9 20240425 Bestemmingsplan De Biezen 6a Regels
Tekst van het document
de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan; richtlijnen geven omtrent de wijze waarop omgegaan wordt met (toevals)vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.
29
h. het overleggen van een rapport is niet nodig als de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg, afdoende is vastgesteld. 5.3.2 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de afmetingen en de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermingswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden. 5.3.3 Advies archeologisch deskundige Alvorens burgemeester en wethouders beslissen over een omgevingsvergunningaanvraag als bedoeld in lid 5.3.1 sub a, winnen zij schriftelijk advies in bij een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg omtrent de vraag of door afwijking van de bouwregels geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.4.1 Vergunningplicht Het is verboden op de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 7' zonder een omgevingsvergunning de volgende werken geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden uit te voeren of uit te laten voeren, indien de oppervlakte van het werk of de werkzaamheden groter is dan 25.000 m2 en de bodemingrepen dieper reiken dan 0,4 m onder maaiveld:
a. b. c. d. e. f. g. h. i. j.
het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, waaronder begrepen het aanleggen van drainage; het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplantingen, waarbij de stobben worden verwijderd; het ophogen en egaliseren van gronden; het verlagen van het waterpeil; het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem; het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers en andere wateren; het omzetten van gras- of akkerland in een teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend wordt boomteelt en graszodenteelt; het afplaggen van heide- of natuurgebieden; het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies waarbij de breedte van de grondwerken meer dan 50 cm bedragen; het slopen van gebouwen en verwijderen van funderingen.
5.4.2 UItzonderingen vergunningplicht Het in lid 5.4 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: 30
a.
het normale onderhoud en/of beheer betreffen overeenkomstig de overige bestemmingen van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; c. worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een erkende archeologische partij; d. binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bouwwerk worden uitgevoerd. 5.4.3 Beoordelingscriteria Ten aanzien van de in lid 5.4.1 genoemde vergunning gelden de volgende beoordelingscriteria: a.
de vergunning kan uitsluitend worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, wat moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te overleggen; b. het overleggen van een rapport is niet nodig als naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie, die is getoetst door de deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg, afdoende is vastgesteld. 5.4.4 Voorwaarden Voor zover de in lid 5.4.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologische waarden, kunnen aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden: a.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een erkende archeologische partij of deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties; d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan; e. richtlijnen geven omtrent de wijze waarop omgegaan wordt met (toevals)vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. 5.4.5 Advies Alvorens burgemeester en wethouders beslissen over de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 5.4.1 winnen zij schriftelijk advies in bij een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg omtrent de vraag of door het verlenen van een afwijking geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke 31
voorwaarden dienen te worden gesteld. 5.5 Wijzigingsbevoegdheid Het bevoegd gezag kan de verbeelding van het bestemmingsplan zodanig wijzigen dat de bestemming 'Waarde - Archeologie 7': a. naar ligging wordt verschoven, dan wel; b. naar omvang wordt vergroot of verkleind, dan wel; c. van bestemming wijzigt in een andere 'Waarde – Archeologie 2, 3, 4, 5.1, 5.2, 6.1 of 6.2,' dan wel; d. wordt verwijderd.
32
3 ALGEMENE REGELS ARTIKEL 6 ANTI-DUBBELTELREGEL Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
33
ARTIKEL 7 ALGEMENE BOUWREGELS 7.1 Bestaande afwijkende maatvoering In die gevallen, dat de (goot)hoogte, de oppervlakte, de inhoud, een bebouwingspercentage en/of de afstand tot de weg of perceelsgrenzen, en andere maten, voor in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet tot stand gekomen, op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan minder dan wel meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die bestaande maatvoering in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan. 7.2 Ondergronds bouwen a.
Op plaatsen waar hoofd- en bijgebouwen zijn of gelijktijdig worden gebouwd mag eveneens ondergronds gebouwd worden, direct aansluitend mogen in- dan wel uitritten ten behoeve van de ondergrondse bouwwerken worden gebouwd. b. De verticale diepte mag bij ondergronds bouwen niet meer bedragen dan 3,5 m. c. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken op andere locaties dan onder het hoofdgebouw of bijgebouw mits hierdoor de in het gebied aanwezige waarden niet onevenredig worden aangetast. 7.3 Ondergeschikte bouwdelen Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1,5 m bedraagt. Het voorgaande is niet van toepassing op schoorstenen behorend bij bedrijfsgebouwen.
34
ARTIKEL 8 ALGEMENE GEBRUIKSREGELS 8.1 Strijdig gebruik Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken geldt dat: a.
het gebruiken of laten gebruiken van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting en/of escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie niet is toegestaan; b. het gebruiken of laten gebruiken voor wonen van vrijstaande bijgebouwen bij een (bedrijfs)woning niet is toegestaan. 8.2 Toename van stikstofdepositie Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken, waarbij een toename van stikstofdepositie plaatsvindt. 8.3 Parkeren 8.3.1 Strijdig gebruik tot een strijdig gebruik met de bestemming, zoals vastgelegd in hoofdstuk 2, voor zover sprake is van het bouwen, het uitbreiden en/of het wijzigen van de functie van gebouwen en gronden, in ieder geval gerekend het gebruik van gronden of bouwwerken waarbij niet wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de normering zoals deze is opgenomen in de 'Parkeerbeleidsnota 2014' (vastgesteld d.d. 10 juli 2014) en diens rechtsopvolger(s).
8.3.2 Voorwaardelijke verplichting Een‘omgevingsvergunning voor bouwen’ en/of een ‘omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik’ voor het bouwen, het uitbreiden en het wijzigen van de functie van gebouwen wordt slechts verleend, indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de normering zoals deze is opgenomen in de ‘Parkeerbeleidsnota 2014' (vastgesteld d.d. 10 juli 2014) en diens rechtsopvolger(s). Het gebruiken van gebouwen en gronden conform (een) verleende vergunning(en) voor het bouwen, het uitbreiden en het wijzigen van de functie van gebouwen en gronden, zoals hiervoor in dit lid bedoeld, is slechts toegestaan, indien de bij de aanvraag aangegeven parkeergelegenheid is gerealiseerd en in stand wordt gehouden. 8.3.3 Afwijken van de parkeerregeling Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.3.1 en lid 8.3.2 en toestaan dat: a.
parkeergelegenheid niet op eigen terrein bij de ontwikkeling wordt gerealiseerd, zoals de 'Parkeerbeleidsnota 2014' (vastgesteld d.d. 10 juli 2014) voorschrijft, mits voldaan wordt aan de overige in de 'Parkeerbeleidsnota 2014'(vastgesteld d.d. 10 juli 2014) en diens rechtsopvolger(s) gestelde voorwaarden;
35
b. wordt afgeweken van de toe te passen parkeernorm, mits voldaan wordt aan de in de 'Parkeerbeleidsnota 2014' (vastgesteld d.d. 10 juli 2014) en diens rechtsopvolger(s) gestelde voorwaarden.
36
ARTIKEL 9 ALGEMENE AFWIJKINGSREGELS Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van: a.
de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages. Deze ontheffing is niet van toepassing op de inhoud van woningen, bedrijfswoningen en recreatiewoningen en in die gevallen waarin binnen hoofdstuk 2 van deze regels reeds ontheffing is verleend; b. de bestemmingsregels en toestaan dat bestemmingsgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft; c. de bestemmingsregels en toestaan dat openbare nutsgebouwtjes, waaronder wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes, en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, mits: 1. de oppervlakte per gebouwtje niet meer dan 20 m² zal bedragen; 2. de bouwhoogte niet meer dan 3,5 m zal bedragen; d. de bestemmingsregels ten aanzien van het bouwen van woningen en bijgebouwen, waarbij geldt dat bij in te richten of te beplanten gronden 5% van de oppervlakte mag worden toegevoegd aan de inhoud van de woning tot een maximum van 900 m³ en/of 5% van de oppervlakte mag worden toegevoegd aan de maximale oppervlakte aan bijgebouwen tot een maximum van 240 m². De gronden waarop deze bepaling van toepassing is zijn gelegen in de ecologische verbindingszone of het lokaal landschappelijk raamwerk.
De gronden dienen te zijn of worden overgedragen aan de gemeente of het waterschap. Deze bepaling is niet van toepassing op cultuurhistorisch waardevolle bebouwing ter plaatse van de aanduiding ’cultuurhistorische waarden’; e. de bestemmingsregels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 20 m; f. de onder a tot en met f genoemde ontheffingen kunnen uitsluitend verleend worden mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; 2. de verkeersveiligheid; 3. de sociale veiligheid; 4. de milieusituatie; en 5. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
37
ARTIKEL 10 ALGEMENE PROCEDUREREGELS Met betrekking tot de voorbereiding van de wijziging van het plan of ontheffing van de regels door burgemeester en wethouders, is Afdeling 3.4 (Uniforme openbare voorbereidingsprocedure) van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
38
ARTIKEL 11 OVERIGE REGELS Waar in dit plan wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, wordt geduid op de regelingen zoals die luidden op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan.
39
4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS ARTIKEL 12 OVERGANGSRECHT 12.1 Overgangsrecht bouwwerken a.
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig afwijken verlenen van het bepaalde onder a voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10%. c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 12.2 Overgangsrecht gebruik a.
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan.
ARTIKEL 13 SLOTREGEL Deze regels worden aangehaald als:
Regels van het bestemmingsplan ‘De Biezen 6a, Aarle-Rixtel’
40
Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten
Staat van bedrijfsactiviteiten categorie 1 t/m 6
SBI 01 014 014 014 014 014 0142 15 1552 1552 1581 1581 20 203, 204, 205 205 22 221 2222.6 2223 2223 2224 2225 223 26 262, 263 262, 263 28 281 281 284 284 287 31 316 36 361 362 363 3361.1 40
SVB01-LAA00009-01A
VOLGNR OMSCHRIJVING 1 2 3 4 0 1 0 1 1 -
A B
0 1 0 1a B0 B1 B 2
-
RISICO CATEGORIE
LANDBOUW EN DIENSTVERLENING T.B.V. DE LANDBOUW Dienstverlening t.b.v. de landbouw: - algemeen (o.a. loonbedrijven), b.o. < 500 m² - algemeen (o.a. loonbedrijven), b.o. >= 500 m² - plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven, b.o. < 500 m² - plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven, b.o. >= 500 m² KI-stations VERVAARDIGING VAN VOEDINGSMIDDELEN EN DRANKEN Consumptie-ijsfabrieken: - p.o. < 200 m² Broodfabrieken, brood- en banketbakkerijen: - v.c. < 2500 kg meel/week HOUTINDUSTRIE EN VERVAARDIGING ARTIKELEN VAN HOUT, RIET, KURK E.D. Timmerwerkfabrieken, vervaardigen overige artikelen van hout, p.o.<200 m² Kurkwaren-, riet- en vlechtwerkfabrieken UITGEVERIJEN, DRUKKERIJEN EN REPRODUKTIE VAN OPGENOMEN MEDIA Uitgeverijen (kantoren) Kleine drukkerijen en kopieerinrichtingen Grafische afwerking Binderijen Grafische reproduktie en zetten Overige grafische aktiviteiten Reproduktiebedrijven opgenomen media VERVAARDIGING VAN GLAS, AARDEWERK, CEMENT-, KALK- EN GIPSPRODUKTEN Aardewerkfabrieken: - vermogen elektrische ovens totaal < 40 kW VERVAARD. VAN PRODUKTEN VAN METAAL (EXCL. MACH./TRANSPORTMIDD.) Constructiewerkplaatsen: - gesloten gebouw, p.o. < 200 m² Smederijen, lasinrichtingen, bankwerkerijen e.d.: - p.o. < 200 m² Overige metaalwarenfabrieken n.e.g.; inpandig, p.o. < 200 m² VERVAARDIGING VAN OVER. ELEKTR. MACHINES, APPARATEN EN BENODIGDH. Elektrotechnische industrie n.e.g.
VERVAARDIGING VAN MEUBELS EN OVERIGE GOEDEREN N.E.G. Meubelstoffeerderijen b.o. < 200 m² Fabricage van munten, sieraden e.d. Muziekinstrumentenfabrieken Sociale werkvoorziening PRODUKTIE EN DISTRIB. VAN STROOM, AARDGAS, STOOM EN WARM WATER
Pagina 1 van 4
2 3.1 2 3.1 2
2 2 3.1 2 1 2 1 2 2 2 1
2
3.1 3.1 3.1 2 1 2 2 2
Staat van bedrijfsactiviteiten categorie 1 t/m 6
SBI 40 40 40 40 40 40 40 40 40 40 40 40 41 41 41 41 41 41 45 45 45 45 45 45 50 501, 502, 504 5020.4
SVB01-LAA00009-01A
VOLGNR OMSCHRIJVING B0 B1 B2 C0 C1 C2 D0 D3 D4 D5 E0 E2 A0 A2 B0 B1 B2 0 1 0 1 2 B
RISICO CATEGORIE
Bio-energieinstallaties (elektrisch vermogen < 50 MWe): - covergisten, verbranden, vergassen: mest, slib, GFT, rest. voedingsind. R - vergisten, verbranden, vergassen: overige biomassa R Elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen: - < 10 MVA - 10 - 100 MVA Gasdistributiebedrijven: - gas: reduceer-, compressor-, meet- en regelinst. cat. A - gasdrukregel- en meetruimten (kasten en gebouwen), cat. B en C - gasontvang- en -verdeelstations, cat. D R Warmtevoorzieningsinstallaties, gasgestookt: - blokverwarming WINNING EN DISTRIBUTIE VAN WATER Waterwinning-/ bereiding- bedrijven: - bereiding met chloorbleekloog e.d. en/of straling Waterdistributiebedrijven met pompvermogen: - < 1 MW - 1 - 15 MW BOUWNIJVERHEID Bouwbedrijven algemeen: - b.o. < 2.000 m² Aannemersbedrijven met werkplaats: - b.o. < 1.000 m² - b.o. >= 1.000 m² HANDEL/REPARATIE VAN AUTO'S, MOTORFIETSEN; BENZINESERVICESTATIONS Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven Autobeklederijen
Pagina 2 van 4
3.2 3.2 2 3.1 1 2 3.1 2
3.1 2 3.2
3.1 2 3.1 2 1
Staat van bedrijfsactiviteiten categorie 1 t/m 6
SBI 5020.4 5020.5 503, 504 505 505 505 51 511 5121 5121 5122 5124 5125, 5131 5132, 5133 5134 5135 5136 5137 5138, 5139 514 5148.7 5153 5153 5153 5153.4 5154 5154 5155.2 5156 5162 5162 517 52 527 55 5552 60 6022 603 64 641 642 71 711 712 713 714 72 72 73 731 732 74 75 7525
SVB01-LAA00009-01A
VOLGNR OMSCHRIJVING C
0 2 3 0 1
1 0 1 2 3 0 1
0 2 -
A -
A -
-
RISICO CATEGORIE
Autospuitinrichtingen R Autowasserijen Handel in auto- en motorfietsonderdelen en -accessoires Benzineservicestations: - met LPG < 1.000 m³ R - zonder LPG GROOTHANDEL EN HANDELSBEMIDDELING Handelsbemiddeling (kantoren) Grth in akkerbouwprodukten en veevoeders: - op- of overslag met een verwerkingscapaciteit van < 500 t/u R Grth in bloemen en planten Grth in huiden, vellen en leder Grth in ruwe tabak, groenten, fruit en consumptie-aardappelen R Grth in vlees, vleeswaren, zuivelprodukten, eieren, spijsoliën R Grth in dranken Grth in tabaksprodukten Grth in suiker, chocolade en suikerwerk Grth in koffie, thee, cacao en specerijen Grth in overige voedings- en genotmiddelen Grth in overige consumentenartikelen - consumentenvuurwerk, verpakt, opslag < 10 ton V Grth in hout en bouwmaterialen - b.o. < 2.000 m² - b.o. >= 2.000 m² - grth. in zand en grind, b.o. < 200 m² Grth in ijzer- en metaalwaren en verwarmingsapparatuur - b.o.< 2.000 m² Grth in kunstmeststoffen R Grth in overige intermediaire goederen Grth in machines en apparaten: - overige machines Overige grth (bedrijfsmeubels, emballage, vakbenodigdheden e.d. DETAILHANDEL EN REPARATIE T.B.V. PARTICULIEREN Reparatie t.b.v. particulieren (excl.
auto's en motorfietsen) LOGIES-, MAALTIJDEN- EN DRANKENVERSTREKKING Cateringbedrijven VERVOER OVER LAND Taxibedrijven Pomp- en compressorstations van pijpleidingen POST EN TELECOMMUNICATIE Post- en koeriersdiensten Telecommunicatiebedrijven VERHUUR VAN TRANSPORTMIDDELEN, MACHINES, ANDERE ROERENDE GOEDEREN Personenautoverhuurbedrijven Verhuurbedrijven voor transportmiddelen (excl. personenauto's) Verhuurbedrijven voor machines en werktuigen Verhuurbedrijven voor roerende goederen n.e.g. COMPUTERSERVICE- EN INFORMATIETECHNOLOGIE Computerservice- en informatietechnologie-bureau's e.d. SPEUR- EN ONTWIKKELINGSWERK Natuurwetenschappelijk speur- en ontwikkelingswerk Maatschappij- en geesteswetenschappelijk onderzoek OVERIGE ZAKELIJKE DIENSTVERLENING OPENBAAR BESTUUR, OVERHEIDSDIENSTEN, SOCIALE VERZEKERINGEN Brandweerkazernes
Pagina 3 van 4
3.1 2 2 3.1 2 1 3.1 2 3.1 3.1 3.1 2 2 2 2 2 2 2 2 3.1 2 3.1 2 2 2 3.1 2 1 2 2 2 2 1 2 3.1 3.1 2 1 2 1
3.1
Staat van bedrijfsactiviteiten categorie 1 t/m 6
SBI 90 9001 9002.1
SVB01-LAA00009-01A
VOLGNR OMSCHRIJVING B B
RISICO CATEGORIE
MILIEUDIENSTVERLENING Rioolgemalen Gemeentewerven (afval-inzameldepots)
Pagina 4 van 4
R
2 3.1
Bijlage 2 Provinciale handleiding duurzame projectlocaties
Provincie Noord-Brabant
Handleiding duurzame (project)locaties Intensieve veehouderij Auteur
Provincie Noord-Brabant Datum
2 december 2003
Inhoud 1
Inleiding
3
2
Opbouw
5
3
Achtergrond
7
4
Beleidskader
9
4.1 4.2 4.3
Duurzaamheid Planologisch kader streekplan Revitalisering Landelijk Gebied
9 10 12
5
Beoordelingskader
15
5.1 5.2 5.3
Omvang bedrijf Beoordeling duurzame locatie en duurzame projectlocatie Procedure
15 15 17
6
Beoordelingstabel duurzame locaties
19
6.1 6.2
Randvoorwaarden vanuit de streekplanzonering (GHS en AHS) Overige randvoorwaarden
19 24
7
Beoordelingstabel duurzame projectlocaties
35
7.1 7.2
Randvoorwaarden vanuit de streekplanzonering (AHS) Overige randvoorwaarden
35 38
Bijlage 1 Omvang bedrijven in verband met MER en IPPC
Provincie Noord-brabant, 2 december 2003
47
1
Provincie Noord-brabant, 2 december 2003
2
1 Inleiding Voorliggende handleiding vormt het toetsingskader voor Gedeputeerde Staten voor de beoordeling van duurzame locaties en duurzame projectlocaties voor de intensieve veehouderij. De handleiding geeft een nadere invulling en verduidelijking van het in het Streekplan Noord-Brabant 2002, het Koepelplan “Reconstructie aan zet” (2001) en de uitgangspuntennota “Hand aan de ploeg voor West-Brabant” (2001) geformuleerde provinciaal beleid met betrekking tot duurzame locaties en duurzame projectlocaties voor de intensieve veehouderij. Dit provinciaal beleid is de afgelopen jaren op enkele punten nader ingevuld en aangevuld met nieuwe inzichten (o.a. naar aanleiding van het “akkoord van Cork” in juli 2003). De handleiding is bedoeld als ondersteuning voor de planvorming in het kader van de Revitalisering Landelijk Gebied (RLG), welke plannen worden vastgelegd in Reconstuctieplannen en (voor West-Brabant) Gebiedsplannen, voor het ruimtelijk ordeningsbeleid van gemeenten en voor het beoordelen door de provincie van initiatieven en plannen in het kader van de ruimtelijke ordening. Over een concept van deze handleiding hebben Gedeputeerde Staten advies gevraagd aan de Provinciale Planologische Commissie (PPC) en de Provinciale Commissie Landelijk Gebied (PCLG).
Provincie Noord-brabant, 2 december 2003
3
Provincie Noord-brabant, 2 december 2003
4
2 Opbouw De handleiding is als volgt opgebouwd: - Achtergrond: Hier wordt kort de positie van duurzame (project)locaties aangegeven. - Beleidskader: In het Streekplan is aangeven in welke gebieden onder voorwaarden duurzame (project)locaties mogelijk zijn en welke ontwikkelingen mogelijk zijn op een duurzame (project)locatie. Daarnaast bieden ook de in het kader van RLG op te stellen Reconstructieplannen en Gebiedsplannen een ruimtelijk kader. - Beoordelingskader: In algemene zin wordt aangegeven op welke wijze tot een beoordeling van duurzame (project)locaties moet worden gekomen en welke procedure hiervoor geldt. - Beoordelingstabel duurzame locaties: In de beoordelingstabel wordt op basis van provinciaal en rijksbeleid aangegeven met welke aspecten bij de beoordeling van duurzame locaties rekening dient te worden gehouden en op welke wijze dit dient te gebeuren. - Beoordelingstabel duurzame projectlocaties: In de beoordelingstabel wordt op basis van provinciaal en rijksbeleid aangegeven met welke aspecten bij de beoordeling van duurzame projectlocaties rekening dient te worden gehouden en op welke wijze dit dient te gebeuren.
Provincie Noord-brabant, 2 december 2003
5
Provincie Noord-brabant, 2 december 2003
6
3 Achtergrond In het kader van de Revitalisering Landelijk Gebied (RLG) zijn de begrippen duurzame locatie en duurzame projectlocatie voor de intensieve veehouderij ontwikkeld. In het Streekplan hebben deze begrippen een verankering in het ruimtelijk ordeningsbeleid van de provincie gekregen en zijn deze als volgt gedefinieerd: Duurzame locatie intensieve veehouderij
Een bestaand agrarisch bouwblok met een zodanige ligging dat het zowel vanuit milieuoogpunt (ammoniak, stank en dergelijke) als vanuit ruimtelijk oogpunt (natuur, landschap en dergelijke) verantwoord is om het te laten groeien tot een bouwblok van maximaal 2,5 hectaren voor een intensieve veehouderij. Een locatie kan ook bij een kleiner oppervlak dan 2,5 ha. als duurzaam worden aangemerkt. Daarnaast zijn er bestaande situaties waarbij het vigerende bouwblok groter is dan 2,5 ha.; ook in deze gevallen kan er sprake zijn van duurzame locaties. Duurzame projectlocatie intensieve veehouderij
Een locatie met een zodanige ligging dat het zowel vanuit milieu- oogpunt als vanuit ruimtelijk oogpunt verantwoord is om daar enkele bouwblokken voor intensieve veehouderijen te projecteren. Op een duurzame projectlocatie intensieve veehouderij is dus nieuwvestiging mogelijk. De omvang van een duurzame projectlocatie ligt in de orde van grootte van 10 hectaren. Duurzame projectlocaties zijn alleen mogelijk in landbouwontwikkelingsgebieden, omdat alleen in deze gebieden nieuwvestiging van intensieve veehouderijen is toegestaan. De beoordeling of locaties of projectlocaties duurzaam zijn, dient door gemeenten in het kader van het bestemmingsplan of een zelfstandige projectprocedure (artikel 19 WRO) te worden gemaakt. Het streekplan geeft aan binnen welke gebiedscategoriëen van het streekplan duurzame (project)locaties aan de orde kunnen zijn. De Reconstructie- en Gebiedsplannen hebben de mogelijkheid om dit streekplankader nader in te vullen. Deze in het kader van RLG op te stellen plannen moeten aangeven in welke gebieden de intensieve veehouderij zal moeten afbouwen (de extensiveringsgebieden) en in welke gebieden cq op welke locaties onder voorwaarden ontwikkelingsmogelijkheden voor de intensieve veehouderij aanwezig zijn (de verwevings- en landbouwontwikkelingsgebieden).
Zowel voor gemeenten als voor reconstructie- en gebiedscommissies is het dus van belang om duidelijkheid te hebben over in welke gebieden en onder welke voorwaarden duurzame locaties en duurzame projectlocaties kunnen voorkomen. Ook voor de provincie, in haar rol als planbegeleider/-toetser is het van belang om op eenduidige wijze te kunnen adviseren en oordelen over initiatieven ten aanzien van duurzame locaties en duurzame projectlocaties voor de intensieve veehouderij. Indien men wil afwijken van de gehanteerde definities van duurzame (project)locaties zal een streekplanafwijkingsprocedure moeten worden gevolgd. Dit vereist uiteraard een zorgvuldige onderbouwing en een goed vooroverleg. Reconstructieplannen bieden een wettelijk kader hier rechtstreeks in te voorzien.
Provincie Noord-brabant, 2 december 2003
7
Provincie Noord-brabant, 2 december 2003
8
4 Beleidskader 4.1
Duurzaamheid
Een duurzame ontwikkeling is gericht op het bereiken van een meerwaarde ten aanzien van economie, ecologie en maatschappij. In het streekplan zijn deze belangen integraal afgewogen. Ten aanzien van een duurzame ontwikkeling van de intensieve veehouderij spelen een drietal duurzaamheidsaspecten: - Duurzaamheidscriteria locatie - Duurzaamheidscriteria productiewijze - Duurzaamheidscriteria op gebiedsniveau Duurzaamheidscriteria locatie
Het RO- , water-, natuur-, landschaps- en milieubeleid geven kaders voor waar en onder welke voorwaarden ontwikkeling van intensieve veehouderij mogelijk is. Dit op basis van de afweging tussen het beschermen van kwetsbare waarden en functies en het geven van voldoende ontwikkelingsmogelijkheden (zoals de grootte van het bouwblok) voor de intensieve veehouderij. Binnen RLG worden deze kaders middels de integrale zonering nader uitgewerkt. In de paragrafen 6 en 7 worden vanuit verschillende beleidscategorieën randvoorwaarden geformuleerd voor de duurzame ontwikkeling van locaties. Duurzaamheidscriteria productiewijze
Via wet- en regelgeving (mestbeleid, welzijnseisen, e.d.) en maatschappelijke wensen (biologische productiewijze, voedselveiligheid) worden eisen gesteld aan de productiewijze. De markt en het (EU-) beleid bepalen in belangrijke mate het economisch perspectief. Op deze aspecten wordt in deze handleiding niet verder ingegaan1. Duurzaamheidscriteria op (regionaal) gebiedsniveau
Er zal een balans moeten zijn tussen gebieden waar gestreefd wordt naar uitplaatsing van intensieve veehouderij en gebieden waar ruimte is voor ontwikkeling van bedrijven die elders geen ontwikkelingsmogelijkheden meer hebben. Ten aanzien van deze balans is in het kader van RLG vastgesteld dat groei in de landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden gekoppeld is aan een meer dan evenredige krimp in de extensiveringsgebieden en dat er geen uitplaatsing zonder inplaatsing zal plaatsvinden. In de toelichtende tekst van het streekplan is aangegeven dat nieuwvestiging van intensieve veehouderij aan de orde kan zijn als er onvoldoende geschikte (bestaande) bouwblokken vrijkomen voor de opvang van intensieve veehouderijen die moeten worden verplaatst uit kwetsbare gebieden of vanwege stedelijke uitbreidingen.
1 Aan deze duurzaamheidscriteria wordt verder inhoud gegeven in het project “Op weg naar een duurzame
intensieve veehouderij in Brabant”, dat als doel heeft om met behulp van een “Menukaart duurzame intensieve veehouderij” het provinciaal bestuur concrete en praktisch uitvoerbare voorstellen voor te leggen, op basis waarvan de transitie naar een duurzame veehouderij, tesamen met de maatschappelijke partners, ter hand kan worden genomen.
Provincie Noord-brabant, 2 december 2003
9
4.2
Planologisch kader streekplan
In het streekplan wordt voor het landelijk gebied een indeling gemaakt in de Groene en de Agrarische Hoofdstructuur (GHS en AHS). De GHS en AHS zijn beide onderverdeeld in twee hoofdzones, namelijk GHS-natuur, GHS-landbouw, AHS-landschap en AHSlandbouw. Deze indeling is nader onderverdeeld in subzones. De mogelijkheden voor duurzame (project)locaties verschillen per subzone. In de onderstaande tabel is aangegeven in welke subzones onder voorwaarden mogelijkheden voor duurzame (project)locaties aanwezig zijn. Hoofdzone
Subzone
GHS-Natuur
Natuurparels Overig bos- en natuurgebied Ecologische verbindingszones Leefgebied kwetsbare soorten: weidevogels Leefgebied kwetsbare soorten: overig Leefgebied struweelvogels Natuurontwikkelingsgebied Leefgebied dassen: gelegen in RNLE Leefgebied dassen: niet gelegen in RNLE Waterpotentiegebied RNLE-Landschapsdeel Zoekgebied veeverdichtingsgebieden Vestigingsgebied glastuinbouw Mogelijk doorgroeigebied glastuinbouw Glasboomteeltgebied AHS-overig
GHS-Landbouw
AHS -Landschap
AHS-Landbouw
Onder voorwaarden mogelijkheden voor: Duurzame Duurzame locaties projectlocaties Nee Nee Nee Nee Nee Nee Ja Nee Nee Ja Nee Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja
Nee Nee Nee Nee Ja Nee Nee Ja Ja Ja Ja Ja
Het streekplanbeleid is gericht op zuinig ruimtegebruik. Centraal staat het agrarisch hergebruik van vrijkomende (agrarische) bouwblokken boven het toestaan van nieuwe bouwblokken. In Noord-Brabant hebben veel intensieve veehouderijbedrijven meerdere locaties. Het samenvoegen van locaties op een duurzame locatie is een optie die past binnen zuinig ruimtegebruik. Nieuwe bouwblokken op duurzame projectlocaties zijn dus alleen mogelijk als er geen reële mogelijkheden aanwezig zijn om gebruik te maken van vrijkomende bouwblokken of locaties waar het bedrijf kan samenvoegen. Het streekplan maakt ten aanzien van de ontwikkelingsmogelijkheden van de landbouw onderscheid in: nieuwvestiging, omschakeling en uitbreiding van het bouwblok. Daarnaast zijn er nog de begrippen: hervestiging en samenvoegen locaties.
Provincie Noord-brabant, 2 december 2003
10
Hieronder zijn deze begrippen omschreven. Nieuwvestiging
De projectie van een agrarisch bouwblok op een locatie die volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan niet is voorzien van een bouwblok. 2 Omschakeling
Het omzetten van een bouwblok van de ene agrarische bedrijfsvorm in een andere agrarische bedrijfsvorm of het omzetten van een niet-agrarisch bouwblok in een agrarisch bouwblok.3 Omschakeling wordt dus niet beschouwd als nieuwvestiging. Omschakeling van een niet-agrarisch bouwblok naar een agrarisch bouwblok voor de intensieve veehouderij is conform het streekplan overigens alleen mogelijk in de AHS-Landbouw; in de GHS en in de AHS-Landschap moet een duurzame locatie altijd een bestaand agrarisch bouwblok betreffen. Uitbreiding bouwblok
Het vergroten van een bestaand (vigerend) agrarisch bouwblok ten behoeve van de continuering van de huidige agrarische bedrijfsvorm. Hervestiging
Het overnemen van een (vigerend) agrarisch bouwblok door een agrariër die elders een (vigerend) agrarisch bouwblok verlaat. Hervestiging komt dus neer op het verplaatsen van een activiteit van het ene agrarische bouwblok naar het andere agrarische bouwblok. Planologisch verandert op de locatie waar de activiteit naartoe wordt verplaatst niets, tenzij sprake is van een andere agrarische bedrijfsvorm. In dat geval is er sprake van hervestiging in combinatie met omschakeling. Ook vanuit milieuoogpunt behoeft er niets te veranderen (de milieuvergunning is gekoppeld aan de locatie), tenzij sprake is van een verandering in aard of aantal van de te houden dieren. Samenvoegen locaties
Het samenvoegen van één of meerdere locaties op een reeds bestaande locatie. Dit zal vrijwel altijd leiden tot uitbreiding van het bouwblok. Het streekplanbeleid ten aanzien van duurzame locaties voor de intensieve veehouderij is: 2 Volgens de streekplandefinitie is er alleen sprake van nieuwvestiging als de nieuwvestigingslocatie niet is
voorzien van een agrarisch bouwblok en is er dus ook sprake van nieuwvestiging als er op de nieuwvestigingslocatie al wel een niet-agrarisch bouwblok aanwezig is. Conform de streekplantekst valt echter de omzetting van een niet-agrarisch bouwblok in een agrarisch bouwblok onder “omschakeling” en niet onder “nieuwvestiging”. Voor deze laatste interpretatie wordt gekozen en de tegenstrijdigheid tussen streekplandefinitie en streekplantekst zal middels een (correctieve) herziening van het streekplan worden opgeheven. 3 Volgens de streekplandefinitie is er alleen sprake van omschakeling bij het overstappen van de ene agrarische
bedrijfsvorm in een andere agrarische bedrijfsvorm. Conform de streekplantekst wordt echter ook de omzetting van een niet-agrarisch bouwblok in een agrarisch bouwblok als “omschakeling” beschouwd. Voor deze laatste, bredere, interpretatie wordt gekozen en de tegenstrijdigheid tussen streekplandefinitie en streekplantekst zal middels een (correctieve) herziening van het streekplan worden opgeheven.
Provincie Noord-brabant, 2 december 2003
11
geen nieuwvestiging; een duurzame locatie betreft per definitie een bestaande locatie; hervestiging kan; omschakeling kan (omschakeling van een niet-agrarisch bouwblok is alleen mogelijk in de AHS-Landbouw); uitbreiding bouwblok kan tot maximaal 2,5 hectare. Het streekplanbeleid ten aanzien van duurzame projectlocaties voor de intensieve veehouderij is: - nieuwvestiging kan; - hervestiging kan; - omschakeling kan (omschakeling van een niet-agrarisch bouwblok is alleen mogelijk in de AHS-landbouw); - uitbreiding bouwblok kan : er is geen maximale maatvoering opgenomen; de totale omvang van een projectlocatie bedraagt ca. 10 ha. Mestbewerking
Conform het streekplan is in bijzondere gevallen vestiging van een mestbewerkingsinstallatie mogelijk op een duurzame (project)locatie voor de intensieve veehouderij. Het “bijzondere” betekent dat deze locaties pas als stap 3 aan de orde kunnen komen als het zogenoemde “stappenplan mestlocaties” conform het streekplan (pag 127) is doorlopen. Dat wil zeggen dat eerst locaties moeten worden gezocht die voldoen aan stap 1: bedrijventerrein, veeverdichtingsgebied, vestigingsgebied glastuinbouw, terreinen voor rioolwaterzuiveringsinstallaties of stortplaatsen. Als dit aantoonbaar niet tot resultaten leidt, komen locaties aan bod die voldoen aan stap 2: bouwblokken gelegen in een landbouwontwikkelingsgebied. Als ook dit niet tot resultaten leidt komen locaties aan bod die voldoen aan stap 3. In de praktijk betekent dit dat in stap 3 alleen nog duurzame locaties aan de orde zijn, omdat duurzame projectlocaties altijd gelegen zijn in een landbouwontwikkelingsgebied (stap 2). De capaciteit van een mestbewerkingsinstallatie op een duurzame locatie of op een duurzame projectlocatie mag niet meer bedragen dan 25.000 ton per jaar. 4.3
Revitalisering Landelijk Gebied
Het reconstructieplan cq het gebiedsplan zal een ruimtelijk kader bieden. In het reconstructieplan cq gebiedsplan zal, middels de integrale zonering, worden aangegeven in welke gebieden duurzame locaties en duurzame projectlocaties mogelijk zijn. Dit zal veelal een nadere afweging en inkadering zijn van de uitgangspunten uit het RO-, milieu, natuur-, landschaps- en waterbeleid. In de terminologie van de Revitalisering landelijk Gebied zullen duurzame locaties voor de intensieve veehouderij uitsluitend te vinden zijn binnen de landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden en niet in de extensiveringsgebieden. In verwevingsgebieden kunnen de bestaande agrarische locaties duurzame locaties zijn, mits de omgevingskwaliteiten in brede zin (natuur, landschap, water, milieu, e.d.) dat toelaten. De insteek in verwevingsgebieden met betrekking tot duurzame locaties betreft al met al een “ja mits”en tegelijkertijd een maatwerk-benadering. In paragraaf 6 van deze handleiding wordt
Provincie Noord-brabant, 2 december 2003
12
deze benadering nader gepreciseerd door de randvoorwaarden te benoemen die vanuit de verschillende omgevingsaspecten aan duurzame locaties worden gesteld. Duurzame projectlocaties voor de intensieve veehouderij zullen uitsluitend in landbouwontwikkelingsgebieden te vinden zijn. Gezien de omvang van een duurzame projectlocatie (circa 10 hectaren) en de mogelijkheid hier nieuwe intensieve veehouderijen te vestigen, dient een dergelijke locatie of het gebied waarbinnen een dergelijke locatie ligt als een landbouwontwikkelingsgebied conform de Reconstructiewet te worden betiteld.
Provincie Noord-brabant, 2 december 2003
13
Provincie Noord-brabant, 2 december 2003
14
5 Beoordelingskader 5.1
Omvang bedrijf
Een bedrijf zal een bepaalde omvang moeten hebben om economisch duurzaam te zijn. Ontwikkeling naar een bedrijf van de toekomst (bedrijf met een omvang van wat over 1015 jaar als perspectiefrijke omvang noodzakelijk wordt geacht) dient mogelijk te zijn om te kunnen spreken van een duurzame (project)locatie. Voor het bepalen of de locatie voldoende duurzaam is voor een dergelijke ontwikkeling is het van belang om te weten wat een dergelijke ontwikkeling betekent ten aanzien van de impact op het milieu (met name stank en ammoniak) en op de ruimte (omgevingskwaliteiten in brede zin). Ontwikkeling naar bedrijf van de toekomst kan als minimumvariant worden gezien waaraan een duurzame (project)locatie zal moeten voldoen. Welke omvang en bijbehorende impact op milieu en ruimte hieraan is verbonden, is sterk afhankelijk van ontwikkelingen in markt en maatschappij, de bedrijfsspecifieke situatie en strategie van de ondernemer. Zo is bijvoorbeeld de noodzakelijke omvang en bijbehorende impact voor een zeugenbedrijf van een andere orde dan die voor een vleesvarkensbedrijf. Het is dan ook niet doenlijk om algemene normen vast te stellen voor de omvang en impact van bedrijven.
Om een beeld te krijgen van de omvang van het bouwblok in relatie tot het aantal gehouden dieren is als voorbeeld een toekomstgericht gesloten varkensbedrijf van 350 zeugen met 2100 vleesvarkens (en bijbehorende biggen) genomen. De omvang van het totale bouwblok (inclusief erfbeplanting, aan- en afvoerwegen, mestopslag, voersilo’s, woonhuis e.d.) bedraagt op basis van de huidige praktijk dan ongeveer 1,75 ha. Door efficiënt te bouwen kan dit echter omlaag worden gebracht tot ongeveer1,25 ha. Op een bouwblok van 2,5 ha kunnen bij een efficiënte indeling zelfs 3 tot 4 keer zoveel dieren (dus 1050 -1400 zeugen met 6300 - 8400 vleesvarkens) worden gehouden. Vigerende bouwblokken voor intensieve veehouderijen die nu al groter zijn dan 2,5 hectaren ( en ingevuld met bedrijfsbebouwing) kunnen niet verkleind worden, onder andere in verband met planschade-aspecten. In zo’n geval wordt de huidige situatie erkend en vastgelegd/bevroren en kan er dus sprake zijn van een duurzame locatie, bijvoorbeeld in een verwevingsgebied, met een bouwblok groter dan 2,5 ha. 5.2
Beoordeling duurzame locatie en duurzame projectlocatie
Hergebruik boven nieuwvestiging
Centraal uitgangspunt van het streekplan is zuinig ruimtegebruik, waarbij is aangegeven dat het agrarisch hergebruik van bestaande bouwblokken centraal staat boven het toestaan van nieuwe bouwblokken. Dat betekent dat duurzame projectlocaties (met mogelijkheden voor nieuwvestiging!) alleen aan de orde zijn als, uit onafhankelijk onderzoek, blijkt dat er binnen het desbetreffende reconstructiegebied geen alternatieve bestaande locaties beschikbaar zijn. Bij het bepalen van deze mogelijkheden speelt het tijds- of kostenaspect in eerste instantie geen doorslaggevende rol. Uit het (onafhankelijk) onderzoek moet voldoende moeten blijken welke inspanningen zijn verricht bij het
Provincie Noord-brabant, 2 december 2003
15
zoeken naar vrijgekomen of vrijkomende locaties en moet per onderzochte locatie kunnen worden gemotiveerd waarom een bepaalde locatie wel of niet geschikt is voor de vestiging van het bedrijf. Wijze van beoordeling
Binnen de aanduiding duurzame (project)locaties is een gradatie in ontwikkelingsmogelijkheden mogelijk. Ook is de benodigde ontwikkelingsruimte sterk afhankelijk van het type bedrijf en de strategie van de ondernemer. Zo zullen niet alle duurzame locaties geschikt zijn voor bouwblokken van 2,5 ha, maar kunnen desondanks nog voldoende ontwikkelingsruimte hebben (zeker als efficiënt wordt gebouwd binnen het bouwblok en allerlei emissiereducerende maatregelen worden getroffen) voor een duurzame economische ontwikkeling voor de komende 10 tot 15 jaar. Kortom, een locatie voor intensieve veehouderij kan in bepaalde gevallen ook bij een kleinere oppervlakte dan 2,5 ha. als duurzaam worden aangemerkt. Ook binnen duurzame projectlocaties is een verscheidenheid aan ontwikkelingsmogelijkheden mogelijk en is maatwerk, afgestemd op de specifieke locale omstandigheden en de strategie van de betrokken ondernemer(s), noodzakelijk. Deze constatering maakt dat het vooraf concreet bestempelen van bestaande locaties als duurzame locaties, evenals het op voorhand concreet begrenzen en bestempelen van duurzame projectlocaties niet goed mogelijk is. Vanuit het oogpunt van speculatie en eventuele prijsopdrijving lijkt het op voorhand aanduiden van locaties ook niet wenselijk.
Het begrip duurzame (project)locatie moet daarom veeleer als een bepaalde manier van toetsen van concrete initiatieven worden gezien. In paragraaf 4.2. is al aangegeven in welke (sub)zones van het streekplan geen respectievelijk (onder voorwaarden) wel mogelijkheden bestaan voor duurzame locaties en/of duurzame projectlocaties. Voor zover de streekplanzonering duurzame (project)locaties mogelijk maakt is in hoofdstuk 6 respectievelijk 7 middels een beoordelingstabel voor duurzame locaties respectievelijk duurzame projectlocaties aangegeven met welke randvoorwaarden rekening dient te worden gehouden bij de beoordeling van dergelijke locaties. Deze randvoorwaarden zijn afkomstig uit het rijks- en provinciaal beleid en zijn nader uitgewerkt ten behoeve van het kunnen maken van een beoordeling van duurzame (project)locaties. De beoordeling is alleen gericht op de effecten van(uit) het agrarisch bouwblok. Voor een beoordeling of sprake is van een duurzame (project)locatie dient in eerste instantie door de initiatiefnemer zelf te worden aangeven op welke wijze met de thema’s in de beoordelingstabel rekening is gehouden. Dit kan worden gezien als een integrale omgevingstoets. Zeker bij duurzame projectlocaties zal gezien de te verwachten omvang van de hier nieuw te vestigen bedrijven waarschijnlijk ook een MER(beoordelings)plicht gelden.
De gemeente is uiteindelijk verantwoordelijk voor een benodigde herziening van het bestemmingsplan, wijzigingsplan of zelfstandige projectprocedure (Artikel 19-1, WRO). Voor een aantal thema’s geldt dat als een locatie hier negatief op scoort er geen sprake kan zijn van een duurzame (project)locatie. Bijvoorbeeld wanneer sprake is van ligging binnen 250 meter van een voor verzuring zeer kwetsbaar bos- en natuurgebied volgens de definitie in het Streekplan en de PUN (verplicht extensiveringsgebied!). Voor de meeste thema’s geldt echter dat ontwikkeling er mogelijk is mits wordt voldaan aan een
Provincie Noord-brabant, 2 december 2003
16
aantal voorwaarden (gericht op instandhouden en versterken van aanwezige waarden of het compenseren van aangetaste waarden) of dat ontwikkeling niet mogelijk is, tenzij wordt aangetoond dat dit geen nadelige effecten met zich meebrengt. Indien sprake is van een stapeling van waarden (bijvoorbeeld een gebied in de GHSlandbouw met zeer hoge cultuurhistorische, aardkundige en landschappelijke waarden) zullen de mogelijkheden voor duurzame (project)locaties geringer zijn. Hoe deze afweging uitvalt is maatwerk per gebied en zal moeten blijken uit een degelijke ruimtelijke onderbouwing, waarin aandacht moet worden besteed aan minimaal alle genoemde aspecten uit de beoordelingstabel. Hierbij is het van belang om RO- en milieu-aspecten in onderlinge samenhang en in het licht van de komende RLG-zonering te bezien. Wanneer op grond van milieu-aspecten, dan wel de komende RLG-zonering, twijfels over de duurzaamheid van een locatie bestaan, kan dit reeds een argument zijn om ook in het kader van de RO de locatie niet als duurzaam te bestempelen. Het is aan de commissie AAB (Advies Agrarische Bouwaanvragen) om concrete initiatieven te beoordelen ten aanzien van een duurzame economische omvang. Volwaardigheid en voldoende continuïteit zijn hierbij belangrijke toetsingsaspecten. Deze taak heeft de commissie AAB reeds nu. 5.3
Procedure
Deze handleiding is een nadere verduidelijking van het Streekplan. Bij de toepassing hiervan zijn dan ook de gebruikelijke RO-procedures van kracht. Dat betekent dat gemeenten in eerste instantie verantwoordelijk zijn voor het toepassen van de handleiding. De provincie zal bij het beoordelen van gemeentelijke bestemmingsplannen, wijzigingsplannen of artikel 19-aanvragen beoordelen of gemeenten voldoende rekening met deze handleiding hebben gehouden. Gedeputeerde Staten zien geen noodzaak om duurzame locaties in bestemmingsplannen buitengebied concreet aan te wijzen. Zij raden dit zelfs af. Iedere voorgenomen ontwikkeling op een bepaalde locatie zal immers telkens opnieuw moeten worden beoordeeld of zij voldoet aan de in deze handleiding geformuleerde uitgangspunten. Duurzame projectlocaties kunnen eventueel wel concreet worden aangewezen. Hiervoor geldt immers een ander planologisch beleid. Ook hier geldt echter dat iedere nieuwe ontwikkeling telkens opnieuw zal moeten worden beoordeeld.
Provincie Noord-brabant, 2 december 2003
17
Provincie Noord-brabant, 2 december 2003
18
ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande intensieve veehouderijbedrijven zoveel mogelijk gerespecteerd. Bij uitbreiding en omschakeling dient nadrukkelijk aandacht te zijn voor behoud van
stabiliteit in de inrichting en het
beheer van het gebied dienen
gewaarborgd te zijn (Streekplan).
subcategorie
weidevogels
Provincie Noord-Brabant, 2 december 2003
-
-
-
er veelal eerder sprake zijn van onaanvaardbare aantasting van de aanwezige waarden.
De mate van uitbreiding. Bij een substantiële vergroting van het bouwblok (meer dan 25%) zal
van de kern van het leefgebied weidevogels.
De richting van uitbreiding. Uitbreiding dient zo veel mogelijk niet plaats te vinden in de richting
leefgebied.
midden in het leefgebied weidevogels veelal groter dan bij de ligging aan de rand van het
De ligging van het bouwblok. De effecten van uitbreiding of omschakeling zijn bij ligging
de genoemde randvoorwaarden en de hier volgende uitwerking:
intensieve veehouderijbedrijven op weidevogels beperkt. Daarom worden de
genoemde randvoorwaarden. Indien dit het geval is, is de invloed van uitbreiding van bestaande
bouw
openheid, hoge waterpeilen en
kwetsbare soorten:
Duurzame locaties zijn mogelijk, mits op een goede manier rekening wordt gehouden met de
Uitwerking
Leefgebied
De handhaving van rust,
Randvoorwaarde
Land-
subzone
Streekplan-
Randvoorwaarden vanuit de streekplanzonering (GHS en AHS)
GHS-
6.1
In de onderstaande tabel staan alle randvoorwaarden waarmee bij de beoordeling van duurzame locaties minimaal rekening dient te worden gehouden.
6 Beoordelingstabel duurzame locaties
19
genoemde randvoorwaarden. Indien dit het geval is, is de invloed van uitbreiding van bestaande
Duurzame locaties zijn mogelijk, mits op een goede manier rekening wordt gehouden met de
Uitwerking
de genoemde randvoorwaarden en de hier volgende uitwerking:
-
solitaire bomen, dijken en
onverharde wegen en paden
Provincie Noord-Brabant, 2 december 2003
waardevolle elementen dient deze aantasting gecompenseerd te worden. Bij compensatie dient
(Streekplan)
nieuw groen, vrij groen is (er komen dus geen verdere beleidsbeperkingen uit voort).
en eventuele aanvullende regelingen). Uitgangspunt bij de versterking van groenstructuren is dat
De aanleg en het beheer van groenstructuren wordt gestimuleerd (via de stimuleringsregeling SNBL
te vinden.
Bij uitbreiding dient een ruime verplichte, functioneel groene inpassing van het bouwblok plaats
elementen te gaan.
het om behoud en versterking van de aanwezige groenstructuren en andere waardevolle
leefgebied dient gelijk te blijven. Bij aantasting van bestaande groenstructuren of andere
dient gewaarborgd te zijn
-
gerespecteerd. Bij uitbreiding en omschakeling dient nadrukkelijk aandacht te zijn voor behoud van
en slootkanten, overhoekjes,
Het totaal aan groenstructuren en waardevolle landschapselementen binnen het desbetreffende
ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande intensieve veehouderijbedrijven zoveel mogelijk
houtwallen, ruige perceelsranden
met een kleinschalige percelering, intensieve veehouderijbedrijven op struweelvogels beperkt. Daarom worden de
of halfopen landschapsstructuur
Struweelvogels
Land-
bouw
De handhaving van een besloten
Leefgebied
Randvoorwaarde
GHS-
subzone
Streekplan-
20
Duurzame locaties zijn mogelijk, mits op een goede manier rekening wordt gehouden met de
en de hier volgende uitwerking:
-
kunnen fourageren en er
voldoende landschappelijke
te vinden.
Bij uitbreiding dient een ruime, verplichte, functionele groene inpassing van het bouwblok plaats
de kwelpotentie gering zijn. Indien sprake is van een structurele ingreep in de waterhuishouding, welke tot gevolg heeft dat de kwelpotentie onomkeerbaar verminderd, is een duurzame locatie niet
in de verre toekomst moet
behouden blijven (Streekplan) toegestaan.
kwelpotentie. In de praktijk zal de invloed van de uitbreiding van intensieve veehouderijbedrijven op
natuurontwikkeling (kwel-natuur)
gebied
Duurzame locaties zijn mogelijk, mits op een goede manier rekening wordt gehouden met de
De geschiktheid voor mogelijke
nieuw groen, vrij groen is (er komen dus geen verdere beleidsbeperkingen uit voort).
en eventuele aanvullende regelingen). Uitgangspunt bij de versterking van groenstructuren is dat
De aanleg en het beheer van groenstructuren wordt gestimuleerd (via de stimuleringsregeling SNBL
-
landschapselementen dient deze aantasting gecompenseerd te worden. Bij compensatie dient
aanwezig zijn (Streekplan).
het om behoud en versterking van de aanwezige groen- en landschapsstructuren te gaan.
leefgebied dient gelijk te blijven, Bij aantasting van bestaande groenstructuren en
Het totaal aan groenstructuren en waardevolle landschapselementen binnen het desbetreffende
boomgaard of een vochtig grasland) nadelig beïnvloeden.
graslanden en dergelijke
begroeide slootkanten, vochtige
-
omschakeling dient nadrukkelijk aandacht te zijn voor behoud van de genoemde randvoorwaarden
worden gelaten, de dassen
De locatie mag geen burcht en geen specifieke fourageergebieden (bijvoorbeeld een
van bestaande intensieve veehouderijbedrijven zoveel mogelijk gerespecteerd. Bij uitbreiding en
betekent dat burchten met rust
structuren als houtwallen,
intensieve veehouderijbedrijven op dassen beperkt. Daarom worden de ontwikkelingsmogelijkheden
dient gewaarborgd te zijn. Dit
bestaansvoorwaarden van de das genoemde randvoorwaarden. Indien dit het geval is, is de invloed van uitbreiding van bestaande
De handhaving van
Uitwerking
Waterpotentie-
Leefgebied Dassen
subzone
Randvoorwaarde
Provincie Noord-Brabant, 2 december 2003
schap
Land-
AHS-
Streekplan-
21
te vinden.
Bij uitbreiding dient een ruime verplichte functioneel groene inpassing van het bouwblok plaats
landschapselementen te gaan.
betekent dat niet alleen rekening dient te worden gehouden met bestaande glastuinbouwbedrijven en hun uitbreidingsmogelijkheden, maar ook met toekomstige nieuwvestigingen. Pas als voldoende duidelijk de benodigde ruimte en locaties voor de glastuinbouw binnen het vestigingsgebied in beeld
Ontwikkeling intensieve
veehouderij dient ontwikkeling
van deze gebieden voor de
glastuinbouw niet te frustreren
(Streekplan)
gebieden
Vestigingsgebied
glastuinbouw
bouw
liggende glastuinbouwbedrijven en hun ontwikkelingsmogelijkheden.
glastuinbouw niet te frustreren
Provincie Noord-Brabant, 2 december 2003
glastuinbouw niet belemmert. Dat betekent dat rekening dient te worden gehouden met de hier
van deze gebieden voor de
glastuinbouw
de huidige en toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van de in het gebied aanwezige
veehouderij dient ontwikkeling
doorgroeigebied
Duurzame locaties zijn mogelijk, mits de uitbreiding van of omschakeling naar intensieve veehouderij
ontwikkeling intensieve
Mogelijk
zijn, kan worden bezien in hoeverre en waar er nog mogelijkheden voor duurzame locaties zijn.
de huidige en toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van de glastuinbouw niet belemmert. Dat
locaties
veeverdichtings-
randvoorwaarden voor duurzame
Zoekgebied
Land-
Duurzame locaties zijn mogelijk, mits de uitbreiding van of omschakeling naar intensieve veehouderij
nieuw groen, vrij groen is (er komen dus geen verdere beleidsbeperkingen uit voort).
en eventuele aanvullende regelingen). Uitgangspunt bij de versterking van groenstructuren is dat
De aanleg en het beheer van groenstructuren wordt gestimuleerd (via de stimuleringsregeling SNBL
-
het om behoud en versterking van de aanwezige groenstructuren en waardevolle
landschapselementen dient deze aantasting gecompenseerd te worden. Bij compensatie dient
RNLE dient gelijk te blijven. Bij aantasting van bestaande groenstructuren en waardevolle
AHS-
Geen specifieke
te zijn voor behoud van de genoemde randvoorwaarde en de hier volgende uitwerking:
(Streekplan)
Het totaal aan groenstructuren en waardevolle lansschapselementen binnen de desbetreffende
worden zoveel mogelijk gerespecteerd. Bij uitbreiding en omschakeling dient nadrukkelijk aandacht
dient te worden ondersteund
-
genoemde randvoorwaarde. De ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande agrarische bedrijven
landschap in de RNLE als geheel
landschapsdeel
Duurzame locaties zijn mogelijk, mits op een goede manier rekening wordt gehouden met de
Uitwerking
Ontwikkeling van natuur en
Randvoorwaarde
RNLE-
subzone
Streekplan-
22
ontwikkelingsmogelijkheden.
glasboomteelt niet te frustreren
Provincie Noord-Brabant, 2 december 2003
locaties
randvoorwaarden voor duurzame
Geen specifieke
betekent dat rekening dient te worden gehouden met de hier liggende glasboomteeltbedrijven en hun
van dit gebied voor de
AHS-overig
de huidige en toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van de glasboomteelt niet belemmert. Dat
veehouderij dient ontwikkeling
gebied
Duurzame locaties zijn mogelijk, mits de uitbreiding van of omschakeling naar intensieve veehouderij
Uitwerking
ontwikkeling intensieve
Randvoorwaarde
Glasboomteelt-
subzone
Streekplan-
23
Overige randvoorwaarden
plantoetsing vooralsnog een zone van 250 meter rondom de kern als kernrandzone beschouwd. Afgesproken is dat
mogelijk (streekplan)
Provincie Noord-Brabant, 2 december 2003
kom, met daarin relatief veel bebouwing op korte afstand van elkaar. In de praktijk wordt in de provinciale
duurzame locaties niet
objecten
stankoogpunt extensiveringsgebieden zijn gelegen, alwaar geen duurzame locaties mogelijk zijn.
in de reconstructie- en gebiedsplannen uiteindelijk wordt aangegeven waar rond de bebouwde kommen vanuit
Het streekplan definieert een kernrandzone als volgt: Een gedeelte van het buitengebied dat grenst aan de bebouwde
In kernrandzones zijn
Stankgevoelige
Uitwerking
Randvoorwaarde
Thema
Naast de specifieke randvoorwaarden per subzone uit het streekplan kunnen er randvoorwaarden van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische wateren bodemhuishoudkundige of milieuhygiënische aard aanwezig zijn. Hieronder staan de thema’s genoemd waarmee en op welke wijze rekening dient te worden gehouden bij de beoordeling of een locatie al dan niet duurzaam is.
6.2
24
Duurzame locaties zijn mogelijk, mits er voldoende afstand tot stankgevoelige objecten wordt aangehouden. De vigerende wet- en regelgeving ten aanzien van stank is hierbij het kader voor de minimaal noodzakelijke afstanden. Momenteel is de regelgeving op basis van de brochure “Veehouderij en Hinderwet 1985” en de Richtlijn “Veehouderij en stankhinder 1996” met inbegrip van de daarover gevormde jurisprudentie bepalend. Zodra voor de
De ontwikkeling moet passen
binnen de wet- en regelgeving
voor stank (stankwet en -
regelgeving)
Afstand tot cat. 5 > 50 meter
Afstand tot cat. 4 > 150 respectievelijk 200 meter
Afstand tot cat. 3 > 200 respectievelijk 300 meter
Afstand tot cat. 2 > 300 respectievelijk 450 meter
Afstand tot cat. 1 > 400 respectievelijk 600 meter
als extensiveringsgebied, rondom deze zeer kwetsbare gebieden zijn duurzame locaties niet mogelijk.
duurzame locaties niet
mogelijk. (Streekplan).
(ammoniak)
Provincie Noord-Brabant, 2 december 2003
depositiewaarde kleiner dan 1400 mol stikstof per hectare per jaar. In een zone van 250 meter, nader aan te wijzen
bos- en natuurgebieden zijn
gebieden
verzuring gevoelige bos- en natuurgebieden, waarvoor GS een natuurdoeltype hebben vastgesteld met een kritische
maken GS onderscheid in kwetsbare (B-) en zeer kwetsbare (A-)gebieden. Zeer kwetsbare gebieden zijn de voor
rondom de zeer kwetsbare
De voor verzuring gevoelige gebieden worden bepaald door de Wet ammoniak en veehouderij (Wav). Hierbinnen
In een zone van 250 meter
gevoelige
stalsysteem. De afstanden zijn dan ook puur indicatief.
5000 mestvarken-eenheden (mve). De te hanteren afstand is afhankelijk van de omvang van het bedrijf en het type