Aanmeldnotitie MER
Tekst van het document
Aanmeldnotitie MER Van
Latei, T. Nieste
aan
Gemeente Landsmeer
t.a.v.
R. Banning/A. Bal
cc datum
19 maart 2021
onderwerp
Bestemmingsplan “Breekoever Fase 3 (Noordblok)
Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. Hierdoor is het verplicht om bij ontwikkelingen, die voorkomen in onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. maar onder de drempelwaarde blijven, dat het bevoegde gezag beoordeelt of het doorlopen van een m.e.r-procedure nodig is. Voor deze beoordeling geldt geen ondergrens. Van belang is of de activiteit valt onder de beschrijving uit kolom 1 van onderdeel D. In deze aanmeldnotitie wordt gemotiveerd dat er geen sprake is van aanzienlijke gevolgen voor het milieu en dat een vormvrije m.e.r.-beoordeling voldoet. Besluit m.e.r. In het Besluit milieueffectrapportage (Bijlage onderdeel D11.2) is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat. De beoogde ontwikkeling blijft ruim onder de drempelwaarde. Omdat de drempelwaarde niet wordt overschreden, maar de activiteit wel genoemd wordt, volstaat een aanmeldingsnotitie. Project en kenmerken van het project Het project voorziet in de bouw van 18 grondgebonden woningen; 10 seniorenwoningen met een gebruiksoppervlakte van 92 m² en acht (half)vrijstaande woningen met een gebruiksoppervlakte van 150 m².
De acht reguliere woningen hebben twee bouwlagen met kap. De bouwhoogte is max. 11 m. De tien seniorenwoningen hebben 1 bouwlaag met kap, met een maximale bouwhoogte van 8 m. Verder bestaat de ontwikkeling uit een openbare kade en een aanlegsteiger langs de gehele oever ter hoogte van het plangebied.
1 - 10
Plaats van het project Het plangebied ligt binnen het bestaande stedelijke gebied van de gemeente Landsmeer (zie hieronder).
2 - 10
Potentiële effecten Bodem
Geluid
3 - 10
Luchtkwaliteit
Externe veiligheid
4 - 10
Ecologie Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. In deze wet is zowel de bescherming van de flora- en faunasoorten vastgelegd, alsook de bescherming van specifieke natuurgebieden (Natura 2000-gebieeden). De Wnb vervangt onder andere de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998, waarin voorheen respectievelijk de soortenbescherming en de gebiedsbescherming was geregeld. Naast de Wet natuurbescherming zijn ook de provinciale structuurvisie en verordening relevant voor de gebiedsbescherming. Hierin is onder meer het behoud en de ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (NNN voorheen EHS) geregeld. Om de uitvoerbaarheid van planvoornemen te toetsen, is een inventarisatie van natuurwaarden nodig. Deze inventarisatie bestaat uit een bureauonderzoek en een veldbezoek op 13 november 2018. Het resultaat van de ecologische inventarisatie is in een rapportage bijgevoegd. -SoortenbeschermingOp basis van het veldbezoek blijkt dat het plangebied een beperkte natuurwaarde heeft. Beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen en worden gezien de terreingesteldheid en het ontbreken van geschikt biotoop ook niet verwacht. In het plangebied zijn geen gebouwen en bomen aanwezig waardoor de aanwezigheid van (jaarrond beschermde) vogelnesten kan worden uitgesloten.
Gezien de liggingen het huidige gebruik is het plangebied hooguit marginaal geschikt als foerageergebied voor broedvogels. Verblijfplaatsen van vleermuizen en onmisbare vliegroutes zijn niet in het plangebied aanwezig, door het ontbreken van gebouwen en opgaande groenstructuren. Nietvrijgestelde (en dus beschermde) grondgebonden zoogdiersoorten zijn niet te verwachten in het plangebied, gezien de terreingesteldheid en het ontbreken van sporen die duiden op de aanwezigheid van verblijfplaatsen.
5 - 10
-GebiedsbeschermingHet plangebied grenst niet direct aan beschermde natuurgebieden of verbindingszones, maar het ligt op een afstand van circa 400 meter ten zuiden van het dichtstbijzijnde in het kader van het Wnb beschermde gebied, te weten Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (zie hieronder). Dit gebied is tevens aangewezen als NNN en weidevogelleefgebied. Tussen het plangebied en de beschermde gebieden ligt de ‘Kerkebreek’.
In voorliggende situatie zou hooguit sprake kunnen zijn van negatieve effecten op het genoemde Natura 2000-gebied als gevolgl van externe werking. Zo kan er met nieuwe ontwikkelingen sprake zijn van een verhoogde stikstofdepositie in een Natura 2000-gebied als gevolg van de bouw en het gebruik van de nieuwe woningen. Om te toetsen of dat het geval is, is een Aerius-berekening uitgevoerd.
Uit het uitgevoerde onderzoek stikstofdepositie blijkt dat verkeer in de gebruiksfase niet leidt tot een stikstofdepositietoename op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura2000gebieden. In de aanlegfase die iets minder dan 2 jaar duurt, leidt de inzet van machines en transportbewegingen tot een kleine tijdelijke depositie van maximaal 0,04 mol/ha/jr op reeds (bijna) overbelaste stikstofgevoelige delen van Natura 2000-gebied “Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske ”. Omdat het gaat om een project met alléén kleine tijdelijke deposities in de aanlegfase kleiner dan of gelijk aan 0,05 mol N/ha/jaar gedurende maximaal 2 jaar (of een equivalent hiervan) kan op voorhand worden geconcludeerd dat dit niet kan leiden tot significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied ““Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske “ door stikstof.
6 - 10
Voor het plan is geen passende beoordeling nodig. Van negatieve effecten op Natura 2000-gebied als gevolg van externe werking kan ook sprake zijn bij het realiseren van de steiger in het oppervlaktewater en het plaatsen van kunstlicht dat het oppervlaktewater verlicht. Het oppervlaktewater ter hoogte van het plangebied is echter niet geschikt als leefgebied voor de vissoorten (kleine modderkruiper, bitervoorn en rivierdonderpad) waarvoor voor Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske instandhoudingsdoelstellingen zijn opgesteld. Daartegen is het niet ondenkbaar dat het aangrenzende oppervlaktewater door meervleermuis (ook een aangewezen soort voor genoemde Natura 2000-gebied) wordt gebruikt als foerageergebied. Wanneer bij plaatsing van kunstlicht aan de waterzijde uitsluitend gebruik wordt gemaakt van gerichte lichtarmaturen die geen lichtuitstraling naar de zij- en bovenkant veroorzaken, zijn met zekerheid geen negatieve effecten op de instandhouding van de vleermuis te verwachten. In de omgeving van het Natura 2000-gebied blijft daarnaast ruim voldoende foerageergebied beschikbaar voor de soort. Op basis van de uitgevoerde ecologische inventarisatie is gezien de aangetroffen terreinomstandigheden en de aard van het plan een voldoende beeld van de natuurwaarden ontstaan.
Van het doen van aanvullend onderzoek en de aanvraag van een ontheffing op grond van de Wnb is in voorliggende situatie geen sprake. Wel dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Bij de aanvraag om omgevignsvergunning moet een locatiespecifieke ecologische toets worden uitgevoerd die antwoord geeft op de vraag of gedurende de aanlegfase een stikstofdepositie van 0,01 mol/ha/jr op de belaste hexagonen in Natura 2000-gebied ‘Ilperveld, Varkensland, oostzanerveld & Twiske’ al dan niet leidt tot een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen. Het plan is op het punt van provinciaal natuurbeleid niet in stijd met de Provinciale Omgevingsverordening. Bij het plaatsen van verlichtingsarmaturen langs de waterkant van de Kerkebreek moet ervoor worden gezorgd dat er geen rechtstreekse verlichting van het water plaatsvindt. Water
7 - 10
Verkeer Zie hiervoor het verkeersadvies van Movares dat als bijlage is toegevoegd. Cultuurhistorie en archeologie
8 - 10
Het plan wordt niet belemmerd door archeologische of cultuurhistorische waarden.
9 - 10
Vormvrije m.e.r.-beoordeling, Op grond van bovenstaande informatie kan geconcludeerd worden dat de potentiële milieueffecten van de herontwikkeling zeer gering zijn. Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen er geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Er is dan ook geen aanleiding voor het doorlopen van een m.e.r-procedure.
10 - 10