03 Bijlage 2. Advies v.d. commissie bezwaarschriften Omgevingsvergunning voor het realiseren van vier woningen op het perceel Den Ilp 85 te Den Ilp
Tekst van het document
Commissie Bezwaarschriften
Gemeente Landsmeer
Advies van de commissie bezwaarschriften De heer drs. D.J. van Vliet LL.M. voorzitter Mevrouw mr. T. Wiedeler lid De heer P.W.J. Veldhuisen lid Mevrouw mr. K. Akin secretaris aan het college van burgemeester en wethouders Over het bezwaarschrift van de heer J.J. de Boer van Oprecht Advocaten, namens de heer S. Kloosterboer en mevrouw Kloosterboer-Haenen (hierna: bezwaarden), tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Landsmeer (hierna: het college), inhoudende de weigering van een omgevingsvergunning ten behoeve van het realiseren van vier woningen op het perceel Den Ilp 85 te Den Ilp (Landsmeer). Procedureverloop Op 3 december 2024 hebben bezwaarden een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het realiseren van vier woningen op het perceel Den Ilp 85. Bij besluit van 15 augustus 2025 heeft het college de aanvraag afgewezen en de omgevingsvergunning geweigerd. Per e-mail van 25 september 2025 hebben bezwaarden een bezwaarschrift ingediend. Op 11 november 2025 heeft de commissie een hoorzitting gehouden. Bezwaarden zijn ter zitting verschenen. mevrouw. C. Mensah (Omgevingsdienst IJmond) en de heer. G. Mulder, vertegenwoordigers van het college, zijn eveneens ter zitting verschenen. Van de hoorzitting is een geluidsopname gemaakt, waarover belanghebbenden desgewenst kunnen beschikken.
Ontvankelijkheid Op grond van het bepaalde in artikel 6:7 in combinatie met artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken na de dag waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. De commissie stelt vast dat het bezwaarschrift binnen de termijn zijn ontvangen. Het bezwaarschrift voldoet voor het overige ook aan de vereisten, zodat bezwaarden ontvankelijk zijn in hun bezwaar. De inhoud van de bezwaren Bezwaarden stellen samengevat het volgende: 1. Er is geen bindend adviesrecht van de gemeenteraad vereist, de aanvraag is ten onrechte aan de raad voorgelegd; 2. Bezwaarden hebben voldaan aan het participatieplicht en het college heeft een positief principebesluit genomen. Op basis van dit principebesluit had het college de vergunning moeten verlenen; 3. Bezwaarden mochten erop vertrouwen dat het bestuursorgaan dat een besluit moet nemen zich houdt aan zijn eigen positieve grondhouding/analyse en zijn eigen principebesluit; 4. Wanneer de visie van de gemeenteraad wel aan de orde zou zijn, kan dit alleen gewicht in de schaal leggen wanneer deze visie ook relevant is binnen betreffende afwegingskader. De beoordeling van de raad in te mager om een besluit op te kunnen baseren.
Het juridisch kader - Algemene wet bestuursrecht (Awb); - Gemeentewet; - Omgevingswet (hierna: Ow); - Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl).
-
Lijst adviesrecht bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten gemeente Landsmeer (hierna: Lijst adviesrecht) Lijst verplichte participatie bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit
Beoordeling De commissie stelt vast dat het college bij het bestreden besluit heeft geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor de realisatie van vier woningen op het perceel Den Ilp 85 en dat het college aan dit besluit de motivering uit het bindend negatieve advies van de gemeenteraad ten grondslag heeft gelegd. De commissie is van oordeel dat voor een volledige beoordeling van het bestreden besluit en de bezwaargronden eerst een aantal samenhangende vragen dienen te worden beantwoord. Met de beantwoording van deze vragen worden tevens de aangevoerde bezwaargronden en de beoordeling daarvan betrokken. De commissie beoordeelt het geschil langs de volgende vragen: 1. Valt de aanvraag onder een van de categorieën van de Lijst adviesrecht en is de aanvraag terecht ter advisering aan de gemeenteraad voorgelegd? 1.1 Kan categorie 7 van de Lijst adviesrecht wegens te ruime formulering onverbindend worden verklaard?; 2. Aan welke inhoudelijke eisen moet een bindend advies voldoen?; 3. Is het in dit geval uitgebracht bindend negatief advies van de gemeenteraad voldoende gemotiveerd om ten grondslag te kunnen worden gelegd aan het bestreden besluit c.q. kan worden volstaan met een verwijzing naar dit advies?
Valt de aanvraag onder een van de categorieën van de Lijst adviesrecht en is de aanvraag terecht ter advisering aan de gemeenteraad voorgelegd? Bezwaarden stellen allereerst dat de aanvraag niet valt onder (een van de) categorieën van de Lijst adviesrecht, omdat voor woningbouwinitiatieven met een omvang van minder dan 11 woningen geen advies van de gemeenteraad is vereist. Daarnaast stellen bezwaarden dat het college de aanvraag ten onrechte heeft aangemerkt als politiekgevoelig als bedoeld in categorie 7 van de Lijst adviesrecht. Volgens bezwaarden blijkt uit de toelichting bij deze categorie dat daarbij wordt gedacht aan ingrijpende politiek of maatschappelijk gevoelige ontwikkelingen, zoals de oprichting van een kerncentrale of het toestaan van een (groot) festivalterrein, en kan de bouw van vier woningen hiermee niet worden gelijkgesteld. Tot slot stellen bezwaarden dat categorie 7 sowieso te ruim en onvoldoende bepaald is geformuleerd en daarmee in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 27 augustus 2014 (AB 2015/204) voeren bezwaarden aan dat categorie 7 van de Lijst adviesrecht onverbindend is.
Ingevolge artikel 16:15a, onder b, van de Ow wordt op grond van artikel 16:15, eerste lid, in ieder geval als adviseur aangewezen de gemeenteraad als het gaat om (1°) een aanvraag om een omgevingsvergunning voor in door de gemeenteraad aangewezen gevallen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Ingevolge artikel 16:15b wordt in een geval als bedoeld in artikel 16.15a, onder b, de bij of krachtens deze wet gestelde regels over het beslissen op de aanvraag om de omgevingsvergunning of het verlenen of onthouden van instemming met inachtneming van het advies van de gemeenteraad toegepast. De gemeenteraad van Landsmeer heeft met toepassing van voornoemde bepaling een Lijst adviesrecht vastgesteld en daarbij categorieën van gevallen aangewezen waarin de raad als adviseur optreedt. In het onderhavige geval is sprake van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de realisatie van vier woningen. De commissie stelt vast dat in de Lijst adviesrecht een onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende categorieën van gevallen die ter advisering aan de gemeenteraad worden voorgelegd.
-2-
In categorie 1.1 is voor de functie ‘Wonen’ bepaald dat het binnen de bebouwde kom oprichten van nieuwe bebouwing ten behoeve van een woonfunctie en daarmee samenhangende bebouwing aan de gemeenteraad wordt voorgelegd indien de omvang van de nieuwe bebouwing groter is dan 11 woningen. Daarnaast is in categorie 7 een restcategorie voor gevoelige onderwerpen opgenomen, waarin is bepaald dat advies van de gemeenteraad wordt gevraagd indien – naar het oordeel van het college – sprake is van een initiatief met grote maatschappelijke impact, grote maatschappelijke onrust en/of een anderszins politiekgevoelig karakter. In de toelichting is daarbij expliciet vermeld dat de categorieën 1 tot en met 6 niet uitputtend zijn en dat zich situaties kunnen voordoen die vooraf niet zijn te voorzien, maar waarin het college desondanks aanleiding ziet om het advies van de gemeenteraad in te winnen. De genoemde voorbeelden, zoals het oprichten van een kerncentrale of het toestaan van (grote) festivalterreinen of datacenters, hebben een illustratief karakter. Voor zover bezwaarden stellen dat categorie 7 van de Lijst adviesrecht wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel onverbindend is, overweegt de commissie als volgt.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de Lijst adviesrecht moet worden aangemerkt als een beleidsregel in de zin van artikel 4:81 van de Awb en dat het onverbindend verklaren daarvan een bevoegdheid is die uitsluitend aan de rechter toekomt. Daargelaten de vraag of in dit geval daadwerkelijk sprake is van een beleidsregel als bedoeld in artikel 4:81 van de Awb, meent de commissie dat het oordeel over de verbindendheid van een dergelijke regel een exceptieve toetsing betreft die is voorbehouden aan de bestuursrechter. De commissie gaat derhalve in dit advies uit van de verbindendheid van de Lijst adviesrecht. De commissie tekent daarbij aan, dat de door bezwaarden aangehaalde jurisprudentie uit 2015 enerzijds ziet op een andere voormalige wettelijke bepaling, namelijk het aanvragen van een ‘verklaring van geen bedenkingen’ als bedoeld in de Wabo/Bor en in die casus het college een omgevingsvergunning had verleend zónder de gemeenteraad te betrekken. De commissie heeft voorts geconstateerd dat er landelijk in deze lijsten op basis van artikel 16.15a Ow standaard in enige vorm een -ruim geformuleerde- bepaling is opgenomen die ziet op gevallen van ‘politiek-bestuurlijke gevoelige aard’. De commissie ziet dan ook zelf geen reden waarom het college en de gemeenteraad geen gebruik van (het bepaalde in) deze lijst hadden mogen maken.
Dat – zoals bezwaarden aanvoeren – in categorie 1.1 is bepaald dat voor woningbouw binnen de bebouwde kom met een omvang van minder dan 11 woningen geen advies van de gemeenteraad is vereist, sluit niet uit dat een dergelijk woningbouwinitiatief desondanks kan worden aangemerkt als een politiekgevoelig initiatief en om die reden onder categorie 7 kan vallen. Het college beschikt hierbij over beoordelingsruimte. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het onderhavige project als politiek gevoelig kan worden aangemerkt, omdat het gedurende langere tijd onderwerp is geweest van politieke en maatschappelijke aandacht. Daarbij heeft het college gewezen op meerdere artikel 47-vragen van verschillende fracties, waaronder het CDA, de VVD en D66, de indiening van een motie door de fractie Positief Landsmeer en een inspraakreactie tijdens een commissievergadering. De gemeenteraad heeft het voorstel vervolgens als zodanig aangenomen en een advies uitgebracht. De commissie stelt vast dat in deze gang van zaken ligt besloten dat de gemeenteraad de aanvraag in navolging van het college ook zelf als een politiek gevoelig initiatief heeft aangemerkt. Dat de onderhavige aanvraag niet valt onder de in de toelichting genoemde voorbeelden bij categorie 7, maakt dit niet anders, nu deze voorbeelden niet limitatief zijn bedoeld.
De commissie is gelet op het voorgaande van oordeel dat het college de aanvraag mocht aanmerken als een politiek gevoelig initiatief en deze terecht ter advisering aan de gemeenteraad heeft voorgelegd. Het college had niet op de aanvraag mogen beslissen zonder deze voor te leggen aan de gemeenteraad.
Aan welke inhoudelijke eisen moet een bindend advies voldoen? De commissie stelt gelet op het voorgaande vast dat op onderhavige aanvraag op grond van artikel 16.15b van de Ow wordt beslist met inachtneming van het advies van de gemeenteraad. De gemeenteraad van Landsmeer heeft in dit geval een negatief bindend advies uitgebracht. Het college heeft dit advies integraal aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd en de aanvraag afgewezen. -3-
Bezwaarden stellen dat het negatief bindend advies van de gemeenteraad onvoldoende is gemotiveerd om aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag te kunnen worden gelegd. Volgens bezwaarden heeft de gemeenteraad nagelaten een zorgvuldige en kenbare belangenafweging te maken, waarin tevens de belangen van bezwaarden zijn betrokken. De motivering van het advies schiet volgens bezwaarden tekort en is onvoldoende dragend. De vraag die bij de commissie voorligt is of de motivering die aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd voldoet aan de daaraan te stellen eisen en of het college de afwijzing van de aanvraag kon baseren op een (integrale) verwijzing naar het bindend advies van de gemeenteraad. Ingevolge artikel 16:15b wordt in een geval als bedoeld in voornoemd artikel de bij of krachtens de Ow gestelde regels over het beslissen op de aanvraag om de omgevingsvergunning of het verlenen of onthouden van instemming met inachtneming van het advies van de gemeenteraad toegepast. Volgens de toelichting bij het amendement van het van het lid Ronnes C.S. houdt ‘met inachtneming van’ het volgende in:
“(..) de gemeenteraad (raad) bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit niet gepasseerd mag worden door het college van burgemeester en wethouders (college), De raad zou een doorslaggevende rol moeten hebben voorbepaalde gevallen, door de raad zelf te bepalen. In de Omgevingswet is reeds een grondslag opgenomen bij AMvB gevallen aan te wijzen waarbij het recht van instemming van bestuursorganen is opgenomen bij een voorgenomen beslissing op een aanvraag. Via dit amendement wordt een verzwaard adviesrecht voor de gemeenteraad toegevoegd (-) De uitkomst van het advies is door de toevoeging van het voorgestelde artikel 16.15b bindend.”1 De commissie stelt gelet op het voorgaande vast dat voornoemd artikel geen ruimte laat voor het college om anders te beslissen dan conform het advies van de gemeenteraad. Dit neemt niet weg dat aan het nemen van een besluit en het bindend advies inhoudelijke eisen zijn gesteld. Een bindend advies is slechts bindend voor zover het is gebaseerd op en in overeenstemming is met de toepasselijke beoordelingsregels voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, waaronder artikel 8.0a, tweede lid, artikel 8.0b, artikel 8.0e en de artikelen 12.27a tot en met 12.27c van het Bkl.
Dit bindend advies dient een motivering te bevatten en daarnaast kan worden aangenomen dat dit advies dient te berusten op een zorgvuldige voorbereiding en moet zijn voorzien van een belangenafweging. Omdat het negatief bindend advies integraal is overgenomen en zonder nadere motivering ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit, zal de commissie moeten beoordelen of die motivering voldoende is om de afwijzing van de aanvraag te kunnen dragen.
Is het in dit geval uitgebracht bindend negatief advies van de gemeenteraad voldoende gemotiveerd om ten grondslag te kunnen worden gelegd aan het bestreden besluit? De commissie stelt vast dat de gemeenteraad het negatieve advies heeft gebaseerd op aspecten die op zich relevant zijn binnen de voor deze aanvraag geldende beoordelingsregels, te weten de ruimtelijke inpassing, het participatieproces, precedentwerking, de aansluiting bij de Woonvisie en de financiële haalbaarheid. De commissie is niettemin van oordeel dat de motivering van het negatieve advies grotendeels berust op twijfels en niet-geconcretiseerde stellingen. De commissie overweegt hierover als volgt. Ten aanzien van de ruimtelijke inpassing van het plan is gemotiveerd dat de toevoeging van vier woningen leidt tot een ongewenste verdichting van het bebouwingslint en strijd oplevert met het open en landelijke karakter van Den Ilp zoals opgenomen in het beleidskader partiele herziening van Het Lint 2015.
1
Kamerstukken II 2018/19, 34986, nr. 53
-4-
De commissie constateert dat uit hoofdstuk 4 van het beleidskader partiële herziening volgt dat naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (ECLI:NL:RVS:2016:2014) met dit plan enkel een reparatie is uitgevoerd van de regeling voor een aantal percelen, zonder dat daarbij een wezenlijke wijziging ten opzichte van het deels vernietigde plan heeft plaatsgevonden. Er blijft daarmee een directe relatie bestaan met het bestemmingsplan Het Lint 2015. Volgens de ter plaatse geldende planregels van Het Lint 2015 rust op het perceel de bestemming ‘Wonen’ en kan, met inachtneming van deze planregels, één woning worden gerealiseerd. De commissie onderkent dat het realiseren van vier woningen een afwijking van de geldende planregels inhoudt. Uit de motivering blijkt echter niet waarom deze afwijking in dit concrete geval leidt tot een planologisch onaanvaardbare situatie en waarom de voorgenomen ontwikkeling ruimtelijk niet passend wordt geacht. Voor wat betreft de ruimtelijke kwaliteit, leefbaarheid en mogelijke overlast merkt de commissie op dat uit het procesdossier volgt dat de provincie Noord-Holland bereid is een ontheffing te verlenen, juist omdat sprake zou zijn van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid in het lint.
Daarnaast volgt uit het Beeldkwaliteitsplan dat de ontwikkeling leidt tot een ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Niet inzichtelijk is gemaakt op welke wijze deze stukken zijn betrokken bij de beoordeling, noch waarom de voorgenomen ontwikkeling desondanks in strijd wordt geacht met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Evenmin is gemotiveerd op welke wijze en in welke mate de ontwikkeling zou leiden tot concrete overlast voor de omgeving. In het raadsadvies is voorts gesteld dat het participatieproces gebrekkig zou zijn verlopen en dat zienswijzen onvoldoende zijn meegewogen. De commissie merkt hierover op dat de gemeenteraad in zijn beleid, te weten de Lijst verplichte participatie bij BOPA, heeft voorgeschreven dat in bepaalde gevallen participatie verplicht is. Deze lijst correspondeert met de Lijst adviesrecht. Uit de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 april 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2024:2126) volgt dat in gevallen waarin participatie verplicht is gesteld, deze participatie wel enige betekenis moet hebben. Het is in de eerste instantie aan het college om te beoordelen of de initiatiefnemer in redelijkheid heeft kunnen volstaan met de verrichte participatie. Daarbij geldt dat met participatie niet wordt beoogd unanieme steun of volledig draagvlak onder omwonenden te verkrijgen.
Het college dient er wel op toe te zien dat daadwerkelijk invulling wordt gegeven aan de participatieverplichting (ECLI:NL:RBAMS:2025:9275). De commissie overweegt dat uit het participatieverslag volgt dat een informatiebijeenkomst is gehouden en dat op verschillende momenten met omwonenden is gesproken. Tevens blijkt dat inhoudelijk is gereageerd op de ingebrachte bezwaren. Waarom het participatieproces, ondanks deze inspanningen, als gebrekkig moet worden aangemerkt en welke zienswijzen onvoldoende zouden zijn meegenomen, is de commissie niet duidelijk geworden. Wel merkt de commissie op dat, anders dan bezwaarden stellen, niet op voorhand kan worden gezegd dat het participatieproces voor de uitkomst geen verschil zou kunnen maken. Daarbij is van belang dat de gemeenteraad niet voor niets bij deze categorie gevallen participatie verplicht heeft gesteld. De commissie is, anders dan bezwaarden, van oordeel dat dit onderdeel wellicht niet zelfstandig doorslaggevend is, maar in samenhang met de overige omstandigheden een relevante rol kan spelen bij de uiteindelijke besluitvorming. Verder is in het raadsadvies opgenomen dat er blijvende zorgen zijn over natuurwaarden en onvoldoende zekerheid over de impact op de omliggende natuur. De commissie constateert dat er verschillende natuuronderzoeken zijn gedaan naar verschillende relevante aspecten.
Naar het oordeel van de commissie zijn de zorgen zoals nu verwoord onvoldoende geconcretiseerd. Niet inzichtelijk is gemaakt welke concrete negatieve effecten voor de omliggende natuur worden verwacht en waarom de beschikbare onderzoeken en berekeningen op dit punt volgens de gemeenteraad toch ontoereikend zouden zijn. Ook wordt gewezen op het risico van precedentwerking. De commissie stelt vast dat deze stelling evenmin is geconcretiseerd. Niet is gemotiveerd waarom de specifieke kenmerken van deze locatie en dit plan zouden leiden tot vergelijkbare ontwikkelingen elders, noch waarom dergelijke ontwikkelingen planologisch onaanvaardbaar zouden zijn.
-5-
De commissie wijst er daarbij op dat precedentwerking als zodanig geen zelfstandige weigeringsgrond vormt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat daadwerkelijk ongewenste ruimtelijke effecten zullen optreden. Een dergelijke onderbouwing ontbreekt. Ook de motivering ten aanzien van de Woonvisie en financiële haalbaarheid schiet te kort. De commissie komt alles overwegende tot het oordeel dat het bindend negatieve advies van de gemeenteraad, dat door het college integraal aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, onvoldoende is gemotiveerd. Hoewel het advies is gebaseerd op op zichzelf relevante beoordelingsaspecten, blijft de motivering grotendeels steken in twijfels en niet-onderbouwde stellingen. Niet inzichtelijk is gemaakt waarom de voorgenomen ontwikkeling, ondanks de planologische onderbouwing en de uitgevoerde onderzoeken, ruimtelijk onaanvaardbaar is. Evenmin blijkt dat er een belangenafweging heeft plaatsgevonden. De commissie onderkent dat in het onderhavige geval sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 16.15b van de Ow, hetgeen meebrengt dat het college op de aanvraag dient te beslissen met inachtneming van het advies van de gemeenteraad. Het college mag niet van dit advies afwijken. Dit laat onverlet dat de beoordeling van een aanvraag om een Bopa ingevolge artikel 4.21, eerste lid, van het Omgevingsbesluit een bevoegdheid van het college blijft.
Het college kan ingevolge artikel 3:49 van de Awb alleen volstaan met een verwijzing – waarvan in dit geval in feite sprake van is – naar het raadsadvies, mits dit advies zelfstandig voldoende is gemotiveerd (om de afwijzing van de aanvraag te kunnen dragen). Nu het raadsadvies in dit geval geen zelfstandige en kenbare motivering bevat en het bestreden besluit volledig op dit advies steunt, kan het besluit bij gebreke daarvan de afwijzing van de aanvraag niet dragen. De commissie is van oordeel dat herstel van een dergelijk motiveringsgebrek in het bindend advies in bezwaar niet betekent dat het college zelf het eerst aangewezen bestuursorgaan is om dit gebrek zelf te repareren door alsnog een (nieuwe) inhoudelijke onderbouwing aan het raadsadvies toe te voegen. Het bindend advies is immers afkomstig van de gemeenteraad; het is aan de raad om – indien zij daartoe aanleiding ziet – het advies nader te motiveren of te wijzigen. In dit verband wijst de commissie op een recente uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 december 2025 (ECLI:NL:RBZWB:2025:9135). De rechtbank heeft daarin – kort gezegd – geoordeeld dat: “omdat het college door artikel 16.15b Ow geen ruimte heeft om anders te beslissen dat door de
raad in haar advies is bepaald, dient de raad ook bij de behandeling van bezwaren volledig betrokken te worden, zodat het college ten minste de bezwaren en het verslag van de hoorzitting en -indien van toepassing- het advies van de bezwaarschriftencommissie aan de gemeenteraad moet voorleggen. Zolang de raad haar advies niet wijzigt, is het college immers gehouden om dat advies te volgen.”
Als de raad tot een gewijzigd advies komt, zal het college - volgens de rechtbank - moeten aangeven welke gevolgen dat heeft voor het bestreden besluit.
Beroep op het vertrouwensbeginsel
Ten aanzien van het beroep op het vertrouwensbeginsel oordeelt de commissie als volgt. Dat – zoals bezwaarden stellen – het college op 19 november 2024 een positief principebesluit heeft genomen maakt in dit geval niet dat het college verplicht was om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. De commissie is van oordeel dat het college noch met het positief principebesluit van 19 november 2024, noch met het sluiten van de anterieure overeenkomst bij bezwaarden het vertrouwen heeft gewekt dat het zonder meer een omgevingsvergunning voor de aanvraag zou verlenen. Zo blijkt uit het principebesluit dat enkel een positieve grondhouding is aangenomen ten opzichte van het plan, en is in artikel 8 van de anterieure overeenkomst uitdrukkelijk bepaald dat ‘het college de aanvraag om een omgevingsvergunning zal weigeren indien de gemeenteraad geen positieve grondhouding aanneemt over het Project’. In dit geval is daarbij doorslaggevend dat de gemeenteraad een negatief bindend advies heeft afgegeven, waarvan het college ingevolge artikel 16.15b van de Omgevingswet niet van mag afwijken. Bovendien zijn partijen overeengekomen dat de aanvraag zal worden geweigerd als de gemeenteraad geen positieve grondhouding aanneemt.
Los daarvan geldt dat het college in het kader van de besluitvorming over een aanvraag om een omgevingsvergunning ook zelf kan terugkomen op een eerder ingenomen positieve grondhouding, indien de verdere procedure daartoe aanleiding geeft. De -6-
uiteindelijke definitieve beslissing over de verlening van de omgevingsvergunning hangt immers af van alle in de verdere loop van de procedure naar voren gekomen feiten en belangen. De afweging om de vergunning te verlenen zou dus nog anders kunnen uitvallen dan het college in de eerste instantie had ingeschat.2 Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Advies Nu het college het (negatief) raadsadvies integraal aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd en dit advies onvoldoende is gemotiveerd, kan het bestreden besluit de afwijzing van de aanvraag niet dragen. De commissie adviseert het college gelet op het voorgaande het bezwaar daarom gegrond te verklaren en het bezwaarschrift, de opname van de hoorzitting en het advies van de commissie aan de gemeenteraad voor te leggen met het verzoek te bezien of de raad, met kennisneming van deze stukken, bij het eerder uitgebrachte bindend (negatief) advies blijft dan wel dit advies nader motiveert of wijzigt. De commissie is van oordeel dat het vervolgens aan het college is om, aan de hand van de (eventuele) aanvullende onderbouwing c.q. wijziging van het advies van de gemeenteraad, te beoordelen of het geconstateerde motiveringsgebrek kan worden hersteld in bezwaar, dan wel – bij het uitblijven van een toereikende aanvullende motivering – herroeping van het bestreden besluit aangewezen is.
De commissie adviseert verder om aan de hand van deze besluitvorming te bepalen of aan bezwaarden een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand moet worden toegekend.
Landsmeer, 7 januari 2026 De commissie bezwaarschriften, de secretaris,
de voorzitter,
mw. mr. K. Akin
De heer drs. D.J. van Vliet LL.M.
2
Zie ECLI:NL:RBDHA:2021:15138 en ECLI:NL:RVS:2014:775
-7-