CConstaterende datlandsmeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Raadsvergadering 28 januari 2021, gemeente landsmeer23.057 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

7.7

Kabels en leidingen

Voor zover bekend bevinden zich binnen het plangebied alleen huisaansluitingen voor gas, water, elektriciteit en datatransport ten behoeve van de aanwezige bebouwing. Er is geen sprake van de aanwezigheid van hoofdtransportleidingen. 21

Bovengronds zijn ervoor zover bekend geen beperkingen. Conclusie: Er zijn geen kabels en leidingen aanwezig die de uitvoering van het plan belemmeren.

7.8

Bedrijven en milieuzonering

Een goede ruimtelijke ordening voorziet onder meer in het voorkomen van voorzienbare hinder door milieubelastende activiteiten. De realisatie van 6 appartementen kan alleen worden gerealiseerd als er wordt voldaan aan de milieutechnische bepalingen en de omliggende agrarische bedrijven niet wettelijk worden beperkt. De publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is hierbij een belangrijk hulpmiddel. In de publicatie zijn richtlijnen opgenomen ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau, om voorzienbare hinder door milieubelastende activiteiten te voorkomen. De VNG zorgt met deze richtlijnen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven worden gesitueerd. De directe omgeving van het plangebied is te typeren als lintbebouwing met woonfunctie, na realisering van het plan. De agrarische bedrijvigheid op het perceel Den Ilp 178 en 179 is op voldoende afstand gelegen (meer dan 50 meter), zodat op grond daarvan een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ook voor de naastgelegen nutsvoorziening bestaan geen beperkingen voor het woon- en leefklimaat. Deze afstand bedraagt meer dan 30 meter tot de nieuwe appartementen, wat ruim voldoende is. Conclusie: Het onderdeel milieuzonering vormt geen belemmering voor uitvoering van het plan.

7.9

Milieueffectrapportage (MER)

Een m.e.r.- beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te bepalen of er bij een voorgenomen activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De Europese Unie heeft in de richtlijn m.e.r. (2011/92/EU) aangegeven bij welke activiteiten er zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige gevolgen. Deze activiteiten zijn door de Nederlandse regering overgenomen en verwerkt in onderdeel C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.), Voor activiteiten in onderdeel C geldt direct een m.e.r.-plicht. Voor activiteiten in onderdeel D is het niet zeker of er belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Of een bepaalde activiteit in een bepaalde omvang belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben, is afhankelijk van het soort activiteit, de omvang daarvan en het type procedure. De drempelwaarden waarbij een m.e.r.-plicht aan de orde is, zijn vastgelegd in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Op voorliggend plan is de drempelwaarde voor stedelijke ontwikkelingsprojecten van toepassing (D 11). In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: a. een oppervlakte van 100 hectare of meer; b. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of; c. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. 22

Het voorliggende plan is niet van dusdanige aard en schaal dat deze drempelwaarden worden overschreden. Er geldt om die reden een vormvrije m.e.r.-beoordeling. In dit wijzigingsplan zijn de milieueffecten van de voorgenomen ontwikkeling onderzocht. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat de toekomstige activiteiten in het plangebied geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zullen hebben.

7.10 Duurzaamheid Bij de ontwikkeling van nieuwe woningen is het uitgangspunt om zoveel mogelijk duurzaam te bouwen. Uiteraard wordt rekening gehouden met de landelijke ontwikkeling om het gebruik van aardgas voor woningen uit te faseren. Een nieuwe woning moet daardoor worden voorzien van zeer hoge isolatiewaarden met voorkeur voor een lage temperatuur verwarmingssysteem. Daarnaast wordt rekening gehouden met mogelijkheden om zelf energie op te wekken door middel van zonnepanelen en/of zonneboiler.

23

8.

Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.1

Algemeen

Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een omgevingsvergunning. Het project betreft een particulier initiatief, waarmee de gemeente geen financiële bemoeienis heeft. De kosten zijn voor rekening van de aanvrager.

8.2

Grondexploitatie (economische uitvoerbaarheid)

Door middel van de grondexploitatieregeling in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) beschikken gemeenten over mogelijkheden voor het verhalen van kosten. Hierbij valt te denken aan kosten voor het bouw- en woonrijp maken en kosten voor de planologische procedure. Daarnaast hebben gemeenten sturingsmogelijkheden, omdat in het geval van grondexploitatie door derden, diverse eisen en regels gesteld kunnen worden. De omgevingsvergunning voorziet in de transformatie van een bestaand bedrijfsgebouw naar 6 appartementen. Dit valt niet onder een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. Conclusie: Het vaststellen van een exploitatieplan is niet nodig, omdat het geen bouwplan betreft zoals bedoeld in artikel 6.2.1. Bro.

8.3

Afweging (maatschappelijke uitvoerbaarheid)

Deze ruimtelijke onderbouwing dient ter afweging voor het verlenen van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12 eerste lid, onder a, sub 3 van de Wabo, waarmee de functiewijziging van bedrijf naar wonen en de realisatie van 6 appartementen, in afwijking van het bestemmingsplan, mogelijk wordt gemaakt. Het project is niet strijdig met de relevante beleidsuitgangspunten op zowel provinciaal als gemeentelijk niveau en veroorzaakt geen conflicten met de sectorale wet- en regelgeving. In de beoogde situatie is ook sprake van een verantwoorde milieusituatie. Conclusie: Het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project is niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

24

1 BIJLAGE 3 bij RV Den Ilp 180 B Tekening

1 BIJLAGE 4 bij RV Situering

1 B1 bij BIJLAGE 2 Den Ilp 180 B advies watertoets

datum 30-10-2018 dossiercode 20181030-12-19119 Gegevens aanvrager: peter kamman Pasmaat Advies ussenstraat 2B 5341PM Oss info@pasmaat.com Gegevens plangebied: Heeft u een beperkingsgebied geraakt? nee Welke gemeente omvat het grootste deel van het door u getekende plangebied? Landsmeer Vragen: Gaat het om een ruimtelijk plan dat uitsluitend een functiewijziging van bestaande bebouwing inhoudt? ja www.dewatertoets.nl

1 B2 bij BIJLAGE 2 Den Ilp 180 B Verkennend natuuronderzoek

Quickscan Ecologie Behorende bij project verbouwen loods naar appartementen Slopen bebouwing den ilp 180 Den Ilp

Projectnummer : Ecq.2019.728 Datum : 5 september 2018

Ecologie Op Maat

Ussenstraat 2B 5344 PM Oss 1 ecologie@pasmaat.com

Quickscan den ilp 180

1 Inleiding Voor het wijzigen van de functie van loods naar appartementen en het slopen van overige bebouwing aan den ilp 180, waar ook enig groen zal worden verwijderd heeft Ecologie op Maat een ecologische quickscan uitgevoerd naar de aanwezigheid van beschermde natuurwaarden in het projectgebied, gebouwen en directe omgeving. Om zorgvuldig om te gaan met eventuele natuurwaarden is besloten om een ecologische quickscan uit te voeren. Hieronder is het plangebied weergegeven op google maps:

2. Methode De quickscan is opgesteld ter voldoening aan het geen is gesteld omtrent de beschermde soorten van de Wet natuurbescherming (Wnb) die sinds 1 januari 2017 van kracht is. Hierbij gaat het met name om de soorten van de Europese Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn (art. 3.1 en 3.5). Indien deze soorten aanwezig zijn, kan dit leiden tot een noodzaak tot een ontheffingsaanvraag. De soorten, die op basis van art. 3.10 van de Wnb beschermd worden, vallen ook binnen de quickscan. Voor deze soorten is op basis van provinciale vrijstellingsbesluiten in veel gevallen geen ontheffing vereist, maar dient wel zorgvuldig gehandeld te worden. In veel gevallen kan op basis van de quickscan de aanwezigheid van beschermde flora en fauna worden vastgesteld of uitgesloten. Het kan echter mogelijk zijn dat vervolgonderzoek nodig is om het voorkomen van een beschermde soort te kunnen bepalen. De flora en fauna quickscan bestaat uit een bureauonderzoek aangevuld met een veldbezoek. Op basis van de beschikbare gegevens uit openbare bronnen met natuurgegevens en (online) verspreidingsatlassen (o.a. Broekhuizen et al 216, FLORON 2018; SOVON, 2002) is een redelijk tot goed beeld verkregen van het voorkomen van beschermde soorten in de omgeving.

Omdat uit het bureauonderzoek bleek dat er een noodzaak was voor het uitvoeren van een veldonderzoek, waarbij het plangebied is geïnventariseerd op de aanwezigheid van beschermde soorten, is op een veldonderzoek uitgevoerd. Het (potentiële) voorkomen van een beschermde plant of dier is hierbij zoveel mogelijk in kaart gebracht.

2

Quickscan den ilp 180

Tijdens het veldonderzoek op 31 augustus 20198 waren de weersomstandigheden goed om een juist beeld hiervan te krijgen. De bewolkingsgraad was 6/8, en de temperatuur was ca 18 graden Celsius. Tijdens het bezoek is gebruik gemaakt van een telescoopcamera met een lengte van 8 meter, zodat het gehele gebouw en al het groen goed kon worden geïnspecteerd. Ook is ’s avonds een onderzoek verricht naar de - al dan niet - aanwezigheid van vleermuizen.

3. Wet- en regelgeving Dit onderzoek is gericht en uitgevoerd op de beschermde soorten uit de Wet natuurbescherming. Deze wet heeft per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet, Boswet en Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. Hieronder is een overzicht gegeven van de Zorgplicht en verbodsbepalingen in de nieuwe wet. De Wnb verschilt van de oude wetten in de formulering van de Algemene Zorgplicht en de verbodsbepalingen. Daarnaast verschilt de lijst van beschermde soorten dieren en planten van de Flora- en faunawet. Algemene Zorgplicht (Art. 1.11) In beginsel zijn alle in Nederland in het wild levende dieren en planten beschermd. De bescherming wordt vormgegeven door verbodsbepalingen en een algemene Zorgplicht. De Wnb richt zich op de bescherming van soorten en gebieden. Echter, de intrinsieke waarde van elk individueel dier en plant wordt wel erkend. Mensen mogen hier dus niet onzorgvuldig mee omgaan. Vanuit deze gedachte is de Zorgplicht opgesteld: Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. De Zorgplicht is een algemene fatsoenseis die voor iedereen geldt, maar die bij ruimtelijke ontwikkeling van groot belang is om ontwikkelingen en natuur goed op elkaar af te stemmen en de natuur in goede orde te behouden. Verbodsbepalingen (Art. 3.1 t/m 3.10) De bescherming van planten en dieren is gebaseerd op het ‘Nee, tenzij’-principe. Dit wil zeggen, dat in principe werkzaamheden of ruimtelijke ontwikkelingen geen negatief effect mogen hebben op beschermde flora en fauna, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen reguliere werkzaamheden en ruimtelijke ontwikkelingen. Wanneer de activiteiten geen negatief effect hebben op de flora en fauna dan is geen ontheffing nodig. In veel gevallen is dat echter moeilijk vooraf te bepalen.

Daarom wordt vaak vooraf het voorkomen van beschermde soorten in kaart gebracht door een ecologisch adviseur.

3

Quickscan den ilp 180

Hiermee wordt niet alleen de aanwezigheid van een soort binnen het plangebied bepaald, maar ook het gebiedsgebruik en daarmee het effect van de activiteiten. In de Wnb zijn de verbodsbepalingen gekoppeld aan de verschillende beschermde soorten vanuit de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en internationale verdragen. Artikel 3.1

3.5

3.10

Verbodsbepalingen Het is verboden opzettelijk in het wild levende vogels te doden, te vangen en te verstoren. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, beschadigen, weg te nemen, rapen en onder zich te hebben. (Soorten genoemd in de Vogelrichtlijn) Het is verboden in het wild levende dieren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen, te verstoren. Het is verboden eieren van dieren opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken, te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. (Soorten genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn) Het is verboden in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te doden, te vangen, de vaste verblijf- en rustplaatsen te beschadigen of te vernielen. Het is verboden vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken, te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen, of te vernielen. (Aangewezen soorten in de bijlage, onderdeel A & B van de Wet natuurbescherming)

De Wnb deelt beschermde flora en fauna in drie groepen in: Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (Vogelrichtlijn). Alle internationaal beschermde flora en fauna (die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn). Alle nationaal beschermde flora en fauna (die genoemd zijn in Bijlage A & B van Wnb). Bij de laatste twee punten gaat het om de bescherming van verschillende inheemse soorten vogels, zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers, sporenplanten en vaatplanten in Nederland. De genoemde en gedefinieerde groepen hebben hetzelfde beschermingsniveau in de Wnb. Het is noodzakelijk om voor alle ruimtelijke ontwikkelingen en werkzaamheden een ontheffing aan te vragen indien beschermde flora en/of fauna in het plangebied aangetroffen of aangetoond is. Vogels Alle in Nederland voorkomende vogelsoorten worden in beginsel gelijkwaardig beschermd. Het is in het algemeen verboden om vogels te doden, te verontrusten, hun nesten en vaste rust- en verblijfplaatsen te verstoren. In de praktijk gaat het met name om werkzaamheden gedurende het broedseizoen. Buiten het broedseizoen zullen veel activiteiten minder problemen geven voor de meeste vogelsoorten.

Uitzondering hierop vormt een selectie aan vogelsoorten die jaarronde bescherming genieten (Ministerie van LNV, 2009). De nesten van deze soorten mogen ook buiten het broedseizoen niet verstoord worden. De jaarrond beschermde vogelsoorten zijn ingedeeld in vijf categorieën. Voor de soorten uit de vijfde categorie geldt alleen onder specifieke omstandigheden een ontheffingsplicht. Deze lijst is samengesteld onder de voormalige Flora- en faunawet, maar blijft (voorlopig) van toepassing binnen de huidige natuurwetgeving.

4

Quickscan den ilp 180

Voortplantings-, vaste rust- en verblijfplaatsen dieren Naast de dieren zelf worden ook hun voortplantings-, vaste rust- en verblijfplaatsen beschermd. Onder een voortplantingsplaats wordt niet alleen een nest van een vogel of kolonieverblijf voor vleermuizen verstaan, maar ook de functionele omgeving. Sommige faunasoorten zijn zeer kritisch wat betreft hun foerageerplek of slaapplaats. Zij stellen specifieke eisen aan het leefmilieu en kunnen ook moeilijk overschakelen op een veranderde situatie. Indien werkzaamheden invloed hebben op vaste rust- en verblijfplaatsen dient een ontheffing te worden aangevraagd. Vrijstellingsregeling van de verboden Voor internationaal en nationaal beschermde soorten geldt in sommige gevallen een algemene vrijstelling voor werkzaamheden. Iedere provincie heeft apart bepaald welke flora en fauna valt onder deze vrijstellingsregeling. De vrijstelling geldt voor de volgende werkzaamheden: De ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; Bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; Bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; Bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied.

Vallen de activiteiten onder één van deze noemers dan is de vrijstellingsregeling van de verbodsbepalingen van de Wnb van toepassing. Als geen sprake is van dit type werkzaamheden dan is toch een ontheffingsaanvraag nodig. De algemene Zorgplicht blijft in alle gevallen wel van kracht. Aangetroffen (beschermde) soorten Vogels – jaarrond beschermde soorten Jaarrond beschermde vogels hebben allen bomen of gebouwen nodig om te kunnen nestelen. Binnen de plangebieden zijn geen nesten van jaarrond beschermde soorten waargenomen. Onder andere Huismus en Gierzwaluw zijn jaarrond beschermd. Dit houdt in dat voor werkzaamheden, die de nestplaatsen en directe omgeving raken, een ontheffing nodig is. Het voorkomen van deze soorten in het plangebied kon niet van te voren uitgesloten worden. De Huismus is een algemene broedvogel maar tijdens het veldbezoek is geconstateerd dat geen Huismussen foerageren binnen het plangebied. Het pand is hiervoor ook niet geschikt. Er zijn geen dakpannen waaronder nesten kunnen worden gemaakt en ook geen verdere openingen die hiervoor geschikt zijn. De Gierzwaluw komt in de omgeving van het plangebied voor. De kolonies zijn met name in de dorpskernen te vinden. Gierzwaluwen nestelen vaak onder de overhangende dakpannen aan de kopgevels en maken gebruik van niet goed aansluitende dakpannen op het hellend dakvlak.

Gierzwaluwen zijn niet gedetecteerd tijdens het veldbezoek maar het gebouw is hiervoor ook niet geschikt.

5

Quickscan den ilp 180

Vogels – overige soorten Naast de jaarrond beschermde soorten zijn tijdens het veldbezoek de volgende algemeen voorkomende vogels waargenomen: Koolmees en de Merel. Merel en Koolmees zijn foeragerend beperkt waargenomen. Een Merel maakt zijn nest in struiken en bomen. De koolmees broedt in holtes van bomen en nestkastjes. Bij het verwijderen van groen moet rekening gehouden worden met het broedseizoen. Nesten zijn echter niet aangetroffen. Zoogdieren De verblijfplaatsen, vaste vliegroutes en essentiële foerageergebieden van alle vleermuizen in Nederland zijn beschermd. Gedurende het jaar maken vleermuizen gebruik van verschillende verblijfplaatsen. Een (holle) boom of gebouw kan deze functie vervullen). Uit het bureauonderzoek bleek dat de beschermde Gewone dwergvleermuis voor zou kunnen komen, alsmede de Rosse vleermuis. Veel vleermuissoorten maken gebruik van lijnvormige elementen in het landschap om zich te oriënteren. Ze benutten beschutte trajecten om de foerageergebieden te bereiken. Tijdens het veldbezoek is gekeken naar de mogelijkheden voor verblijfplaatsen van vleermuizen binnen het plangebied. Ook is met behulp van een Batdetector onderzocht of het perceel wordt gebruikt door vleermuizen. Dit bleek niet het geval. Aan de overzijde van de weg zijn wel watervleermuizen gedetecteerd maar deze vliegen niet van en naar het plangebied.

Nader vleermuisonderzoek wordt niet nodig geacht. Tijdens het veldbezoek zijn geen wilde zoogdieren waargenomen in het plangebied. Ook voor de kleine marterachtigen Wezel en Bunzing zijn de plangebieden ongeschikt als foerageergebied. Voortplantingsplaatsen zijn niet te verwachten, omdat niet genoeg schuilmogelijkheden, zoals houtwallen en heggen, aanwezig zijn. In de Wet natuurbescherming geldt voor deze soorten een algemene vrijstelling. Wel geldt de algemene Zorgplicht (Art. 1.11 uit Wnb). Dit betekent dat het verwijderen van de beplanting altijd met zorg gedaan moet worden. Overige soorten Voor de strikt beschermde soorten van andere soortgroepen wordt het plangebied op basis van het veldbezoek en de literatuurgegevens niet geschikt geacht voor de werkzaamheden die uitgevoerd gaan worden. Binnen het plangebied is geen water aanwezig zodat het niet geschikt is als voortplantingsplek voor beschermde amfibieën. Libellen zijn ook niet aangetroffen.

4. Conclusie en aanbevelingen Dit verkennende onderzoek was gericht op alle beschermde soorten van de Wet natuurbescherming. De flora en fauna quickscan bestond uit een bureauonderzoek en een veldbezoek. Hierbij is het voorkomen van alle beschermde soorten uit de Wet natuurbescherming zo nauwkeurig mogelijk ingeschat. Dit heeft geleid tot de volgende bevindingen: Vogels – Jaarrond beschermde soorten Binnen het plangebied kan de aanwezigheid van jaarrond beschermde nestplaatsen uitgesloten worden. Aanbevelingen Het verwijderen van groen dient buiten het broedseizoen te geschieden

6

Quickscan den ilp 180

Gebruikte Literatuur Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J.B.M., Canters, K.J. & J.C. Buijs (red). 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren – Natuur van Nederland 12. BIJ12. 2017a. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus). juli 2017. BIJ12. 2017b. Kennisdocument Huismus (Passer domesticus). juli 2017.. FLORON. 2018. NDFF Verspreidingsatlas planten. Nationale Databank Flora en Fauna, Nijmegen. Ministerie van Landbouw, Natuurbehoud en Visserij. 2009. Wijziging beoordeling ontheffing Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen. augustus 2009. SOVON Vogelonderzoek Nederland. 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998-2000 – Nederlandse Fauna 5. SOVON 2018a. Voorlopige verspreidingskaart Gierzwaluw broedseizoen. april 2018.

Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus. Vleermuisprotocol

7

1 B3 bij BIJLAGE 2 Den Ilp 180 B stikstofberekening

Den Ilp 180b te Den Ilp

Stikstofberekening

G&G-advies 2020

in het kader van de Wet natuurbescherming

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

Den Ilp 180b te Den Ilp Stikstofberekening in het kader van de Wet natuurbescherming

J.C.C. Wabeke

2020

Opdrachtgever EWP Ingenieurs

G&G-advies 2020

Datum Versie

23 september 2020 V1

Bovendijk 35-G

Hazenkoog 35-A

2295 RV Kwintsheul

1822 BS Alkmaar

www.vandergoesengroot.nl

Den Ilp 180b te Den Ilp

3

Inhoudsopgave 1

Inleiding 1.1

2

4

5

Berekening en uitgangspunten................................................................................ 5

Aanlegfase

6

3.1

Verkeersaantrekking ................................................................................................ 6

3.2

Inzet mobiele werktuigen ........................................................................................ 6

3.3

Berekening Aanlegfase ............................................................................................ 7

Gebruikfase 4.1

5

Werkwijze en werkzaamheden ............................................................................... 4

Methode 2.1

3

4

8

Verkeersaantrekking ................................................................................................ 8

Saldering

9

5.1

Bestaande gebruik ................................................................................................... 9

5.2

Verkeersaantrekking ................................................................................................ 9

5.3

Berekening ............................................................................................................. 10

6

Conclusie effectbeoordeling stikstof

11

7

Literatuur

12

8

Bijlagen

13

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020

Den Ilp 180b te Den Ilp

4

1

Inleiding Er bestaan plannen aan de Den Ilp 180b te Den Ilp een gebouw te herontwikkelen. Het is hiervoor nodig een berekening uit te voeren om de gegenereerde stikstofuitstoot/depositie van dit project te bepalen. De te realiseren bebouwing wordt zonder gasaansluiting aangelegd, maar er is wel sprake van extra verkeer en de inzet van mobiele werktuigen door de herinrichting. Alle verbrandingsprocessen waarbij fossiele brandstoffen en hitte zijn betrokken, leveren door oxidatie van vrije stikstof uit de lucht de gebonden stikstofoxiden nitriet (NO2) en/of nitraat (NO3). Tevens komt soms ammoniak (NH3) vrij. De gebonden stikstofmoleculen worden na verbranding luchtzijdig verspreid en slaan na verloop van tijd neer. De gebonden moleculen werken na het neerslaan vervolgens bodemverrijkend en/of verzurend. Nederland heeft zich door ondertekening van de Europese Habitatrichtlijn verplicht bepaalde vegetaties te beschermen binnen het gebiedennetwerk van de Natura 2000-gebieden. Deze vegetaties zijn in een aantal gevallen gevoelig voor bodemverrijking en/of verzuring en de neerslag van de gebonden stikstofmoleculen kunnen een bedreiging zijn voor het voortbestaan van deze vegetaties, zeker als de kritische (=maximale) depositiewaarde (KDW) op deze vegetaties reeds is bereikt.

1.1

Werkwijze en werkzaamheden In het plangebied zal een bedrijfspand worden omgebouwd. Er dienen in het gebouw zes appartementen te worden gerealiseerd. Het bedrijfspand staat momenteel helemaal leeg en dient voornamelijk intern te worden verbouwd. Tevens zal er een aan het gebouw gelegen overkapping en loods worden gesloopt, zal het puin worden afgevoerd en zal het bouwterrein verder bouwrijp worden gemaakt. Tijdens het werk zullen prefab dakkappellen, kozijnen en wanden worden ingehesen, en zullen voor een klein stuk veranda met een lichte heistelling stalen buispalen worden geslagen.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020

Den Ilp 180b te Den Ilp

2

5

Methode Om depositie van het project te berekenen wordt de meest recente versie van de rekentool ‘Aerius’ (AERIUS 2019) gebruikt. Vanwege een uitspraak van de Raad van State d.d. 29 mei 2019 kan niet meer gebruik gemaakt worden van automatische vergunningverlening op grond van de voorheen geldende drempelwaardes. Aangetoond moet worden dat geen significant negatieve gevolgen mogelijk kunnen zijn op Natura 2000-gebieden. In de berekening wordt de projectbijdrage door Aerius op concrete rekenpunten exact berekend, waarbij ook vegetaties of Natura 2000gebieden op meer dan 3 km afstand betrokken worden. De depositie op de meest nabijgelegen ‘stikstofgevoelige habitattypen’ (zoals gedefinieerd in Aerius) wordt doorgerekend om te onderzoeken of deze hoger is dan 0,00. Als de projectbijdrage hoger is dan een berekende 0,00 mol/ha/jaar zijn mogelijk gevolgen te verwachten. Het rekenresultaat van 0,00 mol/ha/jaar betekent een maximale stikstofdepositie op het meest dichtbij gelegen stikstofgevoelige habitattype in Natura 2000gebieden die lager is dan 0,005 mol/ha/jaar. Dit komt omdat Aerius vanaf 0,005 mol/ha/jaar de depositie naar boven afrond tot een projectbijdrage van 0,01 mol/ha/jaar.

2.1

Berekening en uitgangspunten Bij de berekening van stikstofemissie zijn twee fases te onderscheiden, de aanlegfase (bouw) en de gebruikfase (gebruik ontwikkelde gebied na afloop van de aanlegfase inclusief aantrekking verkeer e.d.). Aanleg en gebruik komen niet naast elkaar voor. In deze rapportage zullen beide fases berekend worden. De situatie met de hoogste projectbijdrage is bepalend voor de te verwachten gevolgen op Natura 2000-gebieden. Voor de berekening zijn de effecten ingeschat op de meest dichtbij zijnde stikstofgevoelige habitattypen. Het betreft diverse aangewezen (en in rekentool Aerius aangegeven) habitattypen in Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020

Den Ilp 180b te Den Ilp

6

3

Aanlegfase De stikstofemissies tijdens de aanlegfase zijn toe te wijzen aan twee bronnen. Het betreft verkeersaantrekkende werking en het gebruik van mobiele werktuigen op de bouwsite. De aanlegfase zal ongeveer een jaar in beslag nemen. Omdat de precieze uitvoer van de plannen niet bekend is, is gedeeltelijk gerekend met zogenaamde ‘worst-case’ aannames.

3.1

Verkeersaantrekking De verkeersaantrekkende werking van de aanlegfase bestaat uit transport van materialen en personen (bouwvakkers). Het verkeer is gemodelleerd tot de twee dichtst bij zijnde knooppunten op de doorgaande weg, in dit geval noordwaarts de aansluiting op de N235, en zuidwaarts de aansluiting op de A10, met naar beide kanten 200 meter extra voor optrekken en afremmen. Gezien de ligging van het plangebied is een modellering van de helft van de verkeersstromen voor elk van de ontsluitingen realistisch. Buiten deze wegen wordt het verkeer geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld, omdat het verkeer zich in hoeveelheid, snelheid, rijen stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden. De verkeersaantrekkende werking bestaat uit:  Transport personeel: t.b.v. verbouw bedrijfspand tot zes woon appartementen: drie personenbusjes en vijf personenwagens gedurende 16 weken, wordt gemodelleerd als (8x16x5x2=) 1280 ritten omdat zowel aankomst als vertrek wordt meegerekend.  Voor de aanvoer bouwmaterieel en bouwmaterialen van de verbouwing worden in totaal 34 ritten met zwaar verkeer gemodelleerd als 68 ritten omdat zowel aankomst als vertrek wordt meegerekend.

3.2

Inzet mobiele werktuigen De belangrijkste werkzaamheden waarbij stikstof vrij komt, betreffen sloopwerk en afvoer van puin, vlakken van de vrijgekomen gronden, graven van sleuven voor bijvoorbeeld kabels en leidingen, heien, en hijswerk t.a.v. prefab constructiedelen. Voor het gebruik van mobiele werktuigen zijn de machines en draaiuren genomen die zijn vermeld in Tabel 1. Er wordt uitgegaan van de inzet van materieel van stageklasse IV of nieuwer. De mobiele emissiebronnen zijn in Aerius apart ingevoerd, niet te kiezen bronnen zijn binnen Aerius ingegeven als ‘anders’ met emissiefactoren zoals aangegeven in Tabel 1.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020

Den Ilp 180b te Den Ilp

7 De materiële inzet is zo accuraat mogelijk ingeschat door de initiatiefnemer. Er is echter een extra bron met vermogen van 100 kw (vergelijkbaar met een grote graafmachine) opgenomen voor onvoorziene werkzaamheden, correctie van TAF-factoren en voor divers overig klein materieel gedurende 5 dagen continu.

3.3

Berekening Aanlegfase De uitkomst van de berekeningen (rekenscherm) van de aanlegfase ten opzichte van de referentie fase is opgenomen in Bijlage 1. Separaat worden bestanden met extensie gml en PDF bestanden opgeleverd als onderlegging van de berekening. Uit de berekeningen (zie Bijlage 1) blijkt dat de projectbijdrage van de aanlegfase van het initiatief maximaal 0,01 mol/ha/jaar is. Deze bijdrage wordt als vergunningplichtig beschouwd.

Stage IV/V Den Ilp 180B Den Ilp

Vermogen (kw)

Stage/jaar

Draaitijd factor

Emissiefactor (g/kw)

Aantal

Draaitijd dagen

Draaitijd uren

Omrekening gram-kilo

Emissie (Kg Nox)

Geschatte materiaalinzet en geproduceerde stikstof in de aanlegfase op basis van directe invoer van bouwjaar in Aerius of met stageklasse in het Emissiemodel Mobiele Machines (EMMA) (HULSKOTTE & VERBEEK 2009).

Graafmachine Sloop Graafmachine vlakken Dumper (aan/afvoer) Hijskraan Heistelling Laadschop Divers/onvoorzien

100 100 75 100 224 45 100

2015 2015 2015 2015 III 2015 IV

0,6 0,6 0,5 0,5 0,6 0,6 1

0,3 0,3 0,4 0,4 0,4 0,3 0,4

1 1 1 1 1 1 1

4 1 6 0,5 1 3 5

32 8 48 4 8 24 80

0,001 0,001 0,001 0,001 0,001 0,001 0,001

0,576 0,144 0,72 0,08 0,4301 0,1944 1,6

Totaal

Van der Goes en Groot

3,7

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020

Den Ilp 180b te Den Ilp

8

4

Gebruikfase Er wordt bij de berekening met betrekking tot gebruik uitgegaan van 6 woon appartementen. De bebouwing wordt gasloos en zonder andere stookinstallaties aangelegd, zodat hier van emissie geen sprake is en alleen de bijdrage van de verkeersaantrekkende werking wordt berekend.

4.1

Verkeersaantrekking Bij de bepaling van het aantal verkeersbewegingen per woning per dag is bij het project uitgegaan van ‘koop,appartement,midden’ ligging ‘weinig stedelijk’, ‘rest bebouwde kom’ en ‘maximale verkeersgeneratie’. Dit resulteert in 6x6,4(*1,11)/2= 21,312 vervoersbewegingen per dag (CROW 2018). Het betreft zowel heenals terugreizend verkeer. De kencijfers van het CROW zijn hierbij (worst-case) gemodelleerd voor een werkdag door deze te vermenigvuldigen met 1,11. Gezien het gebruik van de woningen wordt dit verkeer in de ‘lichte verkeerscategorie’ gemodelleerd. Het verkeer is gemodelleerd tot de twee dichtst bij zijnde knooppunten op de doorgaande weg, in dit geval noordwaarts de aansluiting op de N235, en zuidwaarts de aansluiting op de A10, met naar beide kanten 200 meter extra voor optrekken en afremmen. Gezien de ligging van het plangebied is een modellering van de helft van de verkeersstromen voor elk van de ontsluitingen realistisch. Deze modellering is in lijn met een algemeen criterium voor verkeer aantrekkende werking van wegverkeer dat de gevolgen voor het milieu van dit verkeer niet meer aan het nieuwe project kunnen worden toegerekend wanneer geacht kan worden dat dit verkeer is opgenomen in het “heersende verkeersbeeld”. De uitkomst van de berekeningen van de gebruiksfase ten opzichte van de referentie fase is opgenomen in Bijlage 2.

Separaat worden bestanden met extensie gml en PDF bestanden opgeleverd als onderlegging van de berekening. Uit de berekeningen blijkt dat de projectbijdrage van het initiatief maximaal 0,01 mol/ha/jaar is. Deze bijdrage wordt als vergunningplichtig gezien.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020

Den Ilp 180b te Den Ilp

5

9

Saldering In de referentiesituatie, ofwel het moment dat relevante Natura 2000-gebieden werden aangewezen (meestal 9 december 2004, zie BIJ12, REFERENTIEDATA NATURA 2000-GEBIEDEN), was op de planlocatie reeds sprake van een activiteit. Het betreft de huidige bebouwing die is gerealiseerd in 1980 (Kadaster, 2020). Omdat bij dit pand met winkelfunctie sprake was van een zekere uitstoot van stikstof en deze bij aanwijzen van het Natura 2000gebied reeds bestond, wordt deze gerekend tot ‘bestaand gebruik’ en kan de jaarlijkse uitstoot hiervan worden afgetrokken van de nieuwe uitstoot. Deze verrekening heet ‘saldering’. Volgens de ‘beleidsregels stikstof’ (RIJKSOVERHEID, 2019) is elke vorm van saldering vergunning plichtig. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen interne en externe saldering:  Bij interne saldering wordt gekeken naar de activiteiten die plaatsvinden of hebben plaatsgevonden op het terrein waar de huidige stikstofberekening voor geldt;  Bij externe saldering wordt gekeken welke mogelijkheden er zijn bij activiteiten buiten het gebied, die invloed hebben op hetzelfde Natura2000-gebied als berekend voor het terrein van onderhavige stikstofberekening. Bij het voorliggende project wordt intern gesaldeerd.

5.1

Bestaande gebruik Het in het verleden bestaande gebruik betreft (jaarlijkse) stikstofuitstoot tijdens het gebruik van het pand met winkelfunctie. Deze waarde kan zowel in de aanlegfase als de gebruiksfase worden afgetrokken en bedraagt: 474m2 x 0,16 (EMISSIEWAARDEN AERIUS, VERSIE APRIL 2016) Kantoren en winkels)= 75,84 kg NOx per jaar.

5.2

Verkeersaantrekking Voor de verkeer aantrekkende werking wordt gebruik gemaakt van de cijfers van CROW (CROW, 2018) gecorrigeerd naar het jaar in de referentiesituatie. Tussen 2004 en 2019 is het landelijk aantal personenauto’s gegroeid met een factor 1,24 (CBS, 2019). De verkeersaantrekking op de referentiedatum zal dus iets lager zijn geweest. Voor een worst-case scenario worden de cijfers uit CROW, 2018 derhalve gedeeld door 1,25. Voor het project is uitgegaan van ‘buurtsupermarkt’, ligging ‘weinig stedelijk’, ‘rest bebouwde kom’ en ‘maximale verkeers¬generatie’.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020

Den Ilp 180b te Den Ilp

10

Deze komt op 6x5,1(*1,11)/1,25= 27,173 vervoersbewegingen per dag. Tevens wordt er uitgegaan van één vrachtwagen middelzwaar vrachtverkeer per etmaal voor aanvoer van goederen. Hierbij moet wel worden gerealiseerd dat het wagenpark in 2004 veel vervuilender was dan nu vanwege schonere motoren! Hiervoor is geen correctie toegepast.

5.3

Berekening De in de referentiesituatie berekende emissiewaardes worden afgetrokken van de waardes in zowel aanlegfase als gebruikfase middels het vergelijken van situaties in Aerius. De referentiesituatie (als separate gml bijlage toegevoegd) wordt hierbij eerst vergeleken met de aanlegfase en vervolgens vergeleken met de gebruikfase, aangezien aanlegfase en gebruikfase niet gelijktijdig voorkomen. De vergelijking van waardes wordt in de pdf bestanden van gebruik en aanleg direct meegenomen. De projectbijdrage in de aanlegfase (met saldering) is 0,00 mol/ha/jaar en de projectbijdrage in de gebruiksfase is (met saldering) 0,00 mol/ha/jaar. Deze bijdragen worden als verwaarloosbaar beschouwd. De gesaldeerde stikstofdepositie van het project blijft dus onder de norm van 0,00 mol/ha/jaar in zowel aanlegfase als de gebruiksfase zodat geen sprake kan zijn van significant negatieve effecten op relevante habitattypen en vergunning of een VVGB voor het project verleend kan worden.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020

Den Ilp 180b te Den Ilp

6

11

Conclusie effectbeoordeling stikstof  In de gerealiseerde bebouwing wordt door het afzien van stookinstallaties in de bebouwing (vrijwel) geen stikstof meer geëmitteerd. De transitie van oude bebouwing met winkelfunctie met zekere uitstoot van stikstof naar de beoogde bebouwing van zes woon appartementen in dit project draagt daarmee bij aan de gewenste permanente daling van stikstof op kwetsbare natuurgebieden.  De projectbijdrage van de aanleg (zonder saldering) is 0,01 mol/ha/jaar en de projectbijdrage van het gebruik (zonder saldering) is 0,01 mol/ha/jaar. Bij (interne) saldering van het bestaande gebruik op de referentiedatum blijkt dat de huidige projectbijdrage van zowel aanlegfase als de gebruiksfase 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Deze bijdragen worden als verwaarloosbaar beschouwd. In een te volgen vervolgprocedure kan derhalve vergunning of een VVGB voor het project worden verkregen.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020

Den Ilp 180b te Den Ilp

12

7

Literatuur AERIUS CALCULATOR, 2019. https://calculator.aerius.nl/calculator/ AERIUS, 2016. Emissiewaarden_aerius_def_versie_20_april_2016. ALBERTS, A. (CONTACT), 2018. Notitie Stikstofdepositie in Natura 2000 Bedrijfsunits Rode Ring, Assendelft. Ecogroen, 18-428, Ecogroen Zwolle. BIJ 12 REFERENTIEDATA NATURA 2000- GEBIEDEN: https://www.bij12.nl/wpcontent/uploads/2019/10/Referentiedata-VR-HR.pdf BIJ12, 2018. Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator, Versie 1. CBS, 2019. Motorvoertuigenpark; inwoners, type, regio, 1 januari 2019 https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/7374hvv/ta ble?fromstatweb COMPENDIUM VOOR DE LEEFOMGEVING. https://www.clo.nl/indicatoren/nl018916-vermestendedepositie CROW, 2018. Toekomstigbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen .CROW, Ede HULSKOTTE, J.H.J & R.P. VERBEEK, 2009 (GEACTUALISEERD). Emissiemodel Mobiele Machines gebaseerd op machine verkoop in combinatie met brandstof afzet (EMMA). TNO 034-UT-200901782-RPT-ML, TNO, Utrecht. KADASTER, 2020. Basisregistratie adressen en gebouwen. https://bagviewer.kadaster.nl/ KENNISCENTRUM INFOMIL, 2020. Berekening van emissies, CalcomEmis3.0. https://www.infomil.nl/onderwerpen/luchtwater/stookinstallaties/berekening/ NATUUR EN MILIEU, 2018. Factsheet Milieu impact mobiele werktuigen.

https://www.natuurenmilieu.nl/wpcontent/uploads/2018/12/Factsheet-Impact-mobielewerktuigen-2018.pdf RIJKSOVERHEID, 2019. Beleidsregels stikstofaanpak 10 december 2019: https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2019/12/04 VAN DOBBEN, H.F., R. BOBBINK, D. BAL EN A. VAN HINSBERG, 2012. Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000. Alterra rapport 2397, Alterra, Wageningen

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020

Den Ilp 180b te Den Ilp

13

8

Bijlagen

Bijlage 1 Bijlage 2

Berekening referentie + aanlegfase Berekening referentie + gebruiksfase

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020

Den Ilp 180b te Den Ilp

Bijlage 1 Berekening referentie + aanlegfase

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020

Den Ilp 180b te Den Ilp

Bijlage 2 Berekening referentie + gebruiksfase

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

Hazenkoog 35A Bovendijk 35-G 1822 BS Alkmaar 2295 RV Kwintsheul www.vandergoesengroot.nl

1 B4 bij BIJLAGE 2 Den Ilp 180 B bodemonderzoek

Landview BV Bodemonderzoek

Rapportnummer 2019340

INHOUDSOPGAVE

SAMENVATTING ............................................................................................................................ 2 1.

INLEIDING .............................................................................................................................. 3

2.

VOORONDERZOEK ............................................................................................................... 4 2.1 2.2 2.3

3.

BASISINFORMATIE ........................................................................................................ 4 HISTORISCH ONDERZOEK ........................................................................................... 4 ALGEMENE BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE ............................................... 6

OPZET BODEMONDERZOEK ............................................................................................... 7 3.1 3.2 3.3 3.4

4.

HYPOTHESE VERONTREINIGINGSSITUATIE ............................................................. 7 BEMONSTERINGSSTRATEGIE .................................................................................... 7 CHEMISCHE ANALYSES ............................................................................................... 7 TOETSINGSKADER ....................................................................................................... 8

RESULTATEN BODEMONDERZOEK ................................................................................... 9 4.1 4.2 4.3

RESULTATEN VELDONDERZOEK ................................................................................ 9 ANALYSERESULTATEN GROND ................................................................................ 10 ANALYSERESULTATEN GRONDWATER ................................................................... 10

5.

AANVULLEND BODEMONDERZOEK ................................................................................ 11

6.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN................................................................................. 12

7.

SLOTOPMERKINGEN .......................................................................................................... 13

8.

REFERENTIES ..................................................................................................................... 14

BIJLAGEN 1 2 3 4.1 4.2 4.3 5 6

Regionale situatie Lokale situatie met boorpunten Boorprofielen Analysecertificaten laboratorium Toetsing grond volgens BoToVa Toetsing grondwater volgens BoToVa Gegevens vooronderzoek Foto´s huidige situatie

SAMENVATTING Naar aanleiding van een bestemmingsplan wijziging en de aanvraag van een omgevingsvergunning is door Landview BV een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Den Ilp 180b te Den Ilp, gemeente Landsmeer. Het bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5740 richtlijnen voor een verdachte locatie met heterogeen verdeelde verontreiniging. De hypothese voor het onderzoek is, dat er verhoogde gehalten van zware metalen en of PAK in de mogelijk puin houdende grond aanwezig zijn. Het veldwerk is, door KIWA gecertificeerde medewerkers, uitgevoerd onder het procescertificaat BRL SIKB 2000, conform de VKB protocollen 2001 en 2002. In het mengmonster van de puinhoudende ondergrond ter plaatse van de klinkerverharding zijn sterke verontreinigingen, tot boven de interventiewaarden, met barium, koper en zink geconstateerd. Daarnaast zijn matige verhogingen aan lood en nikkel aangetroffen. In een 2de fase onderzoek is gebleken dat in de enkelvoudige grondmonsters, uit de boringen 2 en 3, sterke verontreinigingen met koper en barium zijn geconstateerd. In de grond uit boring 3 zijn daarnaast sterke verontreinigingen met nikkel, zink en lood aangetroffen. Voor het overige zijn in de grondmonsters maximaal licht verhoogde gehalten aan zware metalen, som PAK en minerale olie geconstateerd. In het grondwater is een lichte verhogingen van barium aangetroffen.

Op de locatie bestaan, op grond van de resultaten van dit onderzoek, geen risico's voor de volksgezondheid of de ecologie bij het beoogde gebruik, wonen met tuin. De aangetroffen sterke verontreinigingen bevinden zich in de ondergrond en onder de klinkers, bij normaal gebruik zijn er geen contactmogelijkheden. Bij graafwerkzaamheden op het terrein bestaan er beperkingen in de mogelijkheid tot hergebruik van eventueel vrijkomende grond buiten de locatie. De hergebruiksmogelijkheden van eventueel af te voeren grond dienen in overleg met het bevoegd gezag en conform het Besluit Bodemkwaliteit bepaald te worden. Sterk verontreinigde grond mag niet buiten de locatie worden toegepast. Op de locatie is, op basis van de huidige gegevens, sprake van een vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging ter plaatse van de boorpunten 2 en 3 met koper en barium. Daarnaast zijn lokaal sterke verontreinigingen met nikkel, zink en lood aangetroffen. Indien wenselijk, kan de omvang van de verontreiniging, beter in kaart worden gebracht middels aanvullende boringen en analyses. Alle werkzaamheden in en op de sterk verontreinigde bodem (o.a. graafwerkzaamheden) worden als saneringswerkzaamheden gezien. Deze werkzaamheden moeten worden gemeld aan het bevoegd gezag middels een melding in het kader van Besluit Uniforme Saneringen (BUS-melding) of een plan van aanpak.

Nu wordt reeds aangegeven dat de aannemer die de (sanering)werkzaamheden, in of op de sterk verontreinigde bodem, uit gaat voeren BRL 7000 gecertificeerd moet zijn en dat de saneringswerkzaamheden eventueel moeten worden begeleid door een milieukundig begeleider, welke is gecertificeerd voor de BRL 6000. Tijdens het onderzoek is zintuiglijk op het maaiveld en in de bodem geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. In enkele opstallen is asbestverdacht materiaal gebruikt als dakbedekking. In de grond ter plaatse van de boringen 2 en 3 is puin aangetroffen en puin is potentieel asbestverdacht. De aangetroffen baksteen resten, zijn in het veld als niet asbestverdacht aangemerkt. Om uit te sluiten of er asbest in de bodem aanwezig is, is uitvoering van een asbestonderzoek conform NEN 5707 noodzakelijk. De uiteindelijke toetsende en handhavende taak ligt bij het bevoegd gezag, zijnde de gemeente / omgevingsdienst IJmond. Deze samenvatting en de rapportage van de onderzoeksgegevens vormen een geheel.

1.

INLEIDING

In opdracht van Beemsterboer BV is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging op de locatie Den Ilp 180b te Den Ilp, gemeente Landsmeer. Het onderzoek is verricht door Landview BV uit Hoorn, in de periode maart-mei 2019, conform de offerte van 14 februari 2019 en de tijdens het project gemaakte afspraken. Een bodemonderzoek wordt steekproefsgewijs uitgevoerd en betreft daarmee dus een momentopname. Hierdoor hebben de onderzoeksresultaten een beperkte geldigheidsduur. Het bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5740 richtlijnen voor een verdachte locatie met heterogeen verdeelde verontreiniging. De hypothese voor het onderzoek is, dat er verhoogde gehalten van zware metalen en of PAK in de mogelijk puin houdende grond aanwezig zijn. Het veldwerk is, door KIWA gecertificeerde medewerkers, uitgevoerd onder het procescertificaat BRL SIKB 2000, conform de VKB protocollen 2001 en 2002. Aanleiding voor het onderzoek is het wijziging van het bestemmingsplan en het verkrijgen van een omgevingsvergunning. Daarvoor is het noodzakelijk dat de kwaliteit van de bodem wordt vastgelegd. Doel van het onderzoek is aan te tonen dat de verwachte verhoogde gehalten verontreinigende stoffen in de grond op de locatie niet tot meer gebruiksbeperkingen leiden dan beperkingen in het hergebruik.

Van hergebruik is sprake wanneer grond, die bij eventueel graafwerk is vrijgekomen, buiten de locatie wordt toegepast. Daarnaast wordt nagegaan of er inderdaad geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen, behalve mogelijk arseen en of barium van nature, aanwezig zijn in het grondwater. De chemische analyses van de grond en het grondwater zijn verricht door Eurofins Omegam te Amsterdam. Dit laboratorium is geaccrediteerd door de Raad van Accreditatie. Landview BV is een onafhankelijk en erkend onderzoeksbureau. Er bestaat tussen de opdrachtgever cq. eigenaar van de locatie en Landview BV geen andere relatie dan die tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. Het procescertificaat van Landview BV en het hierbij behorende keurmerk zijn uitsluitend van toepassing op de activiteiten inzake de monsterneming en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie, aan een erkend laboratorium of de opdrachtgever. Dit rapport heeft de volgende opbouw. Hoofdstuk 2 bevat een evaluatie van het vooronderzoek NEN 5725. De opzet van het bodemonderzoek en het toetsingskader worden in hoofdstuk 3 weergegeven. De resultaten van het veldonderzoek en analyses staan in de hoofdstukken 4 en 5. Hoofdstuk 6 bevat de conclusies die hieruit kunnen worden getrokken, samen met aanbevelingen voor eventuele vervolgstappen.

2.

VOORONDERZOEK

Ten behoeve van het verkennend bodemonderzoek is in maart 2019 een vooronderzoek uitgevoerd volgens NEN 5725. Doel van het vooronderzoek is na te gaan of er op, of binnen een straal van 25 meter van, de onderzoekslocatie sprake is van de aanwezigheid van puntbronnen of overige potentieel bedreigende activiteiten. Op basis van de verzamelde gegevens wordt de onderzoeksstrategie opgesteld (zie hoofdstuk 3).

2.1

BASISINFORMATIE

De aanleiding tot het onderzoek is het verkrijgen van een omgevingsvergunning. Daarnaast is het bodemonderzoek noodzakelijk voor de bestemmingswijziging. De regionale situatie rond de onderzoekslocatie staat weergegeven in bijlage 1. De locatie bevindt zich binnen de bebouwde kom van Den Ilp. In bijlage 2 is een situatietekening van het terrein gegeven. Tabel 1: overzicht basisgegevens Kadastraal bekend : gemeente Landsmeer, sectie M, nummer 1638 Oppervlakte : circa 922 m² Gebruik verleden : wonen Gebruik heden : wonen Gebruik toekomst : wonen

2.2

HISTORISCH ONDERZOEK

De gegevens van het historisch onderzoek zijn verzameld door Landview BV. Hierbij is gebruik gemaakt van informatie verkregen uit gesprekken met de opdrachtgever, eigenaren en of gebruikers van de locatie. Daarnaast is informatie verkregen van de Omgevingsdienst IJmond (OD IJmond). De informatie is bij voorkeur digitaal verkregen. Wanneer daartoe de noodzaak bestond, is aanvullende informatie verzameld door middel van archiefbezoek bij de gemeente of andere archieven. Voor verzamelen van de informatie is gebruik gemaakt van onderstaande bronnen. Tabel 2: overzicht geraadpleegde bronnen Aard Bron Bodeminformatie BIS Bodemkwaliteit Bodembedreigende activiteiten Toepassingen asbest Dempingen, activiteiten Voormalige activiteiten Bijzondere waarden

website OD IJmond bodemkwaliteitskaart website OD IJmond, www.bodemloket.nl locatie-inspectie, eerdere onderzoeken historische kaarten, opdrachtgever, locatie-inspectie lokale / regionale archieven, historische kaarten https://maps.noordholland.nl/extern/gisviewers/bodemvisie/ Archeologie http://archeologieinnederland.nl Verhardingen, bebouwingsgraad opdrachtgever / gebruiker, locatie-inspectie Eerdere onderzoeken opdrachtgever, eigen archief, OD IJmond

relevantie groot gering X X X X X X X X X X

Bodemgebruik en situatie op het terrein: De locatie bevindt zich in stedelijk gebied (lintbebouwing). Het pand dateert, volgens de BAG viewer van het kadaster, uit 1980. Het bestaande pand zal worden omgebouwd tot een woongebouw met appartementen.

Bedrijvigheid / Potentiële bronnen van verontreiniging: In de archieven van de omgevingsdienst IJmond zijn er geen gegevens over de te onderzoeken locatie Den Ilp 180B bekend. 2007-2008 Uit de archieven van de omgevingsdienst IJmond blijkt dat voor de aangrenzende locatie Den Ilp 180 in 2008 een historisch onderzoek is opgesteld. De resultaten staan weergegeven in het rapport met nummer B07G0006 (d.d. 14 februari 2008) en is opgesteld door Syncera BV. In juli 2007 is er een gevelinspectie uitgevoerd. Hierbij is gelet op het huidig gebruik van de locatie, bebouwing, verharding, oppervlaktewater en (verdachte) bedrijfsactiviteiten. De locatie omvat de percelen M1638 en M1639. Op de locatie is een woonhuis met tuin gevestigd, alsmede een loods. Bij de gevelinspectie werd niet duidelijk of er bedrijfsactiviteit aanwezig is op de locatie. In het verleden is op de locatie een machine- en apparatenfabriek voor de voedingsmiddelen industrie gevestigd geweest. Tevens is op de locatie een metaalconstructiebedrijf aanwezig geweest. De bedrijfsactiviteiten zijn in 1967 begonnen. Uit het historisch onderzoek is gebleken dat op de locatie activiteiten hebben plaatsgevonden die mogelijk tot bodemverontreiniging hebben geleid. Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een potentieel ernstig geval van bodemverontreiniging (UBI-klasse 5 t/m 8).

Voor zover bekend zijn op de locatie nog geen bodemonderzoeken uitgevoerd. Er is dan ook geen informatie bekend over de bodemkwaliteit ter plaatse. In het kader van het Landsdekkend beeld dient oriënterend onderzoek plaats te vinden om de aard, omvang en spoedeisendheid van de verontreiniging vast te stellen. Omdat in dit geval echter de precieze ligging ervan niet bekend is, is er voor deze locatie geen boorplan voor dit oriënterend onderzoek opgenomen. Indien in de toekomst aanvullende gegevens beschikbaar komen over de ligging van de activiteit, wordt geadviseerd alsnog onderzoek op deze locatie uit te voeren. Indien in de toekomst in het kader van een andere aanleiding bodemonderzoek plaatsvindt, dient rekening te worden gehouden met het voorkomen van verontreinigingen door deze (voormalige) activiteit. De huidige eigenaar van de locatie heeft aangegeven dat op de locatie Den Ilp 180 geen machineen apparatenfabriek gevestigd is geweest. Aangegeven is dat in de jaren ’60 van de vorige eeuw op deze locatie een poeliersbedrijf gevestigd geweest. Daarvoor stond er op de locatie een woonhuis en enkele schuren. De gegevens die zijn weergegeven in het historisch onderzoek komen volgens de eigenaar niet overeen met de werkelijkheid en behoren toe aan een ander perceel.

2010 Uit de Bodemrapportage van de OD IJmond blijkt tevens, dat in de directe omgeving van de nu te onderzoeken locatie, bodemonderzoek is uitgevoerd. Voor de aanleg van een waterleiding naar Den Ilp 180 is eind 2009 – begin 2010 een indicatief bodemonderzoek uitgevoerd door Oranjewoud. De resultaten staan weergegeven in het rapport met nummer 198812-68 (d.d. 7 januari 2010) en kunnen als volgt kort worden samengevat. In de grond zijn licht tot matig verhoogde gehalten aan metalen en of som PAK geconstateerd (zie ook bijlage 5). Bodemloket (www.bodemloket.nl) heeft geen aanvullende gegevens over de locatie of de directe omgeving beschikbaar. Vergelijking tussen luchtfoto’s en topografische atlassen uit verschillende perioden heeft opgeleverd, dat het verkavelingspatroon tot nu vrijwel niet gewijzigd is. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat er brandstoftanks, met bodemvreemd materiaal gedempte sloten of aangevoerde verstevigingmaterialen op de locatie aanwezig zijn.

Bij bodemonderzoeken op vergelijkbare locaties, is gebleken dat op de oorspronkelijke bodem (veen) grond is opgebracht. De herkomst van deze grond is veelal niet meer te achterhalen. In de veelal puin houdende opgebrachte grond zijn regelmatig verhoogde gehalten van zware metalen en of polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) aangetroffen. Vanwege een eventuele (ver)bouwdatum tussen de jaren ’30 en ’80 kunnen in de opstallen asbesthoudende materialen verwerkt zijn. Door uitvoering van een asbestinventarisatie onderzoek, welke geen deel uitmaakt van dit onderzoek, kan bekeken worden of asbesthoudende stoffen gebruikt zijn. Gezien de aard van de locatie is de kans op het aantreffen van asbestresten in de bodem als gevolg van bedrijfsmatige activiteiten, gebruik van asbesthoudende bouwstoffen, stortingen van asbestafval of asbestcalamiteiten wegens bijv. brand in de bodem zeer gering. Bijzondere waarden: Uit de Bodemvisie kaart van de Provincie Noord-Holland blijkt, dat de locatie zich niet bevindt in een grondwaterbeschermingsgebied. De locatie is niet binnen een aardkundig waardevol gebied gelegen of staat bekend als aardkundig monument. De bodem ter plaatse van de locatie is (onder voorwaarden) geschikt voor Warmte-koude opslag; diep dan wel ondiep. De locatie is niet gelegen in een gebied van archeologische waarde.

2.3

ALGEMENE BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE

Op grond van kaartmateriaal en gegevens van de Rijksgeologische Dienst (RGD), het voormalige Instituut voor Cultuurtechniek en Waterhuishouding (ICW), de voormalige Stichting voor Bodemkartering (STIBOKA), het DLO Staring Centrum, de Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO) en Landview BV kan de volgende bodemopbouw worden verwacht. De locatie is gelegen in een gebied met een maaiveldhoogte van circa 1,1 m -NAP. Het freatisch grondwater bevindt zich op circa 1 m -maaiveld (mv). Dit betreft het ondiepe grondwater dat onder invloed van neerslag staat. De grondwaterstroming is naar het aanwezige oppervlaktewater toe gericht. Gezien de ligging en het neerslagoverschot is er sprake van lokale inzijging (neerwaartse stroming van het grondwater). De Pleistocene ondergrond, afgezet tijdens de laatste ijstijd, bevindt zich op een diepte tussen de 10 en 20 m -NAP. Deze goed doorlatende zandlagen worden beschouwd als het 1e watervoerende pakket. Gedurende verschillende overstromingsfasen zijn in het Holoceen, vanaf circa 10.000 jaar geleden, door de zee op de Pleistocene ondergrond mariene sedimenten afgezet en is plaatselijk veenvorming opgetreden. Deze Holocene afzettingen vormen de slecht tot matig doorlatende deklaag. De locatie is gesitueerd op een ontgonnen veenvlakte.

De venen van westelijk Nederland zijn, voor zover niet als brandstof of voor zoutwinning gebruikt, na de ontginning in de Middeleeuwen door ontwatering sterk geklonken. Typisch zijn in sommige gebieden de sloten met hoge waterstanden en de iets hoger dan de omgeving liggende slootranden. Het veen is soms met een dunne laag klei of zand bedekt, waarvan de herkomst niet altijd te achterhalen valt. Door menselijke beïnvloeding zijn natuurlijke bodemprofielen gewijzigd.

3.

OPZET BODEMONDERZOEK

3.1

HYPOTHESE VERONTREINIGINGSSITUATIE

Op grond van het vooronderzoek is voor de opzet van het bodemonderzoek uitgegaan van een verdachte locatie met heterogeen verdeelde verontreiniging, waar verhoogde gehalten van zware metalen en of polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) aangetroffen kunnen worden in de mogelijk puin houdende (boven)grond. In het grondwater worden, behalve arseen en of barium van nature, geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen verwacht.

3.2

BEMONSTERINGSSTRATEGIE

Uitgaande van een verdachte locatie met een oppervlakte van 922 m² wordt, conform de NEN 5740 en de BRL SIKB 2000 richtlijnen worden de onderstaande werkzaamheden verricht. Tabel 3: Werkzaamheden Aantal grondboringen tot in de verdachte laag circa 0,5 m –mv Aantal grondboringen tot max 2 m -mv Aantal peilbuizen plaatsen (NEN) en monstername

5 1 1

Aantal analyses grond

3

Aantal analyses grondwater

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=landsmeer&id=8d98f937-b5ca-482f-af3f-35965fe4f74c