B2.8. Natuurtoets Dorpsstraat Landsmeer
Tekst van het document
Rapport 01/317 AFO Advisering & Onderzoek Titel en subtitel: Natuurtoets “Dorpsstraat 25” Gemeente Landsmeer (NH) Auteur(s): Opdrachtgever: IMMO Ontwikkelings BV
Opdrachtnemer AFO Advisering & Flora- en faunaOnderzoek Limmerweg 46 1935 AM Egmond-Binnen
www.afo-onderzoek.nl e-mail: info@afo-onderzoek.nl Datum publicatie: maart 2020
© AFO Advisering & Flora- en fauna Onderzoek, 2020 Niets uit deze rapportage mag zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van AFO en de opdrachtgever openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, websites etc..
Inhoudsopgave: Samenvatting
3
INLEIDING
5
1
AANPAK & INDELING RAPPORTAGE
6
2
ONDERZOEKSGEBIED: GLOBALE BESCHRIJVING
7
3
VOORGENOMEN ONTWIKKELING
8
3.1 3.2
BESTAANDE SITUATIE TOEKOMSTIGE SITUATIE
8 9
4
WETTELIJK KADER
11
5
TOETSINGSKADER
12
5.1 5.2 5.3 6
7
14
6.1 INLEIDING 6.2 RESULTATEN VELDBEZOEK QUICKSCAN 6.2.1 Vegetatie/flora 6.2.2 Fauna
14 14 14 15
EFFECTBEOORDELING (QUICKSCAN)
16
INLEIDING VOGELS VLEERMUIZEN CONCLUSIE
16 16 16 16
VOORLOPIGE CONCLUSIE NATUURWET- EN REGELGEVING 8.1
9
12 12 13
BEOORDELING NATUURWAARDEN
7.1 7.2 7.3 7.4 8
GEBIEDSBESCHERMING SOORTBESCHERMING CONCLUSIE
WET NATUURBESCHERMING
17
AANVULLEND VELDONDERZOEK
18
9.1 ALGEMEEN 9.2 MATERIAAL & METHODEN 9.3 RESULTATEN VLEERMUISONDERZOEK 9.4 CONCLUSIE VLEERMUISONDERZOEK 9.5 ONDERZOEK GIERZWALUW- EN HUISMUS 9.5.1 Huismus 9.5.2 Gierzwaluw 9.6 CONCLUSIE ONDERZOEK HUISMUS EN GIERZWALUW 10
17
EFFECTBEOORDELING (AANVULLEND VELDONDERZOEK) 10.1 HUISMUS & GIERZWALUW 10.2 VLEERMUIZEN 10.2.1 Algemeen 10.2.2 Foerageerlocatie & paarterritorium
18 18 19 21 21 21 21 21 22 22 22 22 22
11
EINDCONCLUSIE NATUURWET- EN REGELGEVING
23
12
BEPERKINGEN EN RANDVOORWAARDEN
23
13
ADVIES
23
14
LITERATUUR
24
Bijlage 1 : Foto-impressie planlocatie
Natuurtoets “ Dorpsstraat 25, Landsmeer.”
2
Samenvatting ➢
Inleiding Voor een planlocatie in het stedelijk gebied van de gemeente Landsmeer (Noord-Holland) werd een Natuurtoets verricht. Dit betrof een QuickScan onderzoek eneen aanvullend veldonderzoek. Het voornemen is op de planlocatie de bestaande bebouwing te vervangen door nieuwbouw. Op de planlocatie staat momenteel één woonhuis. De nieuwbouw biedt ruimte aan meerdere appartementen en heeft een groter bouwvolume dan het bestaande woonhuis. IMMO Ontwikkelingen BV heeft AFO voorjaar 2019 opdracht verleend tot het verrichten van deze Natuurtoets.
➢
Quickscan-beoordeling
Flora -
Er werden tijdens een eenmalige inventarisatie geen beschermde plantensoorten aangetroffen relevant in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. Deze worden op basis van het aangetroffen biotoop op deze locatie ook niet verwacht. Aanvullend onderzoek is hier niet noodzakelijk
Fauna Vogels De verwachting was dat er mogelijk broedvogels op de planlocatie aanwezig kunnen zijn waarvan de nestlocaties jaarrond beschermd zijn: Huismus en/of Gierzwaluw. Tevens kunnen in de tuin, het nabijgelegen plantsoen, en in of op het woongebouw ook nesten van andere vogelsoorten aanwezig zijn waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn maar wel tijdens het gebruik in de broedtijd. -
Vleermuizen De planlocatie biedt mogelijkheden voor vaste verblijfplaatsen van deze soortgroep. De planlocatie zal naar verwachting vrijwel zeker door één of meer soorten gebruikt worden als onderdeel van het foerageergebied. Belemmering van migratieroutes van vleermuizen door de voorgenomen ontwikkeling is hier niet aan de orde.
-
Overige soorten Er worden geen andere soorten of soortgroepen verwacht op de planlocatie die een in dit kader een relevante beschermingsstatus hebben.
➢
Advies aanvullend onderzoek De uitkomsten van de QuickScan gaven aanleiding aanvullend onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van broedvogels waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en daarnaast onderzoek te verrichten naar de mogelijke aanwezigheid van vaste verblijflocaties van vleermuizen. Zonder deze gegevens kan geen afdoende beoordeling plaatsvinden ten aanzien van soortbescherming in kader van de Wet natuurbescherming.
➢
Aanvullend veldonderzoek Resultaten - Broedvogels De planlocatie (woonhuis) wordt niet als nestlocatie gebruikt door de in dit geval relevante soorten Huismus en Gierzwaluw. − Vleermuizen De planlocatie wordt door vleermuizen niet gebruikt als dagverblijfplaats. De achtertuin maakt wel onderdeel uit van het paarterritorium van een Gewone dwergvleermuis en fungeert voor deze soort als onderdeel van het foerageergebied. Effectbeoordeling − Foerageerlocatie. Door de voorgenomen ontwikkeling verdwijnt een deel van de achtertuin en daarmee geschikt foerageergebied van de Gewone dwergvleermuis. De grootte van de planlocatie (achtertuin) is echter te gering om bij vermindering van oppervlak te resulteren in een negatief effect van betekenis voor de Gewone dwergvleermuis.
Natuurtoets “ Dorpsstraat 25, Landsmeer.”
3
−
➢
Paarterritorium. De afname van open ruimte (achtertuin) heeft consequenties voor het aanwezige paarterritorium. Dit paarterritorium strekt zich uit over meerdere tuinen. De inperking die veroorzaakt wordt door de toekomstige aanwezigheid van een gebouw zal naar verwachting geen afbreuk doen aan de mogelijkheid voor de Gewone dwergvleermuis in de resterende achtertuinen op en nabij de planlocatie een paarterritorium te handhaven. De open ruimte wordt geacht hier voldoende groot voor te zijn.
Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming − Er doen zich geen negatieve effecten voor op beschermde gebieden ten gevolge van externe werking door licht, geluid of fysieke aanwezigheid die voortkomen uit de geplande ontwikkeling. Wel is de externe werking op een nabijgelegen Natura-2000-gebied van toepassing in het kader van stikstofemissie. Een beschouwing van de stikstofemissie, waaronder een zogeheten AERIUS-berekening in het kader van gebiedsbescherming, maakt geen deel uit van deze rapportage Soortbescherming − Op basis van de Quickscan-beoordeling en het aanvullende onderzoek wordt geconcludeerd dat er bij de voorgenomen ontwikkeling geen overtreding van de Wet natuurbescherming optreedt mits voldaan kan worden aan een beperkt aantal voorwaarden en restricties. Deze hebben zowel betrekking op de werkzaamheden voor de realisatie van het gebouw als er na, en worden in een apart hoofdstuk van deze rapportage opgesomd en beschreven. Het betreft het voorkomen van indirecte storing door het effect van licht op vleermuizen, en de mogelijke aanwezigheid van nesten van algemene broedvogels waarvan de nestlocaties niet jaarrond beschermd zijn, maar wel tijdens het gebruik in de vogelbroedtijd.
Aanvullend advies − Hoewel er in dit geval geen verplichting bestaat vanuit de Wet natuurbescherming, wordt geadviseerd enkele verblijfplaatsen voor Gierzwaluw en vleermuizen op te nemen bij de bouw van het appartementencomplex. Dit is met beperkte kosten relatief eenvoudig te realiseren en deze kunnen vrijwel geheel aan het zicht worden onttrokken (inbouw)..
Natuurtoets “ Dorpsstraat 25, Landsmeer.”
4
Inleiding In opdracht van IMMO Ontwikkelingen BV werd door AFO een Natuurtoets uitgevoerd. De Natuurtoets werd verricht in het kader van geplande sloop en vervangende nieuwbouw op een perceel aan de Dorpsstraat te Landsmeer. Het hier verrichte onderdeel van een Natuurtoets betreft een zogeheten QuickScan-onderzoek, en op basis van de resultaten van dit onderzoek werd een aanvullend onderzoek verricht naar mogelijke aanwezigheid van enkele strikt beschermde soorten. Ook deze resultaten worden in deze rapportage beschreven. Doel van een Natuurtoets is primair een waardering te verkrijgen van de aanwezige beschermde flora en fauna en/of de aanwezigheid van beschermd leefgebied van soorten. Vervolgens dient duidelijk te worden wat de invloed van een project of ontwikkeling is op de aanwezige beschermde natuurwaarden. Dit in relatie tot natuurwet- en regelgeving, die zowel betrekking kan hebben gebiedsbescherming als soortbescherming. Als eerste stap wordt veelal een QuickScan-onderzoek verricht. Hierbij wordt de projectlocatie kort onderzocht en mogelijke effecten van het project op aanwezige of mogelijk aanwezige natuurwaarden worden beoordeeld. Op basis hiervan kan reeds worden vastgesteld in hoeverre een project of ruimtelijke inrichting in strijd is met de natuurwet- en regelgeving, of dit mogelijk kan zijn.
Bij een QuickScan-onderzoek dient daarnaast duidelijk te worden of meer informatie noodzakelijk is om één en ander correct te kunnen beoordelen. Dit kan nader aanvullend onderzoek zijn in het kader van de Natuurtoets. Maar, de resultaten van de QuickScan kunnen ook aanleiding zijn het project of de ruimtelijke ontwikkeling bij te stellen. Bijvoorbeeld aanpassing aan het ontwerp, en/of de activiteiten die hiermee samenhangen met de uitvoering zoals de planning van de werkzaamheden. Een Natuurtoets dient uiteindelijk ook te bepalen of vergunningverlening (ontheffing) in het kader van de natuurwet- en regelgeving aan de orde is.
Natuurtoets “ Dorpsstraat 25, Landsmeer.”
5
1 Aanpak & indeling rapportage 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Beschrijving van het project en de locatie Relevante wet- en regelgeving: toetsingskader Beoordeling locatie: veldbezoek situatie en aanwezige natuurwaarden Aanvullend onderzoek Conclusie met betrekking tot de Natuurwet- en regelgeving Vervolgstappen
Natuurtoets “ Dorpsstraat 25, Landsmeer.”
6
Foto 1. Zicht op het huidige pand op de planlocatie (foto vanaf de Dorpsstraat).
3.2 Toekomstige situatie Het voornemen is de bebouwing op de planlocatie te slopen. Daarna zal nieuwbouw plaatsvinden waarbij vrijwel het gehele perceel (1761) zal worden bebouwd. Het voorontwerp voorziet in de bouw van appartementen in twee aaneengesloten gebouwen. De gebouwen, met een nokhoogte van circa 9 meter, hebben drie bouwlagen, waarvan de bovenste laag een woonlaag is onder een schuine kap, waarin dakkapellen voor de lichtinval zorgen. In figuur 3 is een plattegrond weergegeven van de toekomstige situatie. De figuren 4, 5 en 6 geven een (artist) impressie de nieuwe bebouwing.
Figuur 3. Platte grond van de toekomstige situatie. Naast het woongebouw (nr 25) zijn de toegangspaden aangegeven. De contouren van het bestaande woonhuis zijn met een dunne gestippelde zwart/wit lijnen zichtbaar. Bron: Leloup architecten (voorontwerp 2019)
Natuurtoets “ Dorpsstraat 25, Landsmeer.”
9
Figuur 4. Artist impression van de toekomstige planontwikkeling (aanblik vanuit noordwestelijke richting: kruising Dorpsstraat/Raadhuisstraat). Bron: Leloup architecten (voorontwerp 2019)
Figuur 5. Aanblik Raadhuisstraat (noordgevel). Bron: Leloup architecten (voorontwerp 2019)
Figuur 6. Aanblik Dorpsstraat (westgevel). Bron: Leloup architecten (voorontwerp 2019)
Natuurtoets “ Dorpsstraat 25, Landsmeer.”
10
4 Wettelijk kader Mede in navolging van Europese wetgeving en richtlijnen vereist de Nederlandse wetgeving dat bij voorgenomen plannen of projecten ingrijpende schade aan beschermde planten en dieren voorkomen wordt. Alleen onder bepaalde voorwaarden kan hier een uitzondering op gemaakt worden. Met ingang van januari 2017 heeft de natuurwetgeving in Nederland wederom een verandering ondergaan en werd zowel de natuurwetgeving die betrekking heeft op soorten als op de natuurwetgeving die betrekking heeft op gebiedsbescherming samengevoegd in de (nieuwe) Wet natuurbescherming. De vóór deze datum bestaande natuurwetgeving waaronder de Flora-en faunaweten de Natuurbeschermingswet ’98, zijn hiermee komen te vervallen. Met deze verandering zijn tevens ook inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd, onder meer wat betreft de beschermingsstatus van soorten. Bij een project of planontwikkeling dient als eerste duidelijk te worden of beschermde soorten of leefgebieden van soorten door het ten uitvoer brengen van de plannen een voor de wetgeving relevante schade kunnen ondervinden. Mocht schade kunnen optreden en ook niet te vermijden zijn, dan hoeft dit niet altijd het einde van het project te betekenen. Onder bepaalde voorwaarden kan in veel gevallen het project toch worden gerealiseerd. Mogelijk vereist dit wel enige aanpassing in de voorgenomen planontwikkeling.
Het is zodoende zaak bij een project al in een vroeg stadium kennis te verkrijgen van mogelijke belemmeringen wat betreft de natuurwetgeving. Daarbij kan een aanvraag vergunning of ontheffing noodzakelijk worden. In vrijwel alle gevallen waar op de voorhand schade aan beschermde soorten niet kan worden uitgesloten is een aantal stappen noodzakelijk: 1. Inventarisatie van de aanwezige of te verwachten natuurwaarden 2. Waardering van de aanwezige natuurwaarden 3. Inschatting en beoordeling van ecologische effecten van voorgenomen ingrepen 4. Terugkoppeling met de ontwikkelaar/opdrachtgever over de verkregen resultaten zodat bepaald kan worden welke weg verder gevolgd moet worden Naast bescherming van individuen van soorten en hun leefmilieu zijn in Nederland bovendien waardevolle natuurgebieden aangewezen die Europese bescherming kennen in de Habitat- en Vogelrichtlijn en eveneens vallen onder de Wet natuurbescherming. Ruimtelijke ingrepen in deze gebieden worden vrijwel niet toegestaan, maar ook projecten in de nabijheid van deze gebieden dienen rekening te houden met deze wetgeving. De natuurwetgeving is er namelijk ook op gericht deze gebieden te behoeden voor activiteiten en ingrepen in aangrenzend en nabijgelegen terrein die effect kunnen hebben op deze beschermde gebieden (de “externe werking”).
Ook gebieden die behoren tot de zogenoemde Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) kennen een planologische gebiedsbescherming. De provincie kan ook gebieden buiten het Natuurnetwerk met speciale natuurwaarden een speciale (planologische) bescherming toekennen. Dit is onder meer het geval bij weidevogelgebieden voor zover deze niet in het Natuurnetwerk liggen. Overheidsorganisaties en instellingen worden eveneens geacht rekening te houden met zogenoemde Rode-Lijst soorten en doelsoorten. Het betreft flora en fauna die soms geen bescherming kennen in de Flora- en faunawet, maar wel behoren tot soorten die als kwetsbaar of bedreigd worden beoordeeld. De Wet natuurbescherming kent strikt verboden handelingen ten aanzien van bepaalde soorten. Naast deze specifiek omschreven verbodsbepalingen kent deze wetgeving de zogenaamde zorgplicht. Daarmee wordt in meer algemene bewoording aangegeven, dat een ieder er bewust naar dient te streven schadelijke gevolgen voor flora en fauna zo veel mogelijk te voorkomen of te beperken.
Natuurtoets “ Dorpsstraat 25, Landsmeer.”
11
5.3 Conclusie Voor de toetsing van de voorgenomen ontwikkeling wordt in deze rapportage alleen de Wet natuurbescherming in het kader van soortbescherming behandeld. Een beschouwing van de stikstofemissie, waaronder een zogeheten AERIUS-berekening in het kader van gebiedsbescherming, maakt geen deel uit van deze rapportage, maar is wel van toepassing. Van andere mogelijk negatieve effecten dan stikstofemissie, die in het kader van externe werking een nader beschouwd dienen te worden is in dit geval geen sprake.
Natuurtoets “ Dorpsstraat 25, Landsmeer.”
13
6 Beoordeling natuurwaarden 6.1 Inleiding Voorjaar 2019 werd een veldbezoek gebracht aan de planlocatie. Daarbij werd de planlocatie en deels ook de directe omgeving beoordeeld op aanwezige natuurwaarden en potentieel aanwezige natuurwaarden in het kader van soortbescherming.
6.2 Resultaten veldbezoek QuickScan 6.2.1 Vegetatie/flora • Aanwezige vegetatie De omgeving van planlocatie is vrijwel geheel verhard. Inheemse vegetatie (kruiden, grassen) is zeer schaars aanwezig en betreft algemene soorten kenmerkend voor een stedelijke omgeving zoals Straatgras, Canadese fijnstraal en Liggende vetmuur. Aan de noordzijde van de planlocatie is een klein plantsoen aanwezig dat beplant is met uitheemse struiken en er staan enkele kleine boompjes (stamdiameter <15 cm.). Aan de achterzijde van het woonhuis (oostzijde) is een tuin aanwezig die deels verwilderd is. Er zijn uitheemse struiken aanwezig in de randzone en grotendeels in de vorm van een haag (coniferen). Het open middendeel is deels verwilderd en hier zijn ruderale soorten aangetroffen zoals: Duinriet, Kweek, Veldbeemdgras, Teunisbloem, Schermhavikskruid en Gestreepte witbol.
Foto 2. Zicht op het plantsoen aan de noordzijde van de planlocatie.
Natuurtoets “ Dorpsstraat 25, Landsmeer.”
14
• Te verwachten vegetatie Het aanwezig biotoop geeft geen aanleiding te veronderstellen dat - in andere seizoenen- wel beschermde flora op de planlocatie aanwezig is.
6.2.2 Fauna • Vogels Aangetroffen soorten. Tijdens het bezoek werden op en in de directe omgeving van de planlocatie Kauw en Merel waargenomen. Onder enkele hogere coniferen in de tuin is gezocht naar eventueel aanwezig braakballen/sporen van (Rans)uilen, deze werden niet aangetroffen. Te verwachten soorten. Op en rond de planlocatie kunnen naast de waargenomen soorten in de broedtijd meer soorten worden verwacht: Heggemus, Zanglijster, Koolmees, Pimpelmees, Houtduif, Turkse Tortelduif en mogelijk Spreeuw, Winterkoning en Vink. Ook Gierzwaluw en Huismus zijn soorten die in het stedelijk gebied voorkomen en daarbij een speciale jaarrond bescherming kennen wat betreft de broedlocaties. Het woongebouw op de planlocatie zou voor deze twee soorten een broedlocatie kunnen zijn. •
Vleermuizen
Algemeen Op de planlocatie zullen naar verwachting vleermuizen voorkomen. Dit betreft dan zeer waarschijnlijk algemeen voorkomende soorten van het stedelijk gebied, zoals de Gewone dwergvleermuis. Mogelijk komen ook Laatvlieger en Ruige dwergvleermuis op de planlocatie voor. Mede door het nabijgelegen open waterrijke gebied is het voorkomen van andere soorten zoals Watervleermuis en Meervleermuis zeker niet uit te sluiten. Foerageerlocatie Door het gegeven dat de planlocatie voor een belangrijk deel verhard is, is de kwaliteit van de planlocatie als foerageergebied voor vleermuizen niet bijzonder hoog, bovendien is de grootte van de planlocatie zeer gering in relatie tot het gebied dat vleermuizen gebruiken tijdens het foerageren. Maar, zeker voor een individu van de Gewone dwergvleermuis, is de planlocatie wel voldoende groot om korte tijd te foerageren. Vaste verblijfplaatsen De bebouwing van de planlocatie wordt beoordeeld als een potentieel geschikte locatie voor vleermuizen om er een verblijfslocatie te hebben. Het pannen dak, nabij goten, loodslab- & schoorsteen of dorpel kozijnen verdieping, zijn potentieel mogelijkheden voor vleermuizen toegang te geven tot achterliggende (kleine) ruimten, die benut kunnen worden als verblijfsplaats. Er zijn op de planlocatie geen bomen aanwezig die als verblijfplaats dienst kunnen doen.
Verbindingslocatie/migratieroute Vleermuizen kunnen het plangebied passeren bij migratie tussen verder af gelegen foerageergebied (en een verblijfplaats, die zich mogelijk ergens in de wijdere omgeving van de planlocatie bevindt. • Overige soortgroepen Er worden geen andere soorten of soortgroepen met een speciale bescherming verwacht op de planlocatie waarvoor deze als leefgebied of standplaats een functie van enige betekenis zou kunnen hebben. Natuurtoets “ Dorpsstraat 25, Landsmeer.”
15
7 Effectbeoordeling (QuickScan) 7.1 Inleiding In deze paragraaf worden op basis van de bij de QuickScan verkregen informatie de nadelige effecten beschreven die zouden kunnen optreden voor in het kader van de wetgeving relevante soorten. Of deze nadelige effecten daadwerkelijk zullen optreden is veelal onzeker. De achterliggende oorzaak is dat kennis over het voorkomen van enkele relevante soorten in dit stadium nog onzeker is.
7.2 Vogels De kans op het voorkomen van soorten met een speciale beschermingsstatus - Huismus en/of Gierzwaluw - wordt reëel geacht. Indien blijkt dat deze daadwerkelijk op de planlocatie voorkomen, of in de zeer directe nabijheid van planlocatie, dan kunnen nestlocaties van deze soorten worden beschadigd of nadelig worden beïnvloed. De kans op het voorkomen van meer soorten broedvogels, waarvan de nestlocaties niet jaarrond beschermd zijn, is eveneens reëel. Indien werkzaamheden plaatsvinden in de broedtijd van deze soorten, kunnen ook voor deze soorten voor de wetgeving schadelijke gevolgen optreden.
7.3 Vleermuizen Foerageergebied De planlocatie kan naar verwachting (QuickScan) door vleermuissoorten gebruikt worden als foerageerlocatie. De grootte en de kwaliteit van de planlocatie is te gering om daarbij ook als substantieel deel van het foerageergebied te kunnen fungeren, zelfs voor één individu van deze soortgroep. Vaste verblijfplaatsen Bij sloop van het bestaande gebouwen zullen deze indien aanwezig vernietigd worden. Migratieroute. De bouw van een nieuw relatief hoog gebouw zou indien deze zeer dicht bij een kolonieverblijf ligt een fysieke barrière kunnen opwerpen voor in- en uitvliegende vleermuizen op zeer nabijgelegen verblijfplaatsen en daarmee een sterk nadelig effect hebben op een (kolonie)verblijfplaats. Maar ook uitstralend licht kan, als een kverblijfplaats direct grenst aan de planlocatie een sterk negatief effect hebben. Het direct ten zuidelijk gelegen woonhuis, waarvan de schuur en het woongebouw dicht aan de planlocatie grenzen is een potentiele locatie voor een verblijfplaats. Voor verderaf gelegen potentiele kraamlocaties zal geen negatief effect optreden, daarvoor biedt de planlocatie en de directe omgeving ook in de nieuwe situatie voldoende open (vlieg)ruimte. .
7.4 Conclusie Negatieve effecten op in dit kader relevante soorten kunnen, op basis van de beschikbare informatie bij de een QuickScan, niet worden uitgesloten. Het betreft schadelijk effecten op broedvogels, waaronder Huismus, Gierzwaluw en verblijfplaatsen van vleermuizen.
Natuurtoets “ Dorpsstraat 25, Landsmeer.”
16
8 Voorlopige conclusie natuurwet- en regelgeving 8.1 Wet natuurbescherming Op basis van een eerste beoordeling van de geschiktheid van de planlocatie voor beschermde soorten (QuickScan) is er een reële mogelijkheid dat de Wet natuurbescherming zal worden overtreden bij de voorgenomen ontwikkeling. Een minder open beoordeling kan slechts plaatsvinden na aanvullend onderzoek naar het daadwerkelijke gebruik van de locatie door soorten met een speciale bescherming (Huismus, Gierzwaluw en vleermuizen)
Natuurtoets “ Dorpsstraat 25, Landsmeer.”
17
9 Aanvullend veldonderzoek 9.1 Algemeen Op basis van de bij de Quickscan verkregen informatie werd beoordeeld dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van Huismus, Gierzwaluw en vleermuizen noodzakelijk was om te komen tot correcte beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming. In deze paragraaf worden de resultaten van dit aanvullende onderzoek naar genoemde soorten en soortgroep beschreven.
9.2 Materiaal & methoden Eind maart 2019 werd gestart met het verzamelen van gegevens. Het onderzoek liep door tot oktober 2019. De benodigde onderzoeksinspanning en bezoekfrequentie bij het onderzoek was afgestemd op de hiervoor gangbare protocollen, zoals beschreven in het vleermuisprotocol 2017 en de kennisdocumenten Huismus en Gierzwaluw (Bij 12). In tabel 1 wordt een overzicht gegeven van de bezoekdata bij het verrichte onderzoek. In enkele gevallen wordt daarbij niet geheel voldaan aan de datumgrenzen die gehanteerd worden in het vleermuisprotocol. Het betreft overigens slechts een overschrijding van enkele dagen van deze (arbitraire) datumgrens. Er wordt in dit geval niet beoordeeld dat dit de resultaten en conclusies beïnvloed heeft. De achterliggende redenen om enigszins af te wijken van het standaardprotocol waren in juli van personele aard (ziekte), en eind september het temperatuursverloop in deze periode, waarbij zeer lage temperaturen optraden en verplaatsing naar begin oktober beter geacht werd om waarnemingen te verzamelen. In dit laatste geval was dus sprake van een bewuste keuze. Een andere afwijking van de standaardmethodiek was de inventarisatiemethodiek in het voorjaar.
De geringe grootte van de locatie (woongebouw) en de ligging, maakte de situatie geschikt om met behulp van twee strategische opgestelde waarnemers eventuele aanwezige vleermuizen te kunnen registreren die het pand, na de rustperiode gedurende de dag, in de avond zouden verlaten. Daarmee kon afdoende worden vastgesteld of het pand door vleermuizen gebruikt werd als vaste verblijfplaats in deze periode. Een onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van een winterverblijf van de Gewone dwergvleermuis werd gelet op de gering grootte van het gebouw niet noodzakelijk geacht. De inventarisaties werden deels door twee personen verricht, deels door één persoon. De inventarisaties uitsluitend gericht op Huismus, en het onderzoek in het najaar naar vleermuizen, werden verricht door één persoon. De overige onderzoeken werden door twee personen verricht. Materiaal. Waarnemingen van vleermuizen werden gedaan met behulp van batdetectoren, waarbij minimaal één batdetector aanwezig was waarmee digitale (time expansion) opnamen konden worden vastgelegd, zodat de digitaal geregistreerde geluidswaarnemingen zo nodig later, met behulp van software (spectrogram), nauwkeuriger konden worden beoordeeld of worden geverifieerd op beoordeling. Soms werden zaklampen gebruikt om visuele waarnemingen te verrichten.
Bij het onderzoek in voorjaar werden portofoons gebruikt, waarmee de onderzoekers waarnemingen direct konden doorgeven aan elkaar. Voor het waarnemen van Huismus en Gierzwaluw werd soms een verrekijker gebruikt, maar meestal gebeurde dit zonder hulpmiddelen. Weersomstandigheden. Er werd uitsluitend geïnventariseerd indien de weersomstandigheden activiteiten van de te inventariseren soorten niet dusdanig beperkten dat de kans op waarnemen hierdoor verkleind werd, dus niet bij harde wind (> 4 Bft) of (substantiële) regenval. In tabel 1 wordt een overzicht gegeven van de data en periode waarop onderzoek verricht werd. Bij de resultaten wordt dit nader gespecificeerd.
Natuurtoets “ Dorpsstraat 25, Landsmeer.”
18
9.4 Conclusie vleermuisonderzoek De planlocatie wordt door vleermuizen niet gebruikt als vaste verblijfslocatie in de zin van een dagverblijfplaats. De tuin, met name het achterste deel, maakt deel uit van een paarterritorium van de Gewone dwergvleermuis. In het voorjaar werd op deze locatie ook een foeragerende Gewone dwergvleermuis waargenomen. Waarschijnlijk betreft het hetzelfde exemplaar dat in de omgeving van de planlocatie zijn verblijfplaats heeft. In de omgeving zijn meerdere paarterritoria aanwezig van de Gewone dwergvleermuis.
9.5 Onderzoek Gierzwaluw- en Huismus 9.5.1 Huismus Er werden op 5 dagen, verspreid in de periode van 20 maart tot 19 juli, gericht waargenomen of Huismus op de planlocatie aanwezig was. Tijdens deze dagen werd minimaal een uur op en nabij de planlocatie waargenomen. De weersomstandigheden waren geschikt om van deze soort broedindicerende waarnemingen te kunnen verkrijgen. Op geen van deze dagen werd Huismus op de planlocatie waargenomen.
9.5.2 Gierzwaluw Waarnemingen gericht op Gierzwaluw werden verricht op 3 dagen, waarbij een uur voor zonsondergang, tot een uur na zonsondergang (dan doorlopend in het vleermuisonderzoek), gepost werd nabij de planlocatie. Deze strategie leent zich er het beste voor om een relatief kleine locatie als deze te onderzoeken. Het geeft de mogelijkheid om met een wijd beeld van de omgeving de rondvluchten van Gierzwaluw al vroeg te kunnen signaleren. Gierzwaluw werd aangetroffen nabij de planlocatie, maar de planlocatie zelf - het woonhuis – werd door de soort niet gebruikt als nestlocatie. Waarnemingen van kenmerkende groepjes ogenschijnlijk achter elkaar aanjagende Gierzwaluwen werden gedaan op 1 juli en 19 juli. De groepjes, of soms individuen, vlogen daarbij veelal hoog (> 10 meter) boven de planlocatie, slechts een enkele keer lager. De rondvluchten en met name de lagere (< 10 meter) concentreerde zich rond de woningen ten oosten van de planlocatie in de Raadhuisstraat (beginnend op een afstand van circa 100 m.). Hier scheerden de vogels dicht over de daken en lieten daarbij ook het kenmerkende “gieren” horen. Het is vrijwel zeker dat zich daar nestlocaties bevinden. De maximaal waargenomen groepsgrootte van de vluchten was 9 exx.
9.6 Conclusie onderzoek Huismus en Gierzwaluw De planlocatie, en specifiek het woonhuis, worden door Huismus en Gierzwaluw niet gebruikt als nestlocatie. Gierzwaluw broedt wel in nabije omgeving (afstand > 100 m.)
Natuurtoets “ Dorpsstraat 25, Landsmeer.”
21
10 Effectbeoordeling (aanvullend veldonderzoek) 10.1 Huismus & Gierzwaluw Uit het aanvullende onderzoek naar de aanwezigheid van Huismus en Gierzwaluw komen geen resultaten naar voren die een nadere effectbeoordeling noodzakelijk maken. De soorten werden niet op de planlocatie aangetroffen, noch binnen een potentiele effectafstand van de planlocatie.
10.2 Vleermuizen 10.2.1 Algemeen Op de planlocatie bevindt zich geen vaste dagverblijfplaats van vleermuizen. Een verdere effectbeoordeling is in die zin niet aan de orde. Wel maakt de planlocatie deel uit van het paarterritorium van één Gewone dwergvleermuis. De tuin wordt ook benut als foerageergebied door een Gewone dwergvleermuis, waarschijnlijk betreft dit hetzelfde exemplaar. De sloop van het gebouw zal op het gebruik als foerageergebied en paarterritorium geen nadelig effect hebben, maar dat kan wel gelden voor de bouw en de aanwezigheid van nieuwbouw en vraagt om een nadere beoordeling.
10.2.2 Foerageerlocatie & paarterritorium De achtertuin van de planlocatie maakt deel uit van een grotere open aaneengesloten groene ruimte, die gevormd wordt door de tuinen/erven van woonhuizen waarvan de planlocatie er één is. Geconstateerd werd dat deze open ruimte door de Gewone dwergvleermuis werd gebruikt als foerageerlocatie en werd gebruikt als paarterritorium. Door de geplande nieuwbouw zal een groot deel van de tuin van de planlocatie verdwijnen (fig.3). Daarmee wordt het door meerdere tuinen gevormde “open gebied” dat tussen de woonhuizen ligt kleiner. Paarterritorium. Zoals aangeven in figuur 9 vormt de tuin van de planlocatie een onderdeel van het paarterritorium. De in deze figuur aangegeven polygoon is natuurlijk indicatief en grotendeel gebaseerd op interpretatie van waarnemingen met een batrecorder. De verblijfplaats van deze vleermuis moet zich in één van de omringende schuren of woonhuizen in de directe omgeving van het planperceel bevinden. De vraag die hier gesteld dient te worden met betrekking tot dit paarterritorium is: kan de geplande bebouwing door het inperken van de open ruimte een nadelig effect voor de aanwezigheid van een paarterritorium? De open ruimte bestaat momenteel uit de achtertuin van het planperceel, de achtertuin van woonhuis nr. 27 en de achtertuinen van de woningen Raadhuisstraat nrs. 2,4 en 6.
Bij deze laatst genoemde woningen staan wel schuurtjes in de tuin, maar deze zijn van geringe hoogte, en vormen geen obstakel voor een doorgaande territoriale vlucht van een Gewone dwergvleermuis. Door de bebouwing verdwijnt circa 1/3 van de open ruimte die als functioneel kan worden betiteld en als geschikt voor een territorium. Sachteleben en Helversenz (2006) vonden in een stedelijke omgeving territoria die varieerden van 1,2 tot 10 ha. waarbij overigens niet altijd sprake is van een geheel open gebied. Er werden ook lijnvormige vluchten waargenomen. Het hierboven beschreven bestaande open gebied beslaat een oppervlakte een slechts een halve ha.. Het is waarschijnlijk dat de waargenomen vleermuis niet alleen het genoemde gebied gebruikte als “wervingslocatie”, maar in een groter gebied actief was. Mogelijkheden hiervoor zijn in de directe omgeving zeker aanwezig in de vorm van zuidelijk gelegen open ruimten (parkeerplaats, tuinen). De kans dat door het wegvallen van een deel van de openruimte het paarterritorium geheel zal verdwijnen wordt zeer onwaarschijnlijk geacht. De directe omgeving biedt voldoende mogelijkheid voor de Gewone dwergvleermuis om het paarterritorium te handhaven, ondanks dat er sprake is van enige “vliegbeperking” door de fysieke aanwezigheid van het toekomstige gebouw. Foerageergebied.
Waargenomen werd dat de achtertuin ook dienst deed als foerageergebied voor een Gewone dwergvleermuis. In verhouding tot de grootte van het totale foerageergebied van een
Natuurtoets “ Dorpsstraat 25, Landsmeer.”
22
Gewone dwergvleermuis kan gesteld worden dat de afname van geschikt foerageergebied in dit geval zeer gering is. De aangrenzende tuinen blijven aanwezig als “eerste” foerageergebied na het uitvliegen, en in de wijdere omgeving vormt foerageergebied zeker geen beperking. De aanwezigheid van de Gewone dwergvleermuis zal hier zeker geen schade van betekenis van ondervinden van de nieuwe ontwikkeling.
11 Eindconclusie natuurwet- en regelgeving Het aanvullende onderzoek geeft geen aanleiding te veronderstellen dat bij de voorgenomen ontwikkeling de Wet natuurbescherming in het kader van soortbescherming wordt overtreden. Wel zijn voorzorgsmaatregelen noodzakelijk om dit ook tijdens de sloop, de bouw en de inrichting te kunnen blijven garanderen. In de volgende paragraaf worden de beperkingen opgesomd.
12 Beperkingen en randvoorwaarden Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen dient acht geslagen te worden op de hieronder opgesomde aspecten. Wat betreft broedvogels is de beperking dwingend, er kan in dit kader ook geen ontheffing voor worden aangevraagd. - Broedvogels Bij het verwijderen van struiken of heesters uit de randzone van de tuin of het plantsoen kunnen tijdens de broedtijd (globaal half maart – juli) nesten worden verstoord of verwijderd. Geadviseerd wordt het verwijderen van struiken/heesters buiten de vogelbroedtijd te verrichten. - Vleermuizen Uitstralende verlichting kan een grote negatieve invloed hebben op vleermuizen. De aanwezigheid van een paarterritorium van de Gewone dwergvleermuis maakt het noodzakelijk dat in de periode half juli – begin oktober er geen sterk uitstralende verlichting is naar de aangrenzende achtertuinen. Dit kan optreden door het zondermeer plaatsen van bouwverlichting, of het eventueel aanbrengen van uitstralende verlichting aan of naast de nieuwbouw. Meestal is uitstraling eenvoudig te voorkomen door de lampen naar de grond te richten, af te schermen en niet op grote hoogte te plaatsen, waarmee bereikt wordt dat slechts het noodzakelijk deel verlicht wordt wordt. Ook het gebruik van amberkleurig licht lijkt voor vleermuizen positief effect te hebben.
Indien er wel uitstralende verlichting optreedt bij bouw of na realisatie, dan kan overtreding van de Wet natuurbescherming optreden, en dient voortijds een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd.
13 Advies Nieuwbouw leent zich vaak goed voor het aanbrengen van vleermuisverblijfplaatsen en broedstenen voor Gierzwaluw. Deze zijn vaak eenvoudig en zonder al te hoge kosten te realiseren zonder dat dit de architectuur benadeeld (aangebracht in de spouw achter het buitenblad). Geadviseerd wordt om enkele verblijfplaatsen voor deze soorten aan te brengen in de nieuwbouw. Het verdient aanbeveling als deze keuze gemaakt wordt een ecologisch adviseur (bv AFO) in de arm te nemen om de juiste kasten en locaties te kiezen.
Natuurtoets “ Dorpsstraat 25, Landsmeer.”
23
14 Literatuur •
Sachteleben J. , von Helversen O, 2006. Songflight behaviour and mating system of the pipistrelle bat (Pipistrellus pipistrellus) in an urban habitat. Acta Chiropterologica, 8(2): 391–401, 2006 PL ISSN 1508-1109 © Museum and Institute of Zoology PAS.
Natuurtoets “ Dorpsstraat 25, Landsmeer.”
24
Bijlage : Foto-impressie planlocatie & directe omgeving
Foto 3. Zicht op de planlocatie vanaf een noordelijker gelegen punt langs de Dorpsstraat.
Foto 4. De achterzijde van het woonhuis met tuin. .
Natuurtoets “ Dorpsstraat 25, Landsmeer.”
25
Foto 5. Groenstrook/plantsoen grenzend aan de noordzijde van de planlocatie.
Foto 6 Zicht op de planlocatie vanaf de Dorpsstraat kijkend richting de Raadhuisstraat.
Natuurtoets “ Dorpsstraat 25, Landsmeer.”
26