B1. Beleidskader Kleine Windturbines
Tekst van het document
Beleidskader kleine windturbines Zaanstreek – Waterland 5 september 2024
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
Verantwoording
Colofon
Titel
Beleidskader kleine windturbines Zaanstreek – Waterland TAUW bv
Opdrachtgever
Provincie Noord-Holland
Australiëlaan 5
Projectleider
Ellen Wilms
Postbus 3015
Auteur(s)
Kathrin Merkelbach, Ellen Wilms
3502 GA Utrecht
Tweede lezer
Martijn Horstman
T +31 30 28 24 82 4
Meet- en inspectiewerk
E info.utrecht@tauw.com
Projectnummer
1290888
Aantal pagina’s
70
Datum
5 september 2024
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
2
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
Inhoud 1
Inleiding .................................................................................................... 4
2
Kenmerken kleine windturbines ............................................................... 6
3
4
5
Gemeentelijk beleid bestemmingsplannen ............................................. 36 5.1
Definitie landelijk gebied en bouwpercelen...................................... 36
2.1
Omgevingsverordening Noord-Holland 2022 .................................... 6
5.2
Gemeentelijke visies op KWT’s ....................................................... 37
2.2
Provinciale ruimtelijke Handreiking wind op land .............................. 7
5.3
Bestemming bebouwing in veenweidegebieden.............................. 37
Provinciaal beleid ..................................................................................... 9
5.4
Bestemming bebouwing in droogmakerijen ..................................... 42
3.1
Natuurwetgeving en -beleid .............................................................. 9
6
Slagschaduw en geluid ........................................................................... 44
3.2
Stiltegebieden ................................................................................. 12
7
Relatie tussen kleine en grote windturbines en zon................................ 46
3.3
Beleid erfgoed ................................................................................. 13
8
Visualisaties ............................................................................................ 51
3.4
Beleid landschap ............................................................................. 15
8.1
Inleiding ........................................................................................... 51
Karakteristiek van Zaanstreek – Waterland............................................ 17
8.2
Locaties Edam-Volendam................................................................ 53
4.1
Inleiding ........................................................................................... 17
8.3
Locaties Zaanstad ........................................................................... 55
4.2
Zeevang .......................................................................................... 20
8.4
Locaties Wormerland (Over-gemeenten) ........................................ 57
4.3
Assendelft en omgeving .................................................................. 22
8.5
Locaties Oostzaan ........................................................................... 59
4.4
Westzaan en omgeving ................................................................... 24
8.6
Locaties Landsmeer ........................................................................ 61
4.5
Wormer- en Jisperveld .................................................................... 25
8.7
Locatie De Purmer ........................................................................... 63
4.6
Oostzaner en Ilperveld .................................................................... 27
8.8
Locaties Waterland .......................................................................... 64
4.7
Waterland ........................................................................................ 29
9
4.8
Beemster ......................................................................................... 31
10 Aanbevelingen ........................................................................................ 69
4.9
Wijde Wormer.................................................................................. 32
Bronnen.......................................................................................................... 70
4.10
Purmer ............................................................................................ 34
Visie plaatsing kleine windturbines in landelijk gebied............................ 65
3/70
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
1 Inleiding Behoefte aan beleidskader Alle gemeenten in de regio Zaanstreek – Waterland hebben behoefte aan een beleidskader voor het plaatsen van kleine windturbines, waaraan aanvragen van initiatiefnemers getoetst kunnen worden. Dit beleidskader is dan ook opgesteld in een samenwerking tussen alle gemeenten binnen de regio te weten: Edam-Volendam, Zaanstad, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend (inclusief de voormalige gemeente Beemster), Waterland en Wormerland. Het Beleidskader heeft betrekking op de gehele regio Zaanstreek – Waterland met uitzondering van de Beemster. De gemeente Purmerend heeft recent een Nota opgesteld op basis waarvan een Afwegingskader wordt opgesteld voor kleine en grote windturbines in de Beemster. Hierover vindt afstemming plaats met de provincie. Gezien dit parallele traject wat doorlopen wordt, vindt er in deze nota geen beleidsvorming plaats voor de Beemster. Wel is de Beemster in de analyse meegenomen. Aanleiding Aanleiding voor het beleidskader zijn de versoepelde regels van de provincie voor het toestaan van kleine windturbines in de Omgevingsverordening en de uitgekomen provinciale Ruimtelijke handreiking wind op land met een hoofdstuk over de inpassing van kleine windturbines en diverse aanvragen binnen de gemeenten voor kleine windturbines. De gemeenten willen bijdragen aan duurzame energie.
Figuur 1.1: Plangebied regio Zaanstreek - Waterland Doelstellingen Doelstellingen van het beleidskader voor kleine windturbines zijn: • Een beleidskader opstellen voor toetsing van aanvragen voor kleine windturbines, • •
met een zo groot mogelijke regionale samenhang. binnen de door de provincie gestelde kaders; - Omgevingsverordening provincie NH 2022 -
Ruimtelijke handreiking wind op land 4/70
Kenmerk
•
R000-1290888EWI-V01
met ruimte voor maatwerk per gemeente.
zijn de ruimtelijke kenmerken van de verschillende gebieden uitgelicht in afbeeldingen en toelichtende tekst. Hoofdstuk 5 geeft inzicht hoe erven zijn opgenomen in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Hoofdstuk 6 gaat vervolgens in op geluidsproductie en slagschaduw van kleine windturbines. Hoofdstuk 7 beschrijft de relatie tussen kleine en grote windturbines in verschillende opzichten. Hoofdstuk 8 toont voorbeeld visualisaties van mogelijke windturbines in de 7 gemeenten om hierover een visie te
Figuur 1.2: Historische molens, waar de regio bekend om is
ontwikkelen. Hoofdstuk 9 geeft de uiteindelijke visie weer voor het wel of niet toestaan van kleine windturbines binnen de regio Zaanstreek-Waterland. Hoofdstuk 10 geeft een aantal beleidsaanbevelingen. Het rapport sluit af met een overzicht van de gebruikte literatuur.
Kleine windturbines (KWT) Kleine windturbines zijn turbines met een ashoogte van maximaal 15 meter. De ashoogte van een windturbine wordt gemeten vanaf het maaiveld tot aan de as. Vooral op agrarische erven worden deze turbines toegepast. Dit omdat de energievraag van agrariërs vooral is op momenten dat zonnepanelen niet, of minder efficiënt zijn. Denk aan de ochtend- en avondperiode, maar ook in de winter. Dit maakt het voor agrariërs interessant om, eventueel naast zonnepanelen, kleine windturbines te gebruiken om een gedeelte van het eigen energieverbruik op te wekken.
Figuur 1.3: Kleine windturbine bij een agrarisch erf
Leeswijzer Dit rapport biedt een beleidskader voor de plaatsing van kleine windturbines voor de gemeenten in de regio Zaanstreek-Waterland. Hoofdstuk 2 beschrijft het huidige beleid van de provincie Noord-Holland inzake kleine windturbines en geeft aan welke typen kleine windturbines er zijn. In hoofdstuk 3 wordt een beschrijving gegeven van het huidige provinciale ruimtelijke beleid wat relevant is voor de plaatsing van kleine windturbines. Er wordt ingegaan op natuurbeleid, stiltegebieden, erfgoed- en landschapsbeleid. In hoofdstuk 4 5/70
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
2 Kenmerken kleine windturbines Algemene uitgangspunten voor de plaatsing van kleine windturbines zijn omschreven in: de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Holland 2020 en -
de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Holland 2022 en in de provinciale Handreiking wind op land, met een hoofdstuk over kleine windturbines.
-
2. 3.
groen); de ashoogte niet meer bedraagt dan 15 meter vanaf het maaiveld; de windturbine in landschappelijk opzicht aansluit op de
4.
bijbehorende bebouwing; de windturbine zorgvuldig ruimtelijk wordt ingepast.
Deze algemene uitgangspunten zijn in dit hoofdstuk beschreven.
2.1
Omgevingsverordening Noord-Holland 2022
De Omgevingsverordening NH2022 treedt per 1-1-2024 in werking en vormt de opvolger van de Omgevingsverordening NH2020. Gezien het nabije tijdstip van de inwerkingtreding gaat dit beleidskader uit van de Omgevingsverordening NH2022 (OVNH2022). In artikel 6.37 is omschreven onder welke randvoorwaarden kleine windturbines in het buitengebied mogen worden geplaatst. In de OVNH2020 was dit artikel 6.27b. De tekst is vergelijkbaar. Artikel 6.37 Kleine windturbines in landelijk gebied Voor zover een omgevingsplan (ruimtelijk plan in OVNH 2020) van toepassing is op het werkingsgebied Landelijk gebied kan het, in afwijking van artikel 6.36, ook buiten de zoekgebieden zoals opgenomen in de Regionale energiestrategieën Noord-Holland Noord en Zuid 1.0 voorzien in de bouw van één windturbine per bouwperceel, als: 1. de windturbine wordt gebouwd op -
een agrarisch bouwperceel of
op een bouwperceel van ten minste 1 hectare waar een stedelijke functie is toegestaan (functies die verband houden met wonen, bedrijven, voorzieningen, stedelijk water en
Artikel I Voorbeschermingsregels omgevingsplan Aan elk omgevingsplan van de gemeenten in Noord-Holland wordt een hoofdstuk toegevoegd, luidende: Hoofdstuk X Voorbeschermingsregels vanwege provinciale instructieregels. Afdeling X.2 Windturbines Artikel X.2 Bouwverbod windturbines 1. Het is verboden om één of meer windturbines met een rotordiameter van meer dan 5 meter of een ashoogte van meer dan 7 meter te bouwen of op te schalen. Dit vervangt afdeling 4.12 / artikel 4.100 Bouwverbod windturbines uit de Omgevingsverordening NH2020. Bovenstaand artikel geeft aan dat nog kleinere windturbines overal mogen worden geplaatst, ook in stedelijk gebied. De provincie stelt daar geen nadere regels aan. De gemeente kan dat desgewenst wel doen. Dit beleidskader richt zich op kleine windturbines in landelijk gebied. 6/70
Kenmerk
2.2
R000-1290888EWI-V01
Provinciale ruimtelijke Handreiking wind op land
In de provinciale Handreiking wind op land zijn in hoofdstuk 4 aanvullend op de Omgevingsverordening regels voor kleine windturbines opgenomen qua vormgeving en qua plaatsing op het erf. We geven hier een kort overzicht van de richting gevende regels. Een aanvraag voor kleine windturbines dient zo goed mogelijk aan deze regels te voldoen. Kleine windturbines vormgeving Ashoogte maximaal 15m ten opzichte van maaiveld Evenwichtige verhouding masthoogte tot rotordiameter, richtlijn: 1:1 -
Overwegend rank silhouet Herkenbare eenduidige hoofdvorm als energieopwekker Ingetogen kleurgebruik (onopvallend, mat) passend bij agrarisch of
-
bedrijfserf in landelijk gebied Bijbehorende elementen (hekwerk,
Gewenste aanvulling -
Reclame ten allen tijde ondergeschikt, zie hiervoor betreffende criteria in gemeentelijk welstandbeleid
Plaatsing en ontwikkelprincipes kleine windturbines Diverse principes voor aansluiting op het bouwvlak: Maximaal 1 windturbine op een bouwperceel met agrarische functie -
of bouwperceel met een stedelijke functie van minimaal 1 ha Juiste verhouding tussen windturbine en ensemble van bebouwing Zie de windmolen als onderdeel van of in relatie met het (bestaande) ensemble van bebouwing en beplanting Plaats de windturbine op een ondergeschikte positie ten opzichte van de representatieve voorzijde van het bouwvlak
veiligheidsvoorziening, infrastructuur, fundament, elektravoorzieningen en verlichting) sterk ondergeschikt in maat en in gedekte kleurstelling -
Simpel zicht op de eenvoudige techniek in een natuurlijke omgeving, zonder hekken etc., zorgt veelal voor de beste landschappelijke inpassing. Figuur 2.1: Vormgeving van de windturbine
Figuur 2.2: Plaatsing van de kleine windturbine achter op het erf 7/70
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
-
Behoud afstand van historisch of landschappelijk waardevolle
-
structuren of elementen Draag zorg voor een (groene) inpassing van de windturbine op het bouwvlak
-
Relatie tot kleine windturbines in de omgeving; streef binnen 75m naar plaatsing van een identieke windturbine op een vergelijkbare plek binnen het erf/bouwvlakensemble, binnen 150m voor een vergelijkbare hoofdvorm en bij meer dan 150m afstand van elkaar kan gekozen worden voor een vrije vorm en locatie op het bouwvlak. Figuur 2.5: DutchVentus windturbine op daken te plaatsen. Deze heeft een diameter van 3,5 m en een vermogen van 10 kW (0,01MW), opbrengst van 18 MWh/ jaar, Bron: nwea.nl
Figuur 2.6: Windturbines met een ludieke vormgeving die draaien om de verticale as
Figuur 2.3: Kleine windturbine in het landelijk met een evenwichtige verhouding tussen masthoogte en rotordiameter gebied (EAZ turbine) Vermogen 0,01 MW / Opbrengst 25 MWh/jaar
Figuur 2.4: Kleine windturbine in het landelijk gebied met een erg kleine rotor in verhouding tot de masthoogte 8/70
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
3 Provinciaal beleid In dit hoofdstuk wordt het provinciaal beleid beschreven ten aanzien van natuurwetgeving, stiltegebieden, landschap en cultuurhistorie.
3.1
Natuurwetgeving en -beleid
Natura 2000 In Natura 2000 gebieden mogen geen (significant) negatieve effecten optreden op instandhoudingsdoelen voor habitattypen, vogelrichtlijnsoorten en / of habitatrichtlijnsoorten. Effecten kunnen optreden door fysieke aantasting en door verstoring en aanvaringslachtoffers. Natura 2000 gebieden hebben een externe werking. Windturbines in de nabijheid van een Natura 2000 gebied kunnen voor verstoring in een Natura 2000 gebied zorgen. Ook kan bijvoorbeeld leefgebied van vogelsoorten die in Natura 2000 gebied slapen en erbuiten foerageren worden aangetast. Bij initiatieven moet getoetst worden of significante effecten kunnen optreden. Soortenbescherming Ruimtelijke ingrepen zoals het plaatsen en exploiteren van kleine windturbines moeten altijd getoetst worden aan Soortenbescherming vanwege de mogelijke aanwezigheid van (leefgebied van) beschermde soorten. Verbodsbepalingen kunnen in de aanleg- en gebruiksfase optreden door het vernietigen van leefgebied, verstoring en /of het doden en verwonden van beschermde soorten. Bij windmolens behoeft het risico op aanvaringslachtoffers onder vogels en vleermuizen aandacht.
Op dit moment is er nog maar weinig bekend over de effecten van kleine windturbines op vogels en vleermuizen. Als verbodsbepalingen worden overtreden, kan een ontheffing alleen worden afgegeven als kan worden onderbouwd dat het voornemen een in de wet genoemd belang dient en er geen reële alternatieven zijn die geen negatieve effecten opleveren. Onderzoek relatie kleine windturbines en fauna in Groningen Momenteel vindt in Groningen onderzoek plaats naar het effect van KWT’s op vogels en vleermuizen. Het effect van kleine windturbines op vleermuizen is nog niet duidelijk. Binnen de pilot kwamen vleermuizen, zoals Gewone dwergvleermuis en Ruige dwergvleermuis binnen de risicozone van kleine windmolens voor. Daardoor zouden aanvaringsslachtoffers kunnen vallen. Het effect op boerenlandvogels is nog onvoldoende inzichtelijk. Soorten met verhoogd risico voor aanvaringsslachtoffers zijn: boerenzwaluw, huiszwaluw en spreeuw, putter, gierzwaluw, houtduif, holenduif, torenvalk, zilvermeeuw, kokmeeuw en zwarte kraai. De kans op effecten op de populatie voor torenvalk is het grootst, gevolgd door spreeuw. De grootste aantallen aanvaringsslachtoffers zijn te verwachten bij boerenzwaluw en huiszwaluw. Voor vleermuizen en benoemde vogels is geen verschil in effecten te verwachten binnen de verschillende landschapstypes.
De genoemde soorten komen voor in diverse landschapstypes en zijn vooral gebonden aan boerenerven met bijbehorende beplanting. Het monitoringsonderzoek is opgeschaald en zal naar verwachting eind 2023 worden afgerond. De laatste tussenresultaten zijn redelijk positief en wijzen op alleen incidentele aanvaringsslachtoffers. 9/70
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
Aanvaringsslachtoffers bij windturbines Vanwege verschillen in omvang, hoogte en rotatie lopen bij grote windturbines vooral trekvogels (ook ganzen en eenden) gevaar op aanvaring, terwijl dit bij kleine windturbines vooral zal gelden voor broedvogels. Bij vleermuizen zijn er soorten die zowel voor grote als ook voor kleine windturbines kwetsbaar zijn (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis, vooral ’s nachts van april tot november). Van de in de regio Zaanstreek – Waterland voorkomende meervleermuis is bekend dat die vooral boven water vliegt en foerageert en niet langs verticale elementen vliegt. Door de hogere rotatiefrequentie van de wieken van een KWT wordt er van uitgegaan dat deze beter als object waargenomen kan worden dan langzaam draaiende wieken en er daardoor voor zowel vogels als vleermuizen minder gevaar voor aanvaring bestaat. Preventieve maatregelen Preventieve maatregelen zoals pieptonen of installaties met bepaalde frequenties zijn niet bekend en worden niet geacht effect te hebben voor het verminderen van aanvaringsslachtoffers. In Scandinavië loopt er bij grote windturbines een pilot over het zwart verven
Figuur 3.1 Natura 2000 en NNN gebieden
van één wiek. Daar vielen bij grote windturbines grote aantallen slachtoffers van zeearenden. Het zwarte rotorblad leidde tot een reductie van 80-90% aanvaringsslachtoffers voor deze soort.
10/70
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
De vraag is echter of het effect op een reductie van de aanvaringsslachtoffers
en overdag aanvaringsslachtoffers bij broedvogels kunnen voorkomen. Het is
van andere soorten vogels op kleine windturbines vergelijkbaar is met deze proef.
nog onduidelijk en soort specifiek welke populaties, zoals landelijk of lokaal, als referentie gehanteerd kunnen worden. Conclusie Het stil zetten van kleine windturbines overdag in het broedseizoen lijkt opbrengst-technisch een te grote maatregel. Beschermde houtopstanden Binnen het werkingsgebied voor provinciaal beschermde houtopstanden volgens de OVNH2022 (meestal buiten de bebouwde kom) leidt het kappen van bomen (op enkele uitzonderingen na) tot herplantplicht als er sprake is van bossen met een oppervlakte van meer dan 10 are en bomenrijen van meer dan 20 bomen. Het kappen van bomen die deel uitmaken van een boskern of oude bosgroeiplaats of het niet kunnen voldoen aan voorwaarden voor herplant, kan ontheffingsplichtig zijn. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Voor initiatieven in het NNN geldt het ‘Nee, tenzij’ principe. Initiatieven zijn
Figuur 3.2 Natura 2000 beschermingsregimes bestaande uit Habitatrichtlijngebied, Vogelrichtlijngebied en een combinatie van beide Voor grote windturbines is stilstand verplicht wanneer het aantal slachtoffers 1% van de natuurlijke sterfte van de totale populatie overschrijdt, bijvoorbeeld voor trekvogels op trekroutes tussen noord en zuid Europa tijdens de voorjaars- of najaarstrek. Toegepast op kleine windturbines zou een stilstandsvoorziening dus vooral tijdens het broedseizoen van maart t/m juli
niet toegestaan, tenzij wezenlijke kenmerken en waarden niet worden aangetast of als deze kunnen worden gecompenseerd. Dit mag alleen als kan worden aangetoond dat er sprake is van een groot openbaar belang en er geen reële alternatieven zijn die de wezenlijke waarden en kenmerken niet aantasten. In het Natuurnetwerk Nederland (NNN) gaat in de OVNH2022 een ‘meerwaardebepaling’ gelden. De saldobenadering vervalt. Het NNN mag zowel volgens de oude als nieuwe benadering niet kleiner worden en de samenhang ervan mag niet verminderen. Binnen het NNN liggen geen erven.
11/70
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
Conclusie Kleine windturbines kunnen buiten NNN geplaatst worden als een natuurtoets uitwijst dat beschermde natuurwaarden niet worden aangetast. Een natuurtoets moet altijd worden uitgevoerd. Er is tot nu binnen Noord-Holland geen onderzoek bekend omtrent aanvaringsslachtoffers tussen kleine windturbines en lokale fauna.
3.2
Stiltegebieden
In Zaanstreek – Waterland komt een groot aantal stiltegebieden voor. Deze overlappen veelal met natuurgebieden zoals Jisperveld, Ilperveld, Waterland en Zeevang. In art. 4.28 van de OVNH2022 staat; ‘Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het stiltegebied, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen, voor zover deze niet kunnen worden voorkomen; die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: de activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd’.
Figuur 3.3 Uitgestrekte stiltegebieden (arcering) in Edam-Volendam, Wormerland, Landsmeer en Waterland
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een toestel te gebruiken waardoor de ervaring van de natuurlijke geluiden in het werkingsgebied stiltegebieden kan worden verstoord (OVNH2022 art 4.30). 12/70
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
Het verbod geldt niet voor een toestel (d) bij de uitoefening van normale
De Europese verdragen zijn vooral in algemene en niet in specifieke zin
werkzaamheden in het kader van land-, tuin- of bosbouw.
verplichtend.
Het verbod geldt niet (lid 5) bij gebruik van een toestel indien dit plaatsvindt in
Hollandse waterlinies, energie Afwegingskader
een woning, in of op het bijbehorende erf of tuin van een woning, dan wel een ander bij die woning behorend gebouw, mits het geluidsniveau op een afstand van 50 meter vanaf de activiteit minder dan LAeq,1h = 35 dB(A)
Voor het werelderfgoed van de waterlinies is een Afwegingskader opgesteld om een afweging te kunnen maken voor nieuwe grootschalige zonne- of windenergie binnen het landschap van de linie. Kleine windturbines vallen
bedraagt.
echter niet onder grootschalige energieopwek. Het Afwegingskader is daarom niet bruikbaar voor het afwegen van kleine windturbines.
Conclusie Er moet in een stiltegebied per KWT onderzocht worden of een KWT op 50m afstand van dat toestel minder dan LAeq,1h = 35 dB(A) produceert. Een leverancier van een windmolen kan dit onderzoek aanleveren. Het akoestisch
Stelling van Amsterdam De Stelling van Amsterdam dateert van tussen 1880 en 1914. De militaire verdedigingslinie bestond uit forten en een groot aantal batterijen, dijken en
onderzoek hangt af van voorkomende wind verwachting en de positie ten opzichte van gebouwen en is maatwerk. Het zal van de omstandigheden afhangen of aan deze eis wordt voldaan.
sluizen. Het systeem van de stelling ging uit van onderwaterzetting (inundatie) van een gebied rondom Amsterdam. Een stelsel van inundatiesluizen en -dammen verdeelde het water op ingenieuze wijze.
3.3
Hierdoor ontstond een nat gebied waar het water te diep was voor de vijand om door heen te waden, maar te ondiep om te varen.
Beleid erfgoed
De opgaven op het gebied van erfgoed (inclusief archeologie) zijn op onderdelen tot op Europees en zelfs mondiaal niveau vastgelegd: De Beemster en de Stelling van Amsterdam, beide gelegen binnen de regio, zijn aangewezen als Unesco-Werelderfgoed / erfgoed van
-
universele waarde. Die aanwijzing werkt door in de ruimtelijke ordening. De Landschapsconventie van de Raad van Europa (Verdrag van Florence uit 2000). Hierin beloven landen een actief beleid te voeren op bescherming en beheer van het landschap en van landschappelijke diversiteit.
De door UNESCO benoemde ‘Uitzonderlijke en Universele Waarde’ (UUW) van de Stelling van Amsterdam is samengevat in de volgende kernkwaliteiten: 1.
Het unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven, laat negentiende-eeuwse en vroeg twintigste-eeuwse hydrologisch en militair landschappelijk geheel, bestaande uit: a. een doorgaand stelsel van liniedijken in een grote ring om Amsterdam; sluizen en voor- en achterkanalen; b. forten, liggend aan accessen; c.
inundatiegebieden; 13/70
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
d. voormalige schootsvelden (visueel open) en verboden kringen (merendeels onbebouwd gebied); e. de landschappelijke inpassing en camouflage van de voormalige militaire objecten; 2. Relatief grote openheid; 3. Groene en relatief stille ring rond Amsterdam. De UNESCO-Werelderfgoedstatus heeft als doel behoud en ontwikkeling van de Uitzonderlijke Universele Waarde (UUW). De Provincie Noord-Holland is ‘siteholder’ van het UNESCO-Werelderfgoed Stelling van Amsterdam en is de eerstverantwoordelijke overheid voor het behoud en beheer van de Stelling binnen haar grenzen. De UUW gaat over het behoud van de objecten van de Stelling van Amsterdam maar ook over het behoud van het voor de Stelling zo karakteristieke (open) landschap. Het behoud van het landschap rondom de Stelling van Amsterdam is geregeld via het ruimtelijk beleid. De regels die het Rijk in haar Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ontwikkeling (Barro) hierover heeft gesteld, zijn vertaald opgenomen in de structuurvisie van de provincie Noord-Holland. Gemeenten moeten bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening houden met de in de Provinciale Verordening gestelde regels. In artikel 6.62 van de OVNH2022 wordt gesteld dat als een omgevingsplan (ruimtelijk plan in OVNH2020) betrekking heeft op het werkingsgebied erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde het dan
Figuur 3.4 Uitsnede uit de Overzichtskaart stelling van Amsterdam, bron Leidraad landschap en cultuurhistorie
regels bevat gericht op de instandhouding of versterking van de kernkwaliteiten van de erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Het omgevingsplan voorziet uitsluitend in nieuwe activiteiten die de kernkwaliteit niet aantasten, tenzij er sprake is van groot openbaar belang, er geen reële 14/70
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
alternatieven zijn, of er voldoende maatregelen worden getroffen om nadelige
3.4
Beleid landschap
effecten te mitigeren of te compenseren. Conclusie
Bijzonder Provinciaal Landschap De bescherming van landschap en cultuurhistorie is onderdeel van de
KWT binnen de stelling van Amsterdam toetsen op de kernkwaliteiten van de stelling.
Provinciale Omgevingsverordening 2022. In die verordening zijn 32 Bijzondere Provinciale Landschappen (BPL) opgenomen. Daarvan liggen er acht in de regio Zaanstreek-Waterland: Wormer-en Jisperveld, Wijde
Provinciaal monument De dijk langs het Markermeer is aangegeven als provinciaal erfgoed / monument. Het betreft een keringselement. In de Provinciale
Wormer, Zeevang, Waterland, Westzaan e.o., Assendelft e.o., Oostzaner- en Ilperveld en Marken.
Monumentenverordening 2010 en de OVNH2022 artikel 6.72 staat dat het zonder omgevingsvergunning niet mogelijk is een beschermd monument af te breken, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; een beschermd
Deze gebieden liggen buiten NNN en de Werelderfgoederen, omdat die een eigen beschermingsregime kennen. Voortbordurend op de provinciale Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (2018) geldt in de BPL-gebieden een
monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Een vergunning is noodzakelijk bij de ontwikkeling van een duurzame energiebron in de directe
beschermingsregime voor de landschappelijke ‘kernkwaliteiten’, die voor elk gebied afzonderlijk zijn benoemd. In de acht BPL-gebieden in ZaanstreekWaterland zijn activiteiten uitgesloten die:
nabijheid waardoor de belevingswaarde van het provinciaal monument wordt beïnvloed. Rijks- en gemeentelijke monumenten en beschermde dorpsgezichten In het plangebied komen ook diverse rijks- en gemeentelijke monumenten en beschermde dorpsgezichten voor, waaronder Marken. KWT’s zijn hier niet bij voorbaat uitgesloten.
-
het verkavelingspatroon wijzigen of leiden tot het dempen of wijzigen van sloten of andere waterlopen; de landschappelijke openheid aantasten en bijvoorbeeld leiden tot
-
(verdere) verdichting of verrommeling. Dat geldt ook voor nieuwe bebouwing en voor tweedelijns-bebouwing in de linten; de habitat voor weidevogels verkleinen of verstoren (bijvoorbeeld aanleg van opgaande elementen) of die die een verlaging van het waterpeil tot gevolg hebben.
Conclusie Per monument of dorpsgezicht zal een toetsing moeten uitwijzen of sprake is van een onevenredige aantasting van de aan het monument of dorpsgezicht toegekende waarde. Die aanvragen worden voorgelegd aan de monumenten of beschermde dorpsgezichtencommissie. 15/70
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
De provinciaal landschapskundig adviseur heeft aangegeven dat indien een kleine windturbine zorgvuldig aansluitend op het erf geplaatst wordt, dit in de BPL gebieden niet wordt beschouwd als een aantasting van de kernkwaliteit openheid. Vanuit ecologisch oogpunt wordt vanuit de huidige literatuur aangenomen dat de plaatsing van een KWT in een weidevogelgebied niet schadelijk hoeft te zijn voor de weidevogels als de kleine windturbine nabij andere opgaande elementen op het erf wordt geplaatst. Bij de nadere toelichting op de karakteristiek van de deelgebieden in hoofdstuk vier wordt nader ingegaan op onder andere de opbouw van de bebouwingslinten en de typering van de openheid. Conclusie Bij een goede aansluiting van de kleine windturbine op de erven is plaatsing vanuit landschappelijk oogpunt binnen Bijzonder Provinciaal Landschap mogelijk, afhankelijk van de openheid in samenhang met de grootte van bebouwing en de mate van erf- en laanbeplanting.
Figuur 3.12: Bijzondere provinciale landschappen (geel) en UNESCO werelderfgoed Stelling van Amsterdam en de Beemster (zwarte kruisjes)
16/70
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
4 Karakteristiek van Zaanstreek – Waterland 4.1
Inleiding
Regio van zeven gemeenten De regio Zaanstreek-Waterland bestaat uit de zeven gemeenten Zaanstad, Waterland, Landsmeer, Wormerland, Purmerend, Edam-Volendam en Oostzaan. Sommige gemeenten zijn sterk stedelijk van karakter, andere juist sterk landelijk. De regio is 46.427 ha groot (land en water), waarvan 14.226 ha cultuurgrond. Een groot deel (94%) van de cultuurgrond bestaat uit grasland. Het gemiddelde landbouwbedrijf is 45 ha groot. Natuur en landschap In de regio is bijna 7.800 ha aangewezen als onderdeel van het Nationaal Natuurnetwerk Nederland (NNN) en ruim 7.250 ha als Natura 2000-gebied. Een groot deel van de cultuur- en natuurgronden is beschermd landschap via het Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL), zie ook paragraaf 3.4. Hierdoor worden de meest waardevolle landschappen en bijhorende kernkwaliteiten behouden, zoals openheid en sloten- en verkavelingspatronen. In de navolgende paragrafen wordt de karakteristiek per deelgebied nader toegelicht; eerst de veenweidegebieden en daarna de droogmakerijen.
Water Veenweiden Moerassen Polders
Figuur 4.1: Gebiedstypering binnen de regio Zaanstreek-Waterland
17/70
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
Ontstaansgeschiedenis Het gebied kent een eeuwenlange geschiedenis van veenvorming, veenontginning en -ontwatering, dijkdoorbraken en inpolderingen. De ontginningsgeschiedenis en de kracht en beteugeling van het water zijn goed afleesbaar in het landschap, bijvoorbeeld aan de ontginningsassen en strokenverkaveling van de veenweidepolders en de restanten van dijkdoorbraken. De droogmakerijen kenmerken zich juist door een regelmatige verkaveling en de ringdijken met hoog gelegen boezemwateren. De veel voorkomende openheid is een bijzondere waarde, zowel voor bewoners en recreanten, als voor weidevogels.
Figuur 4.2: Stedelijk gebied, bedrijventerreinen, bebouwingslinten en de waterstructuur in het buitengebied
18/70
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
Bebouwing in het buitengebied De eerste bebouwing in het buitengebied bestond veelal uit agrarische bebouwing. Deze lag van oudsher langs de ontginningsassen en langs wegen of vaarten in de polders. In de droogmakerijen liggen de boerderijen langs de wegen op enige afstand van elkaar. De omgeving is nog steeds in agrarisch gebruik. In de waterrijke veenweidegebieden is de bebouwing vaak uitgegroeid tot dichte bebouwingslinten met veel woonbebouwing en enige bedrijfsmatige activiteiten. De omliggende veenweidegebieden hebben veelal een natuurfunctie gekregen. In Zeevang, polder Assendelft en Waterland komt ook veel verspreide bebouwing langs wegen voor.
Figuur 4.3: Bebouwingsstructuren
19/70
Kenmerk
4.2
R000-1290888EWI-V01
Zeevang •
•
•
Het veenpolderlandschap van Zeevang heeft een zeer open karakter. Het is aangewezen als BPL en kent verspreide NNN gebieden. De oostkant is aangewezen als Natura2000 en de zuidkant ligt in de stelling van Amsterdam. Het gebied wordt doorkruist door lange lijnen, zoals het spoor, kanalen, lintdorpen en de provinciale weg N247. Ook bebouwing volgt deze lijnen en zorgt voor een incidentele onderbreking van de openheid. De enige uitzondering is de kern Oosthuizen. De provinciale weg N247 wordt aan weerszijden begeleid door bomenrijen en vormt samen met de ernaast gelegen Zeestedenweg en Kerkesloot een forse ruimtelijke structuur. Langs deze weg liggen verspreid ook grote veelal goed beplante erven.
•
De veelal langgerekte bebouwingslinten zijn kenmerkende opgaande structuren in het landschap. Deze bebouwingslinten zijn karakteristiek voor het gebied en zijn geënt op de ontginningsassen uit de vroege middeleeuwen. Voorbeelden zijn Kwadijk, Middelie en Warder. Hobrede is een korter lint. De linten bestaan uit één rij van individuele erven in een onregelmatig ritme aan één of beide kanten
• •
langs de weg. Bij bebouwing is meestal ook ruime opgaande erfbeplanting aanwezig. Soms is er ook laanbeplanting langs enkele wegen in het landelijk gebied. Deze vormen van veraf een groen kader van de open ruimte. Daartussen is veel openheid en zijn gebieden ver te overzien, de erven liggen dan als groene eilanden in de in de verte begrensde groene kamers.
Figuur 4.4: Open ruimten in Zeevang, de provinciale weg is aangegeven met de zwarte lijn, andere beplante wegen met een groene lijn. Bron: BPL
20/70
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
Figuur 4.5: Overgang dorpslint in Middelie van dorp naar landelijk gebied
Figuur 4.7: Boerderijen met erfbeplanting in de grote met groen begrensde ruimten
Figuur 4.6: De provinciale weg met veel beplanting gezien vanuit Seevancksweg 21/70
Kenmerk
4.3
R000-1290888EWI-V01
Assendelft en omgeving •
De Assendelftse polder omvat aan de oostzijde kleine gebieden NNN, is verder geheel BPL en ten westen van de Zeedijk ligt de stelling van Amsterdam.
•
De Assendelftse polder heeft een open tot zeer open karakter met grillig verlopende waterlopen en wegen. De grote open ruimte ligt aan weerszijden van de onbeplante Zeedijk.
• •
Er is vaak opgaande beplanting op de achtergrond. Erven, veelal agrarisch, maar ook met bedrijfsfuncties, liggen met tussenafstanden langs de kronkelige lijnen, voornamelijk langs de
• •
Zeedijk en de Kagerweg. Ze zijn veelal beplant. Midden in de open ruimte staat een kleine windturbine bij een erf. Ten noorden en zuiden van Assendelft is vrij dichte lintbebouwing
• •
langs de Dorpsstraat met ook stolpen, erfbeplanting en tuinen. Rondom Zuideinde komt beplanting langs watergangen voor. Langs de Zaandammerweg ligt verspreide bebouwing.
Figuur 4.8 Openheid Assendelft en omgeving, Bron: BPL
Figuur 4.9 Groot erf met geringe erfbeplanting langs noordelijk deel van de Zeedijk, die hier beplant is
22/70
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
Figuur 4.10 Zicht vanuit zuidelijk puntje Zeedijk over de Zuiderpolder en Westerpolder met bestaande windmolen bij boeren erf (rechts)
Figuur 4.11 Uitzicht vanaf de Dorpsstraat richting stortplaats Nauerna met windmolens in de achtergrond op Amsterdams grondgebied
Figuur 4.12 Beeld vanuit de Dorpsstraat met stolpboerderijen in Zuideinde
23/70
Kenmerk
4.4
R000-1290888EWI-V01
Westzaan en omgeving •
Bijna dit hele veenweidegebied is Natura2000 gebied en habitatrichtlijngebied. Meer dan de helft van het gebied is NNN gebied, het hele gebied is BPL. Het heeft een open karakter.
•
De noordelijke open ruimte wordt begrensd door provinciale wegen en de achterliggende bebouwing van Assendelft, Wormerveer en Zaandijk. Aan de westkant van het gebied ligt de weg Middel met
•
enkele verspreid gelegen erven. De twee zuidelijke open ruimten worden begrensd door de centraal gelegen dichte lintbebouwing met een groen karakter tussen Westzaan en de Westzaner-Overtoom (langs de J.J. Allanstraat), de N246 in het westen en de bebouwingsrand van Koog aan de Zaan in het oosten.
•
Deze laatste open ruimten lopen over de waterlopen Reef aan de westzijde en De Gouw aan de oostzijde. Figuur 4.13 Open ruimten van Westzaan
Figuur 4.14 Centraal gelegen dicht bebouwingslint Weiver
Figuur 4.15 Zicht vanaf de Guisweg
24/70
Kenmerk
4.5
R000-1290888EWI-V01
Wormer- en Jisperveld •
Wormer- en Jisperveld is een waterrijk open veenweidegebied met
•
een zeer open karakter en bebouwing langs de randen. Het behoort tot NNN en BPL. Het is tevens Natura2000 gebied en stiltegebied. Aan de noordzijde ligt bebouwing zeer verspreid langs de
• •
Oudelandsedijk en de Kanaaldijk. In het midden tussen Wormer en Jisp is de bebouwing sterk aan elkaar gegroeid. De Enge Wormer vormt een kleine droogmakerij met aan de randen verspreide agrarische erven.
Figuur 4.16 Open ruimten van Wormer- en Jisperveld
25/70
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
Figuur 4.17 Open veenweidegebied Jisperveld
Figuur 4.18: Veenweidegebied langs de Jisperdijk
Figuur 4.19: Dicht bebouwingslint tussen Wormer en Jisp
26/70
Kenmerk
4.6
R000-1290888EWI-V01
Oostzaner en Ilperveld •
•
Oostzaner- en Ilperveld zijn waterrijke zeer open veenweidegebieden met bebouwing langs de randen. Het behoort voor een groot deel tot NNN en is tevens Natura2000 gebied. Het Ilperveld is tevens stiltegebied. De gebieden behoren tot BPL. In Oostzaan ligt het dichte bebouwingslint van Oosteinde en het wat opener bebouwingslint de Haal aan de oostzijde van het gebied.
•
Bij het Ilperveld ligt het redelijk dichte bebouwingslint van Den Ilp aan de westzijde en het kanaal met begeleidende bomenrijen en de provinciale weg N235 met enkele bebouwing aan de oostzijde.
•
De Van Beekstraat doorsnijdt aan de zuidkant het open gebied met grote aangrenzende erven.
Figuur 4.20 Open ruimten van Oostzaner- en Ilperveld
27/70
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
Figuur 4.21 Dichte bebouwing langs de Haal vanuit het veenweidegebied
Figuur 4.22 Dichte bebouwing langs Den Ilp
28/70
Kenmerk
4.7
R000-1290888EWI-V01
Waterland •
Waterland is een gebied met afwisselend veenweidegebied en kleine open polders. In het zuidelijk deel liggen veel NNN gebieden en ligt een groot stiltegebied. Aan de westzijde ligt Varkensland, dit behoort tot Natura2000 gebied. Het gehele gebied is verder BPL.
•
Het veenpolderlandschap met kleine droogmakerijen heeft een zeer open karakter. De verspreid in het gebied liggende dorpen, lintbebouwingen, wegbeplanting en erven zorgen voor een
•
incidentele onderbreking van de openheid. De openheid is extra goed beleefbaar vanaf de hoger gelegen dijken. De Waterlandse Zeedijk is een ruimtelijke drager en biedt
•
vergezichten op de omgeving. De omvang van het open weidegebied in het BPL Waterland is van bijzondere waarde. De openheid is kwetsbaar omdat in het vlakke
•
land bijna elke ruimtelijke ingreep zichtbaar is. De ringdijken en -vaarten zijn ruimtelijke dragers die de grens tussen droogmakerij en veenweidepolders benadrukken.
Figuur 4.23 Open ruimten van Waterland 29/70
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
Figuur 4.24: Verspreide boerderijen omgeving Broek in Waterland
Figuur 4.25: Boerderij langs de Hoogedijk van het Markermeer
30/70
Kenmerk
4.8
R000-1290888EWI-V01
Beemster •
•
De Beemster is de oudste droogmakerij van Nederland. De droogmakerij is vanwege de herkenbare opzet van de droogmakerij aangewezen als Unesco erfgoed. De zuidkant ligt in de stelling van Amsterdam. De droogmakerij is ingedeeld via een strak vierkant en rechthoekig geometrisch patroon van beplante wegen en waterlopen. Het dorp
•
Middenbeemster ligt daarbij precies op het assenkruis van wegen. De droogmakerij is omgeven door een ringdijk. In het open polderlandschap liggen de oorspronkelijke agrarische
•
erven op onregelmatige afstand van elkaar, zowel langs de noordzuid als oost-west gerichte wegen. De openheid manifesteert zich als grote kamers tussen de wegen met bebouwing en laanbeplanting.
Figuur 4.26: Rationeel ingericht polderlandschap van de Beemster met karakteristieke stolpboerderijen en veel boombeplanting langs wegen
31/70
Kenmerk
4.9
R000-1290888EWI-V01
Wijde Wormer •
•
De Wijde Wormer is een droogmakerij. De droogmakerij is ingedeeld via een strak geometrisch symmetrisch patroon van wegen en waterlopen. De droogmakerij is omgeven door een ringdijk. De droogmakerij is vanwege de herkenbare opzet van de droogmakerij aangewezen als BPL. De bebouwingslinten bestaan uit één rij van individuele erven in een onregelmatig ritme aan beide zijden van de weg. De erven liggen soms naast elkaar, maar vaak zit er ruimte tussen. Deze wisselt van plek tot plek van omvang. Veel erven zijn de laatste jaren flink in omvang toegenomen, maar het ritme van boerderijen is grotendeels onveranderd gebleven. Diverse erven hebben wel een meer bedrijfsmatige functie gekregen.
• • • •
De openheid manifesteert zich in de lengterichting van de droogmakerij, parallel aan de bebouwingslinten. Midden door de polder, aansluitend bij de verkavelingsrichting loopt de snelweg A7. Er ligt geen NNN in de polder, wel liggen er weidevogelgebieden (lichtgroen).
Figuur 4.27: Open ruimten in de Wijde Wormer. Bron BPL
De ringdijk en -vaart zijn ruimtelijke dragers die de grens tussen droogmakerij en veenweidepolders benadrukken.
32/70
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
Figuur 4.28: Open polderlandschap Wijde Wormer met boerderijen op regelmatige afstand van elkaar
Figuur 4.29: Bebouwingslint Wijde Wormer gezien vanaf een afstand
33/70
Kenmerk
4.10 •
•
R000-1290888EWI-V01
Purmer De Purmer is een droogmakerij. De droogmakerij is ingedeeld via een strak geometrisch patroon van wegen en waterlopen. De droogmakerij is omgeven door een ringdijk. In het westelijk deel ligt het stedelijk gebied van Purmerend, omgeven door een rand van bossen. In het open polderlandschap liggen de oorspronkelijke agrarische erven op onregelmatige afstand van elkaar, vaak met een forse erfbeplanting langs de Wester- en Oosterweg. Er komen meerdere stolpboerderijen voor. Langs deze wegen staat laanbeplanting.
•
De openheid manifesteert zich in de lengterichting van de droogmakerij, parallel aan de bebouwingslinten in het oostelijk deel van de polder.
Figuur 4.30: Ruimtelijke opbouw en kernwaarden van de Purmer. Bron: Strategische gebiedsvisie de Purmer, BRO
34/70
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
Figuur 4.31: Bebouwingslint de Purmer met veel agrarische functies gezien vanaf een afstand
Figuur 4.32: Bebouwingslint de Purmer met karakteristieke Stolpen gezien vanaf een afstand 35/70
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
5 Gemeentelijk beleid bestemmingsplannen 5.1
Definitie landelijk gebied en bouwpercelen
De vigerende bestemmingsplannen zijn per gemeente besproken en gecheckt. Er is nagegaan hoe bouwkavels in het landelijk gebied bestemd zijn, welke functie is toegekend en hoe ze liggen in de omgeving.
Definitie landelijk gebied Het werkingsgebied landelijk gebied is bepaald zoals het op de kaart ruimtelijkeplannen.nl onder de OVNH2020 en OVNH2022 wordt getoond. Opgemerkt wordt dat het provinciale werkingsgebied landelijk gebied niet automatisch overeenkomt met het landelijk gebied en buitengebied volgens de gemeentelijke bestemmingsplannen. Vele kernen en linten vallen met deze definitie van de provincie onder het landelijk gebied. De provincie geeft aan dat het aan de gemeenten is om hierin nader af te wegen. Bouwpercelen Volgens de Omgevingsverordening NH2022 kan onder bepaalde voorwaarden en bestemmingen in het werkingsgebied landelijk gebied worden voorzien in de bouw van één windturbine per “bouwperceel”. De toepassing van deze regeling is echter niet altijd duidelijk omdat: 1. in niet alle bestemmingsplannen de terminologie “bouwperceel” 2.
Figuur 5.1 Kaartlaag landelijk gebied volgens Omgevingsverordening NH2022. Veel bebouwingslinten liggen dus in het landelijk gebied
gebruikelijk is, wél "bouwvlak"; in Landsmeer, Oostzaan en Waterland zijn op bestemmingsvlakken de bouwvlakken rond woningen niet altijd coherent aangegeven;
3.
ook de begrenzing van het agrarisch bouwvlak verschilt per gemeente, soms ligt het bouwvlak strak rond de bebouwing, soms betreft de aanduiding het hele erf;
4.
in sommige gemeenten percelen een omgevingsvergunning kunnen hebben waarvoor geldt bestemmingsvlak = bouwvlak of bouwperceel = bouwvlak.
36/70
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
De provincie is op de hoogte van deze verschillen in aanduiding en terminologie. Het gaat erom dat een turbine achter op het erf in een ensemble met de bebouwing en de erfbeplanting wordt geplaatst.
5.3
Bestemming bebouwing in veenweidegebieden
Per gemeente zoomen we in op een voorbeeld stukje van een bestemmingsplan. Hierin zijn de ligging en de functies van de bouwpercelen
Bouwblok of erf Hoewel het bouwblok en het erf in de praktijk vaak hetzelfde zijn, is er wel onderscheid. ‘Bouwblok’ is een juridische term die in het bestemmingsplan of
weergegeven.
omgevingsplan wordt gebruikt. Het kan zijn dat een bouwblok is aangeduid en dat dit (deels) nog niet bebouwd is. ‘Erf’ is een aanduiding die vanuit een cultuurhistorische, landschappelijke of ruimtelijke context wordt gebruikt.
provincie) komen veel “woonlinten” voor met een beperkt aantal percelen met een agrarische bestemming en veel percelen met woonbestemmingen en gemengde functies (zoals bedrijven of een bestemming maatschappelijk,
5.2
Gemeentelijke visies op KWT’s
KWT bij stedelijke functies > 1ha In principe willen alle gemeenten ook de mogelijkheid voor een KWT in het landelijk gebied bij stedelijke functies > 1ha benutten en de potentie voor een
In de veenweidegebieden (binnen de definitie landelijk gebied van de
dienstverlening of sport). Vaak zijn deze linten opgenomen in aparte bestemmingsplannen kernen, soms in het bestemmingsplan buitengebied en soms aangrenzend aan een kern. Een deel van deze woonlinten ligt namelijk in de bebouwde kom.
KWT op een bouwvlak met bedrijfsbestemming, maatschappelijke voorziening, detailhandel, groen of sport niet op voorhand uitsluiten. KWT voor natuurbeheer en waterbeheersing Sommige gemeenten overwegen of hebben in hun gemeentelijke gebiedsvisies de potentie opgenomen van kleine windturbines en microturbines (kleiner dan 5m ashoogte) voor (agrarisch) natuurbeheer, natuurontwikkeling en waterbeheersing. De opgewekte energie kan worden aangewend voor natuurlijk peilbeheer of voor een elektrisch vaar- en wagenpark. Vooral voor natuurrijke gemeenten / agrarische bedrijven in natuurgebieden kunnen KWT’s een bijdrage leveren aan een duurzame bedrijfsvoering en natuurontwikkeling.
37/70
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
Edam – Volendam
De linten kennen gemengde functies, waaronder wonen, agrarische percelen en bedrijven, vaak aan weerszijden van de weg.
Figuur 5.2 Bestemmingsplan dorpskernen 2016; overzicht links en uitvergroting rechts
38/70
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
Zaanstad
Wormerland
Agrarisch bouwvlak Bestemming wonen Bestemming bedrijven Bestemming maatschappelijk
Figuur 5.3: Uitsnede bestemmingsplan Zaanstad Assendelft Langs de Kanaalweg, Dorpsstraat in het Zuideinde en de Zaandammerweg zijn duidelijk verschillende functies te zien; wonen, maatschappelijk, agrarisch en bedrijven. Langs de Zeedijk en in het midden van de polder liggen voornamelijk bouwvlakken met een agrarische bestemming
Figuur 5.4 Uitsnede bestemmingsplan landelijk gebied Wormerland, ontwerp 2022 Langs de randen van het Wormer- en Jisperveld en de Enge polder (in het zuiden) zien we verschillende bouwvlakken met een woon-, maatschappelijke of agrarische bestemming.
39/70
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
Oostzaan
Landsmeer
Figuur 5.6: Bestemmingsplan Het Lint Landsmeer 2015 Figuur 5.5: Bestemmingsplan buitengebied Oostzaan 2013 In Oostzaan is sprake van een overwegend dichte lintbebouwing. Het lint is éen of tweezijdig dichtgegroeid tot een woonlint met diverse agrarische percelen er tussen en enkele bedrijfsmatige functies groter dan 1ha.
Langs de weg Den Ilp / Purmerland liggen veel woonbestemmingen op de agrarische bouwvlakken.
40/70
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
Landsmeer – vervolg
Waterland
Figuur 5.8: Bestemmingsplan Waterland 2013 Figuur 5.7: Uitsnede bestemmingsplan buitengebied Landsmeer 2009 Langs de Kanaalweg in Landsmeer liggen aan de westzijde diverse erven, meestal los van elkaar. Woonerven en agrarische erven wisselen elkaar af.
Op diverse locaties in Waterland liggen de erven niet in een langgerekte lintbebouwing, maar meer verspreid in het open gebied, als kleine ‘groene en bebouwde eilanden’ in de openheid. De meeste bouwvlakken hebben een agrarische of woonbestemming. Een enkel vlak heeft een bedrijfsmatige bestemming.
41/70
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
Waterland – Marken
woonbestemming en agrarische bestemming. In de zuidoosthoek komt meer bebouwing voor en liggen ook enkele bedrijfsmatige bestemmingen.
Figuur 5.9: Bestemmingplan Marken 2013 Op Marken liggen enkele bouwvlakken met een agrarische bestemming. Voor Marken is de visie Marken boven water opgesteld. Deze visie wil ook
Figuur 5.10 : Bestemmingsplan Buitengebied Beemster 2012, reparatie partiele herziening 2021. Onder een uitvergroting van de tuinen (groen),
ruimte laten voor toekomstige windenergie.
woonbestemming (geel) en agrarische bestemming (lichtgroen)
5.4
Bestemming bebouwing in droogmakerijen
Purmerend - De Beemster In het bestemmingsplan buitengebied van de Beemster is te zien dat er veel erven voorkomen langs de loodrecht op elkaar liggende wegen. Deze hebben aan de voorkant een specifieke bestemming tuin, met daarachter de
42/70
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
De Purmer
Figuur 5.11 Uitsnede Bestemmingsplan Buitengebied Waterland 2013 In het noordwesten is de Purmer zichtbaar met veel agrarische bouwvlakken en enkele woon- en bedrijfsbestemmingen. Het landelijk gebied van de Purmer ligt in de gemeente Waterland en Edam-Volendam. Het bebouwde deel en het bedrijventerrein en golfterrein liggen in Purmerend.
De Wijdewormer
Agrarisch bouwvlak Bestemming wonen Bestemming bedrijven Figuur 5.12: Uitsnede bestemmingsplan landelijk gebied Wormerland, ontwerp 2022 In de droogmakerij liggen veel agrarische bouwvlakken, afgewisseld met woon- en bedrijfsmatige bestemmingen.
43/70
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
6 Slagschaduw en geluid Slagschaduw Als de draaiende wieken van een windturbine door de zon worden belicht, ontstaat daarachter een slagschaduw. Wanneer deze schaduw door het raam van een verblijfsruimte valt, kan dat hinder opleveren voor de inzittenden. Hoe lager het aantal omwentelingen per minuut en hoe langer de wieken, des te groter de overlast.
Geluid De wieken van een windturbine maken geluid. De intensiteit en het type geluid is afhankelijk van het ontwerp van de turbine, de windsnelheid, de draaisnelheid van de wieken en de afstand ten opzichte van de turbine.
Kleine windturbines vanaf 5 kW hebben een beperkte wieklengte en werken met een hoog toerental van, afhankelijk van het type, tussen 40 en 400 omwentelingen per minuut. Daardoor is de kans op een hinderlijke slagschaduw bij kleine windturbines vrijwel niet aanwezig (STOWA, 2020). De rotatie van drie kortere wieken met een hoog aantal omwentelingen per minuut wordt eerder waargenomen als een cirkelvormige vlakte die een solide schaduw oplevert, waartegen de rotatie bij minder of langere wieken, vooral bij grote turbines, langzamer oogt en een dynamische slagschaduw veroorzaakt. Conclusie Als een kleine windturbine slagschaduw kan veroorzaken op een nabij gevoelig object moet deze volgens de wettelijke norm op voldoende afstand staan of er moet gebruik worden gemaakt van een automatische stilstand voorziening. . 44/70
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
Figuur 6.1 Geluidsproductie van diverse activiteiten
Ook andere omgevingsfactoren, zoals de windrichting, bodem waarop de
Type Montana Braun Antaris
Geluidsproductie (dB) 33,3 37
turbine staat, weerkaatsing of afscherming door objecten in de buurt, achtergrondgeluid en luchtvochtigheid hebben effect op het waar te nemen geluidsniveau. Figuur 6.2 toont de geluidsproductie van KWT’s tot 15 meter
BestWind EAZ Twaalf
n.b. 36
ashoogte op een afstand van 100 meter van een object bij een windsnelheid van 8 m/s (STOWA, 2021). Uit de figuren 6.1 en 6.2 is te concluderen dat de geluidsproductie van een kleine windturbine op 60m afstand niet sterker is dan een gesprek tussen personen in een huiskamer en overeenkomt met 40dB(A). Volgens de geldende geluidsnormen mag de molen op een afstand van 60 meter van bebouwing van derden worden geplaatst. EAZ adviseert om een afstand van minimaal 80m aan te houden. De wettelijk norm (Windturbines worden wettelijk getoetst aan de hand van het Activiteitenbesluit milieubeheer en activiteitenregeling milieubeheer) stelt een grens aan het geluidsniveau van een turbine in de buurt van gevoelige objecten, zoals woningen, ziekenhuizen en scholen. Het beschermingsniveau op de gevel van gevoelige gebouwen en bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein bedraagt 47 dB Lden en 41 dB Lnight. Lden staat voor een gewogen jaargemiddelde van het geluidsniveau op een locatie over dag-,
0
50
100
150
200
250
300
Afstand (m)
avond- en nachtperiodes. Lnight is een gewogen jaargemiddelde van het geluidsniveau op een locatie in de nacht (23 – 7 uur). Bij de aanvraag van windturbines is de leverancier verplicht de resultaten van een akoestisch onderzoek mee te leveren (STOWA, 2020 / Arcadis).
Figuur 6.2 Verhouding geluidniveau kleine windturbine EAZ Twaalf met alledaagse geluidsbronnen t.o.v. afstand in meter. Op een afstand van 60 meter bedraagt het geluidniveau van de EAZ Twaalf rond 40dB. Bron: EAZ twaalf informatieblad
Conclusie Bij een vergunningsaanvraag van een KWT is indien er sprake is van nabije gevoelige bestemmingen een akoestisch onderzoek verplicht om aan te tonen de KWT voldoet aan de hierboven genoemde wettelijke geluidsnorm.
45/70
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
7 Relatie tussen kleine en grote windturbines en zon In dit hoofdstuk wordt verkend welke relaties er zijn tussen de kleine en grote windturbines; in energetisch opzicht,
tegenwoordig 300 keer of meer energie dan een KWT / erfmolen (zie figuur 7.1).
-
in energieopbrengst en efficiëntie, ten opzichte van zonnepanelen, in maat en schaal en zichtbaarheid van kleine en grote windturbines,
Energieopbrengst en efficiëntie kleine en grote windturbines Voor windturbines geldt dat de energieopbrengst afhankelijk is van de rotordiameter en de hoogte. Op grotere hoogte waait het harder dan op
-
de aansluiting van kleine windturbines op het net en in de relatie met de RES zoekgebieden wind.
lagere hoogte, waardoor de wind op grotere hoogte meer energie bevat (NWEA, 2022). Een vuistregel is dat twee keer grotere wieken ongeveer 4 keer meer opbrengst realiseren. Dus grotere windturbines kennen een
Energetische verschillen kleine en grote windturbines
aanzienlijk groter energetisch rendement in vergelijking met een kleinere variant, zie ook figuur 7.2. Daarnaast bevinden kleine windturbines zich door hun beperkte hoogte in een minder gunstig windgebied en wekken ze door hun geringe rotoroppervlakte minder elektriciteit op. Beide eigenschappen maken dat
Figuur 7.1: Vergelijking van vermogen en opbrengst van verschillende typen windturbines. De erfmolen komt overeen met een kleine windturbine. Bron: Kennissessie Wind op land, Rijksdienst voor ondernemend Nederland Zowel de ruimtelijke als de energetische aspecten zijn enorm verschillend tussen kleine en grote windturbines. Waar een KWT een gemiddelde opbrengst heeft van 25 MWh/jaar, produceert een klassieke grote windturbine
kleine windturbines minder efficiënt zijn en daarmee opgewekte elektriciteit duurder is dan die van grote windturbines. Mede vanwege deze beperkende eigenschappen is het lastiger om een positieve businesscase te verkrijgen. De grote windturbines leveren een substantiële bijdrage aan regionale doelstellingen, zoals in het kader van de RES. De kleine windturbines zijn met name interessant voor particulieren. De levensduur is circa 20 jaar. De terugverdientijd met subsidies is circa 7-10 jaar, zonder subsidies circa 18 jaar (bron: Arcadis).
46/70
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
Figuur 7.2: Jaarlijkse energieopbrengst E [kWh] per vierkante meter rotoroppervlak op 12 [m], op 17 [m] ashoogte bij de verwachte windsnelheid. Bron: Ingreenious 2012, Resultaten testveld kleine windturbines Schoondijke
Tabel 7.1: Vergelijking tussen kleine windturbines en grote windturbines Kleine windturbine
Grote windturbine (3-6MW)
Vermogen
0.01 MW
3 - 6 MW
Hoogte
22m
100 – 200m
Aansluiting
Lokaal verbruik, op sommige plekken terug
Op het energienet leveren
leveren Zichtbaarheid
Kleine windturbines en zonnepanelen Ook zonnepanelen staan in relatie met de menselijke schaal en zijn inpasbaar in de omgeving, zoals op daken. Vergeleken met zonnepanelen op woningen wekken kleine windturbines bijna een factor 10 meer op.
Figuur 7.3: Energieopbrengst van hernieuwbare energiebronnen: KWT in verhouding met grote turbines en zonnepanelen
Lokaal, hoort bij erf
Geen relatie, regionaal
Bijdrage KWT aan energiebehoefte agrarische bedrijven Juist in de vroege ochtend en in de avond wordt er gemiddeld veel windenergie geleverd. Voor melkveebedrijven zijn dat de momenten waar veel energie wordt verbruikt, maar ieder bedrijf is anders.
Figuur 7.4: Voorbeeld van opwek en verbruik op een gemiddelde dag van een melkveebedrijf Bron: EAZ Twaalf informatieblad
47/70
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
Overdag wordt veel energie opgewekt met zon. Wind en zon vullen elkaar
De ruimtelijke schaal van kleine en grote windturbines is van een andere
dus goed aan. Agrarische bedrijven zijn er in vele soorten en maten, zo ook het bijbehorende energiegebruik. Voor een gemiddeld melkvee- of akkerbouwbedrijf is het elektriciteitsgebruik circa 50 MWh. Afhankelijk van de
orde. Waar kleine windturbines een menselijke schaal hebben en goed aansluiten op de alledaagse leefomgeving en verticale elementen zoals een erf langs een beplant polderlint, bomen, kerktorens, silo’s en dergelijken, is
turbine en de locatie in de provincie (in verband met de windsnelheid ter plaatse) kan een gemiddeld melkvee- of akkerbouwbedrijf met een kleine windturbine van 15m voor de helft tot bijna (volledig) energieneutraal zijn voor
een grote turbine buiten proportie en is er geen relatie met de omgeving, zie figuur 7.5.
elektriciteit. Bij een combinatie met zon-PV valt dit gunstiger uit. Bij een verdere verduurzaming in de vorm van het achterwege laten van diesel en gas zal er wel een verdubbelde behoefte zijn aan elektriciteit.
Aansluiting kleine windturbines op het net
Ruimtelijke schaal en zichtbaarheid van kleine en grote windturbines
Figuur 7.5: Verhouding van windmolens, hoogspanningslijn en inrichtingselementen van een beplant polderlint.
Figuur 7.6: Uitsnede uit de landelijke capaciteitskaart elektriciteitsnet voor invoeding, stand 24.05.2023 48/70
Kenmerk
R000-1290888EWI-V01
In het algemeen is de door KWT opgewekte energie bedoeld voor eigen gebruik, zodat er geen / zo weinig mogelijk energie aan het regionale en landelijke net wordt geleverd. Volgens de huidige stand van zaken weergegeven in figuur 7.6 zou een KWT op de meeste plekken nog aan het net kunnen worden aangesloten en dus energie terug leveren. Dit is afhankelijk van de basislast van het net overdag en in de nacht. Echter verschilt de netcongestie van plek tot plek en verandert voortdurend. De actuele stand van de netcapaciteit is te vinden op netbeheernederland.nl. Ruimtelijke relatie kleine windturbines en grote windturbines In Zaanstreek-Waterland is er op twee locaties een relatie met bestaande windturbines en op enkele locaties met RES zoekgebieden voor wind of zon en wind. Binnen deze zoekgebieden is een grootschalige opwek van windenergie mogelijk met grote windturbines van 3MW of meer. Kleine windturbines dienen de komst van grote windturbines niet onmogelijk te maken. Andersom moeten grote windturbines rekening houden met bestaande woningen en bedrijven in het buitengebied. Deze afstanden zijn voldoende groot, waardoor een eventuele plaatsing van een kleine windturbine bij een agrarisch erf (of op een erf met een stedelijke functie groter dan 1ha) qua windvang geen belemmering oplevert voor de plaatsing