CConstaterende datlandsmeer
Koppel je AI →
Document · PDF

03 Bijlage Verordening jeugdhulp Landsmeer 2026

Raadsvergadering 29 januari 2026, gemeente landsmeerBij agendapunt: Verordening jeugdhulp Landsmeer 2026 (Z/2025/046823)12.327 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

18

Artikel 6.3. Intrekking of herziening 1. Het college onderzoekt periodiek of er aanleiding is een beslissing aangaande een verstrekking van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb te heroverwegen en kan hierover nadere regels stellen. 2. Onverminderd artikel 8.1.4, van de wet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb herzien of intrekken als het college vaststelt dat: a. de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de jeugdige of zijn ouder(s) niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen; c. de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb niet meer toereikend is te achten; d. de jeugdige of zijn ouder(s) niet voldoen aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb; e. de jeugdige of zijn ouder(s) het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is; f.

de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger met het pgb jeugdhulp betrekken van een jeugdhulp-aanbieder tegen wie bezwaren zijn ontstaan, dan wel met wie overeenkomsten zijn ontbonden, dan wel opgezegd, als bedoeld in artikel 5.1, derde lid; of g. de jeugdige langer dan twaalf weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. 3. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 4. Een beslissing tot toekenning van een voorziening in natura kan worden ingetrokken als blijkt dat de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger zich niet binnen drie maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder. Artikel 6.4 Opschorting en terugvordering 1. Als het college een beslissing heeft herzien of ingetrokken op grond van artikel 6.3 dan kan het college de geldschade ter hoogte van de te veel of ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of het te veel of ten onrechte genoten pgb vorderen van de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger. 2.

Het college kan de geldschade ter hoogte van de te veel of ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of het te veel of ten onrechte genoten pgb vorderen van de zorgaanbieder dan wel de pgb-aanbieder indien: a. De aanbieder geld heeft ontvangen voor zorg die (gedeeltelijk) niet is verleend of niet (geheel) conform de gestelde voorwaarden is verleend en de aanbieder niet binnen 72 uur melding heeft gedaan bij de gemeente dan wel pgb-beheerder om dit te crediteren; b. Een individuele voorziening voor een ander doel is ingezet dan waarvoor het is toegekend; c. Een individuele voorziening zonder toestemming van het college in het buitenland is ingezet; 3. De hoogte van de terugvordering is de gehele of gedeeltelijke geldwaarde van de te veel of ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of het te veel of ten onrechte genoten pgb. 4. In het geval van terugvordering stuurt het college een factuur die binnen vier weken moet worden voldaan. 5. Het college kan bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk invorderen. 6. Het college kan, bij een gegrond vermoeden van een omstandigheid als bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, onder a, d, e of f, de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen

19

tot een geheel of gedeeltelijke onderbreking van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken.

Hoofdstuk 7. Controle en toezicht Artikel 7.1. Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s 1. Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, met inachtneming van de paragrafen 6a en 6b van de Regeling Jeugdwet, de rechtmatigheid en doelmatigheid van individuele voorzieningen. 2. Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan; 3. Het college onderzoekt, al dan niet steekproefgewijs, of de verwijzingen door derden als bedoeld in artikel 3.1.van deze verordening rechtmatig zijn; Het college kan een onderzoek starten op basis van de ontvangen informatie van andere instanties, zoals andere gemeenten, GGD, zorgverzekeraar of andere beleidsvelden zoals de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Participatiewet etc. 4. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de genoemde controles. Artikel 7.2. Toezichthouders 1. Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het toezicht op de naleving van de rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet. 2. De aangewezen toezichthouder is in ieder geval belast met : a. de bevoegdheid om inlichtingen te vorderen; b.

de bevoegdheid om de (cliënten)administratie te vorderen bij de zorgverlener; c. de bevoegdheid om de administratie te vorderen van de pgb-beheerder; d. vorderen van de identificatie; e. inzage van documenten en toegang tot gegevens; f. het betreden van plaatsen (met uitzondering van woningen); g. controleren of de zorgverlener de verplichtingen uit de toekenningsbeschikking of de raamovereenkomst met het college naleeft; h. ondersteuningsinhoudelijk controleren van de overeenkomsten die de pgb-beheerder heeft gesloten; voldoen deze aan bij de aanvraag geleverde gegevens en informatie. 3. Eenieder is verplicht om mee te werken aan het onderzoek van de toezichthouder. Indien medewerking geweigerd wordt, dan kan het college een last onder dwangsom opleggen. 4. Het college kan nadere regels opstellen met betrekking tot de bevoegdheden van de toezichthouder. Artikel 7.3. Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik 1. Het college kan de nodige maatregelen treffen om het oneigenlijk gebruik van individuele voorzieningen en pgb’s te voorkomen en fraude te bestrijden. Tot deze maatregelen behoren in ieder geval: a. het college zoekt waar mogelijk samenwerking met organisaties die zich ook bezighouden met het tegengaan van oneigenlijk gebruik en fraude op het terrein van de zorg of aanverwante terreinen; b.

het college verricht zo nodig onderzoek bij (pgb-)aanbieders van individuele voorzieningen die een subsidie- of contractrelatie met de gemeente onderhouden of die ondersteuning verlenen op grond van een pgb aan inwoners en die verplicht zijn om kosteloos hun medewerking te verlenen; 20

c.

d. e. f. g.

h. i. j.

het college maakt afspraken met aanbieders van voorzieningen over de facturatie, resultaatsturingen, accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties; het college kan controleren, al dan niet steekproefsgewijs, of de gemaakte afspraken zoals genoemd in het voorgaande lid worden nagekomen; het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over het monitoren van de gemiddelde trajectduur tijdens de looptijd van een contract; het college kan periodiek controles uitvoeren bij langlopende en/of hoge indicaties; het college voert een grondige toets aan de voorkant uit bij de verstrekking van een pgb op: i. de regiemogelijkheden van de ouder of jeugdige of degene die de ouder of jeugdige als vertegenwoordiger wenst in te schakelen. ii. de kwaliteit van de invulling van het door de ouder of jeugdige en (pgb-)aanbieder te overleggen zorgovereenkomst mede met het oog op de te bereiken resultaten. het college monitort het gebruik van het pgb en de behaalde resultaten in relatie tot de gestelde doelen. het college draagt er zorg voor dat signalen over oneigenlijk gebruik en fraude gemeld kunnen worden in het kader van uitvoering van de wet.

het college kan, in geval van misbruik of oneigenlijk gebruik van een individuele voorziening in natura of een pgb dan wel van frauduleus handelen door een zorgaanbieder, de geldschade ter hoogte van de te veel of ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of het te veel of ten onrechte genoten pgb terugvorderen van de zorgaanbieder.

Artikel 7.4. Fraudepreventie Het college zet in op fraudepreventie, dat in ieder geval omvat: a. het voorlichting geven aan inwoners van de gemeente en in het bijzonder aan inwoners aan wie een individuele voorziening is toegekend; b. het informeren van inwoners over de rechten en plichten die zijn verbonden aan het ontvangen van een individuele voorziening en over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik; c. het vroegtijdig opsporen van misbruik of oneigenlijk gebruik.

Hoofdstuk 8. Afstemming met andere voorzieningen Artikel 8.1 Voorliggende voorzieningen 1. Het college verstrekt geen voorziening voor jeugdhulp als er: a. met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Zorgverzekeringswet; b. naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; c. gegronde redenen zijn voor het college om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe; d. een oplossing gevonden kan worden voor de hulpvraag door gebruik te maken van voorzieningen en interventies die behoren tot het voorliggende veld en die vrij-toegankelijk zijn; e. een oplossing gevonden kan worden voor de hulpvraag in het benutten van mogelijkheden in het kader van het Arbeidsrecht of andere regelingen, zoals bijzonder of buitengewoon verlof; 21

f.

sprake is van problematiek bij de ouders waarvoor interventies zoals begeleiding en mediaton tussen ouders noodzakelijk is. 2. Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de wet kan worden verkregen, is het college gehouden deze voorziening op grond van de wet te treffen. 3. De jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger die een aanvraag voor jeugdhulp doen, worden verwezen naar de instantie waar een aanvraag voor een voorziening op basis van de voornoemde wetten kan worden behandeld. 4. Bij een verwijzing als bedoeld in het vorige lid naar Wet langdurige zorg wordt cliëntondersteuning ingeschakeld. Artikel 8.2 Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning 1. Het college stemt de jeugdhulp waaraan een jeugdige of een ouder behoefte heeft, ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van: a. de Leerplichtwet; b. de Participatiewet; c. de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; d. de Wet inburgering 2021; e. de Wet kinderopvang; f. de Wet langdurige zorg; g. de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; h.

de Wet passend onderwijs; i. de Wet publieke gezondheid; j. de Wet tijdelijk huisverbod; k. de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; en l. de Zorgverzekeringswet, zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten en ondersteunt de jeugdige en zijn ouder(s) actief bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(en) of bij behoud van de continuïteit van de zorg op grond van de benodigde zorg. 2. De afgestemde jeugdhulp wordt zodanig ingezet dat dit leidt tot: a. het opheffen van een situatie die voor een jeugdige of een ouder of diens omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade; b. stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder a; c. een voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van een jeugdige of een ouder, voor zover dat binnen het vermogen ligt. 3. Het college weegt bij de afstemming van de jeugdhulp de volgende aspecten mee: a. de behoefte aan hulp en ondersteuning van een jeugdige of een ouder; b. de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van een jeugdige of een ouder zoals bedoeld in artikel 4.6 en de mogelijkheden van het sociale netwerk; c. welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet; d.

welke hulp en ondersteuning leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn. 4. Als een jeugdige of een ouder of wettelijk vertegenwoordiger weigert mee te werken aan ondersteuning als bedoeld in het eerste lid, kan het college het onderzoek beëindigen en een individuele voorziening weigeren. 5. Als een jeugdige van 16 jaar of ouder die hulp op grond van de wet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een wettelijke kader als bedoeld in het eerste lid, is het college gehouden om: 22

a. voor het achttiende levensjaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn; en b. de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is. 6. a. Voor jeugdigen vanaf het 16e levensjaar dient de aanbieder een “toekomstplan naar volwassenheid” op te stellen met daarin opgenomen: • welke hulp of ondersteuning nodig is vanaf de 18e verjaardag; • hoe en vanuit welke andere wet (Wmo 2015, Wlz of Zorgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het 18e levensjaar wordt ingezet; • de eventuele veranderingen die betrekking hebben op de overgang naar volwassenheid op de verschillende leefgebieden. Denk hierbij aan werk, inkomen, wonen, school, welzijn en een steunend netwerk. b. De aanbieder betrekt een half jaar voor dat de jeugdige de leeftijd van 18 jaar bereikt, de jeugdige, het gezin, het lokale team en/of de GI bij (het opstellen van) het toekomstplan; c. Het lokale team en/of de GI monitort of de aanbieder de verplichting, zoals omschreven onder 6a, nakomt. 7.

Ter uitvoering van het vijfde lid, onderzoekt het college tijdig welke andere voorziening nodig is, vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen (Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet langdurige zorg, of de Zorgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar wordt ingezet. Het college draagt hierbij zorg voor een warme overdracht.

Hoofdstuk 9. Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit Artikel 9.1 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering 1. Het college baseert in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, op ten minste de volgende kostprijselementen: a. cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden kosten van beroepskrachten; b. cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten; c. overheadkosten; d. kosten voor indexering; en 2. Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of Gecertificeerde Instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid. 3. Het eerste en tweede lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouders en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten.

Hoofdstuk 10. Klachten en medezeggenschap Artikel 10.1. Klachtregeling Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van jeugdigen, ouders en hun wettelijk vertegenwoordigers die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen als bedoeld in deze verordening.

23

Artikel 10.2. Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het college stelt jeugdigen en hun ouders en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 2. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. De gemeente Landsmeer geeft hier vorm aan door middel van de Adviesraad sociaal domein. 3. Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het eerste en tweede lid.

Hoofdstuk 11. Slotbepalingen Artikel 11.1 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige en/of diens ouders afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 11.2 Evaluatie Het college voert binnen twee jaar na de inwerkingtreding van de verordening een evaluatie uit over de doeltreffendheid en de effecten van deze verordening en (indien vastgesteld) de nadere regels in de praktijk.

Artikel 11.3. Overgangsrecht, intrekking oude verordening 1. Een jeugdige of zijn ouder(s) houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening Jeugdhulp gemeente Landsmeer 2022, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen ten aanzien van die voorziening. 2. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Jeugdhulp gemeente Landsmeer 2022 waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 3. Bezwaarschriften gericht tegen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, worden behandeld op grond van de Verordening Jeugdhulp gemeente Landsmeer 2022 die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt. Hier kan ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(s) van worden afgeweken als heroverweging op grond van deze verordening leidt tot een gunstiger uitkomst. 4. Het college is bevoegd een besluit, dat is genomen op grond van Verordening Jeugdhulp gemeente Landsmeer 2022 te herzien: a. op de gronden, vermeld in Verordening Jeugdhulp gemeente Landsmeer 2022; b. indien uit een door het college uitgevoerd heronderzoek blijkt dat er met toepassing van de ten tijde van het onderzoek geldende verordening een afwijkend besluit zou zijn genomen; c. indien de cliënt wenst te veranderen van aanbieder of van verstrekkingsvorm. 5.

Het college heeft de bevoegdheid om een pgb dat is verstrekt onder Verordening Jeugdhulp gemeente Landsmeer 2022, terug te vorderen op de in deze verordening genoemde gronden. 6. De Verordening Jeugdhulp gemeente Landsmeer 2022 wordt ingetrokken per 31 december 2025. Artikel 11.4. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente Landsmeer 2026.

24

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 29 januari 2026. De voorzitter, De griffier,

25

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=landsmeer&id=153bbd0b-5a20-47b8-bdbc-c3f43bd17a2f