RIB Landelijke tarieven Gecertificeerde Instellingen Bijlage 2
Tekst van het document
Evaluatie bijzondere (pupil)kosten jeugdigen Brabant 2023 Evaluatie en wijzigingen Januari 2024
Nieuwe regeling bijzondere kosten Brabant Sinds 2022 werken de Brabantse Jeugdzorgregio’s met een nieuwe ‘uitwerking bijzondere (pupil)kosten jeugdigen Brabant’1. Deze werkwijze is destijds opgesteld om de eerder gemaakte afspraken rondom de pupilkosten te vernieuwen en beter werkbaar te maken. De afgelopen maanden is deze werkwijze geëvalueerd, wat heeft geleid tot enkele aanpassingen. In onderstaand gedeelte zijn de belangrijkste bevindingen van deze evaluatie benoemd en is weergegeven op welke punten de regeling is gewijzigd. De nieuwe versie van de regeling is bijgevoegd als bijlage 1 ‘vergoeding bijzondere (pupil) kosten’. Deze treedt in werking per 1 januari 2024.
Opstartfase in 2022 Zowel de Gecertificeerde Instellingen (GI’s) als de Brabantse gemeenten hebben in het begin moeten wennen aan de nieuwe werkwijze. Enkele GI’s hebben in het verleden (te) veel de hand op de knip gehouden daar waar het gaat om het besteden van deze bijzondere kosten. Eén van de redenen hiervan was dat niet iedere GI een goed overzicht had hoeveel kosten er daadwerkelijk besteed waren. Een ander aandachtspunt is dat het voor GI’s lastig was om in contact te komen met de juiste personen van de gemeenten (de zogenaamde armoedefunctionarissen), zodat het lang kon duren voor de juiste oplossing was gevonden. Dit heeft ertoe geleid dat vooral in het begin van deze periode relatief weinig van het beschikbare budget, met een totaalbedrag van z’n 1,4 miljoen Euro, is besteed. Voor het jaar 2022 komt de totale besteding uit op 57% van het beschikbare budget2. De GI’s geven aan dat, hoe langer deze regeling loopt, hoe scherper zij in beeld hebben waar het budget voor ingezet kan worden en hoe beter zij in staat zijn om het budget te benutten. Overigens is het geen doel op zich om het budget volledig uit te nutten.
Belang jeugdige staat steeds meer voorop In de samenwerking tussen GI’s en gemeenten lukt het steeds beter om in de eerste plaats te kijken naar het belang van de jeugdige en om daarna pas te kijken naar de kosten én wie deze kosten moet betalen. De begeleiding en ontwikkeling van de jeugdige moet voorop staan, afstemming over financiële (rand)zaken mag niet buitenproportioneel veel tijd kosten. Het feit dat er ruimte is in het bestaande budget voor deze bijzondere kosten maakt het voor de GI’s gemakkelijker om hier slagvaardig in te handelen.
1 2
De achtergrondinformatie over deze uitwerking is weergegeven in bijlage 2 Dit is inclusief een opslag van 10% voor administratieve lasten
Verschillen tussen GI’s Wanneer we kijken naar de uitnutting van het budget dan valt op dat het Leger des Heils hun budget van 2022 volledig heeft opgemaakt, terwijl Jeugdbescherming Brabant, William Schrikker Stichting en Jeugd Veilig Verder nog veel ruimte hadden. De extra kosten voor het Leger des Heils zitten vooral in de tolkenkosten, gerelateerd aan de doelgroep waar zij mee van doen hebben. De GI’s hebben afgesproken om te kijken of ze gezamenlijk tot een oplossing kunnen komen voor deze hoge tolkenkosten.
Inhoudelijke wijzigingen Verreweg de meeste afspraken uit de huidige werkwijze blijven hetzelfde. De inhoudelijke wijzigingen zijn de volgende: •
•
•
Leerlingenvervoer (behorende bij punt E.1. uit de huidige regeling): De afgelopen periode is het diverse keren voorgekomen dat het moeilijk was om vervoer naar school te regelen voor een pupil. In de meeste gevallen zaten deze jeugdigen bij een jeugdhulpaanbieder buiten de regio, ver weg van school en familie/vrienden. Omdat er vaak sprake was van regulier onderwijs, is het lastig gebleken om hier afspraken over te maken in het kader van het leerlingenvervoer. In een enkele situatie is het voorgekomen dat een jeugdige (tijdelijk) niet naar school ging omdat het vervoer niet was geregeld. De gemeenten in Brabant werken aan een regeling om dit knelpunt op te lossen. Kort gezegd komt het daarop neer dat de gemeente die de jeugdige bij de jeugdhulpaanbieder heeft geplaatst, ook de financiering regelt voor het leerlingenvervoer naar de school van herkomst. Deze regeling geldt voor alle vormen van onderwijs, dus ook voor regulier onderwijs. Deze regeling is wel beperkt tot uithuisplaatsingen in geval van crisis of uithuisplaatsingen welke anderszins van beperkte duur zijn. Als het vervoer ondanks deze nieuwe regeling, om wat voor reden dan ook niet tijdig van de grond komt, kan de GI de kosten voor het vervoer (tijdelijk) financieren via deze regeling bijzondere kosten. Dit vanuit het eerder genoemde oogpunt: het belang van de jeugdige staat voorop. Vervoer i.v.m.
een omgangsregeling en het behoud van het eigen netwerk (behorende bij punt D.7 uit de huidige regeling). In de vorige versie van de regeling wordt specifiek gesproken over het vergoeden van openbaar vervoer vanuit het budget bijzondere kosten, met als doel het behoud van het eigen netwerk en/of het mogelijk maken van een omgangsregeling. Dit wordt aangepast zodat elke vorm van vervoer hieruit gefinancierd kan worden, zoals taxivervoer. Eigen risico aansprakelijkheidsverzekering (behorende bij punt C.12 uit de huidige regeling). In het originele stuk staat dat de aansprakelijkheidsverzekering particulieren (AVP) betaald kan worden uit deze regeling. Hieraan wordt toegevoegd dat ook het eigen risico behorende bij deze AVP wordt vergoed vanuit deze regeling.
Wijzigingen t.a.v. financiële afspraken Uit de evaluatie blijkt dat geen enkele GI boven het beschikbare budget uit is gekomen. De GI’s maken daarom voor 2022 geen gebruik van de hardheidsclausule. Het feit dat het budget niet volledig is uitgenut maakt dat de GI’s niet terughoudend hoeven te zijn met het uitgeven van deze middelen. Dit moet als gevolg hebben dat de jeugdigen snel worden geholpen zonder dat de GI’s (en gemeenten) veel tijd kwijt zijn met administratie. Dit is ook precies één van de doelstellingen van deze regeling. Echter, in de
toekomst kan het voorkomen dat een GI wel aanspraak maakt op de hardheidsclausule. Er is afgesproken dat de GI’s hun benutting van het budget goed monitoren en – indien zij over het budget heen dreigen te gaan – tijdig onderling afstemming zoeken om te kijken of ze de kosten kunnen drukken en/of onderling kunnen verdelen. De besteding van de bijzondere kosten een vast agendapunt tijdens de halfjaarlijkse bovenregionale accountgesprekken tussen de GI’s en de regio’s. Deze momenten worden ook benut om afspraken verder aan te scherpen. Het niet-benutte budget wordt niet teruggevorderd door de gemeenten. Dit wordt ook de komende periode niet gedaan. Redenen hiervoor zijn dat de GI’s tijd en ruimte nodig hebben om deze regeling goed uit te voeren zodat zij direct kunnen handelen om de jeugdigen snel te helpen. Hier tegenover staat dat de gemeenten verwachten van de GI’s dat ze in de toekomst realistisch met de hardheidsclausule omgaan, o.a. door rekening te houden met het feit dat de gemeenten het niet-benutte budget niet terugvorderen. Bij de volgende evaluatie van deze werkwijze wordt opnieuw gekeken naar de uitnutting van de kosten. Hierbij wordt specifiek onderzocht in hoeverre het mogelijk is om het nietbenutte budget van het ene jaar te gebruiken voor een overbesteding van een ander jaar3.
In afstemming met de William Schrikker Stichting is besloten om hun opslag voor de bijzondere kosten te verlagen naar het bedrag zoals dat in de werkgroep voor de Landelijke tarieven is berekend. Dit is een specifieke opslag vanwege de doelgroep (LVB) die zij bedienen. Dit betekent voor de Brabantse jeugdzorgregio’s een feitelijke verlaging van de opslag van circa 30% ten opzichte van de huidige afspraken.
Overige wijzigingen De volgende passages worden toegevoegd aan de regeling: • •
In de regeling wordt extra benadrukt dat het belang van de jeugdige voorop staat. Het is aan de professionele inschatting van de jeugdbeschermer om kosten te betalen die vallen onder de regeling bijzondere kosten. De kosten worden door de GI’s toegeschreven aan de jeugdigen op basis van het woonplaatsbeginsel. Impliciet was dit al de afspraak, maar deze zin wordt er expliciet ingezet om misverstanden te voorkomen.
Landelijk tarief in relatie tot deze regeling Ten tijde van het opstellen van deze evaluatie zijn de eerste rapporten gepubliceerd over de landelijke tarieven voor de GI’s. Op dit moment ziet het ernaar uit dat het budget voor de bijzondere (pupil)kosten niet wordt opgenomen in dit tarief. De jeugdzorgregio’s moeten daarom regionaal zelfstandig afspraken hierover maken. Dat doen wij door deze aanpassing van de huidige werkwijze. Indien er toch een noodzaak is om vanwege deze beweging naar een landelijk tarief, te komen tot nieuwe afspraken rondom bijzondere pupilkosten, dan onderneemt de regio hier actie op. Hiernaast moet iedere regio bepalen 3
Een vertegenwoordiging van de deelnemers aan deze evaluatie heeft verkend of een dergelijke contractuele afspraak per 2024 ingevoerd kan worden. Het bleek echter niet proportioneel om dit op korte termijn te regelen.
hoe de pupilkosten gefinancierd worden op het moment dat het Landelijk tarief van toepassing is. Deze financieringswijze moet nog door de regio’s worden bepaald. Ons advies hierbij is om, net zoals dat nu het geval is, een opslag voor de bijzondere kosten op te nemen in de tarieven van de maatregelen OTS en Voogdij.
Aanpassing januari 2024 Toevoeging aan deze notitie d.d. 24 januari 2024: Op basis van het voorgenomen besluit van gemeenten, vanwege de invoering van het landelijk tarief, worden de afspraken rondom de indexering van het tarief voor de bijzondere pupilkosten aangepast. Dit betekent dat er wordt geïndexeerd op basis van 90% OVA en 10% PPC.
Nieuwe evaluatie in 2025 Deze nieuwe werkwijze is van toepassing voor de jaren 2024 en 2025. Een evaluatie vindt in het voorjaar van 2025 plaats. Indien hier aanleiding toe is, bijvoorbeeld wanneer er grote verschillen ontstaan tussen het beschikbare budget en de daadwerkelijke uitnutting van het budget, vindt de evaluatie eerder plaats.
De deelnemers van de werkgroep Namens de GI’s Dennis Peters en Sanne Holland (JBB) Richard Scheenstra (LdH) Maria de Boer, Jessica Sijtsma en Mark Berendsen (WSS)
Namens de gemeenten Henriette de Boer-Maas en Lisanne van Eck (regio WBO) Twan Vermeulen (regio HvB) Andre Massop (regio ZOB) Ietje Baars en Levien Timmers (regio WBW) Mirjam Wijnen en Kris Jansen (regio NOB)
Namens Jeugdautoriteit John Poot (toehoorder)