9 20240425 Bestemmingsplan De Biezen 6a Toelichting
Tekst van het document
Toelichting, De Biezen 6a
34
1. Welke wettelijk beschermde soorten komen in het plangebied voor? Welke status hebben deze soorten? 2. Welke invloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en de staat van instandhouding? 3. Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig? Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. De schuur dient bij voorkeur buiten het broedseizoen te worden gesloopt. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig.
De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Gesteld kan worden dat de beoogde herbestemming van de locatie geen onevenredige nadelige gevolgen zal hebben voor flora en fauna. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Gebiedsbescherming In Nederland is gebiedsbescherming geregeld middels de Wet natuurbescherming, waarin alle gebiedsbeschermende internationale afspraken en richtlijnen zijn geïmplementeerd. Met betrekking tot gebiedsbescherming is de situering ten opzichte van de Natura 2000gebieden van belang. Bij negatieve effecten kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid en trillingen.
Toelichting, De Biezen 6a
35
Op de planlocatie wordt de nertsenhouderij beëindigd. Hierdoor is sprake van een grote afname van stikstofemissie. De vleesveehouderijtak wordt voortgezet. Tevens worden vier nieuwe recreatiewoninen gerealiseerd. Er vinden geen handelingen plaats welke kunnen leiden tot significant negatieve effecten op de omliggende natuurgebieden. De afstand tot het dichtstbijzijnd gelegen Natura 2000-gebied bedraagt circa 11,9 kilometer (Deurnsche Peel & Mariapeel). Dit maakt dat de meeste effecten uit te sluiten zijn op voorhand. Voor de beoogde situatie is daarnaast nagegaan of de activiteiten mogelijk nadelige gevolgen kunnen hebben door stikstofemissie. Uit bijgevoegde AERIUS-berekening wordt duidelijk dat de beoogde situatie geen toename in depositie heeft op Natura 2000gebieden. Concluderend kan gesteld worden dat de beeïndiging van de nertsenhouderij, voortzetting van de vleesveehouderij en het realiseren van vier recreatiewoningen, niet zal leiden tot significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura2000-gebieden en Beschermde natuurmonumenten in de omgeving. Natuurnetwerk Brabant Het Natuurnetwerk Brabant (NNB) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter) nationaal belang.
Het doel van NNB-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Voor het NNB geldt op basis van het Rijksbeleid (Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant verstoren. In onderstaand figuur is een uitsnede weergegeven van het natuurbeheerplan van de provincie Noord-Brabant. Aan de oost- en zuidzijde van het plangebied zijn natuurgebieden gelegen die onderdeel uitmaken van het natuurnetwerk. Het grootste gedeelte van deze natuurgebieden zijn op geruime afstand van het plangebied gelegen. Enkel een smalle strook aan De Biezen is aangrenzend aan het plangebied gelegen. Omdat enkel werkzaamheden binnen het plangebied plaatsvinden, wordt het Natuurnetwerk Brabant niet aangetast door de ontwikkeling.
Toelichting, De Biezen 6a
36
Figuur 15 Natuurnetwerk Brabant in planomgeving
4.4
WATERPARAGRAAF Bij elke ruimtelijke ontwikkeling is de opstelling van een waterparagraaf verplicht gesteld, mede in relatie tot de watertoets. In deze paragraaf wordt verwoord hoe er in het plan met de aspecten water en ruimte rekening wordt gehouden, in relatie tot enerzijds het waterbeleid en anderzijds de waterhuishouding. Beleid en regelgeving Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Aa en Maas. Het Waterschap heeft het Waterbeheerplan 2022-2027 vastgesteld. In dit waterbeheerplan staan de doelstellingen van het Waterschap voor deze periode. Met het Waterbeheerplan weten inwoners en partners binnen het werkgebied wat ze kunnen verwachten, maar wordt tevens invulling gegeven aan de verplichting vanuit de Waterwet en de Verordening water Noord-Brabant om een waterbeheerplan op te stellen. Bij het waterbeheer staat de missie centraal: “Het ontwikkelen, beheren en in stand houden van gezonde, robuuste en veerkrachtige watersystemen, die ruimte bieden aan een duurzaam gebruik voor mens, dier en plant in het gebied, waarbij de veiligheid is gewaarborgd en met oog voor economische aspecten.” In het waterbeheerplan wordt een indeling gemaakt in de volgende programma’s: Waterveiligheid Klimaatbestendig en gezond watersysteem Schoon water Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking
Toelichting, De Biezen 6a
37
in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. De gemeente heeft daarnaast een Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2020-2024 vastgesteld. Het VGRP is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het VGRP legt de gemeente vast wat zij wil bereiken en wat de rol van burgers en bedrijven is ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. Locatiestudie De locatie ligt op een maaiveldniveau van circa 14,5 m + NAP (AHN3), waarbij de gemiddelde hoogste grondwaterstand zich bevindt op een diepte van 20-40 cm onder maaiveld en de gemiddelde laagste grondwaterstand 120-140 cm onder maaiveld (bodematlas provincie Noord-Brabant). De bodem kan worden geclasificeerd als Veldpodzolgronden (leemarm en zwak lemig fijn zand). Deze gronden zijn geschikt voor infiltratie van hemelwater. Navolgend is een uitsnede van de legger Oppervlaktewater weergegeven. Figuur 16 Legger waterstaatswerken Waterschap Aa en Maas
Uit de legger blijkt dat ten noordwesten en ten oosten van het plangebied b-watergangen zijn gelegen. Deze waterlopen maken geen onderdeel uit van voorliggend bestemmingsplan. In of nabij de watergangen vinden geen werkzaamheden plaats. Binnen het plangebied zijn wel enkele bwatergangen gelegen. Bij voorgenomen ontwikkeling vinden geen handelingen plaats welke de watergangen kunnen schaden. Aan en bij de watergangen vinden geen werkzaamheden plaats. Tevens is sprake van een afname van het verhard oppervlak, waardoor sprake is van een toename van infiltrerend vermogen van de bodem.
Toelichting, De Biezen 6a
38
Waterkwantiteit In 2018 is het ‘Gemeentelijk Rioleringsplan’ (GRP) vastgesteld. Het plan beschrijft dat bij aanpassing en uitbreiding van bestaande situaties er bij de toename van verhard oppervlak ten opzichte van de bestaande situatie een waterbergingsvoorziening van 60mm/m2 toename verhard oppervlak moet worden aangebracht. In totaal wordt circa 2425 m2 aan bebouwing gesloopt. Daarnaast wordt circa 700 m2 aan verharding verwijderd. Een nieuwe loods wordt gerealiseerd met een oppervlak van 510 m2. De recreatiewoningen krijgen elk een oppervlak van circa 100 m2. In totaal wordt daarmee circa 710 m2 aan bebouwing en inclusief verharding circa 1000 m2 aan verhard oppervlak gerealiseerd. De voorgenomen ontwikkeling resulteert hierdoor in een grote afname van het verhard oppervlak. De grote afname aan verhard oppervlak draagt positief bij aan de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse, doordat het infiltrerend oppervlak van de bodem groter wordt. Hierdoor zijn geen nieuwe hemelwaterbergende voorzieningen benodigd. Waterkwaliteit Ten behoeve van de waterkwaliteit zal de voorgestelde ontwikkeling bij de aanleg gebruik maken van milieuvriendelijke bouwmaterialen en worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper, zink niet gebruikt, waardoor de uitspoeling van vervuilende stoffen via de bodem naar het oppervlaktewater voorkomen wordt.
Deze stoffen kunnen zich namelijk ophopen in het water (bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Het huishoudelijk afvalwater van de woningen wordt op passende wijze verwerkt. Het hemelwater van de nieuwe bebouwing wordt volledig afgekoppeld en zal infiltreren in de bodem. Geconcludeerd kan worden dat er met het voorliggend initiatief geen waterschapsbelangen in het geding zijn. Er is derhalve geen belemmering aanwezig vanuit het aspect water. De bovenstaande conclusies en bevindingen worden in het kader van het wettelijk vooroverleg voor een wateradvies aangeboden aan Waterschap Aa en Maas.
4.5
BODEM Bij bestemmingsplannen, dan wel in het kader van de omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan, dient volgens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro, art. 3.1.6) rekening gehouden te worden met de milieuhygiënische bodemkwaliteit. De toelichting van een bestemmingsplan bevat altijd een paragraaf over de bodemkwaliteit. Daarnaast dienen de kosten voor milieukundig bodemonderzoek en van bodemsanering meegenomen te worden in een exploitatieplan (Bro, art.
Toelichting, De Biezen 6a
39
6.2.4). De gemeente toetst of de bodem milieuhygiënisch geschikt is (of kan worden gemaakt) voor de geplande vorm van bodemgebruik. Om te kunnen bepalen of de bodem milieuhygiënisch geschikt is voor de geplande vorm van bodemgebruik zijn verschillende bodem- en asbest in de vorm van grondonderzoeken uitgevoerd. De onderzoeken zijn toegevoegd als bijlage. Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt hetvolgende: - Op het maaiveld zijn zintuiglijk asbesthoudende materialen aangetroffen. - In de bodem zijn bijmengingen met bakstenen, beton en asbesthoudend materiaal aangetroffen. - De bovengrond is licht verontreinigd met zink, PCB, minerale olie en PAK; - De ondergrond is niet verontreinigd. - Het grondwater is sterk verontreinigd met zink, matig verontreinigd met nikkel en licht verontreinigd met cadmium, barium en naftaleen. - In de bodem is asbest aangetroffen in gehalte boven de norm voor het uitvoeren van nader onderzoek. Uit het nader onderzoek asbest in grond blijkt hetvolgende: - Op de locatie is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest conform de Wet bodembescherming. De omvang van de verontreiniging bedraagt circa 75 tot 100 m3 sterk met asbest verontreinigde grond. De verontreiniging is aanwezig tot een diepte van 70 cm-maaiveld.
- Geconcludeerd wordt dat de aanwezige bodemverontreinigingen een belemmering vormt voor het wijzigen van het bestemmingsplan. Geadviseerd wordt om de verontreiniging te saneren. Uit het nader grondwateronderzoek blijkt hetvolgende: - Het nader grondwateronderzoek is uitgevoerd om te bepalen of de eerder aangetroffen sterke grondwaterverontreiniging met zink, te realteren is aan de voormalige bedrijfsactiviteiten (nertsenhouderij) of dat mogelijk sprake is van natuurlijk verhoogde gehalten aan zink in het grondwater in de omgeving. Uit het onderzoek blijkt dat er in de 2 peilbuizen welke geplaatst zijn buiten de bedrijfslocatie, geen verontreinigingen met zink en nikkel zijn aangetroffen. De peilbuizen zijn zowel boven- als benedenstrooms geplaatst. De pH-waarde van deze peilbuizen is normaal met een pH van 6,5. De pH-waarde van de peilbuis tussen de sheds is wederom zeer laag (pH 3,4).
Toelichting, De Biezen 6a
40
Uit het onderzoek kan geconcludeerd worden dat de grondwaterverontreiniging te relateren is aan de voormalige bedrijfsactiviteiten. De omvang van de grondwaterverontreiniging is nog niet vastgesteld, waardoor wordt geadviseerd om een nader grondwateronderzoek uit te voeren. Op basis van de uitgevoerde bodemonderzoeken kan worden geconcludeerd dat de bodemkwaliteit binnen het plangebied voldoende is vastgesteld. Op de locatie is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest, welke een belemmering vormt voor het toekomstige gebruik (recreatie) en derhalve het wijzigen van het bestemmingsplan. De bodemverontreiniging met asbest zal worden gesaneerd, waarmee de bodemkwaliteit geschikt gemaakt wordt voor het beoogde gebruik. Binnen het plangebied is tevens een grondwaterverontreiniging met zink aanwezig. Er is geen sprake van een regionaal verhoogde achtergrondwaarde. Aangezien er sprake is van een historische verontreining hoeft er niet direct gesaneerd te worden. De aangetroffen concentraties aan zink overschrijden de risicogrenswaarden voor het gebruik van het grondwater ten behoeve van drinkwater (menselijke consumptie) en veedrenking. Er is geen sprake van een direct humaan risico, waardoor de grondwaterkwaliteit geen belemmering vormt voor het toekomstige gebruik.
De initiatiefnemer zal geen grondwater oppompen, waardoor er geen belemmering is in relatie tot de grondwaterverontreiniging. Indien het noodzakelijk is om grondwater te onttrekken, dient een nader grondwateronderzoek uitgevoerd te worden. Daarnaast dient een eventuele grondwatersanering/onttrekking afgestemd te worden met het bevoegd gezag (Provincie Noord-Brabant). De overige aangetroffen lichte verontreinigingen in zowel grond- als grondwater vormen vanuit milieuhygiënische oogpunt geen belemmering voor het toekomstige bodemgebruik en het wijzigen van het bestemmingsplan. Het geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest wordt gesaneerd, waardoor de bodemkwaliteit geschikt gemaakt wordt voor het toekomstige bodemgebruik. Het aspect bodem vormt derhalve geen belemmering voor het wijzigen van het bestemmingsplan.
4.6
(ONDERGRONDSE) INFRASTRUCTUUR Leidingen Voorafgaand aan het grondverzet zal een zogenaamde Klic-melding plaatsvinden om duidelijkheid te verkrijgen over de eventueel aanwezige
Toelichting, De Biezen 6a
41
kabels en leidingen. Vooralsnog zijn geen problemen voorzien, omdat de bebouwing gerealiseerd wordt op de plaats van de te slopen stallen. In de nabije omgeving zijn geen leidingen aanwezig. Hoogspanningsleiding In de nabije omgeving zijn geen hoogspanningsleidingen aanwezig.
4.7
BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Om te bepalen welke bedrijfsactiviteiten uit oogpunt van milieuhinder kunnen worden toegestaan, kan gebruik worden gemaakt van de systematiek van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009). In de VNG-brochure is een bedrijvenlijst opgenomen, die informatie geeft over de milieukenmerken van verschillende typen bedrijven. In de lijst is op basis van een aantal factoren (waaronder geluid, geur en gevaar) een indicatie gegeven van de afstand tussen bedrijven en hindergevoelige functies waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Het doel van milieuzonering is tweeledig: 1. door het toepassen van milieuzonering wordt hinder ter plaatse van woningen of andere gevoelige objecten al in het ruimtelijk spoor voorkomen; 2. door het toepassen van milieuzonering wordt aan bedrijven voldoende zekerheid geboden dat zij hun activiteiten duurzaam en binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Op basis van de indicatieve afstanden zijn de bedrijven op de bedrijvenlijst in de VNG-handreiking ingedeeld in milieucategorieën die variëren van categorie 1 (indicatieve afstand van 10 meter) tot categorie 6 (indicatieve afstand van 1.500 meter). Als aan de indicatieve afstand kan worden voldaan, is een activiteit qua milieuhinder inpasbaar.
Enerzijds is dan ter plaatse van omliggende milieugevoelige objecten (waaronder woningen) sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, anderzijds heeft het bedrijf voldoende zekerheid dat de bedrijfsactiviteiten binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen worden uitgeoefend. Omgevingstype In de VNG-brochure worden twee omgevingstypen onderscheiden, namelijk ‘rustige woonwijk’/‘rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. De richtafstanden uit de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een daarmee vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied). De indicatieve afstanden zijn de afstanden die moeten worden aangehouden tot de gevels van woningen in een ‘rustige woonwijk’.
Toelichting, De Biezen 6a
42
Als sprake is van een ‘gemengd gebied’ mag de indicatieve afstand worden gecorrigeerd en kan de afstand met één trede worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Het omgevingstype in de omgeving van het plangebied kan worden getypeerd als ‘rustig buitengebied’. Hierdoor kunnen de indicatieve afstanden niet worden gecorrigeerd. Toetsing initiatief Alle omliggende bedrijven zijn op een afstand van meer dan 300 meter van het plangebied gelegen. Hierdoor zullen deze bedrijven niet belemmerd worden in de bedrijfsvoering. Bovendien is daarmee op de locatie sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. Daarnaast is van belang dat de bedrijfsactiviteiten geen hinder veroorzaken op omliggende woningen. Navolgend wordt voor de aspecten geur, stof, geluid en externe veiligheid aangegeven wat de richtafstanden bedragen bij de huidige en beoogde bedrijfsactiviteiten. Hieruit blijkt de situatie voor het aspect geur aanzienlijk verbeterd. Overige aspecten blijven gelijk. Ook is de afstand vanaf het bouwvlak tot de dichtstbijzijnd gelegen woning (De Biezen 6 Aarle-Rixtel) aangegeven. In de beoogde situatie blijft de afstand tot deze woning hetzelfde. Aan de richtafstand voor geur wordt niet voldaan. Hiervoor is echter een specifiek toetsingskader. Op dit kader wordt in paragraaf 4.8 nader ingegaan.
Tabel 3 Richtafstanden geur, stof, geluid en externe veiligheid in bestaande en beoogde situatie
Richtafstand Richtafstand Richtafstand externe stof geluid veiligheid
Afstand tot De Biezen 6
Fokken en houden van 200 meter nertsen
30 meter
30 meter
0 meter
69 meter
Fokken en houden van 100 meter rundvee
30 meter
30 meter
0 meter
69 meter
Activiteiten beoogd
Richtafstand Richtafstand Richtafstand externe stof geluid veiligheid
Afstand tot De Biezen 6
Fokken en houden van 100 meter rundvee
30 meter
30 meter
0 meter
69 meter
Recreatiew oningen
0 meter
10 meter
0 meter
69 meter
Activiteiten bestaand
Richtafstand geur
Richtafstand geur
10 meter
Geconcludeerd kan worden dat er geen belemmeringen bestaan vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering.
Toelichting, De Biezen 6a
43
4.8
GEURHINDER De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en het Activiteitenbesluit milieubeheer vormen het toetsingskader bij vergunningverlening voor geur veroorzaakt door dierenverblijven van veehouderijen. Indirect hebben de Wgv en het Activiteitenbesluit ook consequenties voor de ruimtelijke ordening, dit wordt wel de omgekeerde werking genoemd. Van belang is dat door ontwikkelingen in het voorliggende plan geen belemmeringen ontstaan voor de omliggende (agrarische) bedrijven en de bedrijfsontwikkeling van deze bedrijven. Bij het beoordelen van het aspect geur zijn twee vragen van belang: Wat heeft de ontwikkeling voor effect op de voorgrond geurbelasting op de omliggende geurgevoelige effecten? Is en blijft er sprake van een goed woon- en leefklimaat in de omgeving van het plangebied? De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (ggo) (bijvoorbeeld een woning). De mate van bescherming van geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging en van de aard van het gevoelig object. Voor de ligging wordt onderscheidt gemaakt in ligging binnen of buiten de bebouwde kom en ligging binnen of buiten een concentratiegebied. In onderstaande tabel zijn de normen conform artikel 3, eerste lid van de Wgv weergegeven: Tabel 4
Het geurgevoelig object is gelegen in een:
Ten hoogste toegestane geurbelasting:
Normen geurbelasting
Concentratiegebied, binnen bebouwde kom
3,0 ouE/m3
Concentratiegebied, buiten bebouwde kom
14,0 ouE/m3
Niet-concentratiegebied, binnen bebouwde kom
2,0 ouE/m3
Niet-concentratiegebied, buiten bebouwde kom
8,0 ouE/m3
Een concentratiegebied is gedefinieerd als ‘concentratiegebied Zuid of concentratiegebied Oost als aangegeven in bijlage I bij de Meststoffenwet, of en als zodanig bij gemeentelijke verordening aangewezen gebied’. Voor dieren zonder emissiefactor gelden vaste afstanden. De afstand tot een geurgevoelig object dient in dat geval 100 meter te bedragen wanneer deze ligt binnen de bebouwde kom en 50 meter wanneer het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Bij gemeentelijke verordening kunnen gemeenten afwijken van de wettelijke normen. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) biedt gemeenten, binnen een wettelijke vastgestelde bandbreedte, de beleidsvrijheid om zelf geurnormen vast te stellen. De gemeenteraad heeft op 22-03-2008 de ‘Verordening geurhinder en veehouderij’ vastgesteld. Op grond van de
Toelichting, De Biezen 6a
44
verordening is de geurfactor in de omgeving van het plangebied conform landelijke norm 14. Voor de verspreidingsberekeningen wordt gebruik gemaakt van het verspreidingsmodel V-stacks vergunningen. V-stacks vergunning is een computerprogramma voor het berekenen van geur rond dierverblijven. Aan de hand van V-stacks vergunning wordt de geurbelasting berekend en getoetst. Op basis van deze berekening wordt duidelijk dat ruimschoots wordt voldaan aan de gestelde normen. De berekening voor de beoogde situatie is in de bijlagen bijgevoegd. Tevens kunnen dieren gehouden worden waarvoor geen geuremissiefactor geldt. Zoals eerder aangeven dient de afstand buiten de bebouwde kom tot een geurgevoelig object 50 meter te zijn. Hier is sprake van. De woning op Biezen 6 is op een afstand van 69 meter gelegen vanaf het bouwvlak. De ODZOB geeft voor de provincie Noord-Brabant in een digitale kaart de achtergrondbelasting weer welke wordt veroorzaakt door veehouderijen. Deze kaart is opgezet op basis van recente gegevens van de veehouderijen (2022). Uit onderstaande uitsnede blijkt dat ter plaatse van de locatie sprake is van een zeer goed woon- en leefklimaat (0-3 OUE/m³).
Aangezien in de beoogde situatie sprake is van zeer beperkte geuremissie en in de omgeving geen veehouderijen zijn gelegen, zal in de beoogde situatie binnen het plangebied en in de omgeving nog steeds sprake zijn van een zeer goed woon- en leefklimaat. Figuur 17 Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur ODZOB
In de omgeving van het plangebied zijn geen industriële bedrijven gelegen welke geur uitstoten. Voorgenomen ontwikkeling wordt aldus niet belemmerd door de geur afkomstig van industrie in de omgeving van het plangebied.
Toelichting, De Biezen 6a
45
De recreatiewoningen maken onderdeel uit van de veehouderijlocatie. Mensen wordt een manier van verblijven aangeboden in verbinding met het buitengebied en de veehouderij. Het is aantrekkelijk om op een rustige manier te kunnen genieten van de omgeving en daarnaast te kunnen zien hoe op de locatie het vee wordt gehouden. Er wordt nadrukkelijk kenbaar gemaakt dat mensen verblijven bij een veehouderij. De mensen worden betrokken bij de veehouderij en zijn welkom om de verschillende activiteiten te komen ervaren. Ze zien de dieren, mogen deze mee voeren/melken. Daarnaast is kunnen ze gebruik maken van producten (vleespakketten en melk) afkomstig van de eigen veehouderij. Mensen verblijven er tijdelijk en het betreft geen kwetsbare personen. Hiervoor is al aangetoond dat sprake is van een zeer goed woon en leefklimaat waardoor duidelijk is dat de mensen op een goede manier op de locatie kunnen verblijven. Geconcludeerd kan worden dat voor de woningen een zeer goed woon- en verblijfsklimaat gegarandeerd kan worden, rekening houdend met voor- en achtergrondbelasting. Daarbij worden omliggende bedrijven niet belemmerd in hun bedrijfsvoering met onderhavig voornemen.
4.9
AKOESTIEK Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Voor dit plan geldt dat uitsluitend industrielawaai relevant is. Kijkende naar de richtafstand voor geluid, geldt dat deze 30 meter bedraagt. Binnen deze afstand zijn geen gevoelige objecten gelegen. De dichtstbijzijnde woning is op een afstand van 69 meter gelegen van het bouwvlak. Hierdoor zijn geen nadelige effecten te verwachten. Bovendien nemen de bedrijfsactiviteiten in omvang af, doordat de nertsenhouderij wordt beëindigd. Concluderend kan gesteld worden er geen belemmeringen zijn voor het aspect geluid.
4.10
LUCHTKWALITEIT Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’) bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer:
Toelichting, De Biezen 6a
46
1. een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit; 2. ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven; 3. een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van de betreffende stoffen in de buitenlucht; 4. een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit). Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekenende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’. De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van vier recreatiewoningen.
Hiermee wordt ruimschoots onder de aantallen gebleven zoals genoemd in de ‘Regeling niet in betekende mate bijdragen’. In de toekomstige situatie is er sprake van een daling van de fijn stofemissie. De fijn stofemissie veroorzaakt door het houden van nertsen komt te vervallen. Hiervoor in de plaats worden enkele runderen meer gehouden, maar er blijft sprake van een grote afname. Dit is weergegeven in tabellen 1 en 2 in paragraaf 2.2. In de huidige situatie is sprake van 17308 gram PM10 per jaar, in de beoogde situatie van 7094 gram PM10 per jaar. Hierdoor is er sprake van een verbetering in en rondom het plangebied. Daarbij is de achtergrondconcentratie van fijnstof op de locatie volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten 15.83 µg/m3 voor fijnstof PM10. Dit is ver onder de grens van 40,0 µg/m3 uit de Wet Milieubeheer.
Toelichting, De Biezen 6a
47
Figuur 18 Concentratie fijnstof planomgeving (achtergrond)
Voor dezelfde locatie zijn eveneens de waarden opgenomen voor fijnstof PM2,5 en NO2. De waarde voor PM2,5 bedraagt ter plaatse van het plangebied 8,11 μg/m3. Dit is ver onder de richtwaarde van 25,0 μg/m3. De waarde voor NO2 bedraagt ter plaatse van het plangebied 11,52 µg/m3. Ook dit is ver onder de grenswaarde van 40,0 µg/m3. De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met het bepaalde in de Wet milieubeheer. De luchtkwaliteit op de locatie is acceptabel. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Er bestaan voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen.
4.11
EXTERNE VEILIGHEID Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. De wet- en regelgeving rondom externe veiligheid richt zich op het beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (transport van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. Risicobronnen kunnen worden onderscheiden in risicovolle inrichtingen (waaronder lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen (over wegen, spoorwegen en vaarwegen) en buisleidingen (bijvoorbeeld leidingen voor aardgas of vloeibare brandstof). Om voldoende ruimte te scheppen tussen een risicobron en personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Het beoordelingskader voor risicovolle inrichtingen
Toelichting, De Biezen 6a
48
wordt gevormd door het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en voor buisleidingen het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van externe veiligheidsrisico's staan, zowel in het Bevi, het Bevt als het Bevb, twee begrippen centraal: Het plaatsgebonden risico (PR): het risico op een plaats, uitgedrukt in een waarde voor de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval waarbij één of meer gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Het plaatsgebonden risico kan op kaart worden weergegeven in de vorm van risicocontouren. Bij de beoordeling wordt getoetst of het plaatsgebonden risico niet hoger is dan eens per 1 miljoen jaar (10-6 per jaar). Het groepsrisico (GR): de kans dat bij een ongeval buiten de locatie waar activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden 10, 100 of 1.000 slachtoffers tegelijk vallen. Het groepsrisico is een maat voor de verwachte omvang van een ramp. Bij de beoordeling van het groepsrisico wordt de hoogte van het groepsrisico vergeleken met de zogeheten oriëntatiewaarde. Een wijziging van het groepsrisico dient in bepaalde gevallen te worden verantwoord door het bevoegd gezag.
Risicobronnen kunnen worden onderscheiden in risicovolle inrichtingen (waaronder lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. Om voldoende ruimte te scheppen tussen een risicobron en personen of objecten die risico lopen (kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Het beoordelingskader voor risicovolle inrichtingen wordt gevormd door het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), waarin de Basisnetten voor weg, spoor en water zijn vastgelegd. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Risicovolle inrichtingen In het plangebied en in de omgeving van het plangebied zijn geen inrichtingen gevestigd die onder het regime van het Bevi vallen. Er is geen sprake van belemmeringen vanwege de aanwezigheid van een risicovolle inrichting.
Toelichting, De Biezen 6a
49
Figuur 19 Uitsnede risicokaart externe veiligheid
Buisleidingen Binnen het plangebied is geen buisleiding gelegen. Ten Westen van het plangebied zijn wel twee RRP-leidingen voor transport van ruwe olie gelegen op circa 65 meter van het bouwvlak. Het volledige plangebied is buiten de risicocontouren gelegen. De nieuwe recreatiewoningen worden buiten deze zones gerealiseerd. Er is geen sprake van belemmeringen vanwege de aanwezigheid van buisleidingen. Vervoer van gevaarlijke stoffen In het Bevt zijn de Basisnetten voor weg, spoor en water geïmplementeerd in de wetgeving met betrekking tot externe veiligheid. Het Bevt regelt - in combinatie met de Regeling basisnet - enerzijds een risicoplafond voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en bevat anderzijds regels voor ruimtelijke ontwikkelingen in de nabijheid van deze transportassen. Het Bevt bepaalt onder andere dat bij ontwikkelingen binnen 200 meter van een transportroute voor gevaarlijke stoffen in bepaalde gevallen een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico nodig is (Bevt artikel 8). Bij ontwikkelingen buiten de 200 meter, maar binnen het invloedsgebied, moet worden ingegaan op de mogelijkheden voor bestrijding/beperking van de omvang van een ramp en op de mogelijkheden voor zelfredzaamheid. Het invloedsgebied van een transportroute varieert,
Toelichting, De Biezen 6a
50
afhankelijk van de stofcategorieën die worden getransporteerd, van 40 tot meer dan 4.000 meter. De dichtstbijzijnde Basisnetroute is de spoorlijn Blerick – Eindhoven, op 6,2 km ten zuiden van het plangebied. Gezien de grote afstand tot de basisnetroutes, zijn geen risico’s te verwachten voor het plangebied. Activiteitenbesluit In het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ dienen ook de veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit betrokken te worden bij de externe veiligheidsanalyse. In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen propaantanks. Geconcludeerd kan worden dat er uit oogpunt van externe veiligheid geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling.
4.12
VERKEER EN PARKEREN De ontwikkeling mag geen nadelige gevolgen hebben voor de verkeerssituatie in de omgeving van het plangebied. Met het beëindigen van de nertsenhouderij neemt het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie fors af. Hierbij gaat het met name om een afname in vrachtverkeer. Daartegenover staat een lichte toename in verkeer van personenauto’s. De verkeersbewegingen bij de bedrijfswoningen en rundveehouderij blijven gelijk. De locatie blijft ontsloten via de drie bestaande inritten. De recreatiewoningen worden per tweetal ontsloten via een gemeenschappelijke inrit ten noorden van de locatie. De wegen in de planomgevingen hebben voldoende capaciteit om deze verkeersbewegingen te verwerken. Daarnaast is van belang dat voorzien wordt in voldoende parkeervoorzieningen. Per 1 juli 2018 komen de stedenbouwkundige bepalingen in de Bouwverordening te vervallen en kunnen parkeernormen alleen nog via het bestemmingsplan van kracht zijn door middel van een voorwaardelijke verplichting. Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.2 lid 2a) bepaalt, dat een bestemmingsplan ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening regels kan bevatten waarvan de uitleg bij de beoefening van een daarbij aangegeven bevoegdheid, afhankelijk is van beleidsregels. Om deze reden heeft gemeente Laarbeek de ‘Parkeerbeleidsnota 2019 gemeente Laarbeek’ vastgesteld.
In deze beleidsregels wordt verwezen naar de parkeerkencijfers van het CROW (CROW-publicatie 381). In het plangebied wordt binnen het plangebied een nieuwe functie toegevoegd in de vorm van recreatiewoningen. De parkeernorm voor een recreatiewoning in het buitengebied is minimaal 2 parkeerplaatsen per recreatiewoning. Binnen het plangebied wordt per recreatiewoning
Toelichting, De Biezen 6a
51
voorzien in 2 parkeerplaatsen per woning. In navolgend figuur zijn de parkeerplaatsen aangegeven. Figuur 20 Parkeerplaatsen binnen het plangebied
4.13
SPUITZONES Bij het mogelijk maken van een nieuwe voor drift gevoelige bestemming, in de nabijheid van bestemmingen, die het toepassen van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet uitsluiten, is aandacht voor spuitzones nodig. Dit in verband met de risico’s voor de volksgezondheid, vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld, die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Drift is een belangrijke en directe bron van luchtverontreiniging waardoor mens en dier in contact kunnen komen met gewasbeschermingsmiddelen. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden. Op basis van jurisprudentie wordt in de praktijk een spuitzone voor een voor driftgevoelige bestemming aangehouden van 50 meter, gemeten vanaf de bestemmingsgrens. Deze 50 meter is in diverse uitspraken van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 23 september 2009 in zaak nr. 200900570/1/R2) als “in het algemeen niet onredelijk” bevonden en geldt als een vaste richtafstand waar gemotiveerd van kan worden afgeweken. Een kleinere afstand is mogelijk, mits dat goed onderbouwd wordt.
Toelichting, De Biezen 6a
52
De vaste richtafstand van 50 meter is in de open teelt met name van belang voor boomkwekerijen en boomgaarden, omdat gewasbeschermingsmiddelen daarbij niet alleen neerwaarts worden gespoten (onkruidbestrijding), maar ook zij- en opwaarts (voorkomen en bestrijden schimmels en plaagdieren). Omdat bij opwaarts spuiten de vloeistof op een grotere hoogte vrijkomt en er daardoor meer kans is op verspreiding, veroorzaakt het opwaarts spuiten de meeste drift en is om die reden maatgevend voor gezondheidsrisico’s. Door een wijziging in de wetgeving is het verplicht om te spuiten met driftreductie van ten minste 75%. Dit maakt dat de aan te houden afstand kleiner wordt, te weten 30 meter. Dit op basis van onderzoek van Wageningen Research naar driftreductie. De woningen zijn binnen een afstand van 30 meter gelegen van een perceel waar gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden toegepast. In hetzelfde onderzoek is echter aangegeven dat door toepassing van een houtwal op de perceelgrens er vanaf 5 meter van de perceelgrens geen overschrijdingen meer zijn. In deze situatie wordt de locatie omringd met houtwallen waardoor dit van toepassing is. Aan de noordzijde wordt voorzien in een stevige groensingel. Aan de westzijde is aan beide zijden van De Biezen een stevige rij eiken aanwezig met daartussen beplanting. Daarnaast wordt een stevige gemengde haag toegevoegd.
De recreatiewoningen zijn op een afstand groter dan 5 meter gelegen waardoor gezondheidsrisico’s laag zijn. Bovendien verblijven mensen slechts tijdelijk op de locatie. Er zijn geen belemmeringen voor de voortgang van het plan.
4.14
VOLKSGEZONDHEID IN RELATIE TOT VEEHOUDERIJEN Voor toetsing van het aspect volksgezondheid bij initiatieven in relatie tot veehouderijen, wordt de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: endotoxinetoetsingskader 1.0’ gehanteerd. Door middel van dit toetsingskader wordt getoetst of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het toetsingskader heeft alleen betrekking op pluimvee- en varkenshouderijen. In een straal van een kilometer vanaf de locatie zijn geen pluimvee- of varkensbedrijven gelegen. Het endotoxinetoetsingskader vormt daarmee geen belemmering. In het kader van het VGO-rapport ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden’ is het tevens van belang of in de nabije omgeving van de locatie zich een geitenhouderij bevindt. Uit het rapport komt naar voren dat een verhoogde kans op longontsteking bestaat voor omwonenden in een straal van 2 kilometer rond geitenhouderijen. In de omgeving van de locatie zijn geen geitenhouderijen gelegen.
Toelichting, De Biezen 6a
53
5 5.1
UITVOERBAARHEID
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Het bestemmingsplan is conform het wettelijk vooroverleg voorgelegd aan Waterschap Aa en Maas en de provincie Noord-Brabant. Daarnaast is het initiatief aan de omgeving voorgelegd in de vorm van een omgevingsdialoog.
5.2
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel dat mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Voor de ontwikkeling van dit plan is er sprake van een particulier initiatief. De gemeente Laarbeek zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer. Dit wordt met de initiatiefnemer kortgesloten middels een anterieure overeenkomst. In deze overeenkomst zijn onder andere de verplichtingen van initiatiefnemer met betrekking tot het planschadeverhaal opgenomen. De initiatiefnemer is zich ervan bewust dat alle kosten die gemaakt worden in of ten behoeve van de procedure en de uitvoering voor rekening van de initiatiefnemer komen. Dit betreft onder meer de kosten voor de benodigde onderzoeken, de kosten voor het opstellen van het bestemmingsplan, de legeskosten die voldaan dienen te worden en eventuele planschade indien die door uitvoering van het bestemmingsplan zou optreden.
Toelichting, De Biezen 6a
54
6 6.1
JURIDISCHE VERANTWOORDING
INLEIDING Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. Bovendien draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.
6.2
TOELICHTING OP DE VERBEELDING De verbeelding heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiksen bebouwingsmogelijkheden in het plangebied. De verbeelding bestaat uit een planverbeelding, getekend op een digitale kadastrale ondergrond. De enkelbestemming ‘Agrarisch –Agrarisch bedrijf’ is opgenomen.
6.3
ALGEMENE TOELICHTING OP DE REGELS De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De opbouw is als volgt: Betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen); De gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk Bestemmingen); Algemene regels (Hoofdstuk 3 Aanvullende regels); Overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels).
2
Een bestemmingsartikel kan uit de volgende leden (in deze volgorde) worden opgebouwd: Bestemmingsomschrijving;
Toelichting, De Biezen 6a
55
Bouwregels; Nadere eisen; Specifieke gebruiksregels; Afwijking van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het aanleggen. Met betrekking tot dit bestemmingsplan is voor de regels van dit plan aangesloten bij de vigerende bestemmingsplannen voor het plangebied.
6.4
TOELICHTING OP DE BESTEMMINGEN
6.4.1
Agrarisch – Agrarisch bedrijf De volledige locatie behoud de enkelbestemming Agrarisch – Agrarisch bedrijf. Vanwege de beëindiging van de nertsenhouderij, wordt de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – nertsenfokkerij’ verwijderd.
6.4.2
Recreatiewoningen Ten behoeve van de ontwikkeling van de recreatiewoningen, wordt een functieaanduiding toegevoegd: ‘specifieke vorm van agrarisch – recreatiewoningen’.
6.4.3
Waarde – Archeologie 5.1 en 7 Het plangebied is in het vigerende bestemmingsplan voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5.1’ en ‘Waarde – Archeologie 7’ ter bescherming van eventuele archeologische waarden in de bodem. Deze dubbelbestemming is overgenomen in dit bestemmingsplan.
Toelichting, De Biezen 6a
56
7
CONCLUSIE
Het voorliggende initiatief – het beëindigen van de nertsenhouderij, voortzetten van de rundveehouderij en ontwikkelen van 4 recreatiewoningen – kan vanuit integraal planologisch perspectief en in overeenstemming met de planbeschrijving ondersteund worden. Overwogen is dat: het project in landschappelijk en stedenbouwkundig opzicht in het aangegeven gebied aanvaardbaar is; het project past binnen de vigerende planologische (beleids)uitgangspunten en –doelstellingen; het project vanuit planologisch perspectief geen onaanvaardbare negatieve gevolgen voor de in de omgeving aanwezige waarden en belangen heeft. Geconcludeerd kan worden dat er voldoende argumenten aanwezig zijn om medewerking te verlenen aan voorliggend initiatief.
Toelichting, De Biezen 6a
57
Rapport
verkennend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek De Biezen 6a te Aarle-Rixtel
Projectnaam Projectnummer
De Biezen 6a te Aarle-Rixtel B3182
Opdrachtgever Postadres
De Biezen De Biezen 6a 5735 SM Aarle-Rixtel Dhr F. van Erp
Contactpersoon Status Versie
Definitief 1
Aantal pagina’s Datum
16 (exclusief bijlagen) 8 maart 2023
Samenstelling rapport en kwaliteitscontrole
dhr. M. Gloudemans
Paraaf
Telefoon
Jekschotstraat 12 5465 PG Veghel 0413 287068
e-mail internet
info@bodem-inzicht.nl www.bodem-inzicht.nl
Bezoekadres Postcode en plaats
Inhoudsopgave 1 INLEIDING..................................................................................................................................................................................... 3 1.1
Algemeen ..................................................................................................................................................................................... 3
1.2
Aanleiding en doel van het onderzoek ......................................................................................................................................... 3
1.3
Partijdigheid ................................................................................................................................................................................. 3
1.4 2
Opbouw van het rapport .............................................................................................................................................................. 3 VOORONDERZOEK ........................................................................................................................................................................ 4
2.1
Beschrijving onderzoekslocatie .................................................................................................................................................... 4
2.2
Voormalig en huidig gebruik van de locatie ................................................................................................................................. 4
2.3
Toekomstig gebruik ...................................................................................................................................................................... 5
2.4
Beschikbare onderzoeksgegevens ................................................................................................................................................ 5
2.5
Bodem- en geohydrologische gegevens ....................................................................................................................................... 5
2.6
Terreinverkenning ........................................................................................................................................................................ 5
2.7
Conclusie vooronderzoek en hypothese ...................................................................................................................................... 5
2.8
Onderzoeksstrategie .................................................................................................................................................................... 5
2.9
Onderzoeksstrategie asbest ......................................................................................................................................................... 6
UITGEVOERDE WERKZAAMHEDEN VERKENNEND BODEMONDERZOEK .................................................................................................... 7 2.10
Veldwerkzaamheden.................................................................................................................................................................... 7
2.11
Zintuiglijke waarnemingen en veldmetingen ............................................................................................................................... 7
2.12
Meetgegevens grondwater .......................................................................................................................................................... 7
2.13
Analyse en monsterselectie ......................................................................................................................................................... 7
2.14
Geselecteerde grondmonsters en analysepakket ........................................................................................................................ 8
2.15
Overzicht grondwatermonsters en analysepakket ....................................................................................................................... 8
3
RESULTATEN ................................................................................................................................................................................. 9 3.1
Toetsingskader ............................................................................................................................................................................. 9
Toetsing analyseresultaten grond en grondwater ........................................................................................................................................ 9 3.2
Analyseresultaten grondmonsters en interpretatie ..................................................................................................................... 9
3.3
Analyseresultaten grondwatermonsters en interpretatie .......................................................................................................... 10
4
UITGEVOERDE WERKZAAMHEDEN ASBESTONDERZOEK ...............................................................................................................11 4.1
Veldwerkzaamheden.................................................................................................................................................................. 11
4.2
Maaiveldinspectie ...................................................................................................................................................................... 11
4.3
Zintuiglijke waarnemingen inspectiegaten ................................................................................................................................. 11
4.4
Analyse en monsterselectie ....................................................................................................................................................... 11
4.5
Analyse en monsterselectie ....................................................................................................................................................... 12
5
4.5.1 geselecteerde mengmonsters grond- en verzamelmonsters .......................................................................................... 12 RESULTATEN ASBESTONDERZOEK ................................................................................................................................................13
6
5.1.1 Toetsingskader ................................................................................................................................................................ 13 5.1.2 Analyseresultaten asbestanalyses NEN5898 ................................................................................................................... 13 5.1.3 Analyseresultaten verzamelmateriaal ............................................................................................................................. 14 CONCLUSIES EN ADVIES ...............................................................................................................................................................15
BIJLAGEN Bijlage 1: Topografische ligging onderzoekslocatie Bijlage 1a: foto’s onderzoekslocatie Bijlage 2: Situatietekening met boorpunten Bijlage 3: Boorprofielbeschrijvingen Bijlage 4: Getoetste tabellen grond en grondwater Bijlage 5: Analysecertificaten Bijlage 6: veldwerkrapportage Bijlage 6a: foto’s veldwerk
rapport B3182 De Biezen 6a te Aarle-Rixtel
2
1
INLEIDING
1.1
Algemeen
In opdracht van De Biezen te Aarle-Rixtel heeft Bodeminzicht een verkennend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek uitgevoerd op het perceel De Biezen 6a te Aarle-Rixtel (gemeente Laarbeek). 1.2
Aanleiding en doel van het onderzoek
Aanleiding voor het verkennend bodemonderzoek wordt gevormd door een wijziging van een deel van de agrarische bestemming naar recreatie. Het doel van het onderzoek is het bepalen van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. De doelstelling van het verkennend onderzoek asbest is om met een relatief geringe onderzoeksinspanning na te gaan of de verdenking op verontreiniging van de bodem met asbest terecht is en een indicatieve uitspraak te doen over het asbestgehalte in de bodem. 1.3
Partijdigheid
Bodeminzicht en partijen die een bijdrage hebben geleverd aan de totstandkoming van dit rapport hebben op geen enkele wijze een relatie met de opdrachtgever en zijn geen belanghebbenden bij de onderzochte locatie. Bodeminzicht garandeert hiermee derhalve dat een volledig onafhankelijk en onpartijdig onderzoek is uitgevoerd. 1.4
Opbouw van het rapport
In het voorliggende rapport komen de volgende aspecten aan de orde: Vooronderzoek (hoofdstuk 2) Uitgevoerde werkzaamheden (hoofdstuk 3) De resultaten van het onderzoek (hoofdstuk 4) Uitgevoerde werkzaamheden asbest (hoofdstuk 5) De resultaten van het asbestonderzoek (hoofdstuk 6) Conclusies en aanbevelingen (hoofdstuk 7)
rapport B3182 De Biezen 6a te Aarle-Rixtel
3
2
VOORONDERZOEK
De NEN 5725 (versie oktober 2017) beschrijft de werkwijze voor het uitvoeren van het vooronderzoek naar de (mogelijke) aanwezigheid van verontreinigingen in en de verwachte milieuhygiënische kwaliteit van de landbodem. Daarnaast dient het milieuhygiënisch vooronderzoek als basis voor de hypothese over veld- en laboratoriumonderzoek. Hierbij zijn de volgende bronnen geraadpleegd: A. opdrachtgever B. Het milieu-archief van de gemeente Laarbeek C. Kadastrale kaarten D. Topografische kaarten (topotijdreis) E. Grondwaterkaarten F. Omgevingsrapportage Brabant Noord G. Locatiebezoek 2.1
Beschrijving onderzoekslocatie
adres onderzoekslocatie kadastrale gegevens oppervlakte ligging onderzoekslocatie huidige functie beschrijving bebouwing/inrichting
De Biezen 6a te Aarle-Rixtel Gemeente Aarle-Rixtel sectie G nummer 348 4.500 m² buiten bebouwde kom en ten noordoosten van de kern Aarle-Rixtel Pelsdierhouderij en weide De bebouwing bestaat uit het houten frame van sheds. Twee schuren en een werktuigenloods zijn opgetrokken uit hout of een metalen frame. De loods (4) is voorzien van damwandplaten. Het maaiveld is deels verhard met beton, overig terrein is onverhard. Een gronddepot bevindt zich op het noordoostelijk deel van het terrein. noord Landbouwgrond oost Landbouwgrond zuid Erf De Biezen 6a (runveehouderij) west Landbouwgrond, openbare weg De Biezen
beschrijving maaiveld omgeving
2.2
Voormalig en huidig gebruik van de locatie
voormalig gebruik locatie algemeen
(sloot-)dempingen Ophogingen/depots
voormalige bebouwing bodembedreigende activiteiten, opslagtanks en opslag bodembedreigende stoffen
De locatie is in gebruik geweest als bos en landbouwgrond tot begin jaren ’70 een woning en agrarische bebouwing wordt opgericht en sprake is van een pelsdierhouderij gecombineerd met rundveehouderij. Door de jaren heen wordt de bebouwing uitgebreid en aangepast. Eind 2020 is de pelsdierhouderij beëindigd. Het terrein was deels omheind met ingegraven (tot 20 cm-mv) asbesthoudend golfplaten en schuur 2 en 3 waren voorzien van asbesthoudende dakplaten met goot. Recent is het asbest gesaneerd.
1961 1994 2013 nee Een depot zand bevindt zich op het noordoostelijk terreindeel. Dit depot is een overschot van aangevoerde grond afkomstig van een buurman. Het betreft AP04gekeurde grond afkomstig van Industrielaan 11 te Uden. In november 2021 is deze partij gekeurd door Archimill (kenmerk C219474.006/PHE). Zintuiglijk is sporadisch een bijmenging met puin aangetroffen. Er is in lijn met NEN5707 geen asbestonderzoek verricht. De kwaliteit voldoet aan de Achtergrondwaarden. Het gehalte PFAS en PFOS ligt boven de detectielimiet. De partij is vrij toepasbaar, behalve in waterbeschermingsgebied. nee Binnen de onderzoekslocatie is volgens de opdrachtgever geen sprake van bodembedreigende activiteiten, opslagtanks en opslag bodembedreigende stoffen. De milieuvergunning van 2005 (kenmerk Biezen6aAE) vermeld eveneens geen bodembedreigende activiteiten, opslagtanks en opslag bodembedreigende stoffen. Opslag van reinigingsmiddelen, bestrijdingsmiddelen en medicijnen vond in kleine
rapport B3182 De Biezen 6a te Aarle-Rixtel
4
hoeveelheden (maximaal een dagvooraad) plaats, het (beperkte) werken met deze middelen werd uitbesteed. Ten zuidwesten van de onderzoekslocatie wordt in een loods diesel opgeslagen in een bovengrondse dubbelwandige tank in een lekbak. Deze bevindt zich circa 15 meter van de grens van onderhavige onderzoekslocatie. 2.3
Toekomstig gebruik
bestemming
bodembedreigende activiteiten opslagtanks opslag bodembedreigende stoffen
2.4
Beschikbare onderzoeksgegevens
onderzoek op locatie onderzoek in directe omgeving 2.5
Beoogd wordt de pelsdierhouderij te beëindigen en de rundveehouderij voort te zetten. Naast de huidige rundveestal wordt een nieuwe stal gerealiseerd. Naast de agrarische bedrijfstak wordt een recreatieve tak ontwikkeld in de vorm van recreatiewoningen. Deze recreatieve tak is gepland ter plaatse van het huidige terreindeel van de pelsdierhouderij. Binnen de onderzoekslocatie zal geen sprake zijn van bodembedreigende activiteiten. Binnen de onderzoekslocatie zal geen sprake zijn van opslagtanks. Binnen de onderzoekslocatie zal geen sprake zijn van opslag van bodembedreigende stoffen.
Er zijn geen bodemonderzoeken verricht op de locatie. Er zijn geen bodemonderzoeken bekend in de directe omgeving.
Bodem- en geohydrologische gegevens
deklaag eerste watervoerend pakket scheidende laag
Bodemopbouw fijn tot matig grof zand. Plaatselijk komt leem, klei en veen voor. matig tot zeer grove grindrijke zanden, met plaatselijk een kleilaag. kleihoudende afzettingen
Nuenengroep
0-10 m-mv
Formatie van Sterksel/Veghel Kedichem/Tegelen
10-80 m-mv 80-180 mmv
hydrologie diepte freatisch grondwater stromingsrichting 2.6
1,0-1,5 m-mv noordelijk
Terreinverkenning
Voorafgaand aan het eerste veldwerk is de onderzoekslocatie geïnspecteerd. Ter plaatse van en in de nabijheid van de voormalige omheining wordt asbest op maaiveld aangetroffen. 2.7
Conclusie vooronderzoek en hypothese
Uit het verrichte vooronderzoek zijn geen (voormalige) potentiële bronnen vastgesteld die bodemverontreiniging tot gevolg kunnen hebben. Met het oog op het agrarisch gebruik wordt de locatie als heterogeen verdacht beschouwd. Vanuit de directe omgeving wordt geen beïnvloeding verwacht op de bodemkwaliteit. De bodem ter plaatse van de (voormalige) asbesthoudende omheining wordt als verdacht beschouwd op aanwezigheid van asbest en PCB. De sheds en schuur 2 waren voorzien van goten; er zijn derhalve geen verdachte druppelzones. De westzijde van schuur 3 was niet voorzien van een goor, de druppelzone wordt als verdacht beschouwd op aanwezigheid van asbest en PCB. De overige bodem binnen de onderzoekslocatie wordt op voorhand niet als asbestverdacht beschouwd. Er is geen sprake van bodemvreemde lagen. 2.8