Agendabundel
Tekst van het document
•
•
•
•
•
in het Bestuurlijk Overleg wordt de voortgang van de acties besproken, inclusief eventuele knelpunten of blokkades en mogelijke oplossingen; de uitvoering van de SPUK wordt gemonitord en besproken. Er wordt tijdig afgesproken of de middelen in de SPUK die structureel beschikbaar zijn, na 2025 worden ondergebracht in een (volgende) SPUK of dat een andere financieringsconstructie de voorkeur verdient. Een belangrijk aspect hierbij is de mogelijkheid om een integraal gezondheidsbeleid te kunnen voeren; VNG en VWS gaan in 2024 met elkaar in overleg om te bepalen wat het wegvallen van middelen in de SPUK na 2025 betekent voor de in gang gezette beweging en het halen van de doelen uit het GALA; voor 2026 wordt door VWS in samenwerking met VNG en ZN een voorstel uitgewerkt hoe taken en bevoegdheden in wet en regelgeving kunnen worden verankerd, in het licht van de balans van plichten van zorgverzekeraars en gemeenten en tegen de achtergrond van de wens van gemeenten om structurele financiering via het Gemeentefonds te laten verlopen. Het ministerie van BZK wordt hier ook bij betrokken; VWS, BZK en VNG spreken in de eerste helft van 2023 door over de uitvoerbaarheid van het GALA en het daarmee samenhangende financiële arrangement. Dit gesprek wordt gevoerd binnen de context van de uitvoeringstoets Decentrale Overheden.
Hierbij wordt ook besproken hoe dit onderwerp wordt meegenomen in een midterm review in 2024 (aansluitend op de midterm review van het IZA). In de midterm review wordt ook meegenomen hoe de implementatie van keten aanpakken, zoals die op overgewicht of valpreventie, in de lokale praktijk verloopt.
Om de partijen die niet ondertekenen maar wel betrokken en relevant zijn voor de beweging op gezondheid en preventie in brede zin, aangesloten te houden, worden in ieder geval de volgende activiteiten voorzien: • op regionale schaal worden netwerkbijeenkomsten georganiseerd waar, afhankelijk van het thema, relevante kennis- en uitvoeringspartijen voor worden uitgenodigd; • op landelijke schaal wordt jaarlijks een GALA bijeenkomst georganiseerd waar goede voorbeelden uit de regio en blokkades worden besproken. Hierbij wordt wel bezien, in samenspraak met betrokken partijen, in hoeverre een dergelijke bijeenkomst toegevoegd waarde heeft ten opzichte van andere landelijke congressen waar gezondheid centraal staat; • in de ketenaanpakken zijn partijen die noodzakelijk zijn voor de implementatie van de ketenaanpak betrokken. VWS, gemeenten en zorgverzekeraars spreken het volgende af: • er vindt een aantal malen per jaar een Bestuurlijk Overleg plaats waarin de bewindspersonen van VWS, de delegatie van wethouders van de VNG en bestuurders van ZN spreken over de uitvoering van het GALA;
GALA – Gezond en Actief Leven Akkoord | 45
Bijlagen
46 | GALA – Gezond en Actief Leven Akkoord
Bijlage 1 Samenhang GALA met andere trajecten Samenhang met het IZA In het IZA (p. 80) is de volgende passage opgenomen, waaraan navolging wordt gegeven in het GALA: “Gemeenten zijn – gezien hun brede verantwoordelijkheid in het sociale en preventieve domein – goed in staat om passende en integrale ondersteuning en zorg te bieden aan of organiseren voor (kwetsbare) mensen. Het gaat dan om beleid en aanpakken op diverse onderwerpen; denk aan gezondheidsachterstanden, mentale gezondheid, aandacht voor leefstijl in een gezonde leefomgeving, de sociale basis (o.a. vrijwilligerswerk, mantelzorgondersteuning en de aanpak van eenzaamheid) en maatwerkvoorzieningen in de ondersteuning van zelfredzaamheid. Met name voor ouderen (en hun mantelzorgers) is de rol van gemeenten op het terrein van volkshuisvesting belangrijk. Dit alles in combinatie met beleidsvorming en maatregelen in het bredere sociaal domein (o.a. bestaanszekerheid en opvoedondersteuning/ jeugdhulp). Daarmee kunnen gemeenten een belangrijke bijdrage leveren aan het voorkomen of uitstellen dat mensen ziek worden, vereenzamen of mentale klachten ontwikkelen, en het beperken van de instroom in (duurdere) zorgvoorzieningen, waaronder de curatieve GGZ.
Om deze beweging naar de voorkant kracht bij te zetten maken VWS en gemeenten afspraken in het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA) over gezondheidsdoelen en de inzet hierop.” Tevens zijn in het IZA afspraken opgenomen ten aanzien van regionale samenwerking, een regionale preventieinfrastructuur en de inrichting van effectieve ketenaanpakken over de domeinen (Zvw, Wpg, Wmo en Jeugdwet) heen. Deze afspraken zijn zowel op gemeenten als zorgverzekeraars van toepassing en vormen de basis voor de regionale samenwerking die op het terrein van gezond leven en preventie nodig is. Een aantal van deze afspraken behoeft nadere uitwerking, zodat we over en weer weten wat we van elkaar mogen verwachten, waar we elkaar op kunnen aanspreken en gezamenlijk tot een goed werkprogramma voor de komende jaren kunnen komen. In het IZA is afgesproken dat deze uitwerking uiterlijk 15 december 2022 gereed is.
Samenhang WOZO Het programma Wonen, Ondersteunen en Zorg voor Ouderen (WOZO) zet zich in op de brede maatschappelijk beweging gericht op een omslag in de organisatie van ondersteuning en zorg die zich aanpast op de veranderde voorkeuren van ouderen en daarmee de financiële en personele houdbaarheid bevordert. Om te bevorderen dat ouderen in de toekomst langer zelfstandig kunnen blijven wonen op een plek waar ze zich thuis voelen, erkennen de samenwerkingspartners een ontwikkeling die al gaande is maar waarbij de vrijblijvendheid nu voorbij is. De norm wordt: zelf als het kan, thuis als het kan en digitaal als het kan. Het realiseren van deze norm zal de inspanning van vele partijen en meerdere
jaren vergen. Ouderen willen zo lang mogelijk regie houden en thuis blijven wonen. Dit willen partijen goed organiseren en ze willen inspelen op de verdergaande veranderingen in de toekomst. Vitaal ouder worden is de eerste actielijn en belangrijke pijler van het WOZO programma en richt zich op het bevorderen van gezondheid en de zelfredzaamheid van ouderen. WOZO streeft o.a. de volgende doelen na met deze actielijn: • ouderen zijn in staat om zelf de regie te hebben en leiden met hun netwerk hun leven, passend bij hun cultuur en gewoontes; • nadenken over en voorbereiden op ‘ouder worden’ wordt een vanzelfsprekend onderdeel van het leven; • ouderen kunnen terugvallen op een voldoende groot netwerk omdat het tijdig gelukt is hier -met ondersteuning – in te investeren. Dit leidt onder andere tot meer veerkracht, meer levensgeluk en minder eenzaamheid; • we kijken naar elkaar en iedereen pakt hierin een verantwoordelijkheid: van buren en naasten tot de overheid en private partijen (= samenredzaamheid); • de leefomgeving is ingericht met de belangrijkste omgevingskwaliteiten voor senioren, zoals toegankelijkheid, bereikbaarheid, nabijheid van voorzieningen, kwaliteit leefomgeving en beweegvriendelijk en ontmoeting; • meer informatie en detail worden weergegeven in WOZO.
Samenhang met het Nationaal Preventieakkoord De doelen van het Nationaal Preventieakkoord op roken, overgewicht en problematisch alcoholgebruik worden voortgezet en er wordt toegewerkt naar een Gezonde Generatie in 2040. Hierbij wordt de aanpak verbreed met mentale gezondheid en komt er een extra impuls voor sport en bewegen. Er wordt geïnvesteerd in het intensiveren en uitbreiden van effectieve maatregelen en acties om de doelen dichterbij te brengen. In dit kader heeft het RIVM eerder geconstateerd dat extra inzet nodig is om deze doelen te bereiken. Hierbij is afgesproken dat er ook extra aandacht is voor het verminderen van gezondheidsverschillen en voortbouwen op de lokale preventieakkoorden.
Samenhang met het Sportakkoord II In het Sportakkoord zijn afspraken gemaakt over de ambities, doelen en resultaten op het gebied van Sport en bewegen. Deze afspraken zijn gemaakt tussen het Rijk (VWS), VSG/ VNG, NOC*NSF en POS (Platform Ondernemende Sportaanbieders). Het Sportakkoord II bouwt voort op de afspraken uit het Sportakkoord 2018-2022. De SPUK is het financieel arrangement voor het thema Sport, bewegen en cultuur. Het gaat in het Sportakkoord II om afspraken tussen de vier strategische partners over de gestelde ambities zoals in de Kamerbrief (Top)sportbeleid 2022 en verder, Kamerstuk 30234-304. Deze ambities zijn: het behouden en versterken van de vitale sport- en beweegsector, het bevorderen van kansengelijkheid voor deelname aan sport – en beweegactiviteiten, het bevorderen van bewegen in het dagelijks
GALA – Gezond en Actief Leven Akkoord | 47
leven en het vergroten van de maatschappelijke waarde van Topsport. Het is van belang om op onderdelen integraal te werken met ander domeinen zoals Sociaal domein, Jeugd, Zorg, Preventie. Zo zijn buurtsport- en cultuurcoaches inzetbaar om met sport- en bewegen te werken aan valpreventie en wordt de samenwerking tussen de gestelde ambities, doelen en netwerken lokaal vanuit de lokale sportakkoorden en preventieakkoorden gestimuleerd en gefaciliteerd door de SPUK en vastgelegd in het GALA en het Sportakkoord II.
Samenhang met de Hervormingsagenda Jeugd Met de Hervormingsagenda jeugd wordt een aantal ingrijpende hervormingen in het stelsel van de jeugdzorg door gevoerd om een aantal hardnekkige knelpunten aan te pakken. Om de hulp aan kinderen en gezinnen te verbeteren is het nodig te investeren in de veerkracht van alle kinderen en hun ouders en het versterken van het normale leven. Waarbij een omslag nodig is van een individueel beroep op gespecialiseerde zorg naar inzet vanuit laagdrempelige preventieve en collectieve basisvoorzieningen. Kinderen komen dan niet meer in de jeugdhulp terecht voor problemen die aanvankelijk bij het gewone opvoeden en opgroeien horen. Daarnaast komen kinderen nu in de jeugdhulp terecht vanwege gezondheids- of sociale problemen van de ouders. Dit vraagt om domeinoverstijgende oplossingen. De ambitie en doelstellingen uit dit GALA om de preventieketen te versterken en gezondheid en sociaal domein beter te verbinden dragen hier in belangrijke mate aan bij.
Samenhang met de jeugdgezondheidszorg (JGZ) De JGZ-uitvoerders kunnen een grotere rol in spelen in de hele preventieketen voor de jeugd dan dat ze nu al doen in opdracht van gemeenten. Zij zien immers alle kinderen van 0-18 jaar en kunnen, gelet op hun medische achtergrond, hun centrale rol in het sociale domein en hun kennis van de leefen leeromgeving van het kind helpen de gewenste versnelde beweging naar een gezonde jeugd te realiseren. Door een gezonde levensstijl van jongs af aan te stimuleren, zorgen de JGZ-uitvoerders er mede voor dat minder mensen opgroeien met een gezondheidsachterstand. Door vroegtijdig problemen te signaleren, te normaliseren waar mogelijk en door te verwijzen waar nodig, kan de JGZ helpen gezondheidsproblemen te voorkomen en het beroep op de geïndiceerde jeugdzorg terug te dringen. Dit vraagt van gemeenten dat ze bij het uitwerken van hun visie op de preventieketen voor het kind in het lokale domein, ook kijken naar de additionele rol die de JGZ-uitvoerders hierbij kunnen spelen, naast de rol die zij hebben bij het uitvoeren van het basistakenpakket JGZ. Dit kan bijvoorbeeld door de JGZ-uitvoerders in te zetten in een breed wijkteam, een team mentaal op school, een regierol te geven bij de ketenaanpak overgewicht of als uitvoerder van een interventie in het kader van Kansrijke Start.
De JGZ-uitvoerders kunnen de lokale en de rijksoverheid goed helpen de gewenste versnelde beweging naar gezondheid te realiseren. Er is echter een groot tekort aan
48 | GALA – Gezond en Actief Leven Akkoord
professionals in de JGZ en een toenemende vraag naar de inzet van de JGZ. Het Rijk, gemeenten en betrokken zorg professionals moeten tot een gezamenlijke visie komen over hoe we omgaan met schaarste in personeel en de wijze van zorg en dienstverlening van de JGZ in het licht van dit arbeidsmarktvraagstuk. Om hiertoe te komen richten VWS en VNG een arbeidsmarkttafel JGZ in. Verwachte gespreksthema’s zijn: • samenspraak JGZ-professionals, JGZ-organisaties en gemeenten; • takenpakket en secundaire randvoorwaarden; • opleidingen jeugdarts, arts Maatschappij & Gezondheid met het profiel jeugd, en verpleegkundige.
Samenhang met het programma Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn (TAZ) Het brede arbeidsmarktbeleid van VWS zoals vorm gegeven in het programma TAZ is erop gericht een transitie in gang te zetten naar passende en arbeidsbesparende zorg waarin het voor zorgverleners goed werken is en vormt daarmee de bodem waarop het andere VWS-beleid kan steunen. Sectorale programma’s als IZA, WOZO, de hervormingsagenda Jeugd en GALA zijn essentieel voor de noodzakelijke transities gericht op houdbare zorg. Deze programma’s bouwen voort op het fundament van TAZ. Tezamen moeten de programma’s leiden tot een arbeidsmarkt in zorg en welzijn waarbinnen met minder meer zorgverleners aan de zorgvraag voldaan kan worden. Naast de VWS-programma’s wordt met de interdepartementale aanpak Arbeidsmarktkrapte kabinetsbreed gewerkt aan een arbeidsmarkt die beter bestand is tegen periodes van krapte. Dit programma ziet toe op breed arbeidsmarktbeleid waar alle sectoren in principe profijt van kunnen hebben. TAZ, IZA en WOZO dragen alle bij aan de transitie naar passende zorg. Daartoe wordt ingezet op innovatieve werkvormen, ruimte voor leren en ontwikkelen en behoud van medewerkers. Als uitgangspunt geldt sectoroverstijgend waar het kan, specifiek waar het moet. Op deze drie thema’s zet TAZ sectoroverstijgend in. Via IZA, WOZO en GALA worden sectorspecifieke arbeidsmarktknelpunten opgepakt.
Bijlage 2 Werkagenda VNG bij het Integraal Zorg Akkoord (IZA) Inleiding Voor gemeenten is jaarlijks maximaal € 150 miljoen structureel beschikbaar voor concrete plannen om de IZA-doelen te verwezenlijken, mits gemeenten zich committeren aan het IZA. Deze werkagenda is opgesteld ter onderbouwing van deze beschikbaar gestelde middelen. In deze werkagenda schetst de VNG wat de IZA-partijen van gemeenten mogen verwachten aan inzet ten behoeve van de in het IZA gestelde doelen en gemaakte afspraken.
Uitgangspunten Bij deze werkagenda geldt een aantal uitgangspunten: • De inzet van gemeenten in het kader van het IZA kan zowel lokaal als in samenwerking met andere gemeenten in de samenwerkingsregio plaatsvinden. In de regioplannen wordt expliciet gemaakt welke inzet lokaal en welke regionaal wordt gepleegd. • Met regio’s wordt hier bedoeld de samenwerkingsregio’s uit de werkstructuur van ZN en VNG voor de regionale samenwerking tussen gemeenten en zorgverzekeraars / zorgkantoren (2019). Bij de uitwerking van de afspraken wordt aangesloten bij deze structuur. • Deze werkagenda ondersteunt en verstevigt de positie van gemeenten in de werkstructuur voor de regionale samenwerking door nadere, niet-vrijblijvende afspraken over de organisatie en de aanspreekbaarheid van gemeenten in de regio (voor hun regionale partners). • In deze werkagenda worden de hoofdlijnen geschetst van wat gemeenten/regio’s gaan doen en waar zij dus op mogen worden aangesproken; de vorm en invulling daarvan is aan de regio’s zelf. Hiermee wordt aangesloten bij de reeds geldende uitgangspunten van de werkstructuur (zie laatste onderdeel van deze bijlage). • In ieder geval tot en met 2026 worden de in de inleiding genoemde middelen door de rijksoverheid beschikbaar gesteld aan de regio’s door middel van een Specifieke Uitkering (SPUK).
Het Rijk en de VNG maken rondom de in het IZA afgesproken mid-term review medio 2024 afspraken over hoe de beschikbaar gestelde middelen na 2026 worden uitgekeerd aan gemeenten. • Bij de regionale uitwerking en uitvoering van de afspraken in het IZA wordt zoveel mogelijk aangesloten bij bestaande structuren en werkwijzen, lokaal en regionaal. • De GGD’en hebben een belangrijke kennis- en advies functie op het gebied van gezondheidspreventie. De samenwerkingsregio’s zijn niet allemaal geografisch congruent aan de GGD-regio’s. In de samenwerking gaan partijen daar flexibel en pragmatisch mee om. • De rol van zorgaanbieders, cliënt- en patiëntorganisaties en ervaringsdeskundigheid behoeft expliciete aandacht.
Inzet IZA-middelen De in de inleiding genoemde IZA-middelen zijn bedoeld voor onderstaande niet-vrijblijvende inzet en activiteiten van gemeenten. Op basis van het IZA moet de regio invulling geven aan de genoemde inzet en activiteiten. In het laatste onderdeel van deze bijlage staat een gedetailleerder overzicht van alle afspraken in het IZA die inzet vragen van gemeenten: • Organisatie en coördinatie van de regionale samen werking met zorgverzekeraars, zorgkantoren en zorg aanbieders op basis van de regionale samenwerkings agenda / het regioplan. • Structurele inzet (organisatie, coördinatie, bemensing) op de netwerksamenwerking van het sociaal domein met in ieder geval de ggz, de eerstelijnszorg en de huisartsenzorg. • Structurele inzet op de coördinatie en organisatie van de in IZA afgesproken domeinoverstijgende keteninterventies (waaronder valpreventie bij ouderen, welzijn op recept, aanpak overgewicht bij kinderen, gecombineerde leefstijlinterventie bij volwassenen, kansrijke start). • Inrichten en bemensen van een dekkend netwerk van laagdrempelige steunpunten in de regio voor mensen met psychische kwetsbaarheid. • Regionaal stimuleren van de inzet van e-healthtoepassingen, anonieme hulplijnen en vormen van digitale/hybride zorg. • Extra inzet van gemeenten voortkomend uit het gezamenlijke, aan IZA gekoppelde, regioplan.
Deze inzet kan per regio verschillen, afhankelijk van de regionale prioriteiten en keuzes. NB. Gemeenten dragen er zorg voor dat de inzet van de IZA-middelen niet dubbelt met de andere middelen die door het Rijk specifiek beschikbaar worden gesteld. Dit dient herleidbaar te zijn bij de verantwoording van de inzet van de middelen.
Verdeling van de middelen De IZA-middelen worden beschikbaar gesteld aan de regio door middel van een SPUK. Met regio wordt in deze context bedoeld de samenwerkingsregio’s uit de werkstructuur voor de regionale samenwerking van ZN en VNG. M.b.t. de IZA-middelen moet de SPUK worden aangevraagd door één gemeente uit de regio mede namens de andere gemeenten uit de regio. Om dit mogelijk te maken ontwikkelt de VNG samen met gemeenten een regionale mandaatstructuur die aansluit bij de reeds bestaande afspraken over de bestuurlijke aanspreekbaarheid in de werkstructuur van ZN en VNG. Deze mandaatstructuur wordt hieronder nader toegelicht. In de aanvraag voor de SPUK geven gemeenten voor hun regio aan waarvoor de middelen ingezet zullen worden. Hierbij wordt verwezen naar het regioplan; de afspraken in het regioplan over de gemeentelijke inzet vormen de basis voor de SPUK aanvraag. Daarbij wordt aangesloten bij de werkwijze rondom de regioplannen die in het brede IZAkader nog bestuurlijk moet worden vastgesteld.
GALA – Gezond en Actief Leven Akkoord | 49
De gemeente die met (bestuurlijk) mandaat van de andere gemeenten in de regio de middelen aanvraagt en beheert, draagt zorg voor een evenwichtige verdeling van de middelen gebaseerd op lokale en regionale inzet op in het regioplan afgesproken acties en activiteiten. Daarnaast zorgt de gemandateerde gemeente voor bekostiging uit de IZAmiddelen van de regionale coördinatie van de samenwerking en van de uitvoering van de afspraken in het regioplan. Het totaal van de jaarlijks maximaal beschikbare IZAmiddelen bedraagt 150 miljoen euro. Hiervoor wordt dezelfde verdeelsleutel gehanteerd als voor de middelen in de SPUK ten behoeve van het GALA: op basis van inwoneraantal (gebaseerd op inkomensniveau en opleidingsniveau). Het bedrag voor de regio is daarmee de optelsom van het budget voor alle gemeenten in die regio.
Proces van aanvraag SPUK IZA Het aanvraagproces voor de SPUK-middelen ziet er als volgt uit: 1) één gemeente uit de IZA-regio kan namens de andere gemeenten de aanvraag doen; 2) de aanvraag door de gemandateerde gemeente moet zijn ondertekend door een bestuurder van de gemeente (wethouder of BM); 3) bij de aanvraag zit een bijlage waarin alle andere gemeenten in de regio, middels ondertekening door één bestuurder per gemeente, verklaren dat de gemandateerde gemeente namens hen de aanvraag doet. Het VNG bureau maakt een model voor deze bijlage; 4) voor 2023 betreft de aanvraag een aanvraag op hoofdlijnen, waarbij de regio deze werkagenda als uitgangspunt neemt en een reële inschatting maakt van de verwachte kosten in 2023 voor voorbereidende werkzaamheden en eventuele andere activiteiten, zoals benoemd in het laatste onderdeel van deze bijlage. Gemeenten houden er daarbij rekening mee dat verantwoording volgens de SiSa-systematiek moet plaatsvinden over de daadwerkelijk gemaakte kosten; 5) uiterlijk 31 december 2023 dient de aangewezen gemeente, mede namens de andere gemeenten de aanvraag te completeren met: a. regioplan; b. regio-governance: hoe is geregeld dat de aangewezen gemeente gemandateerd is om namens / samen met de andere gemeenten besluiten te kunnen nemen en hoe ziet de regionale sturing er uit; c.
Plan van Aanpak waarin voor alle relevante onderdelen uit het regioplan wordt aangegeven hoe de gemeentelijke inzet er uit ziet en welk budget daarvoor bestemd is. Daarbij wordt ook onderscheid gemaakt tussen regionale en lokale inzet. 6) na beoordeling van de uiteindelijke aanvraag worden de middelen definitief toegewezen; 7) verantwoording en monitoring vindt plaats via de mandaatstructuur en het dashboard.
50 | GALA – Gezond en Actief Leven Akkoord
Mandaatstructuur De middelen voor de inzet van gemeenten ten behoeve van het IZA worden middels een SPUK uitgekeerd aan de samenwerkingsregio’s. Dat houdt in dat per regio één gemeente namens de regio de middelen aanvraagt, ontvangt en beheert. Met bestuurlijk mandaat van de andere gemeenten in de regio. Voor de mandaatstructuur in het kader van het IZA kan worden aangesloten bij de Norm voor Opdrachtgeverschap (NvO) voor jeugdzorg, maatschappelijke opvang en beschermd wonen. In de NvO zijn niet vrijblijvende afspraken opgenomen tussen zowel gemeenten binnen een regio als tussen regio’s onderling. Met de NvO nemen gemeenten de verantwoordelijkheid om regionale samenwerking te verbeteren en het opdrachtgeverschap te versterken, met het oog op een goed functionerend zorglandschap. De gemeenten in de regio zijn met elkaar verantwoordelijk voor het aanwijzen van de gemandateerde gemeente (-bestuurder; hierna mandaathouder) en de inrichting van de mandaatstructuur, waaronder de afspraken over hoe verdeling van de middelen in zijn werk gaat. Net als bij de NvO wordt een in een dashboard voor alle regio’s bijgehouden of en hoe deze afspraken zijn vastgesteld. De mandaathouder is voor de andere partijen aanspreekbaar op deze afspraken.
De mandaathouder is verantwoordelijk voor de onderlinge afstemming in de regio over de inzet en verdeling van de middelen en voor de terugkoppeling aan de VNG tbv landelijk overleg en monitoring. Alle regio’s maken zo spoedig mogelijk en uiterlijk 30 juni 2023 kenbaar wie mandaathouder is. Pas na bekendmaking kunnen de SPUK-middelen worden uitgekeerd. Ambtelijk en bestuurlijk netwerk Eveneens aansluitend bij de NvO richt de VNG zowel een ambtelijk als een bestuurlijk netwerk op om de samenwerking in de regio’s – zowel tussen gemeenten onderling als met de andere partijen in de regio – te ondersteunen. Doel van dit netwerk luidt: ‘het bevorderen van de samenwerking door uitwisseling van onderwerpen met een regionaal, bovenregionaal en landelijk karakter in het kader van de regionale samenwerking’. Alle regio’s worden gevraagd een ambtelijk en bestuurlijk aanspreekpunt af te vaardigen voor het netwerk. Deze aanspreekpunten zijn de aanjagers van de domeinoverstijgende samenwerking. Concreet moet het netwerk leiden tot de volgende resultaten: • vertegenwoordiging van de regio’s in landelijke ambtelijke en bestuurlijke bijeenkomsten; • uitwisselen van goede voorbeelden en geleerde lessen; • ontwikkelen en bevorderen van samenwerkingsafspraken; • een heldere governance waarop gemeenten zowel intern als extern aanspreekbaar zijn.
Het netwerk heeft geen besluitvormend karakter, hiervoor is de bestaande
governance leidend, o.a. VNG-commissie Zorg, Jeugd en Onderwijs en het VNG bestuur. Voor wat betreft het ambtelijk netwerk geldt hetzelfde. De GGZ werkgroep en het strategisch afstemmingsoverleg bereiden de bestuurlijke besluitvorming voor.
Regiobeeld en regioplan In het IZA is afgesproken dat partijen in de regio, op basis van een regiobeeld, in een regioplan afspraken maken over hoe zij gaan samenwerken en hoe zij uitvoering gaan geven aan de plannen. Gemeenten zijn daar onderdeel van en worden vertegenwoordigd door de onderling afgesproken (ambtelijke en bestuurlijke) regionale aanspreekpunten. Hiervoor kan worden aangesloten bij de reeds bestaande regionale organisatiestructuur in het kader van de werkagenda van ZN en VNG. Op basis van het regioplan maken gemeenten keuzes met betrekking tot welke regionale en lokale inzet nodig is om uitvoering te geven aan de plannen. In het regioplan kan worden uitgewerkt wat de precieze rol en functie van de GGD(-en) in de regio is, hoe de samenwerking tussen eventueel niet-congruente GGD’en kan worden gefaciliteerd en hoe de opdrachtverlening vanuit de regio aan de GGD kan worden vormgegeven.
Monitoring Voor de monitoring van de uitvoering van de plannen en de resultaten daarvan wordt aangesloten bij de IZA-governance en de afspraken in het IZA ten aanzien van monitoring. Daarnaast voeren VNG en ZN jaarlijks het ‘Venster op de regionale samenwerking’ uit, waarin zorgverzekeraars en gemeenten de samenwerking in de regio beoordelen.
Overzicht van voor gemeenten relevante afspraken in het IZA Regionale samenwerking • Structureel organiseren en coördineren33 regio bestuurlijk en ambtelijk (onderlinge afstemming en rolverdeling en mandaat). • Initiatief voor opstellen regioplan / -agenda samen met de zorgverzekeraar en zorgkantoor. • Initiatief voor periodiek evalueren regioplan / -agenda. • Periodiek herijken en actualiseren regiobeeld. • Periodiek herijken regioplan / -agenda. • Ondersteuning van partijen in de regio om hun eigen plannen af te stemmen op het regioplan en regiobeeld. • Bevorderen samenwerking tussen partijen in het realiseren van de IZA-doelen. • Rekening houden met regioplannen in de inkoop. Samenwerking acute zorg en cruciale zorg • Zorgen voor goede voorzieningen en ondersteuning bij sociale problematiek die bijdragen aan het voorkomen van oneigenlijke instroom in de acute zorg.
•
Samen met zorgaanbieders en verzekeraars, uitwerken van een handreiking die door partijen gebruikt kan worden voor het maken van afspraken over de cruciale zorg en het monitoren van deze afspraken.
Samenwerking GGZ – huisartsen – sociaal domein • Ontwikkelen en implementeren gezamenlijke (lokale/ regionale) werkwijze voor mensen met psychische klachten tav ten behoeve van in-, door- en uitstroom. • Structureel organiseren en coördineren van (de uitvoering van) deze werkwijze als onderdeel van de regionale infrastructuur. • Implementatie handreiking cruciale zorg samen met GGZ aanbieders en verzekeraars. • Structurele organisatie en coördinatie van de beschikbaarheid vanuit sociaal domein voor deze werkwijze als onderdeel van de regionale infrastructuur. • Monitoring en signalering van knelpunten in het aanbod / beschikbaarheid zorg. • Monitoring van de effecten van deze werkwijze. • Inrichten en bemensen van laagdrempelige steunpunten waar iedere inwoner toegang tot heeft, ondersteund door sociaalwerkers als onderdeel van de regionale infrastructuur. • Bijdragen aan landelijk dekkend netwerk van digitale lotgenotengroepen (e-communities) • Samen met de huisartsen en de GGZ mentale gezondheidscentra vormgeven. • Maken en coördineren van de regionale samenwerkingsafspraken voortkomend uit de werkagenda en inrichten van regionale voorzieningen of activiteiten. • Implementeren, structureel organiseren en uitvoeren van de werkwijze ‘Verkennend Gesprek’. • Financieren van de inzet van sociaal domein professionals die het verkennend gesprek voeren.
• Inregelen en uitvoeren van de consultatiefunctie die wordt ingekocht door de zorgverzekeraar. Samenwerking eerstelijn • Doorontwikkeling en implementatie handreiking netwerksamenwerking en samen indiceren. • Structurele organisatie en coördinatie van deze werkwijze als onderdeel van de regionale infrastructuur. • Structureel organiseren en coördineren van een sterke samenwerking tussen de eerste lijn en het sociaal domein, bijvoorbeeld Welzijn op Recept, als onderdeel van de regionale infrastructuur. Ketenaanpakken • Initiëren regionale samenwerkingsafspraken keten aanpakken (waaronder kansrijke start, valpreventie bij ouderen, aanpak overgewicht en obesitas bij kinderen, de gecombineerde leefstijlinterventie bij overgewicht van volwassenen, welzijn op recept) en structureel organiseren en coördineren van de inzet van gemeenten in de regio.
33 Met ‘coördineren’ wordt bedoeld structurele borging door continue sturing, bewaking, aanjagen, etc
GALA – Gezond en Actief Leven Akkoord | 51
E-health en digitale / hybride zorg • Regionale coördinatie op de inzet van e-health toepassingen, anonieme hulplijnen en vormen van digitale / hybride zorg. • Het regionaal bevorderen van de inzet en het gebruik van deze vormen van zorg. • Het maken van inhoudelijke passende afspraken in alle contracten met zorgaanbieders over aanbod en inzet van gebruiksvriendelijke hybride zorg, uiterlijk in 2025. En het maken van afspraken over hoe de benodigde transformatie te realiseren. Kennisfunctie • Inzet van de GGD als kennispartner bij het opstellen, actualiseren en periodiek herijken van het regioplan en regiobeeld. • Door inzet van de kennisfunctie van de GGD, gemeenten ondersteunen bij het opstellen en uitvoeren van een lokaal gemeentelijk plan van aanpak voor preventie in de zorg, leefstijl en gezond leven. Arbeidsmarkt • Regionaal plan om bredere stages en coschappen - ook in het extramurale domein - te stimuleren plus uitvoering daarvan. • Het regionaal monitoren van ontwikkelingen en knel punten in de arbeidsmarkt voor zorg, eerstelijnszorg en de aansluiting op sociaal domein en preventie. • Kritisch kijken naar de regeldruk die zij veroorzaken in het kader van de inkoop en verantwoording, en beperken deze tot het strikt noodzakelijke minimum, o.a. door harmonisering van de eisen die zij stellen.
52 | GALA – Gezond en Actief Leven Akkoord
Zaaknummer:
5558-2023
Documentnummer:
5558-2023:086607
Raadsinformatiebrief
Onderwerp Opstapplekken leerlingenvervoer Datum 3 mei 2023
Toelichting Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het leerlingenvervoer. De gemeente Laarbeek beoordeelt aan de hand van de verordening leerlingenvervoer uit 2014 wie recht heeft op leerlingenvervoer en kent een vervoersvoorziening toe. Er zijn 4 soorten (vergoedingen voor) leerlingenvervoer; een fietsvergoeding, openbaar vervoer, georganiseerd oftewel aangepast vervoer en eigen vervoer. In de gemeente Laarbeek maken bijna alle kinderen met recht op leerlingenvervoer (ongeveer 130) gebruik van georganiseerd vervoer met een taxi(bus). In zijn brief van 17 november 2022 wees de minister voor primair en voortgezet onderwijs op de toenemende knelpunten in het leerlingenvervoer vanwege lange reistijden, wisselende chauffeurs en het regelmatig niet of te laat ophalen van kinderen. Kinderen hebben hierdoor veel stress en missen onderwijs. De minister verzoekt om de knelpunten met urgentie aan te pakken. Deze brief was aanleiding om opnieuw te kijken naar de manier waarop Laarbeek invulling geeft aan leerlingenvervoer om zo de door de minister genoemde knelpunten te verminderen. De verordening leerlingenvervoer gemeente Laarbeek 2014 biedt de mogelijkheid tot het werken met opstapplaatsen voor aangepast/georganiseerd vervoer. In dat geval gaan de leerlingen zelfstandig of onder begeleiding van ouders/verzorgers naar of van een opstapplaats om met georganiseerd vervoer naar school.
Vervoer naar en van de opstapplaats is de verantwoordelijkheid van ouders. Er komen opstapplaatsen in iedere kern Met ingang van het nieuwe schooljaar zijn er vier opstapplaatsen: •
Ontmoetingscentrum Beek en Donk
•
Sporthal De Dreef/Cendra in Aarle-Rixtel
•
Dorpshuis/Kindcentrum De Sprankel in Lieshout
• Buurthuis in Mariahout Deze opstapplaatsen zijn centraal gelegen zijn en hebben voldoende parkeergelegenheid voor het halen en brengen, het parkeren van fietsen en beschut wachten van leerlingen. Argumenten voor het invoeren van centrale opstapplaatsen: Een centrale opstapplaats sluit aan bij onze visie over normaliseren
Door eerst naar de opstapplaats te komen, krijgen leerlingen een meer gelijke behandeling in vergelijking tot leerlingen die naar regulier onderwijs gaan. Ook wordt de stap naar bijvoorbeeld Openbaar Vervoer kleiner. Veel gemeenten werken met opstapplaatsen voor het georganiseerd leerlingenvervoer. O.a. gemeente Gemert-Bakel, gemeente Meijerijstad en gemeente Son en Breugel. Gemeente Gemert-Bakel werkt al 8 jaar met opstapplaatsen en na een periode van gewenning zijn de ervaringen goed. Een centrale opstapplaats vergroot de zelfredzaamheid van leerlingen Leerlingen zullen zelfstandiger worden, doordat ze eerst naar de opstapplaats moeten. Er wordt ook een beroep gedaan op de verantwoordelijkheid van ouders/ verzorgers om ervoor te zorgen dat hun kind op tijd op de opstapplaats is. Gemiddeld genomen krijgen leerlingen minder lange taxiritten Werken met centrale opstapplaatsen voorkomt het rijden langs alle woonadressen. Hierdoor zitten leerlingen gemiddeld minder lang in de taxi en maken ze minder tussenstops. Ze komen minder overprikkeld aan op school. Omdat de afstand korter wordt en minder wordt gestopt, is het georganiseerd vervoer efficiënter en is de chauffeur minder vaak te laat. Ook ontstaat een meer gelijke reistijd voor kinderen. Dit omdat het verschil wegvalt tussen het eerste en laatste kind dat opstapt.
Besparing op de kosten van leerlingenvervoer Het doel van opstapplaatsen is niet om te bezuinigen. Omdat er naar schatting in totaal 25.000 kilometers per jaar minder zijn, lijkt een structurele besparing van € 30.000 per jaar mogelijk. Hier staat tegenover dat er incidentele kosten zijn voor het inrichten van opstapplaatsen, Ook zijn er kosten voor het (tijdelijk) aanstellen van een coördinator namens de taxivervoerder op de drukste opstapplaats (Beek en Donk). ‘Zo gewoon als mogelijk, zo bijzonder als nodig’ Een deel van de ouders zal bij de aanvraag leerlingenvervoer vragen om hun kind thuis op te halen. Dit omdat hun kind niet in staat is om naar de opstapplaats te gaan en/of omdat dit bezwaarlijk is voor de ouders/verzorgers. Wanneer een leerling gelet op zijn structurele lichamelijke, verstandelijke of zintuigelijke handicap naar redelijkheid geen gebruik kan maken van de opstapplaats, is maatwerk mogelijk. We beoordelen dit bij de jaarlijkse aanvraag leerlingenvervoer. Ouders/verzorgers zijn geïnformeerd Een (voornemen tot) besluit tot het invoeren van opstapplaatsen leidt tot zorgen, roept vragen of kritiek op en vraagt om een goede toelichting. Op 30 maart heeft de wethouder daarom alle ouders/verzorgers geïnformeerd. En is gelegenheid geboden om vragen te stellen en opmerkingen te maken en om deel te nemen in een klankbordgroep op 12 april.
Op deze bijeenkomst waren 19 ouders/verzorgers. We informeren opnieuw in mei via het aanmeldformulier leerlingenvervoer voor het nieuwe schooljaar en wanneer het nieuwe vervoerschema bekend is. Ook is tijdens de bijeenkomst met de klankbordgroep afgesproken om in december 2023 met ouders het werken met opstapplaatsen te evalueren.
Hoogachtend, Het college van burgemeester en wethouders, de loco-gemeentesecretaris van Laarbeek,
de burgemeester van Laarbeek,
G.J. Obbink
F.L.J. van der Meijden
Zaaknummer:
11928-2023
Documentnummer:
11928-2023:507872
Raadsinformatiebrief
Onderwerp Intensivering dienstverlening doelgroep loonwaarde 0-30%. Datum 3 mei 2023
Geachte leden van de gemeenteraad, Voor veel werknemers is de arbeidsmarkt op dit moment heel gunstig. Toch is er nog steeds een groep mensen met een relatief grote afstand tot de arbeidsmarkt. Zij komen moeilijk aan werk. Dit geldt vooral voor de groep met (vooralsnog) weinig arbeidspotentieel. Het gaat om inwoners die - vaak vanwege een zorgvraag - een grote afstand hebben tot regulier werk. Inwoners met een grote afstand tot de arbeidsmarkt in perspectief Binnen het uitkeringsbestand van Senzer (peildatum: maart 2023) gaat het om bijna 2.600 uitkeringsgerechtigden in de gehele arbeidsmarktregio ofwel ruim 50% van het totale uitkeringsbestand. De weg naar regulier werk ligt voor deze groep lang niet altijd open. Dit betekent echter niet dat er geen leef- of ontwikkelperspectief is. Integendeel, door gerichte projecten, dagbesteding en scholing kan aan participatie en kwaliteit van leven het nodige worden verbeterd. De gemeenteraden hebben hier de afgelopen jaren aandacht voor gevraagd. Het Algemeen Bestuur van Senzer heeft daarom besloten om een reeds gestarte pilot van de gemeente Helmond voort te zetten en te verbreden naar de gehele arbeidsmarktregio. Een korte terugblik: pilot gemeente Helmond In Helmond is in 2018 een pilot gestart gericht op deze doelgroep.
Doelstelling van de pilot was om een integrale aanpak te ontwikkelen voor mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt zodat degenen die daartoe in staat zijn de mogelijkheid hebben om te participeren in de samenleving. In totaal hebben circa 35 personen deelgenomen aan de pilot. Persoonlijke, integrale aanpak en gedeelde verantwoordelijkheid De Helmondse pilot kenmerkte zich door een persoonlijke aanpak. Uiteenlopende partners werkten samen en met aandacht voor beleving van persoonlijke problemen en alle leefgebieden. Inwoners zien hun leven als één geheel. Dit vraagt om inzet van professionals die niet redeneren vanuit standaard werkprocessen, protocollen en beleid, maar samen met de inwoner op zoek gaan naar een oplossingsrichting om zijn of haar leven te verbeteren. Helaas werd de pilot ook gekenmerkt door de coronacrisis. Deze periode maakte persoonlijk contact veel ingewikkelder. Omdat persoonlijk contact juist bij deze doelgroep zo belangrijk is, heeft de pilot tijdens corona enige tijd stilgelegen. De pilot toonde aan dat intensieve en persoonlijke gesprekken een voorwaarde zijn voor de doelgroep. Dit was ook nodig om het vertrouwen van de doelgroep te krijgen. Belangrijke uitkomst van de pilot was daarnaast de gedeelde verantwoordelijkheid voor deze doelgroep.
Afhankelijk van de situatie was niet alleen Senzer betrokken, maar ook de gemeente, LEVgroep, ORO, SMO en andere professionals in het Sociaal Domein.
Vervolg: een regiobrede pilot Meerdere gemeenteraden en colleges hebben de afgelopen jaren via bijvoorbeeld de zienswijzen op de begroting van Senzer aandacht gevraagd voor de groep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. De ervaringen met de Helmondse pilot en de overtuiging dat alle inwoners de aandacht verdienen hebben geresulteerd in plannen voor een regionaal vervolg met als doel om de maatschappelijke participatie van deze groep te verhogen Naar een integrale en verbrede aanpak, iedereen mag meedoen! De integrale aanpak uit de Helmondse pilot wordt verbreed naar alle Senzer-gemeenten. Persoonlijke aandacht en het inwonerperspectief staan centraal. Er wordt zo nabij mogelijk zorg en aandacht georganiseerd door samenwerking met uiteenlopende partijen en professionals uit het brede Sociaal Domein. Professionals die werken vanuit de bedoeling, niet vanuit de wetten en regels van uitsluitend het eigen domein. Uiteraard maken wij hierbij gebruik van reeds opgedane ervaringen. We gebruiken de jaren 2023 en 2024 om te komen tot een integrale aanpak gericht op het intensiveren van de dienstverlening voor mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Wij informeren u over de voortgang en de resultaten via de gebruikelijke P&C-cyclus van de GR Senzer. Hoogachtend, Het college van burgemeester en wethouders, loco-gemeentesecretaris
burgemeester
F.L.J. van der Meijden G.J. Obbink
Zaaknummer:
14685-2023
Documentnummer:
14685-2023:446204
Raadsinformatiebrief
Onderwerp Nog op te leggen aanslagen milieustraat over 2022 Datum 3 mei 2023
Toelichting De oplegging van belastingaanslagen in februari 2023 is per ongeluk niet volledig geweest. Dat blijkt uit analyse van de baten Afvalstoffenheffing milieustraat voor de jaarrekening 2022 van Laarbeek. Poorttarieven milieustraat nog niet volledig opgelegd Het gaat om de baten uit bezoeken aan de milieustraat over het jaar 2022. Tot en met 2022 worden de poorttarieven achteraf opgelegd. Vanaf 1 januari 2023 wordt bij de milieustraat direct bij het bezoek afgerekend via pinbetaling. Dat zorgt er voor dat herhaling van dit voorval voor de milieustraat niet mogelijk is. Voor de aanslagoplegging door de Belastingsamenwerking Oost-Brabant (BSOB) zijn (bezoekers)gegevens nodig en deze worden aangeleverd via gemeenschappelijke regeling Blink en externe partij Inovim. Onjuiste codering in de aangeleverde data heeft geleid tot uitval bij BSOB en dat is helaas niet eerder opgemerkt. Financiële effecten Het nog op te leggen bedrag over 2022 is circa € 100.000. In februari 2023 was al € 26.000 opgelegd. Het totaal aan baten uit de milieustraat over 2022 is dus € 126.000. Dat ligt in lijn met de begrote baten over 2022. In overleg met onze accountant wordt het nog op te leggen bedrag betrokken in de jaarrekening 2022. Onze inwoners krijgen eind mei opnieuw een aanslagbiljet Het gaat om circa 3.200 aanvullende aanslagbiljetten en deze worden eind mei 2023 verzonden.
Ongeveer 2.000 belastingplichtigen hebben al een aanslagbiljet met daarop milieustraatbezoek ontvangen in februari 2023. Het gemiddelde bedrag per aanslagbiljet is € 32,-. Het aanvullende aanslagbiljet wordt door BSOB verzonden met een informatiebrief. Ook zal via de kanalen van de gemeente worden gecommuniceerd. De betalingsmogelijkheden voor de inwoners zijn hetzelfde als bij de reguliere aanslagbiljetten. Bijvoorbeeld door direct over te maken (ook mogelijk via QR / iDeal). Of via automatische incasso, in maximaal 10 termijnen (met een minimumbedrag van € 10,- per maand).
Evaluatie met betrokken partijen Met de betrokken partijen BSOB, Blink en Inovim zal een evaluatie plaatsvinden om te leren van dit voorval zodat herhaling in de toekomst wordt voorkomen. Daarin zal tevens aan de orde komen welke partij de kosten zal dragen. Voor de milieustraat is dit vanaf 1 januari 2023 niet langer relevant vanwege het pinnen aan de poort. Voor de verwerking van ledigingen van containers blijft dit wel een relevant aandachtspunt want dat betalingsproces is niet gewijzigd. Bijlagen Geen Hoogachtend, Het college van burgemeester en wethouders, gemeentesecretaris
burgemeester
J.W.M. van de Ven
F.L.J. van der Meijden
Zaaknummer:
14496-2023
Documentnummer:
14496-2023:579867
Raadsinformatiebrief
Onderwerp RIB beleid huishoudelijke ondersteuning (HO) Datum 9 mei 2023 Toelichting Inleiding Sinds de Centrale Raad van Beroep zich in september 2022 kritisch uitliet over resultaatgericht beschikken van Huishoudelijke ondersteuning (HO) binnen de Peelgemeenten, zijn er voorbereidingen getroffen voor een wijziging in de wijze van toekenning van HO. Met deze brief informeren we u over deze wijziging. Huidige werkwijze Sinds 2015 krijgen inwoners van de Peelgemeenten, die in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) HO nodig hebben, een toekenning op basis van het resultaat schoon en leefbaar. Aan de hand van een formeel beoordelingskader verankerd in de verordening wordt schoon en leefbaar geobjectiveerd. In het beoordelingskader staan de verschillende elementen die in huis schoongemaakt moeten worden plus het vereiste schoonmaakniveau beschreven. Optische controles Via optische controles, uitgevoerd door een onafhankelijk bureau, wordt er gecontroleerd of er voldaan wordt aan het vereiste schoonmaakniveau en of de inwoner tevreden is over de ontvangen ondersteuning. Jaarlijks worden blinde steekproeven uitgevoerd onder 10% van de huishoudens die HO ontvangen in de Peelgemeenten. Vorig jaar zijn er gedurende de periode 1 januari t/m 31 december 208 controles uitgevoerd. De kwaliteit van de geleverde HO werd beoordeeld met een 7,8 (op een schaal van 4-8).
De beleving van de inwoner aangaande HO werd beoordeeld met een 7,4 (op een schaal van 0-10). Net als in voorgaande jaren wordt met deze uitkomst aangetoond dat de kwaliteit van de geleverde HO goed is en dat inwoners die deze ondersteuning krijgen tevreden zijn. Uitspraak Centrale Raad van Beroep (CrvB) geeft aanleiding tot een beleidswijziging In september 2022 heeft de Centrale Raad van Beroep (hoogste rechter inzake sociale zekerheid) naar aanleiding van twee beroepsprocedures een uitspraak gedaan over ons HO beleid. Gesteld is dat onze werkwijze in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, want een inwoner moet kunnen nagaan (in de beschikking of in het beleid) op hoeveel huishoudelijke ondersteuning aanspraak bestaat. De rechter noemt onze kwaliteitsborging via het beoordelingskader en de optische controles lovenswaardig, maar dit maakt de situatie niet anders. Landelijke ontwikkelingen omtrent resultaatgericht beschikken Er liep een wetstraject om resultaatgericht beschikken mogelijk te maken. Februari jl. heeft staatssecretaris Van Ooijen echter laten weten voornemens te zijn het wetsvoorstel resultaatgericht beschikken niet in te dienen bij de Tweede Kamer. En dat betekent dat er geen wettelijke basis komt voor resultaatgericht beschikken. Vanuit gesprekken van de VNG en het ministerie van VWS met gemeenten en aanbieders worden nog verschillende opties
verkend voor ‘een wel passende invulling van de ideeën achter resultaatgericht werken’. Op basis van de verkenning wordt rond de zomer van 2023 een onderbouwd advies voor gemeenten en aanbieders opgeleverd. Aanpassing beleid HO Gezien de uitspraak van de CRvB zijn we genoodzaakt ons HO beleid aan te passen. We doen dit door het huidige resultaatgerichte beleid te handhaven, met de toevoeging van de optie van een beschikking in uren. Concreet betekent dit dat een beschikking in uren mogelijk gemaakt wordt als een cliënt aangeeft (bij een eerste melding dan wel bij een herindicatie) prijs te stellen op een beschikking in uren. Dat vraagt om nadere informatie over de door ons te nemen wijzigingen, waarmee we wel voldoen aan de wet. Over onder meer de beoogde beleidsaanpassing heeft op 31 januari jl. reeds een informerende bijeenkomst plaatsgevonden voor raadsleden en de leden van de Wmo-adviesraden. Waarom is samengevat voor dit scenario gekozen? Via het resultaatgerichte beleid wordt de focus gelegd op het resultaat voor de inwoner en niet op de inzet van de aanbieder (uren/tijd). Keer op keer blijken inwoners waarbij een optische controle heeft plaatsgevonden tevreden te zijn met de HO die ze ontvangen. We willen inwoners die tevreden zijn niet belasten met een verandering waarop ze mogelijk niet staan te wachten en ook niet bij gebaat zijn.
Aan de andere kant willen we recht doen aan inwoners die prijs stellen op meer rechtszekerheid. Via ons aangepaste beleid houden we dus de inwoners die tevreden zijn met het resultaat schoon en leefbaar in ere en houden we tevens rekening met cliënten die prijs stellen op meer rechtszekerheid. Het aantal cliënten dat gebruik maakt van HO stijgt, en HO aanbieders kampen met een toenemend personeelstekort. Dit is een landelijke trend die al in veel gemeenten leidt tot wachtlijsten voor ondersteuning. Een groot deel van de HO aanbieders kan vanwege het gebrek aan personeel op dit moment geen nieuwe inwoners met een indicatie HO aannemen. Bij ziekte, vakantie of vertrek van een poetshulp heeft een aantal HO aanbieders moeite om de afgesproken ondersteuning te bieden aan inwoners die reeds een indicatie HO hebben. De verwachting is dat bij indicaties in uren de gemiddelde ureninzet toeneemt. Op basis van een berekening van gemeente Helmond zou deze toename ongeveer 10 minuten per indicatie behelzen. De cijfers van HO aanbieder Tzorg (landelijk omstreeks 60.000 cliënten) geven aan dat de inzet van personeel bij urenindicaties gemiddeld 15% hoger is. Gezien het toenemend personeelstekort maken we ons nu al ernstige zorgen om het kunnen (blijven) voorzien van de noodzakelijke ondersteuning aan inwoners met een indicatie HO.
Als er een toename van de HO inzet komt via urenindicaties dan wordt het risico dat de noodzakelijke ondersteuning niet verleend kan worden nog groter. Het resultaatgerichte beleid biedt ons inziens de beste manier om de steeds schaarser wordende inzet efficiënt te verdelen. De aanpassing van het beleid betekent concreet dat een landelijk geaccepteerde urennormering (Normenkader huishoudelijke ondersteuning 2019) wordt opgenomen in de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning. De gewijzigde nadere regels worden van kracht per juli 2023. Financiën Aangezien we niet weten hoe groot de groep gaat zijn die om een indicatie in uren gaat vragen is het moeilijk in te schatten wat dit financieel betekent. Er moet in ieder geval onderscheid gemaakt worden in zorgkosten en uitvoeringskosten. Zorgkosten
Om de gemiddelde kostprijs per cliënt bij een urenindicatie te kunnen bepalen is een drietal factoren van belang: Het uurtarief. Ons huidige uurtarief HO (n.a.v. bezwaar en beroep) is € 33,29. De gemiddelde ureninzet per cliënt. Zoals gezegd is het aannemelijk dat het urengemiddelde bij indicaties in uren hoger is dan de ureninzet bij resultaatgerichte indicaties. Wat het urengemiddelde zal zijn is moeilijk in te schatten. De resultaatgerichte indicaties zijn gebaseerd op 2 uur bij HO basis en 2,3 uur HO Plus. Het gemiddeld aantal uren bij een persoonsgebonden budget is 2,7 uur. Daarnaast hebben we een aantal gemeenten in onze regio naar hun urengemiddelde gevraagd. Dit loopt nogal uiteen (2,13 – 2,36 uur). Wij horen echter ook dat er in de praktijk op verschillende manieren omgegaan wordt met het normenkader. En dat de ‘mate van striktheid in de toepassing van een normenkader’ het gemiddelde aantal uren beïnvloedt. De verzilveringsgraad. Bij urenindicaties worden uitsluitend de daadwerkelijk ingezette uren in rekening gebracht bij de gemeente. De ervaring leert dat er altijd sprake is van niet- verzilverde uren vanwege bijvoorbeeld ziekte en/of vakantie. Net als bij de gemiddelde ureninzet zien we dat de verzilveringsgraad ook per gemeente varieert.
Aangezien we niet weten wat ons gemiddelde ureninzet en verzilveringsgraad zal zijn is het momenteel onvoorspelbaar wat de gemiddelde kostprijs per cliënt zal zijn bij een urenindicatie. Daarom zullen we dit aankomende tijd nauwgezet monitoren en -zodra er een beter beeld is- u hierover informeren. Uitvoeringskosten Het indiceren in uren kost naar verwachting meer tijd dan het resultaatgericht indiceren, omdat de Wmo consulent gedetailleerd de ureninzet in beeld moet brengen. Indien een inwoner die reeds een indicatie HO heeft om een indicatie in uren verzoekt zal er een heronderzoek plaats moeten vinden. We verwachten dat een dergelijk heronderzoek circa 3 uur in beslag neemt. Daarnaast moet iedere wijziging gedurende de looptijd van een HO urenindicatie opnieuw beoordeeld worden door de Wmo consulent. Dit in tegenstelling tot een resultaatgerichte indicatie die meer flexibiliteit biedt en bij een vraag voor een wijziging de aanbieder in eerste instantie het aanspreekpunt voor cliënten is. Een urenindicatie draagt dus bij aan een verhoging van de bureaucratie door de toename van het aantal heronderzoeken en de bijbehorende administratieve werkzaamheden. Een toename van werkzaamheden betekent een toename in de uitvoeringskosten, terwijl dit verder geen impact heeft op de kwaliteit van de ondersteuning.
Hoogachtend, Het college van burgemeester en wethouders, gemeentesecretaris
burgemeester
J.W.M. van de Ven
F.L.J. van der Meijden
Zaaknummer:
17765-2023
Documentnummer:
17765-2023:804013
Raadsinformatiebrief
Onderwerp voortgangsrapportage RES Datum 14 mei 2023
Toelichting In 2021 werd de Regionale Energiestrategie (RES) van de MRE vastgesteld. Daarbij hoort de landelijke verplichting om elke twee jaar te evalueren en de voortgang te rapporteren. Deze rapportage is onder leiding van de MRE opgesteld en wordt op 1 juli openbaar gemaakt. Deze RIB geeft een kort overzicht van de belangrijkste bevindingen van de rapportage en van de stand van zaken voor Laarbeek. Belangrijkste bevindingen regionaal De voortgangsrapportage laat zien dat de regio voortvarend is begonnen met de uitvoering van de RES 1.0. Wel zijn er grote verschillen zichtbaar tussen gemeenten, bijvoorbeeld in het tempo van de vorderingen, de inzet en resultaten voor grootschalige opwek, en de ambtelijke en bestuurlijke inzet op (sub-)regionaal niveau. Tegelijk zijn er enkele knelpunten zichtbaar waardoor het behalen van het doel (2 TWh lokaal duurzaam opwekken in 2030) niet onmogelijk is, maar wel erg ambitieus blijft. Een overzicht van de belangrijkste regionale conclusies: •
Het bod is nog steeds haalbaar, maar slechts 0,49 TWh is gerealiseerd. Een les is dat de doorlooptijden ‘van plan tot realisatie’ zeer lang kunnen zijn.
•
Door gemeentelijke zienswijzen zijn zoekgebieden die wel positief werden beoordeeld in de plan-m.e.r. toch soms afgevallen.
•
Radarhinder is een belangrijk regionaal knelpunt voor wind, net als netcongestie, stikstofproblematiek, gebrek aan capaciteit (ambtelijk, externe expertise en uitvoerend) en dreigende grondstof- en materiaaltekorten.
•
De komende jaren staan voor de meeste gemeenten in het teken van uitvoeren van de reeds bestaande plannen en zoekgebieden. Regionaal wordt daarnaast vooral ingezet op het wegnemen van de benoemde knelpunten. Met name de netcapaciteit is een bottleneck, zowel voor afname van stroom (bij nieuwbouw bijvoorbeeld) als voor opwek.
•
Het leveren van capaciteit aan de regionale structuur en werkgroepen blijft een knelpunt. Sommige gemeenten leveren wel naar behoren, maar andere niet, waardoor sommige ambities niet of vertraagd gerealiseerd worden en sommige werkgroepen stilliggen.
Stand van zaken Laarbeek Laarbeek
doet
het
erg
goed,
zowel
in
deelname aan de RES als het vertalen van de regionale strategie in lokaal beleid en activiteiten.
De
twee
zoekgebieden
in
Laarbeek uit de RES 1.0 (zie kaartje rechts) zijn op meerdere momenten en manieren in de raad besproken en dit heeft geleid tot een concrete aanpak voor beide gebieden, die op dit moment wordt uitgevoerd. Zoekgebied Blauwe Poort - Het gebied rondom de Blauwe Poort (groen op het kaartje) is door de raad aangewezen voor het extensief plaatsen van zonnevelden, in combinatie met natuurontwikkeling. Dit heeft geleid tot zonnepark De Blauwe Poort (gerealiseerd) en zonnepark de Liesvelden (in aanbouw). Onderdeel van beide parken is grondverkoop aan het waterschap, waardoor deze grond ingezet kan worden voor beekherstel en natuurontwikkeling. Na realisatie van de Liesvelden (2024) is dit zoekgebied wat opwek betreft verzadigd. Overigens is de capaciteit van de Blauwe Poort ten onrechte opgeteld bij de Liesvelden in het overzicht op pagina 15 van de voortgangsrapportage, deze had apart benoemd moeten worden. Zoekgebied Lieshoutse Heide - In het zoekgebied ten noorden van Mariahout is een uitgebreide omgevingsdialoog gedaan en radaronderzoek verricht. Op basis hiervan (beperkte mogelijkheden door radarhinder, en een sterk signaal tegen windmolens uit de buurt) is in de Lokale Energie Strategie opgenomen dat windenergie in principe niet mogelijk is. Wel zijn twee zonneparken in het gebied vergund.
Voor beoogd zonnepark Rooijseweg speelt nog een juridische procedure, zonnepark Vossenberg wordt naar verwachting gerealiseerd in 2024. Hiermee is de opgave in dit gebied voor een groot deel ingevuld. Verspreide opwek Laarbeek – Laarbeek kent twee zonneparken buiten de zoekgebieden. Het waterschap heeft een zonnepark gerealiseerd nabij de RWZI (de rioolwaterzuivering) in het Gulden Land. Daarnaast is er een zonnepark in aanbouw in het glastuingebied bij de Pater Eustachiuslaan. Dit is weliswaar niet in een zoekgebied, maar passend bij de provinciale zonneladder (locatie naast doorgaande weg en in gebied met verglaasd karakter). Overige activiteiten – Laarbeek is relatief zichtbaar en actief in de regio. Wethouder Briels vertegenwoordigt de Peelgemeenten in de regionale Stuurgroep RES, en een ambtenaar uit Laarbeek vertegenwoordigt de Peelgemeenten in het regionale ambtelijke programmateam. Daarnaast nemen we deel aan coalities zoals de Groene Zone Isoleren, Verduurzamen Maatschappelijk Vastgoed, Energie-armoede, het Nationaal Isolatie Programma, en het regionale energieloket Energiehuis Slim Wonen (Helmond). In andere coalities zijn andere Peelgemeenten actief: wij verdelen dat in de Peel en houden elkaar geïnformeerd. De gevraagde capaciteit blijft voor Laarbeek haalbaar binnen het huidige duurzaamheidsprogramma.
Ook kiezen we er soms voor om een eigen, lokale aanpak te hanteren met eigen partners, in plaats van mee te gaan met regionale programma’s. Zo werken we in de warmtetransitie samen met Helmond en waterschap Aa en Maas voor het ontwikkelen van een warmtenet rondom de RWZI, en werken we voor het ontwikkelen van een plan voor aardgasvrij Mariahout samen met de provincie. De activiteiten die we lokaal doen en de prioriteiten die we kiezen voor regionale deelname komen voort uit de Lokale Energie Strategie.
Toekomstige activiteiten Wat grootschalige opwek betreft zijn er weinig mogelijkheden in Laarbeek in de nabije toekomst, anders dan het afronden van de vijf zonneparken uit de pilot. Onze Visie laat weliswaar ruimte voor (goede) nieuwe aanvragen, maar Enexis geeft aan dat er voor 2030 geen nieuwe zonneparken kunnen worden aangesloten op het net. Maar: dat betekent niet dat we in Laarbeek verder achterover leunen. Zo bekijken we de mogelijkheden voor batterijopslag bij de zonneparken en lokale levering, bijvoorbeeld via een buurtbatterij. Ook zon op grote daken blijft mogelijk en hierop blijven we als gemeente inzetten. Onze regionale betrokkenheid zetten we voort en het lokale programma richt zich daarnaast vooral op de warmtetransitie, energiebesparing, het tegengaan van energiearmoede en particuliere opwek. Het aardgasvrij worden als gemeente blijft een immense opgave, net als het verduurzamen van de bestaande woningvoorraad en onze bedrijven(terreinen). De regionale samenwerking vraagt om voortdurende inzet, zowel strategisch als uitvoerend. En ook wat grootschalige opwek betreft moeten we blijven zoeken naar alternatieven voor na 2030, vergezeld met een lobby voor het verzwaren van onze stroomnetten voor toekomstige afname en opwek van stroom.
Het
veranderen van de radarbeperkingen zou ook aanleiding kunnen zijn om te kijken of er binnen de zeer strenge kaders die door de buurt Lieshoutse Heide gesteld zijn, toch iets mogelijk is. Meer informatie in webinar Op 28 juni organiseert de MRE een webinar voor volksvertegenwoordigers en inwoners, waarin vragen over de voortgangsrapportage worden beantwoord. U wordt hier via de griffier voor uitgenodigd. Bijlagen -
Regionale RIB Voortgangsrapportage RES
-
Voortgangsrapportage RES
Hoogachtend, Het college van burgemeester en wethouders, gemeentesecretaris
burgemeester
J.W.M. van de Ven
F.L.J. van der Meijden
Aan de volksvertegenwoordigers
uw kenmerk
uw brief van
Onderwerp Informatiebrief: Voortgangsrapportage RES MRE
ons kenmerk 100176-2995\BMA\MLI
datum 30 mei 2023
e-mailadres energie@metropoolregioeindhoven.nl
Geachte volksvertegenwoordigers,
Hierbij ontvangt u ter informatie de eerste Voortgangsrapportage Regionale Energiestrategie (RES). De opgemaakte versie van de Voortgangsrapportage RES is vanaf 27 juni terug te vinden op onze website www.energieregiomre.nl en wordt gedeeld met het Nationaal Programma RES. In deze voortgangsrapportage geven we een beeld van: 1) De voortgang in realisatie van de ambitie van 2 Terawattuur (TWh) opwek duurzame energie voor 2030 uit de RES 1.0 2) De voortgang binnen de werkgroepen, thema’s en coalities uit het Samenwerkings- en Uitvoeringsprogramma RES (S&UP) 3) De ontwikkeling in de manier van samenwerken binnen de RES De Voortgangsrapportage start met een beknopte samenvatting. In de RES 1.0 staat onze ambitie: vol inzetten op het besparen van energie, 2 TWh aan duurzame energie opwekken met wind en zon op land en op daken en optimaal gebruik maken van de beschikbare duurzame warmtebronnen. In de Voortgangsrapportage staat het totaaloverzicht hoe er in de regio door gemeenten samen wordt gewerkt aan die ambitie en met welke projecten.