B13 TOE Bijlage 7 Vleermuisonderzoek en effectbeoordeling vleermuizen.
Tekst van het document
Resultaten vleermuisonderzoek en effectbeoordeling vleermuizen locatie houthandel Sneek te Den Ilp
Uitgevoerd door: Tuitert Natuuronderzoek i.s.m. Natuurbank Overijssel
Opdrachtgever: Dekker Projectontwikkeling Contactpersoon: Dhr. M. Dekker
Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0543-451142 / 06-14435700
Projectnummer en versie: AT/2022/04.04 Versie D2 Auteur: D. Tuitert
Status: Definitief Rapportdatum: 04-04-2022
Inhoudsopgave
1 2 3 4 5 6 7
Inleiding ...................................................................................................................... 3 Methode vleermuisonderzoek .................................................................................. 3 Resultaten ................................................................................................................... 4 Conclusie vleermuisonderzoek ................................................................................ 6 Effectbeoordeling ...................................................................................................... 6 Conclusie effectbeoordeling .................................................................................... 7 Aanbevelingen gebruiksfase bewoners .................................................................. 8
2
1 Inleiding Door Natuurbank Overijssel is een verkennend natuuronderzoek (quickscan flora en fauna) uitgevoerd voor het terrein van Houthandel Sneek in Den Ilp. Uit het verkennend natuuronderzoek is gebleken dat begroeiing op het terrein zelf en omliggend water door vleermuizen gebruikt kan worden als foerageergebied of als vliegroute. Op 28 mei, 23 juni en 16 juli 2021 heeft daarom aanvullend vleermuisonderzoek plaatsgevonden in verband met voorgenomen herontwikkeling van het terrein. De vraag die voorligt is of het terrein zelf en aangrenzende watergangen door vleermuizen worden gebruikt als essentieel foerageergebied of als essentiële vliegroute. In voorliggende rapportage zijn de uitkomsten van het vleermuisonderzoek weergegeven en vindt een effectbeoordeling plaats op basis van het inrichtingsplan met daarbij voor vleermuizen opgenomen inrichtingsmaatregelen.
Figuur 1: Duiding onderzoeksgebied vleermuisonderzoek (rood omlijnd).
2 Methode vleermuisonderzoek Het aantal veldbezoeken is gebaseerd op de potentiële aanwezigheid van de volgende functies voor vleermuizen: • Essentiele vliegroute; • Essentieel foerageergebied. In totaal hebben drie veldbezoeken plaatsgevonden. In onderstaande tabel zijn de data en weersomstandigheden van de veldbezoeken weergegeven. Tabel 1: Data en weersomstandigheden van de vleermuisinventarisaties Datum
Type inventarisatie
Type bezoek
Weersomstandigheden
30-05-2021
Vliegroute, foerageergebied
Avondbezoek
15° Celsius, onbewolkt, windkracht 2
23-06-2021
Vliegroute, foerageergebied
Avondbezoek
16° Celsius, bewolkt, windkracht 2
16-07-2021
Vliegroute, foerageergebied
Avondbezoek
19° Celsius, bewolkt, windkracht 2
De vleermuisinventarisaties zijn uitgevoerd met een Pettersson D240x batdetector. Dit apparaat zet de ultrasone geluiden van vleermuizen om in voor mensen hoorbare tonen. Tevens kunnen de geluiden vertraagd (time-expansion) worden opgenomen voor analyse achteraf, omdat sommige soorten moeilijk te determineren zijn in het veld. Het gebruik van een Pettersson D240x batdetector is conform de voorwaarden voor materiaalgebruik
3
vanuit het Vleermuisprotocol. Daarnaast is een warmtebeeldkijker van het type Pulsar Helion XP28 ingezet om het plangebied nog beter te kunnen overzien. De veldbezoeken hebben plaatsgevonden vanaf een half uur voor zonsondergang tot ruim 2,5 uur na zonsondergang (i.v.m. mogelijk later passerende meervleermuizen) en zijn telkens met 2 ervaren vleermuisonderzoekers uitgevoerd. 3 Resultaten Tijdens het vleermuisonderzoek zijn vier vleermuissoorten waargenomen; gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en watervleermuis. Onderstaand wordt ingegaan op de functies foerageergebied en vliegroute. Foerageergebied Het terrein van de houthandel bevat weinig voor vleermuizen interessante begroeiing. Alleen langs de randen van het terrein is opgaande begroeiing aanwezig. Tijdens alle veldbezoeken zijn foeragerende gewone dwergvleermuizen op het terrein waargenomen. Het gaat om lage aantallen (max. 3-5 exemplaren) en de dieren foerageren incidenteel en veelal kortstondig op het terrein. Grote delen van de tijd zijn er geen foeragerende dieren waargenomen. Gewone dwergvleermuizen foerageren naast op het terrein zelf ook langs de oevers van de aangrenzende watergangen. Van essentieel foerageergebied van de gewone dwergvleermuis waar structureel gefoerageerd wordt en dat van essentieel belang is voor de functionaliteit van elders aanwezige verblijfplaatsen is geen sprake.
Er blijft in de directe omgeving voldoende geschikt foerageergebied voor de gewone dwergvleermuis aanwezig in de vorm van tuinen, water(oevers), bosschages en andere groengebieden. Tweemaal is kortstondig een foeragerende laatvlieger gehoord in het onderzoeksgebied tijdens twee verschillende bezoeken. De laatvliegers vlogen langs de begroeiing langs de randen van het terrein en verdwenen vervolgens via de aangrenzende Ringvaart naar foerageergebieden elders. Van essentieel foerageergebied van de laatvlieger waar structureel gefoerageerd wordt en dat van essentieel belang is voor de functionaliteit van elders aanwezige verblijfplaatsen is geen sprake. Er blijft in de directe omgeving voldoende geschikt foerageergebied voor de laatvlieger aanwezig in de vorm van tuinen, water(oevers), bosschages en andere groengebieden. Op het terrein van de houthandel zelf zijn geen foeragerende exemplaren van de watervleermuis en de meervleermuis aangetroffen. Wel zijn incidenteel enkele passerende meervleermuizen en watervleermuizen waargenomen boven de aangrenzende Ringvaart. De watervleermuizen hebben kortstondig rondom het plangebied gefoerageerd voordat ze verder vlogen over de Ringvaart. Meervleermuizen passeerden het onderzoeksgebied vrijwel direct.
De Ringvaart en aftakking daarvan richting het Ilperveld ter plaatse van het onderzoeksgebied vormen wel een foerageerroute voor de meer- en watervleermuizen.
4
Figuur 1: Cumulatieve waarnemingen vleermuizen in en rond het onderzoeksgebied. Rood = gewone dwergvleermuis, blauw = laatvlieger, geel = meervleermuis en groen = watervleermuis .
Vliegroutes Tijdens het vleermuisonderzoek zijn geen duidelijke vliegroutes van vleermuizen vastgesteld in het onderzoeksgebied. De aangrenzende Ringvaart wordt door enkele meer- en watervleermuizen gebruikt als foerageerroute, maar van een doorgaande vliegroute die structureel wordt gebruikt door meer- of watervleermuizen is geen sprake. Het hoogste aantal passerende dieren dat is waargenomen bedraagt 5 meervleermuizen en 2 watervleermuizen. Tijdens andere bezoeken waren de aantallen lager. De eerste passerende dieren werden ruim 1,5 uur na zonsondergang waargenomen.
Figuur 2: Foerageerroutes meervleermuis en watervleermuis (rode pijl).
5
4 Conclusie vleermuisonderzoek Het plangebied zelf (terrein houthandel) vormt geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen en herbergt geen landschappelijke elementen die fungeren als vliegroute voor vleermuizen. De aan het plangebied grenzende wateren (Ringvaart en afslag daarvan naar het Ilperveld) zijn van belang als foerageerroute voor zowel meervleermuis als watervleermuis. 5 Effectbeoordeling De aan het plangebied grenzende wateren (Ringvaart en afslag daarvan naar het Ilperveld) zijn van belang als foerageerroute voor zowel meervleermuis als watervleermuis. Deze wateren blijven fysiek behouden, maar zouden door lichtuitstraling wel verstoord kunnen worden. Door Altenburg & Wymenga is specifiek onderzoek gedaan naar de lichtgevoeligheid van meervleermuizen in Friesland (Kuijper et al. 2006, 2008). Dit onderzoek toont aan dat meervleermuizen een reactie vertoonden bij lichttoenames van 0,6 tot 3,2 Lux (Kuijper et al. 2008), met 0,6 Lux als laagst gemeten lichtwaarde waarbij meervleermuizen afwijkend gedrag gaan vertonen bij verlichte fysieke obstakels zoals bruggen en sluizen en 3,2 Lux als waarde waarbij vrijwel altijd afwijkend gedrag werd vastgesteld. Daarbij geeft Altenburg & Wymenga aan dat in deze studie het effect van langduriger blootstelling van vliegroutes aan kunstlicht, en daarmee mogelijk gepaard gaande gewenning, niet is onderzocht.
Dat er mogelijk gewenning op kan treden, blijkt uit de aanwezigheid van vliegroutes van meervleermuizen op kunstmatig verlichte plaatsen (zie Van der Vegte 2005) 1. Ook uit eigen waarnemingen van A&W zijn dergelijke situaties bekend: bijvoorbeeld het Hoornse Diep in de stad Groningen en de Luts in het Friese dorp Balk. Meervleermuizen gebruiken zeer lange foerageerroutes waarbij ze regelmatig verlichte delen in dorpen, steden, haventjes en bij bruggen en sluizen moeten passeren. Dit weerhoudt ze er niet van om dergelijke routes te blijven gebruiken. Door Altenburg & Wymenga wordt op basis van het onderzoek van Kuijper et al. (2008)2 in combinatie met waarnemingen van meervleermuizen die ogenschijnlijk geen hinder ondervinden in enigszins lichtverstoorde situaties, aangenomen dat de kritische grens waarbij effecten kunnen ontstaan vermoedelijk ergens tussen 0,6 en 3,2 LUX ligt.3 In een andere studie van Altenburg & Wymenga4 waarbij veldexperimenten met verlichting op o.a. vliegroutes en foerageergebieden van meervleermuizen in Friesland zijn uitgevoerd, werden op vlieg- en migratieroutes van meervleermuizen op 5 verschillende plekken in Friesland geen duidelijke verstoringseffecten van verlichting vastgesteld door lichtbronnen met sterktes variërend van 1 tot 30 Lux.
Het aantal passerende dieren op de vlieg- en migratieroutes was bij aangebrachte verlichting niet wezenlijk anders dan bij de nulmeting zonder verlichting. Voorgaande toont aan dat in situaties waarbij geen sprake is van een fysieke barrière zoals een brug of sluis die door over het water vliegende meervleermuizen gepasseerd hoeft te worden, een verstoringswaarde van ca. 1 Lux (gemiddelde waarde in het buitengebied waarin meervleermuizen overwegend foerageren) een reële waarde is die
1
Van der Vegte 2005. Belvédère Oude Rijn. Meervleermuizen en verlichting. Haskoning Nederland. Kuijper, P.J., J.Schut, D. van Dullemen, H. Toorman, N. Goossens, J. Ouwehand, H.J.G.A. Limpens 2008. Experimental evidence of light disturbance along the commuting routes of pond bats (Myotis dasycneme). Lutra 51 (1): 37-49. 3 L.W. Bruinzeel & J. Schut 2009. Nulmeting lichtverstoring Bonkevaart. A&W-rapport 1339. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. 4 Kuijper, D.P.J., J. Schut, A-J. Haarsma, J. Ouwehand, H.J.G.A. Limpens & D. van Dullemen 2006. Meervleermuizen in Fryslan; kennisontwikkeling voor soortenbescherming. A&W-rapport 748. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. 2
6
aangeeft dat de meervleermuis een lichtgevoelige soort is. Voor de watervleermuis wordt een verstoringswaarde van 1,1 Lux aangegeven in het kennisdocument van BIJ12. Met de inrichting van het plangebied is op voorhand rekening gehouden met de aanwezigheid van vleermuizen boven het omliggende water. Zo is ter plaatse waar koplampen van auto’s op het water zouden kunnen schijnen op rijroutes in het plangebied voorzien in dicht struweel en bankjes/meubilair die ervoor zorgen dat er geen directe lichtuitstraling van auto’s op het wateroppervlak optreedt. Rondom de waterkant is voorzien in ‘lichtdode zones’ waarin geen openbare buitenverlichting aanwezig is. Verder blijft een deel van de aanwezige begroeiing langs de waterkant behouden door pluksgewijs elzenstobben te laten staan of aan te brengen die zorgen voor afscherming van verlichting en luwte op het aangrenzende wateroppervlak. De betreffende inrichtingsmaatregelen zijn op onderstaande tekening weergegeven.
Figuur 3: Inrichtingsmaatregelen vleermuizen
Door de inrichtingsmaatrelen die worden getroffen wordt directe lichtuitstraling op de foerageerroutes van de meervleermuis en de watervleermuis zo veel mogelijk voorkomen. Bovendien is er in de huidige situatie ook verlichting op het terrein aanwezig (o.a. hoge lichtmasten) en staan er elders langs de Ringvaart ook op diverse plekken woningen en/of andere gebouwen met verlichting langs het water. De aanwezige foerageerroutes van de meervleermuis en de watervleermuis worden door het voorgenomen plan niet zodanig verstoord dat deze hun functie zullen verliezen. 6 Conclusie effectbeoordeling Door de inrichtingsmaatrelen die worden getroffen wordt directe lichtuitstraling van het voorgenomen plan op de foerageerroutes van de meervleermuis en de watervleermuis zo veel mogelijk voorkomen. De aanwezige foerageerroutes van de meervleermuis en de watervleermuis worden door het voorgenomen plan inclusief inrichtingsmaatregelen voor vleermuizen niet zodanig verstoord dat deze hun functie zullen verliezen. Elders langs de Ringvaart zijn vergelijkbare situaties wat betreft verlichting aanwezig en dat leidt er ook niet toe dat vlieg-/foerageerroutes niet meer worden gebruikt door meervleermuizen en watervleermuizen. De functionaliteit van de elders gelegen verblijfplaatsen van de meervleermuis en de watervleermuis komt niet in het geding.
De bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen staan derhalve niet aan de uitvoerbaarheid van het voorgenomen plan in de weg als de inrichtingsmaatregelen ten aanzien van
7
vleermuizen worden toegepast. Er hoeft geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd ten aanzien van vleermuizen. 7 Aanbevelingen gebruiksfase bewoners Bewoners van woningen die grenzen aan het water kunnen rekening houden met aanwezigheid van vleermuizen bij het plaatsen van lichtbronnen in hun tuin. Verlichting vanuit gebouwen zal niet snel een directe uitstraling op het water hebben. Bij tuinverlichting kan dit wel het geval zijn, zeker wanneer deze achter in de tuin direct langs het water wordt geplaatst. Bij voorkeur vindt er geen directe lichtstraling en een maximale verlichtingswaarde van ca. 1 Lux op het water plaats door tuinverlichting. Indien mogelijk kan een verlichtingsvrije zone langs de waterkant worden opgenomen in de bestemmingsplanregels. Als dat niet mogelijk is dient verlichting zodanig geplaatst te worden dat er geen directe lichtuitstraling op het water plaatsvindt door: Het plaatsen van een afschermkap bij lampen die achter in de tuin worden geplaatst aan de zijde van het water. Het licht schijnt dan van het water af de tuin in en er vindt geen directe lichtuitstraling op het wateroppervlak plaats. Gebruik te maken van vleermuisvriendelijke verlichting (amberkleurig) die geen negatief effect heeft op vleermuizen.
8