7570-2023 Bijlage RIB Resultaat onderzoeken mogelijkheid woningbouw resort Breeck
Tekst van het document
Deze aandachtsgebieden worden gemeten vanaf de buitenste kantstreep van de doorlopende rijbaan (bij invoegstroken de blokmarkering). Het planvoornemen ligt hiermee net buiten het brandaandachtsgebied maar binnen het explosieaandachtsgebied. Binnen een explosieaandachtsgebied dient de gemeente een afweging te maken of ze een voorschriftengebied vaststelt. Beschouwing alternatief plangebied Het alternatieve plangebied ligt op 95 meter ten noorden van de autosnelweg A10. Hiermee ligt het alternatieve plangebied binnen de invloedsgebieden van 880 en 355 meter en eveneens binnen het explosieaandachtsgebied van 200 meter. Voor zowel de huidige wetgeving als de Omgevingswet maakt het daarmee qua beoordeling voor externe veiligheid geen verschil of het volledige plangebied of alleen het alternatieve plangebied bebouwd zal worden. Bijlage 1 – Notitie Hoogspanningslijn FE104 Coenplein - Diemen
21
RIVM, 2017; Handleiding risicoanalyse transport, versie 1.2, 11 januari 2017.
13 maart 2023
BI9133
38
Projectgerelateerd
8
Onderzoek hoogspanning
8.1
Context
De gemeente Landsmeer wil advies ten aanzien van het bouwen bij de nabijgelegen 380 kV hoogspanningslijn Coenplein - Diemen en bijbehorende hoogspanningsmast. Figuur 15 geeft een overzicht van de ligging van het plangebied ten opzichte van de hoogspanningslijn (en de daaraan gekoppelde indicatieve magneetveldzone). In het oosten van het plangebied liggen een aantal volkstuinen. Waar nodig zal dit gebied apart beoordeeld worden. Dit kleinere gebied wordt in deze notitie ‘alternatief plangebied’ aangeduid.
Figuur 15 Hoogspanningslijn met indicatieve magneetveldzone 105 meter (cf. Netkaart 2018) en het onderzochte plangebied [1]
Bij het transport van elektriciteit door hoogspanningslijnen ontstaat een magnetisch veld. De sterkte van dit veld hangt af van de stroomsterkte (in ampère) door de kabel. Hoe groter de stroomsterkte, hoe sterker het magnetisch veld. In deze notitie wordt onderzocht en onderbouwd op basis van de huidige inzichten of het veilig is om in het volledige plangebied woningbouw te realiseren. Wanneer dit niet mogelijk is, zal er onderzocht worden in welk deel van het plangebied woningbouw met het oog op hoogspanning wél veilig gerealiseerd kan worden. Specifiek wordt daarnaast ingegaan op de risico’s voor de aanwezige personen in de volkstuinen.
8.2
Lokaal toetsingskader
Het vigerende bestemmingsplan ter plaatse van de voorgenomen woningbouwlocatie is het bestemmingsplan Luijendijk-Zuid, van 24 september 2013 [2]. 13 maart 2023
BI9133
39
Projectgerelateerd
De bestemmingsplankaart geeft een zone van 36 meter, de zogenaamde belemmerde strook, aan weerszijden van de hoogspanningslijn weer (zie Figuur 16). Daar gelden de beperkingen in Artikel 15 Leiding-Hoogspanningsverbinding. In deze zone mogen uitsluitend bouwwerken gerealiseerd worden ten dienste van de hoogspanning.
Figuur 16 Projectie hoogspanningsverbinding in bestemmingsplan Luijendijk-Zuid, inclusief belemmerde strook van 36 meter [2]
De toelichting van het bestemmingsplan meldt dat de hoogspanningslijn toentertijd is verplaatst naar het zuiden om te voldoen aan de 75m bebouwingsvrije zone, gebaseerd op de norm dat de magneetveldsterkte niet meer mag zijn dan gemiddeld 0,4µT op jaarbasis (zie ook paragraaf 3.1).
8.3
Indicatieve magneetveldzone
8.3.1 Magneetveldzone hoogspanningslijn Bij het transport van elektriciteit door hoogspanningslijnen ontstaat een magnetisch veld. De magneetvelden rond een hoogspanningslijn worden extreem-laagfrequente (ELF) velden genoemd, omdat het Nederlandse elektriciteitsnet werkt met ‘50 hertz wisselstroom’. De sterkte van het magneetveld hangt af van de stroomsterkte, de afstand tot de hoogspanningslijnen en de manier waarop de lijnen aan de mast zijn opgehangen. De veldsterkte neemt ongeveer kwadratisch af met de afstand tot de lijn: als de afstand tot de bron twee keer zo groot wordt, wordt de sterkte van het veld vier keer zo laag. De eenheid tesla (T) geeft de sterkte van een magnetisch veld aan. De magneetveldzone is de strook grond die zich aan beide zijden langs de hoogspanningslijn uitstrekt en waarbinnen het magneetveld gemiddeld over een jaar hoger is dat 0,4 µT (microtesla) of in de toekomst kan worden. Figuur 17 geeft schematisch de magneetvelden weer ter plaatse van de mast en als gevolg van de bovengrondse hoogspanningslijn.
13 maart 2023
BI9133
40
Projectgerelateerd
8.4
Voorzorgbeleid risico’s hoogspanning
8.4.1 Voorzorgbeleid Er zijn aanwijzingen dat kinderen (0-15 jaar) die in de buurt van bovengrondse hoogspanningslijnen wonen een tot ongeveer tweemaal hogere kans hebben om leukemie te krijgen dan andere kinderen. Langdurige blootstelling aan magnetische velden die de hoogspanningslijnen opwekken zou hiervoor verantwoordelijk kunnen zijn, al vallen andere (onbekende) factoren of toeval niet uit te sluiten. Vanaf 2005 geldt in Nederland daarom een voorzorgbeleid voor magneetvelden als gevolg van bovengrondse hoogspanningslijnen. Dit voorzorgbeleid betreft de zogenaamde magneetveldzone, het gebied binnen de 0,4 μT. Dit beleidsdoel is ingevuld in het beleidsadvies van de Staatssecretaris van VROM in 2005 aan gemeenten, provincies en netbeheerders [8]. Hierin wordt een zonering geadviseerd en definities gegeven van magneetveldzone, nieuwe situaties, langdurige verblijfsduur van kinderen en gevoelige bestemmingen (zie kader).
Advies met betrekking tot hoogspanningslijnen (Staatssecretaris van VROM, 2005 [8]) Advies om bij de vaststelling van streek en bestemmingsplannen en van de tracés van bovengrondse hoogspanningslijnen, dan wel bij wijzigingen in bestaande plannen of van bestaande hoogspanningslijnen, zoveel als redelijkerwijs mogelijk te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 μT. De magneetveldzone is de strook grond die zich aan beide zijden langs de hoogspanningslijn uitstrekt en waarbinnen het magneetveld gemiddeld over een jaar hoger dan 0,4 μT is of in de toekomst kan worden. Nieuwe situaties: definitie
Nieuwe streek- of bestemmingsplannen, dan wel wijzigingen in bestaande Nieuwe bovengrondse hoogspanningslijnen, dan wel wijzigingen in bestaande
Voor “langdurig blootstellingen” wordt uitgegaan van kinderen die wonen, of verblijven in scholen, crèches of kinderopvangplaatsen die gelegen zijn in magneetveldzones. Gevoelige bestemmingen voor kinderen (0-15 jaar)
Woningen Scholen Crèches Kinderopvangplaatsen
(Locaties waar zich wel kinderen kunnen bevinden maar waar de verblijftijd vergeleken met wonen als kort kan worden bestempeld, zoals sportvelden, speeltuinen, zwembaden e.d., worden dus niet aangemerkt als gevoelige bestemming.)
8.4.2 Evaluatie beleid In de periode 2018/2019 is dit voorzorgbeleid geëvalueerd door het ministerie van EZK (Economische Zaken en Klimaat), samen met de ministeries van IenW (Infrastructuur en Waterstaat), BZK (Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties), gemeenten, provincies en netbeheerders. Op basis van de in het kader van deze evaluatie uitgevoerde onderzoeken is in juni 2019 door Co Verdaas een advies (Advies Voorzorgbeleid Hoogspanning & Gezondheid, 12 juni 2019) opgesteld over het voorzorgbeleid.
de zone van 0,4 microtesla een indicatieve afstand van 125 meter aan weerszijde van de verbinding. In het verleden zijn echter maatregelen aan de hoogspanningsleiding getroffen waardoor de indicatieve afstand 40 meter bedraagt. Op basis hiervan is het waarschijnlijk dat ook ter hoogte van Landsmeer door TenneT voorzieningen zijn getroffen die de magneetveldzone beperken. 13 maart 2023
BI9133
42
Projectgerelateerd
Dit advies is gevoegd bij de Kamerbrief van 1 oktober 2019 DGKE/19215327 van Minister Wiebes aan de Tweede Kamer23. Belangrijke conclusie uit het advies van Co Verdaas is dat voorzorgbeleid ten aanzien van mogelijke gezondheidsrisico’s van magneetvelden niet noodzakelijk is, omdat er nooit een oorzakelijk verband is aangetoond tussen magneetvelden en gezondheidsklachten. Wel is voorzorgbeleid nuttig om maatschappelijke onrust en disproportionele maatregelen te voorkomen. Het advies is terug te keren naar het doel van het beleid: het voorkomen dat kinderen (tot 16 jaar) langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden. Daarbij is het voorstel om het voorzorgbeleid anders in te richten met daarbij: Geen onderscheid tussen nieuwe en bestaande situaties; Geen onderscheid tussen bovengrondse hoogspanning en andere bronnen van magneetvelden; Geen onderscheid tussen magneetvelden met een waarde van > of < dan 0,4 microtesla. Het voorstel van Co Verdaas is door de Minister in de Kamerbrief overgenomen. Het (vervolg)voorstel, dat door de Minister in de kamerbrief is opgenomen, is om in overleg met stakeholders As Low As Reasonable Achievable (ALARA) maatregelen vast te stellen. Deze maatregelen kunnen door decentrale overheden bij de uitvoering van het ruimtelijk beleid en door netbeheerders worden toegepast.
De vaststelling van deze ALARA maatregelen zou in 2020 moeten plaatsvinden en vervolgens via een Ministeriële Regeling gekoppeld aan de Omgevingswet geborgd moeten worden. Lysias heeft in opdracht van het Ministerie voor EZK een verder onderzoek uitgevoerd naar mogelijke ALARA maatregelen. De resultaten van dit onderzoek en de vervolgstappen vanuit het kabinet zijn door de Minister van EZK in de Kamerbrief van 23 maart 2021 DGKE-WO / 20272797 gecommuniceerd. Het advies is om bronmaatregelen aan de hoogspanningskabels en -masten uit te voeren, en daarnaast het voorzorgbeleid van magneetveldzones waarbij het jaarlijkse gemiddelde niet boven de 0,4 µT in stand te houden. De verdere uitwerking van de bronmaatregelen en het uitwerken van het voorstel voor het te hanteren beleid in de Omgevingswet is nog niet gereed24.
8.4.3 Vergelijking risico’s hoogspanning met andere onvrijwillige gezondheidsrisico’s RHDHV heeft ten behoeve van de beleidsevaluatie een literatuuronderzoek uitgevoerd waarin enerzijds de gezondheidsrisico’s van ELF-magneetvelden afkomstig van hoogspanning worden vergeleken met de gezondheidsrisico’s van ELF-magneetvelden afkomstig van andere bronnen, en anderzijds met gezondheidsrisico’s van andere risicovolle activiteiten in de leefomgeving [9]. Het mogelijke gezondheidsrisico van wonen nabij hoogspanningslijnen is op nationale schaal laag vergeleken met de andere geselecteerde gezondheidsrisico’s. Er is berekend dat in Nederland ongeveer een kind per twee jaar leukemie zou krijgen door de aanwezigheid van hoogspanningslijnen en dat ongeveer één kind in de tien jaar daaraan kan komen te overlijden. Gezondheidsrisico’s van bijvoorbeeld blootstelling aan radon door het wonen in een stenen/betonnen huis (800 sterfgevallen per jaar in Nederland), zeer zorgwekkende stoffen (1-100 sterfgevallen per jaar in Nederland) en fijnstof door verkeer (1.300 – 16.000 sterfgevallen per jaar) worden in de literatuur hoger ingeschat. Dit zijn allen onvrijwillige risico’s.
23
De kamerbrief en bijbehorende ondersteunende documenten zijn te vinden op: https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2019Z18508&did=2019D38554 24
De kamerbrief en bijbehorende ondersteunende documenten zijn te vinden op: https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2021Z04863&did=2021D10772
13 maart 2023
BI9133
43
Projectgerelateerd
8.4.4 Perceptie van het gezondheidsrisico van hoogspanning De stichting Waarde heeft, eveneens in het kader van de beleidsevaluatie, een onderzoek uitgevoerd naar de perceptie van burgers ten aanzien van de gezondheidsrisico’s van ELF-magneetvelden [10]. Interessante conclusies van dit onderzoek zijn: Investeer in betrouwbaarheid en vertrouwen, zoals: o betrouwbare en actieve voorlichting over de plannen en over het voortschrijdend inzicht over gezondheidsrisico’s met betrekking tot hoogspanningslijnen in of nabij woningen (digitaal, maar ook bijvoorbeeld brochures en/of informatieavonden); o inspraak en participatie bij de inrichting of aanpassing van de woonomgeving als compensatie van de risico’s van hoogspanningslijnen; Behandel hoogspanning niet als separaat thema, maar in samenhang met andere kwaliteiten (integrale woonomgeving). Investeer in andere locatie-specifieke factoren die van invloed zijn op de gezondheid en het welbevinden van bewoners (zoals de aanwezigheid van groen), in overleg met de bewoners op locatie.
8.5
Mogelijke maatregelen
8.5.1 ALARA maatregelen (rekening houden met voorzorgbeleid binnen de 0,4 microtesla) Positioneer objecten, zoals woningen, scholen en kinderdagverblijven, waarin kinderen (0-15 jaar) gedurende lange tijd kunnen verblijven, op een afstand groter dan de magneetveldzone vanaf de hoogspanningslijn. Dit is geen wettelijke eis, maar sluit aan bij het voorzorgprincipe. Sluit bij voorkeur scholen en kinderdagverblijven uit, ook om te voorkomen dat bijvoorbeeld speelplaatsen zich wel in de nabijheid van de hoogspanningsleiding bevinden. Let ook op de positionering van tuinen en speelplaatsen. Daarmee wordt recht gedaan aan het algemene advies van de GGD in het kader van de evaluatie van het voorzorgbeleid om rekening te houden met de 0,4 microtesla, waarbij deze is vertaald in een concrete maatregel, namelijk het houden van afstand en het uitsluiten van gevoelige bestemmingen voor kinderen. Dit is ook conform de gedachte achter de Kamerbrieven van 1 oktober 2019 en 23 maart 2021.
Concreet betekent dit dat de gemeente Landsmeer rekening moet houden met de magneetveldzone van 0,4µT op jaarbasis en de nieuwe woningen en voorzieningen waar kinderen langdurig kunnen verblijven buiten deze zone moet plaatsen. Naar verwachting betreft dit de in het huidige bestemmingsplan opgenomen zone van 75 meter aan weerszijden van de hoogspanningslijn. Dit moet bij TenneT geverifieerd worden.
8.5.2 Communicatie en participatie Actieve communicatie en participatie in de inrichting van de integrale woonomgeving dragen bij aan de acceptatie van de hoogspanning en het welbevinden van bewoners. Met name geldt dit ten aanzien van de gebruikers van de volkstuinen, die ten noorden van het plangebied liggen. Deze volkstuinen liggen deels binnen de indicatieve magneetveldzone. Daarnaast geldt dit ook voor de volkstuinen in het oosten van het plangebied. Het noordelijke deel hiervan ligt eveneens binnen de indicatieve magneetveldzone waar het voorzorgbeleid van kracht is.
13 maart 2023
BI9133
44
Projectgerelateerd
Voor de volkstuinen geldt dat hier geen sprake is van permanente aanwezigheid en zeker geen permanente aanwezigheid van kinderen tussen 0 en 15 jaar. Het voorzorgbeleid is hier in de huidige situatie niet van toepassing. Het mogelijke gezondheidsrisico van het enkele keren per week aanwezig zijn op een volkstuin is voor volwassenen nihil en voor kinderen laag vergeleken met andere gezondheidsrisico’s als bijvoorbeeld fijnstof door het verkeer. Communicatie over het risico van hoogspanning draagt bij aan de acceptatie. Deze communicatie is van belang wanneer het planvoornemen gerealiseerd gaat worden in dit gebied
8.6
Conclusies
Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat:
Een klein deel van het plangebied binnen de belemmerde strook van 36m van de hoogspanningslijn ligt. Hier mag niet gebouwd worden; Een deel van het plangebied ligt binnen magneetveldzone (indicatief 105 meter, naar verwachting circa 75 meter door de waarschijnlijk getroffen maatregelen) van de hoogspanningslijn. Hier mag geen woningbouw of bebouwing waar kinderen langdurig kunnen verblijven, plaatsvinden; Verificatie van de exacte zone-afmetingen zal in overleg met TenneT moeten plaatsvinden; Het zuidelijk deel van het plangebied dat buiten deze 75m magneetveldzone ligt, kan wél gebruikt worden voor woningbouw; Actieve communicatie van de in deze memo opgenomen inzichten over de risico’s van hoogspanning en gezamenlijke inzet op de kwaliteit van de leefomgeving, dragen bij aan de acceptatie van het (onzekere) risico van hoogspanning.
Bovenstaande conclusie geldt zowel voor het volledige plangebied als voor het alternatieve plangebied.
Figuur 19 Projectie hoogspanningsverbinding in bestemmingsplan Luijendijk-Zuid, inclusief belemmerde strook van 36 meter
13 maart 2023
BI9133
45
Projectgerelateerd
Figuur 20 Hoogspanningslijn met indicatieve magneetveldzone 105 meter en het onderzochte plangebied
Referenties [1] Signaleringskaart, https://nl.ev-signaleringskaart.nl/viewer/app/EV-signaleringskaart NL?version=, laatst geraadpleegd op 2 december 2022. [2] Bestemmingsplan “Luijendijk Zuid”, www.ruimtelijkeplannen.nl, laatst geraadpleegd op 2 december 2022. [3] Kennisplatform ElektroMagnetische Velden, www.kennisplatform.nl, laatst geraadpleegd op 2 december 2022. [4] Netkaart RIVM, https://data.rivm.nl/apps/netkaart/, laatst geraadpleegd op 15 december 2022. [5] Netkaart RIVM 2005, https://data.rivm.nl/apps/netkaart 2005/, laatst geraadpleegd op 15 december 2022. [6] G. Kelfkens, M.J.M. Pruppers, Indicatieve magneetveldzones rond bovengrondse hoogspanningslijnen – Toelichting bij de geactualiseerde Netkaart, RIVM Rapport 2018-0094 [7] Bestemmingsplan “Yburg 1e Fase”, www.ruimtelijkeplannen.nl, laatst geraadpleegd op 14 december 2022. [8] P.L.B.A. van Geel, Beleidsadvies met betrekking tot hoogspanningslijnen, 2005, https://www.rivm.nl/documenten/beleidsadvies-vrom-2005-pdf-361-kb [9] ELF-magneetvelden bij hoogspanningslijnen, Royal HaskoningDHV, rapport BG4868-RHD-ZZRP-Z-0001, Finale versie/P01.02, 12-04-2019 [10] Verkenning Straatwaarde Voorzorgbeleid Hoogspanning, Stichting Waarde, 09-04-2019
13 maart 2023
BI9133
46
Projectgerelateerd
9
Natuurtoets
9.1
Aanleiding
Gemeente Landsmeer is voornemens om op een terrein ten zuiden van Landsmeer woningbouw te realiseren. Dit valt onder een ruimtelijk plan. Ruimtelijke plannen en/of ingrepen moeten getoetst worden aan vigerende natuurwet- en regelgeving. In Nederland worden de natuurwaarden via de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) beschermd. Onder de Wnb is de bescherming geregeld van Natura 2000-gebieden, soorten die genoemd zijn in de vogelrichtlijn, de habitatrichtlijn alsook overige soorten opgenomen in de bijlagen van de Wnb en van houtopstanden. Naast de wettelijke bescherming worden natuurgebieden planologische beschermd via het Natuurnetwerk Nederland (hierna NNN). Royal HaskoningDHV (RHDHV) is gevraagd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling te toetsen aan voorgenoemde natuurwet- en regelgeving. Hiervoor is onderhavig natuurtoets opgesteld.
9.2
Doelstelling en scope onderzoek
Deze toets geeft een algemene indruk van het plangebied en de daar mogelijk voorkomende juridisch dan wel beleidsmatig beschermde natuurwaarden. Het doel van de natuurtoets betreft de toetsing van het voornemen aan de vigerende natuur- en regelgeving. Specifiek gaat het om de volgende onderdelen: Voortoets in het kader van Natura 2000, Quickscan Soortenbescherming, Indicatie te kappen (beschermde) houtopstand, Beoordeling planologisch beschermde Natuurnetwerk Nederland (NNN) Uit de natuurtoets volgt of er in het kader van Natura 2000 een passende beoordeling nodig is, of er in het kader van soortenbescherming vervolgstappen zoals het uitvoeren van een aanvullend onderzoek en een ontheffingsaanvraag noodzakelijk zijn. Daarnaast wordt beschreven of voor het kappen van de opstand een kapmelding ingediend te worden bij het bevoegd gezag en als laatst geeft de natuurtoets duidelijkheid over of vervolgstappen ten aanzien van het planologisch beschermde NNN nodig zijn.
9.3
Juridisch- en Beleidskader
In deze paragraaf wordt het juridische (Wet natuurbescherming) en het planologische kader beschreven (Natuurnetwerk Nederland). Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar bijlage 1 van de rapportage.
9.3.1 Wet natuurbescherming In Nederland is de bescherming van inheemse soorten planten en dieren geregeld in de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). Deze wet bevat regels voor de bescherming van natuurgebieden, in het wild levende dier- en plantensoorten en houtopstanden in Nederland. Het uitgangspunt van de wet is de natuur te beschermen, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van biologische diversiteit zonder de lasten te verhogen. De provincies zijn over het algemeen het bevoegde gezag voor het al dan niet verlenen van vergunningen en ontheffingen in het kader van de Wnb. Bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid (zoals gaswinning en uitbreiding snelwegen), is het rijk in de vorm van de minister van LNV bevoegd gezag. Voor dit project is provincie Noord-Holland bevoegd gezag. De Wet natuurbescherming kent naast de algemene zorgplicht (art 1.11) drie onderdelen welke relevant zijn voor dit project. De relevante onderdelen van de Wnb worden onderstaand toegelicht. Voor de volledige wettekst zie: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2020-0101.
13 maart 2023
BI9133
47
Projectgerelateerd
Algemene zorgplicht: de Wet natuurbescherming schrijft voor dat nadelige gevolgen voor planten en dieren zoveel als redelijkerwijs mogelijk is voorkomen moet worden, ongeacht of deze beschermd zijn of niet. In de volgende paragrafen worden de relevante wettelijke kaders behandeld.
Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 2 Wnb) Op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn moeten Natura 2000−gebieden aangewezen worden om habitats en soorten van Europees belang te beschermen. Deze gebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. In totaal zijn er ruim 160 Natura 200-gebieden aangewezen. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor soorten en/of habitattypen. Per soort en/of habitattype is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is of dat uitbreiding dan wel verbetering nodig is. Het is verboden om zonder vergunning een project te realiseren dat significante gevolgen kan hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van (de aangewezen habitattypen en -soorten van) een Natura 2000-gebied.
Soorten (hoofdstuk 3 Wnb) De Wnb kent drie beschermingsregimes: Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb). Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (paragraaf 3.2 van de Wnb). Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, Bijlage I of II bij het Verdrag van Bern en Bijlage II bij het Verdrag van Bonn. Beschermingsregime andere soorten (paragraaf 3.3 van de Wnb). Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A en B van de Wnb. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen. Zo is het verboden om nesten van vogels te vernielen, of te beschadigen en is het verboden om soorten die vallen onder de Habitatrichtlijn te verstoren. De bepalingen in paragraaf 3.3 van de Wnb zien toe op de ‘nationale’ andere soorten die zijn genoemd in de bijlagen A en B bij de Wnb. Hiervoor geldt een kleiner aantal verbodsbepalingen. In beginsel moet met voorzorgsmaatregelen ervoor worden gezorgd dat de functionaliteit van het leefgebied niet wordt aangetast. Lukt dat niet en worden verbodsbepalingen overtreden, dan is een ontheffing nodig. Voor de ‘andere soorten’ van artikel 3.10 kunnen provincies en het ministerie van LNV een algemene vrijstelling van de ontheffingsplicht vaststellen middels een verordening.
De lijst met vrijgestelde soorten voor de provincie Noord-Holland staat in Bijlage 1.
Houtopstanden (hoofdstuk 4 Wnb) Het is verboden om een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen zonder een melding te doen bij gedeputeerde staten. Indien een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld moet er herplant plaatsvinden van de gevelde houtopstand. De provincie hebben regels opgesteld over de herplant. Onder een houtopstand wordt verstaan: een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die een oppervlakte grond beslaat van 10 are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Er zijn een aantal uitzonderingen, zoals houtopstanden binnen de bebouwde kom, kweekbomen en populieren en wilgen als wegbeplanting.
13 maart 2023
BI9133
48
Projectgerelateerd
9.3.2 Natuurnetwerk Nederland Het ruimtelijk beleid voor het Natuurnetwerk Nederland (hierna NNN), is gericht op het behoud, herstel en de ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied en het effectief functioneren van de ecologische verbindingszones. De bescherming van deze waarden vindt plaats conform de Provinciale Omgevingsverordeningen door toepassing van een specifiek afwegingskader: het “nee, tenzij”-regime. Nieuwe plannen en/of projecten niet zijn toegestaan als deze een significant negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied, tenzij daarmee een groot openbaar belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn. In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden. Hiervoor is goedkeuring (of een verklaring van geen bezwaar) van Gedeputeerde Staten (bevoegd gezag voor Natuurnetwerk Nederland) vereist. De wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland zijn gekoppeld aan de natuurdoelen voor een gebied. Deze inhoudelijke doelen zijn per provincie uitgewerkt in het Natuurbeheerplan (natuurtypen) en aanvullende provinciale documenten.
In geval van Natuurnetwerk Nederland hoeft in beginsel geen rekening gehouden te worden met externe werking, zoals wel het geval is voor de Wet natuurbescherming.
9.4
Beschrijving plangebied en voorgenomen ingreep
9.4.1 Beschrijving plangebied en de directe omgeving Het plangebied is gelegen in Noord-Holland tussen Landsmeer en Amsterdam. Het plangebied bestaat uit een poldergebied (westelijk deel) en een volkstuinencomplex (oostelijk deel). Ten noorden is de woonkern van Landsmeer gelegen en ten zuiden ligt de ring van Amsterdam en woonwijken van Amsterdam-Noord. Aan de oostkant van het plangebied zijn verschillende bedrijven en woningen aanwezig en ligt polderlandschap. Aan de westkant grenst het plangebied eveneens aan poldergebied. (zie Figuur 21).
13 maart 2023
BI9133
49
Projectgerelateerd
Figuur 21: De ligging van het plangebied in de omgeving.
Het plangebied bestaat voor het grootste gedeelte uit agrarisch grasland. Dit grasland wordt intensief beheert en is niet kruidenrijk. De ontwateringssloten zijn voorzien van gemaaide steile oevers en hebben geen (onder-)waterplanten. Tussen het agrarisch grasland en het volkstuinencomplex is een bomenrij aanwezig van zwarte els. Er is geen ondergroei ter plaatse van de bomenrij. Ter plaatse van het volkstuinencomplex zijn verschillende schuurtjes, kleine kassen en afrasteringen aanwezig. De schuurtjes bieden mogelijk verblijfplaatsen voor vleermuizen en andere zoogdieren. In het zuidoosten van het plangebied is de Fridsmahal gelegen, deze wordt ook gesloopt ten behoeve van het project. Deze wordt tevens Verder zijn er verschillende nestkasten, takkenhopen en rommelhoekjes aanwezig die geschikt zijn als verblijf- en of nestplaats voor kleine marterachtigen en algemene broedvogels. In Figuur 22 en Figuur 23 is een sfeerimpressie van het plangebied weergegeven.
13 maart 2023
BI9133
50
Projectgerelateerd
Figuur 22: Sfeerimpressie plangebied (poldergebied)
Figuur 23: Sfeerimpressie plangebied (volkstuinencomplex)
9.4.2 Voorgenomen ingreep De voorgenomen ingreep betreft nieuwbouw ter plaatse van het plangebied. Hier kan onderscheidt gemaakt worden tussen het volkstuinencomplex en het polder deel. Ter plaatse van het polder deel zijn ongeveer 440 woningen gepland. Ter plaatse van het volkstuinencomplex zijn ongeveer 90-100 woningen gepland. Voor de nieuwbouw zullen de schuurtjes en de Fridsmahal gesloopt worden en de heggen en bomen in de tuintjes gerooid. Daarnaast dienen de ontwateringssloten te worden gedempt.
13 maart 2023
BI9133
51
Projectgerelateerd
9.5
Toetsing wettelijk beschermde gebieden
In dit hoofdstuk is beschreven of in de nabijheid van het plangebied wettelijk beschermde gebieden (Natura 2000-gebieden) zijn gelegen en wordt beoordeeld of storingsfactoren kunnen optreden (voortoets). Daarnaast zijn de benodigde vervolgstappen beschreven.
9.5.1 Werkwijze onderzoek naar wettelijk beschermde gebieden Om na te gaan welke wettelijke beschermde Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebed zijn gelegen, is de Atlas Leefomgeving van de Rijksoverheid geraadpleegd (Ministerie van LNV, 2023a). Vervolgens is op basis van expert judgement een inschatting gemaakt van de effecten van de geplande ingreep in relatie tot de omliggende Natura 2000-gebieden. Dit is beoordeeld aan de hand van de 19 storingsfactoren zoals geformuleerd in de zogenoemde Effectenindicator (Ministerie van LNV, 2023b). Vervolgens is nagegaan of en in hoeverre enige relatie te verwachten is tussen de effecten vanuit de voorgenomen ingreep en de onder de Wnb geformuleerde instandhoudingsdoelen van in deze omgeving liggende Natura 2000-gebieden.
9.5.2 Ligging ten opzichte van Natura 2000-gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske en ligt op 900 meter van het plangebied (zie Figuur 24). Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske is aangewezen als Vogelrichtlijn- (VR) en Habitatrichtlijngebied (HR). Andere Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 7 km afstand van het plangebied.
Figuur 24: Ligging van het plangebied ten opzichte van de beschermde Natura 2000-gebieden (Ministerie van LNV, 2023).
13 maart 2023
BI9133
52
Projectgerelateerd
toename in stikstofdepositie. Een toename van verkeer (met verbrandingsmotoren) is bijvoorbeeld niet uit te sluiten. In de Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied zijn diverse stikstofgevoelige habitattypen aanwezig. Een toename van stikstofdepositie in deze gebieden kan leiden tot verzuring en vermesting. Door verzuring kunnen daarvoor gevoelige plantensoorten verdwijnen, wat kan resulteren in een verslechtering van de kwaliteit van een habitattype en daarmee mogelijk het verdwijnen (dier)soorten. Door vermesting kan een beperkt aantal plantensoorten sterk toenemen ten koste van andere (zeldzame) plantensoorten die vaak gebaad zijn bij weinig stikstof. Dit heeft effect op diersoorten doordat hierdoor verandering van het leefgebied optreedt. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden, als gevolg van verzuring en vermesting door stikstofdepositie uit de lucht (tijdens de aanlegfase) zijn niet op voorhand uit te sluiten. Voorheen voorzag de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in een partiële vrijstelling voor de vergunningsplicht indien als gevolg van bouwactiviteiten sprake is van stikstofdepositie. Echter is na uitspraak van de rechter op 2 november 2022 (Raad van State) deze partiële vrijstelling komen te vervallen.
Voor zowel de aanlegwerkzaamheden als het toekomstige gebruik van het terrein dient dan ook een AERIUS-berekening uitgevoerd te worden. Indien sprake is van een toename van 0,01 N mol/ha/j of meer op een habitattype of leefgebied waarop een (naderende) overschrijving is van de kritische depositie waarde (KDW), dan zijn vervolgstappen nodig zoals een ecologische beoordeling of intern/extern salderen en is mogelijk sprake van een vergunningsplicht. Het beleid ten aanzien van de benodigde vervolgstappen is momenteel erg in beweging. De benodigde vervolgstappen dienen daarom besproken te worden met een ecologisch deskundige en Bevoegd Gezag.
9.6
Toetsing wettelijk beschermde soorten
9.6.1 Werkwijze onderzoek naar beschermde soorten Om na te gaan wat het belang is van het onderzoeksgebied voor de wettelijk beschermde soorten die in of nabij het onderzoeksgebied voorkomen, zijn op 16 januari 2023 de verspreidingsgegevens van beschermde soorten opgevraagd uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) voor het onderzoeksgebied en enkele kilometers rondom het onderzoeksgebied (NDFF, 2023). Daarnaast zijn verspreidingsatlassen van verschillende soortgroepen geraadpleegd om inzicht te krijgen in de regionale verspreiding van soorten (Verspreidingsatlas, 2023). Door deze bestaande verspreidingsgegevens te raadplegen, is inzicht verkregen in de aanwezige beschermde soorten in of in de directe omgeving van het projectgebied. Op 17 januari 2023 is een verkennend veldbezoek uitgevoerd door een deskundig ecoloog werkzaam bij Royal HaskoningDHV. Het betrof een zonnige dag bij een temperatuur van 5 graden Celsius. Aan de hand van de verspreidingsgegevens en het veldbezoek is beoordeeld voor welke beschermde soorten geschikt leefgebied aanwezig is in het onderzoeksgebied. Indien de onderzoeksresultaten voldoende zekerheid geven over het voorkomen van beschermde soorten, worden de mogelijke (negatieve) effecten van de voorgenomen ingreep op deze soorten bepaald.
In het geval dit op basis van de verkregen onderzoeksgegevens niet mogelijk is, wordt aangegeven welke vervolgstappen, zoals het uitvoeren van nader soortgericht onderzoek, moeten plaatsvinden. Dit is beschreven in paragraaf 5.3.
13 maart 2023
BI9133
54
Projectgerelateerd
9.6.2 Aanwezige of te verwachten wettelijk beschermde soorten Vaatplanten Voorkomen Tijdens het veldbezoek zijn ter plaatse van het plangebied verschillende soorten algemeen voorkomende vaatplanten aangetroffen. In en naast het plangebied zijn alleen vaatplanten van voedselrijke milieus aangetroffen. Er zijn tijdens het veldbezoek geen waarnemingen gedaan van beschermde vaatplanten binnen het plangebied. Ook de NDFF bevat geen waarnemingen van beschermde vaatplanten binnen het plangebied. Ook ontbreekt het aan geschikte standplaatsen voor praktisch alle onder de Wnb beschermde vaatplanten. Dit zijn vooral soorten van extensief beheerde en onbemeste akkers en soorten van kalkrijke standplaatsen. Daarnaast staan er soorten van zeer schrale, zwak zure standplaatsen op de lijst met beschermde vaatplanten. Dergelijke omstandigheden zijn niet aanwezig binnen het plangebied. Conclusie Op basis van verspreidingsgegevens en habitatgeschiktheid wordt het voorkomen van beschermde vaatplanten uitgesloten. Een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb wordt redelijkerwijs uitgesloten ten aanzien van vaatplanten. Grondgebonden zoogdieren Op basis van de verspreidingsgegevens van de NDFF kan de noordse woelmuis, boommarter, kleine marters (bunzing, hermelijn en wezel) en waterspitsmuis voorkomen.
Verder kunnen meer algemeen beschermde zoogdieren voorkomen zoals verschillende soorten muizen en egel. Voor deze soorten verleent de provincie Noord-Holland bij ruimtelijke ingrepen vrijstelling van ontheffingsplicht voor het overtreden van verbodsbepalingen van de Wnb. Voor de soorten die onder deze vrijstelling vallen is wel de algemene zorgplicht van toepassing bij ruimtelijke ingrepen. Dit betekent dat negatieve effecten op deze soorten voorkomen of zo veel mogelijk beperkt dienen te worden door het treffen van voorzorgsmaatregelen. Noordse woelmuis Voorkomen De noordse woelmuis komt voor in natte terreinen als rietland, moeras, drassige hooilanden en zeer extensief beheerde weilanden en vochtige oevervegetaties. De noordse woelmuis is voornamelijk waargenomen in en gebonden aan het Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. Vanwege de tussenliggende, niet-extensief beheerde agrarische graslanden en stedelijk gebied is het niet aannemelijk dat er vanuit deze populatie individuen aanwezig zijn in het plangebied. Het voorkomen van de noordse woelmuis in het plangebied kan worden uitgesloten. Boommarter Voorkomen Boommarter komt in Nederland in allerlei typen bos voor. Boommarters kiezen daar hun rustplaatsen in boomholten, konijnen-, vossen of dassenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen.
Nesten zitten vaak in oude spechten- of eekhoornholen, regelmatig in inrottingsholten en soms in gebouwen die in of aan de rand van het bos staan. Boommarters maken meestal niet zelf een hol maar passen een bestaand nest aan. ’s Nachts kunnen boommarters afstanden afleggen van 2 tot 7 km, waarbij de mannetjes soms wel afstanden kunnen afleggen van 10 tot 20 km (zoogdiervereniging, 2023). De geraadpleegde gegevens van de NDFF wijzen op het voorkomen van boommarter op ongeveer 2 km ten westen van het plangebied nabij Noorder IJ-plas. Het betreffen allemaal verkeersslachtoffers van de
13 maart 2023
BI9133
55
Projectgerelateerd
A10. Gezien binnen het plangebied geen geschikt leefgebied aanwezig is kan het voorkomen van boommarter binnen het plangebied redelijkerwijs worden uitgesloten. Waterspitsmuis Voorkomen De waterspitsmuis wordt gevonden in schoon, voedselarm en vrij snelstromend tot stilstaand water met goed ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Ook kwelwater vormt een goed habitat, zelfs lichtbrak water is mogelijk. De soort kan worden aangetroffen in zeer uiteenlopende biotopen, maar prefereert een bodembedekkende vegetatie en water binnen korte afstand. De oevers moeten voldoende schuilmogelijkheden bieden waar de waterspitsmuis zich kan terugtrekken om zijn prooien op te eten. Op basis van de gegevens uit de NDFF komt de waterspitsmuis voor in het Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. Ter plaatse van het plangebied is geen geschikt leefgebied aanwezig voor de waterspitsmuis. De oevers van de slootjes zijn te steil en het ontbreekt aan begroeiing en schuilmogelijkheden. Kleine marters De bunzing komt in allerlei landschapstypen voor. Het dier lijkt echter een voorkeur te hebben voor kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de nabijheid. Ook in een bebouwde omgeving met veel groen kan de bunzing voorkomen, evenals in open bossen.
In de winter wordt de bunzing ook wel in schuurtjes, kelders of hooizolders aangetroffen aangezien deze locaties goede beschutting bieden tegen de kou. De wezel heeft een voorkeur voor open en droog natuur- en cultuurlandschap, maar komt tevens voor in allerlei andere soorten habitat zoals bossen, duinen, wei- en akkerland. De hermelijn komt voor in vergelijkbaar habitat met als uitzondering dat de soort ook voorkomt op vochtig terrein. Voor alle drie de soorten kleine marters geldt dat goede schuilmogelijkheden met voldoende rust en de aanwezigheid van geschikt voedsel (met name woelmuizen) een vereiste is voor het voorkomen (zoogdiervereniging, 2023). Op basis van de gegevens uit de NDFF komen kleine marters voor in het Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske en de omliggende polders. Het volkstuinencomplex biedt geschikte schuilmogelijkheden met voldoende rustmogelijkheden. Het voorkomen van kleine marters in het plangebied kan niet worden uitgesloten. Op basis van de waarnemingen komen de bunzing en de wezel in mindere mate voor binnen het plangebied in vergelijking met de hermelijn, maar kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Effectbeoordeling Het slopen van de schuurtjes op het volkstuinencomplex ten behoeve van de herinrichting van het terrein kan daarom leiden tot het vernietigen van vast voortplantings- of rustplaatsen van deze soorten.
Daarnaast kunnen bij de betreffende werkzaamheden aanwezige dieren worden gedood. Dit leidt tot een overtreding van artikel 3.10, lid 1a en 1b. Conclusie Bij het slopen van aanwezige bebouwing en het inzetten van zwaar materieel in het plangebied geldt dat er voor het vernietigen van vaste rust- en verblijfplaatsen en mogelijk doding van kleine geen voorzorgsmaatregelen te treffen zijn. Een nader onderzoek moet uitwijzen of er daadwerkelijk individuen in het plangebied aanwezig zijn. Op basis van de uitkomst van nader onderzoek dient dan bepaald te worden of en zo ja, welke mitigerende en compenserende maatregelen nodig zijn en of een ontheffingsaanvraag ingediend moet worden. Het onderzoek vindt bij voorkeur plaats tussen 1 april en 31 augustus, door middel van wildcamera’s.
13 maart 2023
BI9133
56
Projectgerelateerd
Vleermuizen Op basis van de verspreidingsgegevens kunnen de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en tweekleurige vleermuis voorkomen. Vleermuizen worden in vrijwel het gehele land waargenomen. Vleermuizen maken gedurende een jaar gebruik van meerdere type verblijfplaatsen (zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaatsen). Ze kunnen globaal opgedeeld worden in boombewonende soorten zoals de rosse vleermuis en gebouwbewonende soorten zoals de laatvlieger. Er zijn ook soorten die zowel gebouwen als bomen bewonen, zoals ruige dwergvleermuis. Vleermuizen foerageren over het algemeen boven windluwe plaatsen zoals tuinen en langs bosranden. Om van de verblijfplaats naar foerageergebied te komen (en andersom) wordt gebruikt gemaakt van zogenaamde vliegroutes die bestaan uit lijnvormige elementen zoals bomenrijen en watergangen. Verblijfplaatsen (zomer-kraam-paar-winter-) Binnen het plangebied zijn verschillende houten schuurtjes aanwezig met bitumen of golfplaten daken met in de gevel mogelijk geschikte zomerverblijfplaatsen voor vleermuizen. Er zijn verschillende geschikte elementen om achter weg te kruipen zie Figuur 25. De bomen zijn geïnspecteerd op het voorkomen van geschikte holten en spleten voor vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen. De bomen ter plaatse van het boogschietterrein zijn niet geïnspecteerd.
Figuur 25: Schuurtje met mogelijke zomerverblijfplaats.
Vliegroutes en foerageergebied Binnen het plangebied kan de bomenrij en watergangen gebruikt worden als vliegroute. Gezien in de omgeving meerdere lijnvormige elementen aanwezig zijn is er geen sprake van een essentiële vliegroute. Het plangebied grootste deel van het is door de open aard niet geschikt als foerageergebied gezien het ontbreekt aan windluwe plaatsen. Het volkstuinencomplex is wel geschikt als foerageergebied. Gezien hier een deel van behouden blijft en in de omgeving (ten noorden van het plangebied) voldoende alternatief foerageergebied aanwezig is er geen sprake van essentieel foerageergebied.
13 maart 2023
BI9133
57
Projectgerelateerd
Effectbeoordeling De effecten van de werkzaamheden zijn afhankelijk van het moment van uitvoering (periode in het jaar en op de dag). Wanneer de werkzaamheden ’s nachts worden uitgevoerd in het actieve seizoen van vleermuizen (grofweg half maart t/m half november) en daarbij kunstverlichting wordt toegepast, is verstoring van langs vliegende en foeragerende vleermuizen niet uit te sluiten. Ook kunnen potentiële verblijfplaatsen in en direct langs het plangebied ongeschikt worden omdat vleermuizen gevoelig zijn voor lichtverstoring. De werkzaamheden kunnen daardoor leiden tot een overtreding van artikel 3.5, lid 2 en 4, van de Wnb. De sloop van de schuurtjes kan leiden tot vernietiging van verblijfplaatsen, en verstoring en/of doding van vleermuizen. De werkzaamheden leiden daardoor potentieel tot een overtreding van 3.5, lid 1, 2 en 4, van de Wnb. Conclusie Bij het slopen van schuurtjes geldt dat voor er voor het potentieel vernietigen van rust- en verblijfplaatsen en het potentieel verstoren en doden van individuen er geen voorzorgsmaatregelen te treffen zijn. Een nader onderzoek moet uitwijzen of er daadwerkelijk geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig zijn binnen het plangebied. Op basis van de uitkomst van het nader onderzoek dient bepaald te worden of en zo ja, op welke locatie nader onderzoek nodig is en of een ontheffingsaanvraag ingediend moet worden.
Onderzoek naar verblijfplaatsen vindt plaats middels circa 5 veldbezoeken per te slopen gebouw in de periode mei tot en met september. Om het verstoren van foeragerende of langsvliegende vleermuizen, of verblijfplaatsen in de omgeving van het plangebied (en overtreding van verbodsartikelen van de Wnb) te voorkomen zijn de volgende maatregelen nodig: De aanlegwerkzaamheden bij daglicht uitvoeren van zonsopkomst tot zonsondergang of; Bij nachtelijke werkzaamheden aangepaste verlichting gebruiken die gericht is op de bouwplaats en niet op het omringende landschap. Bovenstaande maatregel is van toepassing indien gewerkt wordt in de actieve periode van vleermuizen, indien buiten de actieve periode van vleermuizen gewerkt wordt, dus in de winterrustperiode van half november t/m half maart, zijn geen aanvullende maatregelen nodig en kan regulier licht worden toegepast, met de aantekening dat het voorkomen van verstrooiing naar de omgeving ook in de winterperiode nodig blijft ten aanzien van leefgebieden van bijvoorbeeld zoogdieren en vogels. Vogels Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat in of in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn van verschillende soorten broedvogels met zowel jaarrond als niet-jaarrond beschermde nesten.
Tijdens het veldbezoek zijn onder andere volgende vogelsoorten waargenomen: waterhoen, blauwe reiger, grauwe gans en nijlgans. Vogels met jaarrond beschermde nesten De nesten van een aantal vogelsoorten zijn jaarrond beschermd. Deze nesten zijn beschermd omdat ze jaarrond worden gebruikt, of omdat een soort zeer honkvast is en er elk jaar naar terugkeert en moeilijk in staat is om een nieuw nest te maken. Dit kan zowel gaan om soorten die broeden in bebouwing als om soorten die broeden in bomen. Tijdens het veldbezoek zijn de bomen in de omgeving van het plangebied geïnspecteerd op de aanwezigheid van grote nesten. Deze zijn niet waargenomen. De aanwezigheid van potentieel jaarrond beschermde nesten van boombroedende soorten als: ransuil, buizerd, boomvalk en sperwer is daarom uitgesloten in de bomen nabij het plangebied. 13 maart 2023
BI9133
58
Projectgerelateerd
De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van vogelsoorten die in gebouwen broeden, zoals huismus en gierzwaluw, is eveneens op voorhand uitgesloten. De te slopen gebouwen bieden geen geschikte elementen voor deze vogelsoorten als: kieren onder de dakgoot, regenpijp of dakkapel. Vogels zonder jaarrond beschermd nest In het plangebied en de direct omgeving kunnen algemene broedvogels zoals meerkoet, waterhoen, wilde eend en houtduif tot broeden te komen. Tijdens het veldbezoek is tevens een nest waargenomen van vermoedelijk houtduif. Het agrarisch grasland, de oevers en de aanwezige bomen en stuiken zijn geschikte broedlocaties. Aanwezigheid van algemene broedvogels is daarom in het plangebied niet uitgesloten.
Figuur 26: aangetroffen nest (vermoedelijk houtduif)
Effectbeoordeling Er worden mogelijk broedende vogels verstoord en er worden mogelijk rust- en voortplantingsplaatsen vernield. Hierdoor kunnen tevens (jonge) vogels worden gedood. Hierdoor zijn overtredingen van artikel 3.1 lid 1, 2 en 4 niet uitgesloten. Gezien er geen jaarrond beschermde nesten voorkomen in het plangebied kunnen er voorzorgsmaatregelen getroffen worden om overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wnb te voorkomen. Conclusie De werkzaamheden dienen buiten het algemene broedseizoen van vogels in te richten (15 augustus tot 15 maart), om verstoring uit te sluiten. Wanneer toch in het broedseizoen gewerkt gaat worden, is het aan 13 maart 2023
BI9133
59
Projectgerelateerd
te bevelen om voorafgaande de start van de werkzaamheden het terrein door een ter zake kundig ecoloog te laten controleren op aanwezige broedvogels. Indien geen in gebruik zijnde nesten worden aangetroffen, kunnen de werkzaamheden starten. Indien echter in gebruik zijnde nesten worden vastgesteld, moet worden beoordeeld of de werkzaamheden kunnen aanvangen. Ontheffing voor vernietiging van broedgevallen wordt in principe niet verleend, waardoor het nemen van maatrelen om (langdurige) verstoring of vernietiging van broedgevallen te voorkomen noodzakelijk is. Het verstoren van broedgevallen van vogels zonder jaarrond beschermde nesten is te voorkomen door: ▪ Buiten het broedseizoen te werken, of; ▪ Te zorgen dat buiten de verstoringsafstand van de broedgevallen gewerkt wordt; ▪ Voorafgaand aan het broedseizoen de broedbiotoop voor vogels ongeschikt te maken en/of; ▪ De werkzaamheden voorafgaand aan het broedseizoen te laten beginnen en in een, voor zover mogelijk, constante intensiteit te laten doorgaan gedurende het broedseizoen. Het grote voordeel van deze methode is, dat de verstoringsafstand “automatisch” bepaald wordt: vogels zullen uit eigen beweging een nestplaats kiezen buiten hun specifieke verstoringsafstand. Nadeel is dat de constante intensiteit (zowel in tijd als in ruimte) lastig te realiseren is.
Veel methoden om tijdens het broedseizoen door te kunnen werken, zijn niet “waterdicht”; het is vaak niet te garanderen dat broedgevallen niet zullen optreden. Buiten het broedseizoen werken heeft dan ook de voorkeur om overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van broedvogels te voorkomen. Nota bene Voor een begrip als ‘broedseizoen’ is geen standaardperiode te hanteren. Afhankelijk van de soort en weersomstandigheden in een bepaald jaar kunnen soorten veel eerder of juist veel later broeden dan normaal het geval zou zijn. Voor de wet is van belang of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. De vaak geciteerde periode 15 maart t/m 15 augustus is slechts een indicatie. Amfibieën Op basis van de verspreidingsgegevens kan de rugstreeppad voorkomen. Verder kunnen meer algemeen beschermde amfibieën voorkomen zoals bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker. Rugstreeppad De rugstreeppad is een soort van open zandige locaties en/of gebieden met veel ondiep water, zoals poelen, greppels en poldersloten. Dit zijn vaak terreinen met een pioniermilieu of een dynamisch milieu zoals af- gravingen, opgespoten terreinen, zandverstuivingen, industrieterreinen, braakliggende terreinen, militaire oefenterreinen, akkers, heideterreinen, duinen, etc.
Voortplanting vindt plaats in ondiepe of droogvallende, niet of weinig begroeide wateren die snel opwarmen. Op het land houden de dieren zich verborgen in zelf gegraven holen (tot een diepte van 15-45cm), holen van knaagdieren, onder stenen en tussen muur- spleten. De pad overwintert vaak in zelf gegraven holen in het zand (soms wel tot een meter diep). De schuilplaatsen liggen vaak niet meer dan 20 meter van het voortplantingswater verwijderd. Rugstreeppadden kunnen daarnaast grote afstanden af- leggen en goed nieuwe terreinen koloniseren (RAVON, 2023). Op basis van de gegevens uit de NDFF komt de rugstreeppad voor in het Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske en de omliggende polders. Binnen het plangebied kan het voorkomen van rugstreeppad niet worden uitgesloten. In het plangebied is geschikt landhabitat aanwezig ter plaatse van het volkstuinencomplex. Daarnaast zijn ondiepe wateren en plassen welke geschikt kunnen zijn voor voortplanting ook aanwezig binnen het plangebied.
13 maart 2023
BI9133
60
Projectgerelateerd
Effectbeoordeling Er wordt mogelijk geschikt leefgebied aangetast van de rugstreeppad. Derhalve kunnen overtredingen van artikel 3.5 lid 4 niet worden uitgesloten. Daarnaast kan er door de werkzaamheden geschikt leefgebied (ondiepe plassen, zandbedden, spoorvorming en gronddepots) ontstaan voor de rugstreeppad. Daardoor kunnen rugstreeppadden het werkgebied betreden en tijdens de werkzaamheden door aanwezig materieel worden gedood. Dat is een overtreding op artikel 3.5, lid 1, van de Wnb. Conclusie en mitigatie Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wnb zijn op voorhand niet uit te sluiten. Een nader onderzoek moet uitwijzen of er daadwerkelijk individuen in het plangebied aanwezig zijn. Op basis van de uitkomst van nader onderzoek dient dan bepaald te worden of en zo ja, welke mitigerende en compenserende maatregelen nodig zijn en of een ontheffingsaanvraag ingediend moet worden. Algemeen voorkomende beschermde amfibieën Voor de meer algemeen voorkomende beschermde soorten bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker geldt op basis van de verspreidingsgegevens van de NDFF dat ze in het plangebied (kunnen) voorkomen.
Door de inzet van zwaar materieel en gebruik van verlichting in de omgeving van de gebouwen, bospercelen en bomenrijen binnen en aangrenzend aan het plangebied kunnen algemeen voorkomende soorten als bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker door de daarmee gepaard gaande effecten (geluids- en lichtproductie) worden verwond of verstoord. Voor deze soorten bestaat in de Provincie Noord-Holland een algemene vrijstelling voor het aanvragen van een ontheffing bij overtreding van verbodsbepalingen. Om deze reden hoeft voor de optredende verstoring door het (deels) dempen van de watergang, geen ontheffing aangevraagd te worden. Wel dienen mitigerende maatregelen genomen te worden om doding of verwonding zo veel mogelijk te voorkomen. De maatregelen komen overeen met de maatregelen om invulling te gegeven aan de algemene zorgverplichting, die te allen tijde van toepassing is (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming), voor zowel beschermde als vrijgestelde of niet-beschermde soorten. Ongewervelden Op basis van de verspreidingsgegevens van de NDFF kan de grote vos en de gevlekte witsnuitlibel voorkomen. Grote vos Uit de verspreidingsgegevens uit NDFF komt naar voren dat slechts 3 waarnemingen van de soort in de omgeving bekend zijn. De grote vos kwam voor op voedselarme zandgronden, in de duinen en in ZuidLimburg.
De soort werd acuut met uitsterven bedreigd, maar wordt tegenwoordig weer vaker gezien. De grote vos komt voor in vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. Voor de overwintering moeten er geschikte plaatsten, zoals holle bomen of stapels hout aanwezig zijn. De soort legt vooral eitjes op iep, maar ook op zoete kers en sommige wilgensoorten. (Vlinderstichting, 2023). In het plangebied komen vrijwel geen zoete kersen of iepen voor. Wel enkele wilgen soorten. De soort is echter voornamelijk een dwaalgast waardoor het uit te sluiten valt dat de soort binnen het plangebied zijn leefgebied heeft. Gevlekte witsnuitlibel De meeste gevlekte witsnuitlibellen komen voor bij verlandingszones van laagveenmoerassen. Daarnaast kunnen ze voorkomen in bosplassen en verlandingszones van hoogveen- en heidevennen op de hoge zandgronden en randzones van hoogveen. Vaak bestaat de vegetatie uit een combinatie van riet of lisdodde met krabbescheer en een veld van ondergedoken waterplanten. De vennen en bosplassen waar
13 maart 2023
BI9133
61
Projectgerelateerd
9.7
Toetsing wettelijk beschermde houtopstanden
In dit hoofdstuk is beoordeeld of een kapmelding nodig voor het kappen van de houtopstand zoals bedoeld in de Wnb voor als de aanwezige zwarte elzen gekapt dienen te worden.
9.7.1 Werkwijze onderzoek naar wettelijk beschermde houtopstanden Voor het onderdeel Houtopstanden is onderzocht of de bescherming van houtopstanden, zoals bedoeld in de Wnb, binnen het project van toepassing is. Hiervoor is gebruik gemaakt van de viewer van de Provincie Noord Holland.
9.7.2 Voorgenomen kapomvang en beoordeling De wettelijke bescherming van houtopstanden vanuit de Wet natuurbescherming betreft de houtopstanden die zijn gelegen buiten de komgrenzen Wet natuurbescherming en die een oppervlakte hebben van meer dan 1.000 m2 (10 are) of bestaan uit meer dan 20 bomen. Figuur 27 geeft grofweg de Komgrenzen Wet natuurbescherming in de provincie Noord-Holland weer. Te zien is dat het plangebied buiten de komgrenzen ligt. Gezien de bomenrij uit meer dan 20 bomen bestaat, is er sprake van het kappen van houtopstand.
Figuur 27: Grofweg de Komgrenzen Wet natuurbescherming in de provincie Noord-Holland. Bron: https://geoapps.noordholland.nl/GeoWebP/index.html?viewer=Houtopstanden
13 maart 2023
BI9133
63
Projectgerelateerd
9.7.3 Conclusie wettelijk beschermde houtopstanden Er is sprake van de kap van houtopstanden, zoals bedoeld in de Wnb. Er zijn daarom vervolgstappen nodig voor het kappen van bomen in het kader van de Wnb. Het betreft het uitvoeren van een kapmelding, deze moet ten minste één maand en ten hoogste één jaar voor de velling worden gemeld. Ook moeten de bomen worden gecompenseerd. Hiervoor geldt dat minimaal de oppervlakte die gekapt wordt dient ook te worden herplant waarbij: De houtopstand kan uitgroeien tot volwaardige en duurzame houtopstand. Het gebruik van sierheesters, tuinsoorten, en soorten die naar oordeel van Gedeputeerde Staten een gevaar vormen voor de natuurlijke biodiversiteit ter plaatse is niet toegestaan.
13 maart 2023
BI9133
64
Projectgerelateerd
9.8
Toetsing planologisch beschermde gebieden
In dit hoofdstuk is beschreven of in de nabijheid van het plangebied planologisch beschermde NNN- zijn gelegen en wordt beoordeeld of er vervolgstappennodig zijn.
9.8.1 Werkwijze onderzoek naar planologisch beschermde gebieden Het NNN-beleid is vastgelegd in de Omgevingsverordening, hierin zijn de regels opgenomen waaraan ruimtelijke plannen van gemeenten moeten voldoen. Bij dit onderdeel is onderzocht of het plangebied in of nabij het NNN ligt. Hiervoor is gebruik gemaakt van de viewer van Noord-Holland. Op grond van de aard van de ingreep en de afstand tot beschermde gebieden wordt bepaald of en welke vervolgstappen nodig zijn.
9.8.2 Ligging plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op ongeveer 900 meter afstand van het plangebied (zie Figuur 28).
Figuur 28: De Ligging van het plangebied (weergegeven in rood) ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland (NNN)
De geplande werkzaamheden vinden plaatst buiten het NNN. Derhalve is er beleidsmatig geen sprake van negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van gebieden die onder het NNN vallen. Er is daarom ook geen noodzaak tot vervolgstappen zoals compensatie.
13 maart 2023
BI9133
65
Projectgerelateerd
9.8.3 Conclusie toetsing planologisch beschermde gebieden Er zijn geen vervolgstappen ten aanzien van planologisch beschermde NNN noodzakelijk.
9.9
Conclusie en aanbevelingen
9.9.1 Gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twisk en ligt op 900 meter afstand van het plangebied. Vanuit het voornemen zijn negatieve effecten door verzuring en vermesting niet op voorhand uitgesloten. Voor zowel de aanlegwerkzaamheden als het toekomstige gebruik van het terrein (toename van verkeer) dient een AERIUS-berekening uitgevoerd te worden. Indien sprake is van een toename van 0,01 N mol/ha/j of meer op een habitattype of leefgebied waarop een (naderende) overschrijving is van de kritische depositie waarde (KDW), dan zijn vervolgstappen nodig zoals een ecologische beoordeling of intern/extern salderen en is mogelijk sprake van een vergunningsplicht. Het beleid ten aanzien van de benodigde vervolgstappen zijn momenteel erg in beweging. De benodigde vervolgstappen dienen daarom besproken te worden met een ecologisch deskundige en Bevoegd Gezag. De 17 ander verstoringsfactoren van de effecten indicator zullen als gevolg van het project niet optreden.
9.9.2 Soortenbescherming Het plangebied vormt geschikt leefgebied voor verschillende soorten kleine marterachtigen, vogels, vleermuizen en amfibieën. Algemene broedvogels kunnen in vrijwel het gehele plangebied tot broed komen. Door het nemen van de maatregelen, zoals genoemd in paragraaf 5.2, kunnen overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming veelal worden voorkomen. Deze maatregelen dienen door (of ten minste onder begeleiding van) een ecologisch deskundige te worden uitgevoerd. Hiervoor dient een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld. Voor de volgende soortgroepen is nader onderzoek noodzakelijk: Kleine marterachtigen (wezel, hermelijn, bunzing), Vleermuizen en Rugstreeppad Indien nader het onderzoek de aanwezigheid van de soorten aantoont zijn mogelijk mitigerende en of compenserende maatregelen en het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk.
9.9.3 Houtopstanden Er is sprake van de kap van houtopstanden, zoals bedoeld in de Wnb. Er zijn daarom vervolgstappen nodig voor het kappen van bomen in het kader van de Wnb. Het betreft het uitvoeren van een kapmelding, deze moet ten minste één maand en ten hoogste één jaar voor de velling worden gemeld. Ook moeten de bomen worden gecompenseerd. Hiervoor geldt dat minimaal de oppervlakte die gekapt wordt dient ook te worden herplant waarbij: De houtopstand kan uitgroeien tot volwaardige en duurzame houtopstand. Het gebruik van sierheesters, tuinsoorten, en soorten die naar oordeel van Gedeputeerde Staten een gevaar vormen voor de natuurlijke biodiversiteit ter plaatse is niet toegestaan.