perceel van het open graslanden, rietvelden en moerasgebieden wordt gescheiden door moerasbos, is het tevens niet aannemelijk dat broedvogels worden verstoord door de voorgenomen herinrichting. Dit geldt tevens voor de aangewezen nietbroedvogels. Ook deze soorten zin veelal op open water en moerasgebieden in het Natura 2000 gebied aangewezen. Grauwe gans, krakeend, meerkoet, slobeend en smient slapen, rusten en foerageren veelal op het open water in Natura 2000 gebieden. Grauwe ganzen en smienten foerageren buiten de Natura 2000 gebieden op eiwitrijke graslanden (van intensieve veeteelt). Soorten als grutto, kemphaan en watersnip zijn buiten het broedseizoen veelal te vinden op natte graslanden om te rusten en foerageren (op te vetten) voor de trek naar het zuiden (najaar) of doortrek naar het oosten en noorden (voorjaar). Roerdomp is een typische rietvogel en is jaarrond in rietlanden en moerasvegetaties te vinden.
Oppervlakteverlies en versnippering Met de voorgenomen ingreep is er geen sprake van oppervlakteverlies of versnippering. De beoogde herinrichting vindt plaats buiten het Natura 2000 gebied waardoor er geen sprake is van aantasting of vergraven van een habitattype. Tevens ligt de projectlocatie in het bestaande Dorpslint van Den Ilp en vormt het perceel geen verbinding tussen verschillende habitats of leefgebieden binnen het Natura 2000 gebied. Aangezien geschikt broed- en leefgebied voor aangewezen habitat- en broedvogelsoorten ontbreekt in de directe omgeving van het plangebied, is er ook geen sprake van indirect verlies aan leefgebied door verstorende activiteiten zowel tijdens de bouw als in de gebruiksfase. Voor de aangewezen vissoorten zal met het ontmantelen van de jachthaven wellicht meer rust op de waterbodem ontstaan en de leefomstandigheden rond het eiland verbeteren. Verontreiniging Met de aanlegwerkzaamheden zal verontreiniging van bodem en (grond)water (moeten) worden voorkomen. Reststoffen en afval zullen volledig worden afgevoerd. Bij de aanvoer van grond en/of zand dient dan ook een schoon-grond verklaring aanwezig te zijn. Negatieve effecten door verontreiniging zijn dan ook niet aan de orde. Verdroging Met de voorgestane woningbouw is geen sprake van verdroging van het Natura 2000 gebied.
Het waterpeil rond de projectlocatie zal niet worden aangepast (verlaagd) ten behoeve van de verbouwing en gezien de onstabiele ondergrond, zal er voor de woningbouw geen bronbemaling worden toegepast. Verstoring door licht, geluid en trillingen Tijdens de realisatiefase zal er tijdelijk sprake zijn van verstoring door geluid en trillingen, afkomstig van onder meer graaf- en heiwerkzaamheden. De omliggende hoogveenbossen zijn echter niet gevoelig voor een dergelijke vorm van verstoring en vormen geen leefgebied voor aangewezen habitat- en vogelrichtlijnsoorten. Belangrijke leef- en broedgebieden van bedoelde soorten liggen dan ook ruim buiten de invloedsferen van het projectvoornemen. Verder zijn de beoogde werkzaamheden tijdelijk van aard en is er in de eindsituatie geen sprake van verstoring door geluid en trillingen. Aangezien de werkzaamheden in de dorpskern plaatsvinden, zal er nagenoeg geen sprake zijn van nachtelijke werkzaamheden, waardoor verstoring door verlichting tijdens de bouwfase kan worden uitgesloten. De bebouwing zal verder op het voorste deel van het perceel worden gerealiseerd en de beoogde parkeergelegenheid zal voor de woningen 19
Bureau Aandacht Natuur
komen, waardoor de lichtuitstraling naar het Natura 2000 gebied beperkt zal zijn. Verder voorziet het plan niet in het aanbrengen van een straat-, tuin of gevelverlichting. Tevens geldt hierbij dat de omliggende moerasbossen de lichtintensiteit naar de meer open delen van het Natura 2000 gebied zal beperken, waardoor er geen sprake is van verstoring door verlichting ten aanzien van de hiervoor gevoelige soorten. Optische verstoring en verstoring door mechanische effecten Tijdens de realisatiefase zal er tijdelijk sprake zijn van optische verstoring en verstoring door mechanische effecten van onder meer werktuigen en werknemers in de nabijheid van het Natura 2000 gebied. Ook de toekomstige bebouwing en bewoning kan optische verstoring en verstoring door mechanische effecten met zich meebrengen. Echter vinden de werkzaamheden en activiteiten plaats in het reeds bestaande bebouwinglint en wordt de projectlocatie, richting het Natura 2000 gebied omzoomd door bos. Verder leidt de bebouwing qua bouwhoogte en kleurstelling niet tot extra verstoring. De bebouwing zal verder op het voorste deel van het perceel worden gerealiseerd, waardoor de uitstraling naar het Natura 2000 gebied beperkt zal zijn.
Tevens geldt hierbij dat de omliggende moerasbossen de beoogde activiteiten en het aanzicht vanaf de meer gevoelige open habitattypen zal beperken, waardoor er geen sprake is van een significant negatief effect door de optische verstoring of een verstoring door mechanische effecten. Vermesting/verzuring door de stikstofdepositie in de lucht Als laatste is het echter mogelijk dat er met de beoogde werkzaamheden sprake is van een negatief effect op habitattypen door toedoen van vermesting/verzuring door de stikstofdepositie in de lucht. Al jaren is er in Natura 2000-gebieden een overschot aan stikstof (ammoniak en stikstofoxiden). Door bijvoorbeeld mest van landbouwbedrijven en uitstoot door industrie en auto's. Dit is schadelijk voor de natuurgebieden. Per Natura 2000 gebied is in beheerplannen aangegeven welke habitattypen gevoelig zijn voor (overmatige) stikstofdepositie en welke afspraken hierover zijn vastgelegd. Alleen als de hoeveelheid laag genoeg is (onder de gestelde drempelwaarde van 0,00 kg/jr.), zijn nieuwe activiteiten met stikstofuitstoot mogelijk. Met betrekking tot de stikstofdepositie in Natura 2000 gebied door toedoen van het planvoornemen, wordt verwezen naar de Aeriusberekening en bijbehorende onderbouwing van AMB Advies (Mariëtte van der Berg, december 2023).
4.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het projectgebied is tevens gelegen aan de rand van het NNN-gebied Ilperveld en Varkensland (L24). In het NNN document L24 is beschreven dat de samenhang binnen zowel het Ilperveld als het Varkensland tot uitdrukking komt in het aaneengesloten uitgestrekte open veenlandschap met het daarbinnen gelegen samenhangende oppervlaktewatersysteem. Tezamen met het Oostzanerveld en het Twiske vormen de natuurgebieden het grootste uitgeveende laagveencomplex ten noorden van Amsterdam. Dit laagveencomplex is aangewezen als Natura 2000-gebied ‘Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske’. Daarnaast is het natuurgebied verbonden via ‘natte’ natuurverbindingen met meerdere NNN gebieden zoals het Oostzanerveld (L22), Ringvaart van de Wijde Wormer en oeverlanden (L27), Groengebied Purmerland (L28), Waterland Oost (L31) en Polder Katwoude (L29). Ten slotte vormen het Ilperveld en het Varkensland samen met andere NNN gebieden op grotere afstand een belangrijk netwerk van vogelgebieden, voor zowel water-, moeras- als weidevogels.
20
Bureau Aandacht Natuur
In het Ilperveld en Varkensland (L24) worden twee verschillende ecologische kernkwaliteiten onderscheiden, die de basis vormen voor het behoud van biodiversiteit die (inter)nationaal en/of regionaal van belang is, en betreffen: Water- en verlandingsvegetaties in oorspronkelijk brak milieu Open veenlandschap met extensieve graslanden voor weidevogels Het projectgebied is gesitueerd aan de rand van de bebouwde kom van Den Ilp en wordt omzoomd door hoog- en laagveenbos. Van de kernkwaliteit “open veenlandschap met extensieve graslanden voor weidevogels” is geen sprake rond de projectlocatie. Daarbij betreft de locatie een voormalige jachthaven. Gezien het voormalige gebruik is er rond de projectlocatie geen sprake van een goed ontwikkelde water- en verlandingsvegetaties zoals kranswierwateren (N04.01) of moeras (N05.01). Alleen het eindstadium van de verlandingsvegetaties is in de nabije omgeving aanwezig en betreft hoog- en laagveenbos (N14.02). Tevens grenst het plangebied aan verzoete wateren met in potentie het beheertype zoete plas (N04.02).
Gezien het voormalige gebruik als jachthaven en de vaarbewegingen door achterliggende watergang, wordt echter niet verwacht dat de wateren rond de projectlocatie een belangrijke functie hebben ten aanzien van het leefgebied van genoemde vissoorten kleine modderkuiper, bittervoorn en eventueel rivierdonderpad (afhankelijk van waterbodem). Ook de genoemde soort meervleermuis komt niet voor in de omgeving van het projectgebied, zie hiervoor paragraaf 3.3 zoogdieren van dit rapport. Op basis van de ligging en voormalige gebruik van het projectgebied is er geen sprake van een aantasting van de beschreven actuele natuurwaarden in dit deel van het NNN. Ten aanzien van de potentiële natuurwaarden wordt in het NNN-document (L24) aangegeven dat verbetering van de waterkwaliteit de genoemde kernkwaliteiten ten goede komen en dat er voor otter en ringslang potentieel geschikt leefgebied aanwezig is. Met de bebouwing van de projectlocatie met vier woningen, worden de kernwaarden niet aangetast. Het wegvallen van de functie als jachthaven en het vrijhouden van het oostelijk deel van het perceel, kan juist een positieve bijdrage hebben tot de waterkwaliteit en rust ten aanzien van genoemde vissoorten en de potentie voor ringslang en otter. Naast de kernwaarden dient de beoogde woningbouw tevens te worden getoetst op de vereiste abiotische- en ruimtelijke condities van het NNN.
De vereiste abiotische condities met betrekking tot zoete plas (N14.02) en Hoog- en laagveenbos (N14.02) zijn: • Veenbodem • Relatief voedselarme onbemeste bodem • Buffercapaciteit bodem/water • (micro)reliëf • Stabiel hoog (grond) waterpeil • Goede (grond- en oppervlakte) waterkwaliteit De vereiste ruimtelijk condities bestaan uit: • Bestaand water- en/of verkavelingspatroon • Rust (beperkte menselijke aanwezigheid) • Stilte • Donkerte Met de voorgenomen herinrichting zal er geen sprake zijn van een aantasting van de vereiste abiotische condities. Veenbodems en het microreliëf binnen de NNN worden niet aangetast en ook qua bemesting is in de NNN en het gelijknamige Natura 200 gebied geen sprake, zie het laatste punt bij de voorgaande paragraaf “vermesting/verzuring door de stikstofdepositie in de lucht”. Tevens zijn de voorgenomen plannen iet van invloed op het
21
Bureau Aandacht Natuur
(grond) waterpeil en zal door het opheffen van de functie als jachthaven de waterkwaliteit en buffercapaciteit verbeteren. De voorgenomen werkzaamheden hebben nagenoeg geen betrekking op de vereiste ruimtelijke condities, aangezien de werkzaamheden plaatsvinden in de bebouwde kom van Den Ilp. De bouwwerkzaamheden kunnen mogelijk leiden tot aantasting van rust en stilte in het gebied, maar zal tijdelijk van aard zijn. Daarbij wordt het oostelijk deel van het perceel niet bebouwd en fungeert als een soort buffer naar de gebieden aangewezen als NNN. Zoals reeds beschreven in voorgaande paragraaf zal er nagenoeg geen sprake zijn van nachtelijke werkzaamheden, waardoor verstoring door verlichting tijdens de bouwfase kan worden uitgesloten. De bebouwing zal verder op het voorste deel van het perceel worden gerealiseerd en de beoogde parkeergelegenheid zal voor de woningen komen, waardoor de lichtuitstraling naar de NNN beperkt zal zijn. Verder voorziet het plan niet in het aanbrengen van een straat-, tuin of gevelverlichting. Tevens geldt hierbij dat de omliggende moerasbossen de lichtintensiteit naar de meer open delen van het NNN zal beperken, waarmee het aspect donkerte niet verder wordt aangetast.
4.3 Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) De aanwijzing als Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) betreffen gebieden die landschappelijk, aardkundig, ecologisch of cultuurhistorisch van bijzondere waarde zijn en niet vallen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. De regelgeving met betrekking tot deze gebieden is vastgelegd in de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Holland (NH2020) en is beschreven in kernkwaliteiten per deelgebied. Het Oostzaner- en Ilperveld, waarbinnen het plangebied is gelegen, is zo’n deelgebied. In het BPL zijn ruimtelijke ontwikkelingen, met uitzondering van nieuwe stedelijke ontwikkelingen, toegestaan wanneer de beschreven kernkwaliteiten niet worden aangetast. De ontwikkeling van het plan in Den Ilp draagt bij aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek en wordt zorgvuldig ingepast in het lang gerekte bebouwingslint van Den Ilp. Voor de toetsing aan de kernkwaliteiten van het BPL Oostzaner- en Ilperveld, wordt verwezen naar het beeldkwaliteitsplan Den Ilp 85te Den Ilp (AMB advies, december 2022). 4.4 Overige aspecten gebiedsbescherming De boogde plannen vinden verder niet plaats in of aan terreinen die zijn aangewezen als (onderdeel van) een natuurverbinding.
Aangezien de nieuwbouw plaatsvindt in het dorpslint van Den Ilp, binnen het bestaande bouwblok van de (voormalige) jachthaven, zal er geen sprake zijn van de aantasting van de kernkwaliteiten van een natuurverbinding.
22
Bureau Aandacht Natuur
5. Conclusies en advies Hieronder worden de conclusies beschreven van de quickscan in het kader van de Wet Natuurbescherming voor de beoogde herinrichting van het perceel aan Den Ilp 85. In de volgende paragrafen zijn per onderdeel de uitkomsten van het vooronderzoek in het kader Wet Natuurbescherming uitgewerkt en aangegeven welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. 5.1 Soortbescherming Flora Aan de hand van huidige verspreidingsgegevens (FLORON/NDFF, 2021) en groeiplaatsomstandigheden van beschermde plantensoorten, wordt niet verwacht dat beschermde plantensoorten voorkomen binnen het plangebied. Nader onderzoek naar het voorkomen van beschermde plantensoorten op en rond het betreffende plangebied, is dan ook niet noodzakelijk. Andere binnen de Wet Natuurbescherming beschermde plantensoorten worden aan de hand van de huidige verspreidingsgegevens niet verwacht. Vogels In en rondom het plangebied zijn slechts enkele algemeen voorkomende broedvogels aangetroffen en te verwachten. Voor alle beschermde inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet Natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. In de praktijk betekent dit dat verstorende (kap)werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen2 uitgevoerd mogen worden.
Handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn eveneens niet toegestaan. Nestlocaties van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw worden gezien als een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats. Voor de verstoring van deze verblijfplaatsen en belangrijk leef- of foerageergebied is ook buiten het broedseizoen een ontheffing noodzakelijk. Nestlocaties van bovengenoemde soorten zijn niet aanwezig binnen of in de directe omgeving van het plangebied. Een nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag zijn voor deze soorten dan ook niet noodzakelijk. Zoogdieren Binnen het plangebied zijn met uitzondering van wezel voornamelijk algemeen voorkomende beschermde zoogdiersoorten aangetroffen. Met betrekking tot de bedoelde algemeen voorkomende soorten geldt binnen de provincie Noord-Holland een algehele vrijstelling bij een ruimtelijke ingreep en bestendig beheer. Op basis van het nader onderzoek kan het voorkomen van waterspitsmuis en/of noordse woelmuis worden uitgesloten van de projectlocatie. Met de voorgenomen herinrichting van het plangebied wordt er geen essentieel leefgebied dan wel verblijfplaatsen van genoemde soorten verstoord of verwijderd. Aan de hand van het nader onderzoek zijn een 2
In het kader van de Wet Natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Doorgaans gaat het hierbij om de periode van 15 maart t/m 15 juli.
23
Bureau Aandacht Natuur
ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming of extra mitigerende maatregelen niet noodzakelijk. Met betrekking tot de (kleine marterachtigen) is met het nader onderzoek uitsluitend de nationaal beschermde soort wezel aangetroffen. Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van het essentieel leefgebied van de soorten hermelijn, bunzing en steenmarter of boommarter. Met de voorgenomen herinrichting van het plangebied is het dan ook noodzakelijk om een ontheffing in het kader van de Wet Natuurbescherming aan te vragen voor het verstoren van de soort wezel en het verwijderen van eventuele verblijfplaatsen. Aan de hand van het nader onderzoek dient een mitigatie dan wel activiteitenplan te worden opgesteld om de verstoting van wezel tot een minimum te beperken en aantasting van het leefgebied te verzachten. Denk hierbij aan het ongeschikt maken van het terrein als leefgebied van wezel buiten de kwetsbare perioden van voortplanting en winterrust. Tevens kan het planvoornemen voorzien in het creëren van nieuw geschikt leefgebied op de oostelijk deel van het terrein, waar geen bebouwing wordt gerealiseerd. Denk hierbij aan het creëren van natuurvriendelijke oevers, aanbrengen van heggen en/of takkenrillen.
Andere binnen de Wet Natuurbescherming beschermde (grondgebonden)zoogdiersoorten worden aan de hand van de huidige verspreidingsgegevens en aanwezige terreintypen niet verwacht binnen de projectlocatie. Verdere onderzoeken in het kader van de Wet Natuurbescherming ten aanzien van beschermde, grondgebonden zoogdiersoorten is dan ook niet noodzakelijk. Binnen het plangebied zijn geen potentieel geschikte vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Aan de hand van de aanwezige terreinkenmerken wordt niet verwacht dat de voorgenomen plannen van invloed zijn op belangrijk foerageergebied of een vliegroute van vleermuizen. Hiermee wordt niet verwacht dat belangrijk leefgebied van vleermuizen wordt verstoord of zal verdwijnen door de beoogde herinrichting. Een nader onderzoek of ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming in verband met het voorkomen van vleermuizen is dan ook niet noodzakelijk. Amfibieën en reptielen Met betrekking tot amfibieën zijn enkele algemeen voorkomende beschermde soorten te verwachten. Voor deze soorten geldt een vrijstelling bij een ruimtelijke ingreep of bestendig beheer. Echter geldt voor deze soorten te allen tijde de zorgplicht zoals bedoelt in de Wet Natuurbescherming.
Gezien de voorgenomen plannen en het ontbreken van voortplantingswater, wordt niet verwacht dat de werkzaamheden een effect zullen hebben op de (lokale) populatie van algemeen voorkomende amfibieën. Verder is aan de hand recente verspreidingsgegevens bekend dat de beschermde rugstreeppad voorkomt in de omgeving van de projectlocatie. In de huidige situatie ontbreekt geschikt leefgebied voor deze soort, waarmee een nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag met betrekking tot rugstreeppad in het kader van de voorgenomen herinrichting niet noodzakelijk is. Tevens is het voorkomen van ringslang bekend uit de omgeving van Den Ilp. De soort is voornamelijk bekend uit de omgeving van ’t Twiske en komt (nog) niet voor in het Ilperveld, waardoor het niet waarschijnlijk is dat de soort het perceel gebruikt als leef- of jachtgebied. Tevens ontbreken er geschikte voortplantingsplaatsen (broeihopen) en geschikte overwinteringsplaatsen. Een nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag met betrekking tot ringslang in het kader van de Wet Natuurbescherming is voor de beoogde herinrichting dan ook niet noodzakelijk. Overige beschermde soorten Andere strikt beschermde soorten dan hierboven genoemd, worden niet verwacht binnen het projectgebied. Rond De Ilp komen de beschermde soorten gevlekte witsnuitlibel, grote 24
Bureau Aandacht Natuur
vos en zilveren maan voor. Echter ontbreken geschikte waardplanten en habitattypen voor genoemde soorten binnen het projectgebied. Een nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag met betrekking tot het voorkomen van genoemde libelle- en vlindersoorten is dan ook niet noodzakelijk. Andere beschermde soorten (vissen, libellen, kevers en andere ongewervelde) kunnen op grond van de huidige verspreidingsgegevens en habitatvoorkeuren worden uitgesloten. Nader onderzoek naar het voorkomen van andere beschermde soorten is dan ook niet noodzakelijk. Echter kunnen veranderingen in de situatie binnen het plangebied of in de planvorming altijd leiden tot andere inzichten en daarmee tot wijziging van deze conclusies. 5.2 Gebiedsbescherming Voortoets Natura 2000 Met betrekking tot de Natura 2000 gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanderveld & Twiske kan worden geconcludeerd dat er door de bouwwerkzaamheden mogelijk een tijdelijke effect optreed door geluid en trillingen, en door toedoen van optische verstoring en verstoring door mechanische effecten. Dit in verband met de aanwezigheid van machines, werkverkeer en werknemers binnen het gebied. Met name de voorgenomen heiwerkzaamheden ten aanzien van de bouw van vier woningen zal op grotere afstand tot verstoring door geluid en trillingen kunnen zorgen.
Dit is echter van relatief korte duur (enkele werkdagen) en heeft geen significant negatief effect op de aanwezige natuurwaarden in de omgeving van het projectgebied. Tevens vinden de werkzaamheden plaats in het bebouwinglint van Den Ilp en wordt de projectlocatie, richting het Natura 2000 gebied omzoomd door bos, waardoor de bouw wordt aan het zicht wordt onttrokken vanaf de meer gevoelige open habitattypen in het Natura 2000 gebied. In de eindsituatie (vier woningen) leidt de bebouwing qua bouwhoogte en kleurstelling niet tot extra verstoring van het Natura 2000 gebied. De bebouwing zal op het voorste deel van het perceel worden gerealiseerd, in lijn met de lintbebouwing van Den Ilp, waardoor de uitstraling naar het Natura 2000 gebied beperkt zal zijn. Tevens geldt hierbij dat de omliggende moerasbossen de beoogde activiteiten en het aanzicht vanaf de meer gevoelige open habitattypen zal beperken, waardoor er geen sprake is van een significant negatief effect door de optische verstoring of een verstoring door mechanische effecten. Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht Op basis van de aerius-berekening en bijbehorende notitie (Mariëtte van der Berg, december 2023) blijkt dat er zowel tijdens de bouw- als de gebruiksfase geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie in het aanliggende Natura 2000 gebied.
Hiermee kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een negatief effect door de stikstofdepositie van zowel de realisatie- als de gebruiksfase van het planvoornemen op het Natura 2000 gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanderveld & Twiske. Een nadere uitwerking in de vorm van een Voortoets of Passende beoordeling is dan ook niet noodzakelijk. Cumulatie van effecten Gezien de situering van de projectlocatie in het dorsplint van Den Ilp en de beslotenheid van de projectlocatie door omliggende moerasbossen, kan er vanuit worden gegaan dat er door het planvoornemen geen cumulatie optreedt met andere activiteiten in de directe omgeving.
25
Bureau Aandacht Natuur
NNN De beoogde realisatie van het planvoornemen vindt plaats aan de rand van gebieden aangewezen als onderdeel van het NNN-gebied Ilperveld en Varkensland (L24). Met betrekking tot de kernkwaliteiten van het NNN is er geen sprake van negatieve effecten aangezien de abiotische en ruimtelijke karakteristiek van het gebied niet worden aangetast en geen negatief effect heeft op de actuele dan wel potentiële natuurwaarden. Met het planvoornemen worden de vereiste abiotische en ruimtelijke condities eveneens niet aangetast. Alleen tijdelijk (tijdens de bouwwerkzaamheden) is het mogelijk dat de rusten stilte in het gebied worden verstoord. Echter gaat het hierbij voornamelijk om de uit te voeren heiwerkzaamheden Verdere bouwactiviteiten zullen grotendeels opgaan in het verkeer en bewoning aan het bebouwingslint van Den Ilp. De bewoning van de projectlocatie zal verder op het voorste deel van het perceel, in lijn met de bestaande bebouwing, worden gerealiseerd. Het oostelijk deel van het perceel wordt niet bebouwd en fungeert als een soort overgangszone naar de gebieden aangewezen als NNN en krijgt tevens een meer natuurlijke inrichting en uitstraling. Op basis hiervan kan dan ook worden geconcludeerd dat de beoogde herinrichting geen negatief effect heeft op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN gebied Ilperveld en Varkensland (L24).