03 Bijlage 2. Toelichting bij de Re-integratieverordening Participatiewet Gemeente Landsmeer 2025
Tekst van het document
20
Artikel 20h. Duur, intensiteit en kosten van de persoonlijke ondersteuning bij werk Artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 1, van de Participatiewet bepaalt onder andere dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning bij werk. Dit artikel regelt hoe dit mogelijk is en op welke wijze de hoogte van de subsidie/vergoeding hiervoor wordt bepaald. Het bepalen van de duur en de intensiteit van de persoonlijke ondersteuning bij werk is maatwerk. Lid 1 De jobcoach/interne werkbegeleider wordt ingezet vanaf de eerste dag dat het arbeidscontract dan wel de overeenkomst in werking treedt. Bij proefplaatsing wordt een proefplaatsingsovereenkomst afgesloten. Lid 2 Voor de proefplaatsing wordt gewerkt met een vast maximaal aantal uren. Daarna wordt maatwerk toegepast door te bekijken welk regime nodig is en welke duur. Lid 3 Dit is harmonisatie met de regimes licht en midden die door UWV worden gehanteerd. Lid 4, 6, 7 en 8 In deze leden staan de maximum bedragen voor persoonlijke ondersteuning bij werk, het tarief voor de externe jobcoach waarbij de gemeente de uitvoering van de jobcoaching heeft ingekocht en het tarief voor de interne jobcoach in dienst van/ingehuurd door de werkgever respectievelijk de intern werkbegeleider.
De huidige geldende maximum bedragen voor persoonlijke ondersteuning bij werk komen uit het Besluit Normbedragen Voorzieningen UWV 2024 onder ‘Subsidiebedrag voor interne jobcoaching (Q2)’ en zijn als volgt: Maximum bedragen persoonlijke ondersteuning bij werk Begeleidingsniveau Jaar 1 Jaar 2 Totaal jaar Jaar 3 1+2 (optioneel) licht € 3.277,55 € 1.699,47 € 4.977,02 € 1.699,47 midden € 5.583,98 € 2.791,99 € 8.375,97 € 1.699,47 De bedragen zijn all-in (o.a. reistijd/reiskosten) maar exclusief eventuele verschuldigde BTW Bij wijziging door het UWV van de subsidiebedragen in een nieuw besluit worden ook de maximumbedragen voor persoonlijke ondersteuning bij werk overeenkomstig aangepast met ingang van de wijzigingsdatum. De huidige geldende vergoeding voor een externe jobcoach waarbij de gemeente de uitvoering van de jobcoaching heeft ingekocht is gebaseerd op de uurvergoeding voor Persoonlijke ondersteuning/Jobcoaching (Q1), zoals vermeld in het Besluit Normbedragen Voorzieningen UWV 2024. Bij wijziging door het UWV van de uurvergoeding in een nieuw besluit wordt ook de uurvergoeding van de externe jobcoach overeenkomstig aangepast met ingang van de wijzigingsdatum 21
Als uurtarief voor de interne jobcoach in dienst van/ingehuurd door de werkgever respectievelijk de intern werkbegeleider hanteren wij dienst bruto uurloon plus een opslag van 30%. De 30% wordt gehanteerd voor werkgeverslasten inclusief vakantiegeld (bron: ADP). Het college moet ervoor zorgen dat de tarieven en maximum bedragen voor een bepaald jaar vindbaar en kenbaar zijn voor werkgevers en de doelgroep. Dat kan bijvoorbeeld door de tarieven en maximum bedragen te vermelden op de website van de gemeente. Daarbij is als eis opgenomen dat het door het college vastgestelde tarief toereikend moet zijn om jobcoaching in te kopen. Dit betekent dat het college moet onderzoeken in de markt wat een toereikend tarief is. Het feit dat een persoon of werkgever een beroep wenst te doen op een duurdere jobcoach betekent niet dat het college gehouden is het meerdere te verstrekken. Er is immers een maximumtarief waarvan vaststaat dat dit toereikend is om passende jobcoaching in te kopen. De combinatie van maximumbedrag en tarief resulteert in een maximum aantal uren persoonlijke ondersteuning bij werk dat kan worden toegekend. Als namelijk bekend is onder welk regime de persoonlijke ondersteuning bij werk valt, kan uit de tabel in de toelichting bij lid 4 het maximale bedrag bij een dienstverband van 24 uur of meer worden afgelezen.
(Als de dienstbetrekking minder dan 24 arbeidsuren per week bedraagt, worden de bedragen naar rato verlaagd). Het maximumaantal uren voor een half jaar bedraagt dan de helft van het maximum bedrag uit deze tabel gedeeld door het uurtarief zoals bepaald in lid 6 respectievelijk lid 7. Let op: dit geldt niet voor persoonlijke ondersteuning bij werk in geval van een proefplaatsingsovereenkomst. Hier wordt gewerkt met een vast maximaal aantal uren zoals beschreven in lid 2. lid 9 Dit lid geeft aan dat in bepaalde gevallen, bijv. in geval van langdurige ziekte de inzet van een jobcoach/intern werkbegeleider naar een derde jaar verlengd kan worden. Dit geeft de mogelijkheid dat, als door bepaalde bijzondere omstandigheden er niet in het tweede jaar voldoende gewerkt is of kon worden door de werkzoekende en de jobcoaching/interne werkbegeleiding daardoor niet heeft kunnen plaatsvinden, er een uitwijkmogelijkheid is naar een derde jaar, waarbij ook een aantal uren van het tweede jaar naar het derde jaar overgeheveld kan worden. Lid 10 In beginsel wordt per half jaar geëvalueerd of persoonlijke ondersteuning bij werk nog langer noodzakelijk is. Lid 11 Hier is de mogelijkheid aangegeven om de uren jobcoaching waarvan het de bedoeling is deze in het tweede jaar in te zetten, deels over te hevelen naar het eerste jaar.
Hieraan is de voorwaarde verbonden, dat er sprake moet zijn van een dienstbetrekking van minimaal 1 jaar waarbij de intentie er is om de dienstbetrekking na 1 jaar voor minimaal een half jaar te verlengen. De overheveling van de uren 22
moet uiteraard noodzakelijk zijn voor het bevorderen van een duurzame arbeidsinpassing. Lid 12 Het twaalfde lid bevat een mogelijkheid om in bijzondere situaties af te wijken van het in de voorgaande leden gegeven beoordelingskader. Hiermee wordt het recht op passende ondersteuning te allen tijde gewaarborgd. De afwijking kan zowel bestaan uit het bieden van meer of intensievere jobcoaching, alsook uit het verlengen daarvan. Nadere toelichting De voorziening jobcoaching/interne werkbegeleiding betreft een tijdelijke voorziening voor maximaal 3 jaar en is gericht op het leren zelfstandig functioneren in een bepaalde functie van mensen met een arbeidsbeperking. Is aansluitend na deze 3 jaar (6 halfjaarperioden) nog jobcoaching/interne werkbegeleiding nodig, dan kan de gemeente jobcoaching/interne werkbegeleiding voortzetten. Bijvoorbeeld als er sprake is van tijdelijke problemen/onbalans in de werk-of-privésituatie. Of bijvoorbeeld als persoonlijke ondersteuning bij werk noodzakelijk blijft, en dit de beste oplossing blijkt boven inzet van een andere (duurdere) voorziening (als bijv. beschut werk). Hierbij dient onderbouwd te worden waarom inzet van jobcoaching/interne werkbegeleiding blijft aangewezen. De intensiteit van de begeleiding is afhankelijk van de ondersteuningsbehoefte van de werknemer.
Indien het standaard begeleidingsniveau van de persoonlijke ondersteuning bij werk niet voldoende is, is maatwerk in intensiteit mogelijk. Indien wenselijk kan bijvoorbeeld voor een korte intensieve jobcoaching/interne werkbegeleiding gekozen worden. Hierbij dient onderbouwd te worden waarom een aangepaste inzet van jobcoaching/interne werkbegeleiding nodig is. Bij de besluitvorming hierover worden o.a. de persoonlijke omstandigheden, de ontwikkelingsmogelijkheden van de werknemer op korte en langere termijn, de alternatieve voorzieningen en de kosten betrokken. Deze opsomming is niet limitatief. De aspecten leiden in onderling verband tot een oordeel over de voorziening c.q. het traject voor de kandidaat. Artikel 20i. Jobcoaching in natura Artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 1, van de Participatiewet bepaalt onder andere dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college ook zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning (jobcoaching) in natura. Dit artikel voorziet hierin. De gemeentelijke/eigen jobcoach (artikel 20e, tweede lid onder a) wordt in natura beschikbaar gesteld. Het bedrag dat wordt besteed aan de inkoop van een externe jobcoach, zoals bedoeld in artikel 20e, tweede lid onder b, wordt rechtstreeks uitbetaald aan de jobcoachorganisatie. Artikel 20j. Subsidie voor het organiseren van persoonlijke ondersteuning bij werk 23
Artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 1, van de Participatiewet bepaalt onder andere dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning door middel van subsidieverstrekking, waaronder jobcoaching. Artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 1, van de Participatiewet in combinatie met artikel 10, derde lid, onder b, van de Participatiewet bepaalt onder andere dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning in de vorm van een interne werkbegeleider door middel van subsidieverstrekking. Dit artikel voorziet hierin. In het derde lid zijn randvoorwaarden opgenomen om voor subsidieverlening in aanmerking te komen. Artikel 20k. Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 1, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van een vervoersvoorziening die ertoe strekt dat de persoon zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan bereiken. Dit artikel regelt, in aanvulling op de artikelen 4 en 20b, onder welke voorwaarden dit mogelijk is en op welke wijze de hoogte van de vergoeding hiervoor wordt bepaald als het college het vervoer niet zelf (in natura) organiseert.
Bij de bepaling van de vergoeding wordt uitgegaan van het reguliere tarief in de markt, waarbij, in lijn met artikel 4, derde lid, de goedkoopst adequate oplossing het uitgangspunt vormt. Het bedrag dat de werknemer voor vervoer ontvangt van zijn werkgever, bijvoorbeeld een reiskostenvergoeding op grond van de arbeidsovereenkomst, wordt door het college in mindering gebracht op de te verstrekken vervoersvoorziening. De gemeente biedt de meest adequate en goedkoopste oplossing, kwalitatief verantwoord. De kosten van de vervoersvoorziening dienen proportioneel te zijn, dat wil zeggen dat de investering in de vervoersvoorziening moet opwegen tegen de opbrengsten van uitstroom naar werk. Bij de beoordeling of de kosten proportioneel zijn wordt onder andere betrokken: a) de kosten van de vervoersvoorziening; b) de duur van de arbeidsovereenkomst in termen van looptijd (aantal maanden/jaren/bepaalde tijd/onbepaalde tijd); c) de omvang van de arbeidsovereenkomst in termen van het aantal uren dat de persoon gaat werken; en d) de opbrengsten in termen van besparing op de uitkeringslasten en eventuele andere lasten (bijvoorbeeld in het kader van de Wmo) in relatie tot de kosten van de vervoersvoorziening. Verder dient steeds nagegaan te worden of de persoon geen aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening, zoals bijvoorbeeld een vervoersvoorziening via Wmo. Artikel 20l.
Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij motorische beperking 24
Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 2, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van een noodzakelijke intermediaire activiteit in het geval er sprake is van motorische beperking. Dit artikel regelt dat het college de, als gevolg van een geheel of gedeeltelijk ontbrekende motorische lichaamsfunctie noodzakelijke, voorziening(en) verstrekt die nodig zijn ter vervanging of ondersteuning van de persoon. De specifieke aard van de voorziening is niet opgenomen, omdat dit sterk afhankelijk is van de behoefte van de persoon. Wel gelden de voorwaarden zoals opgenomen in de artikelen 4 en 20b. Voorbeelden van een intermediaire activiteit bij een motorische beperking zijn (niet uitputtend) een schrijftolk of hulp bij het openen van post. Artikel 20m. Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 3, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van meeneembare voorzieningen voor de inrichting van de werkplek, de productieen werkmethoden, de inrichting van de opleidingslocatie of de proefplaats en bij het werk of opleiding te gebruiken hulpmiddelen. Hiervoor is geen limitatieve lijst. Gedacht kan worden aan een aangepaste bureaustoel, toetsenbord, koptelefoon, enzovoort.
Wat een passende voorziening is, is sterk afhankelijk van de individuele behoefte van de persoon. Dit vraagt om maatwerk. Wel gelden de voorwaarden zoals opgenomen in de artikelen 4 en 20b. Het uitgangspunt is dat de voorzieningen in bruikleen beschikbaar worden gesteld en dus weer bij het college worden ingeleverd op het moment dat deze niet langer nodig zijn. Artikel 20n. Specifieke voorwaarden toekenning werkplekaanpassingen In artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 3, van de Participatiewet wordt uitsluitend gesproken van meeneembare voorzieningen. In sommige gevallen zijn er andere voorzieningen nodig op de werkplek om ervoor te zorgen dat de persoon hier kan werken. Hierbij kan gedacht worden aan een aangepast toilet, een entree met automatische deuropener of een traplift. Dit artikel regelt de mogelijkheid om ook in deze behoefte te voorzien door het toekennen van een werkplekaanpassing. Daarmee wordt aansluiting gezocht bij de wetsgeschiedenis, waarin wel wordt gesproken van werkplekaanpassingen in plaats van meeneembare voorzieningen (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 20). De gemeente biedt de meest adequate en goedkoopste oplossing, kwalitatief verantwoord. De kosten van de werkplekaanpassing dienen proportioneel te zijn, dat wil zeggen dat de investering in de werkplekaanpassing moet opwegen tegen de opbrengsten van uitstroom naar werk.
Bij de beoordeling of de kosten proportioneel zijn wordt onder andere betrokken: a) de kosten van de werkplekaanpassing; b) de duur van de arbeidsovereenkomst in termen van looptijd (aantal maanden/jaren/bepaalde tijd/onbepaalde tijd); c) de omvang van de arbeidsovereenkomst in termen van het aantal uren dat de persoon gaat werken; en d) de opbrengsten in termen van besparing op de uitkeringslasten en eventuele andere lasten (bijvoorbeeld in het kader van de WMO) in relatie tot de kosten van de werkplekaanpassing. Artikel 21. Intrekking en overgangsrecht 25
In artikel 21 is het intrekken van de verordening loonkostensubsidie geregeld. Dit heeft te maken met het feit dat de grondslag voor deze verordening, in de vorm van artikel 6, tweede lid, van de Participatiewet, met de wet “Wijziging van de Participatiewet en enkele andere wetten in verband met het verbeteren van de regeling voor loonkostensubsidie en enkele andere wijzigingen (uitvoeren breed offensief)”, is komen te vervallen. Het intrekken van de oude re-integratieverordening is eveneens in dit artikel geregeld. Ook is in artikel 21 het overgangsrecht neergelegd. De regels uit deze verordening zijn vanaf datum inwerkingtreding direct van toepassing op alle rechtsverhoudingen die onder de werking van deze verordening vallen. Dat levert niet altijd een goed resultaat op, in het bijzonder in situaties waarin voorzieningen voor een bepaalde periode zijn toegekend en de inwoner of werkgever daarmee rekening heeft gehouden. Dan kan de beëindiging van een voorziening op grond van de nieuwe verordening wel erg abrupt zijn en de nodige financieel nadelige effecten hebben omdat de inwoner/werkgever erop vertrouwd heeft voor een langere periode. Daarom is specifiek overgangsrecht gewenst voor dergelijke situaties. Daarin wordt met het tweede lid voorzien.
Hiermee wordt bereikt dat een voorziening die is toegekend voor de inwerkingtreding van deze verordening en ingetrokken moet worden op grond van de nieuwe regels, blijft doorlopen tot de einddatum van die voorziening. Dat is anders als die voorziening eerder ingetrokken moet worden op grond van de regels van de ‘oude’ verordening. Artikel 22. Inwerkingtreding en citeertitel Deze bepaling spreekt voor zich.
26