CConstaterende datLaarbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

9 20240410 Ontwerp bestemmingsplan Bemmerstraat 6 Beek en Donk

Commissie Ruimtelijke Zaken 10 april 2024, gemeente LaarbeekBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan Bemmerstraat 6 Beek en Donk17.007 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Volgens de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r. kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject namelijk gaan om “bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan”. Gezien er sprake is van een gebied dat aanzienlijk kleiner is dan 100 ha en het plan aanzienlijk minder dan 2.000 woningen omvat, is formeel geen sprake van een m.e.r.beoordelingsplicht overeenkomstig het Besluit m.e.r. (categorie D11.2) Vormvrije m.e.r.-beoordeling Aanvullend op het voorgaande is op 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de D-lijst valt. Woningbouw kan vallen onder onderdeel D (11.2): “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.”

33

De voorgestane planontwikkeling is qua aard en omvang niet te vergelijken met de projecten die in lijst C 'Activiteiten, plannen en besluiten, ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage verplicht is' zijn opgesomd en ligt ver onder de opgenomen drempelwaarden. Gelet op de aard van de bebouwing, omvang van functies in relatie tot een gevoelig gebied en jurisprudentie, kan de herontwikkeling van de planlocatie aangemerkt worden als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. M.e.r.-beoordeling Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm), dient degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dit voornemen schriftelijk mee te delen aan het bevoegd gezag. Bij de mededeling dient in ieder geval de informatie te worden verstrekt zoals omschreven in artikel 7.16 lid 2 tot en met 4 Wm. Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. De achterliggende gedachte bij de m.e.r.-beoordeling is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.- procedure nodig is. Deze m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: - belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; - belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; 3. De kenmerken van het potentiële effect.

• • • •

Kenmerken van het project Omvang van het project Cumulatie met andere projecten Gebruik van natuurlijke grondstoffen Productie van afvalstoffen

34

• • • • •

• • • •

Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen, mede gelet op gebruikte stoffen en technologieën Plaats van het project Bestaand grondgebruik Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang Kenmerken van het potentiële effect Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) Grensoverschrijdende karakter van het effect Waarschijnlijkheid van het effect Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect

Tabel 1 Criteria EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling

De m.e.r.-beoordeling is opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria

Toets

Omvang van het project

Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 22.700 m². Het project richt zich op de realisatie van 2 wooneenheden en het herbestemmen van één bedrijfswoning naar een burgerwoning. Middels twee wijzigingsbevoegdheden kunnen nog maximaal 4 wooneenheden worden toegevoegd op een terrein dat voorheen onbebouwd was. Nee.

Cumulatie met andere projecten Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Productie van afvalstoffen

Verontreiniging en hinder

N.v.t. Bij de ontwikkeling wordt niet permanent gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen. Naast het reguliere afval van de toekomstige bebouwing en functies zal geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen. De ontwikkeling vindt plaats in het buitengebied. Tijdens de aanlegfase is er mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden, maar dit betreft geen hinder groter dan bij reguliere bouwwerkzaamheden.

35

Geluid (wegverkeer) (zie ook paragraaf 5.1.5): In de omgeving van het plangebied zijn met name wegen aanwezig waar een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt en enkele wegen waar een hogere maximumsnelheid geldt. Een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai in het kader van de Wgh is derhalve noodzakelijk. Er is derhalve een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat er geen geluidshinder van wegverkeer is te verwachten. Geluid (industrie) (zie ook paragraaf 5.1.5): Het bedrijventerrein ‘Bemmer IV’, dat aangrenzend ten oosten van het plangebied is gelegen, betreft een gezoneerd industrieterrein. Doordat de nieuwe woningen buiten de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie’ worden gerealiseerd, vormt de aanwezigheid van het industrieterrein geen belemmering van het woon- en leefklimaat. Luchtkwaliteit (zie ook paragraaf 5.1.3): Met voorliggend plan wordt geen significante invloed op de luchtkwaliteit uitgeoefend. De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Geur: (zie ook paragraaf 4.1.4) Veehouderijen of andere geurhinder veroorzakende inrichtingen zijn in de directe omgeving niet aanwezig.

Risico van ongevallen

landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

Verkeersaantrekkende werking (zie ook paragraaf 5.6.1): De woningen worden ontsloten door de Sint Antoniusstraat. Wat betreft profiel en capaciteit zijn de wegen berekend op een geringe toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de realisatie van de woningen. Er is sprake van de ontwikkeling van woningen. Er is geen sprake van de realisatie van een nieuwe risicobron Cultuurhistorie (zie ook paragraaf 5.5): binnen het plangebied en de directe omgeving is geen sprake van landschappen van (cultuur)historisch belang. Archeologie (zie ook paragraaf 5.4): het archeologisch belang is door middel van een

36

archeologisch onderzoek betrokken in het plan. Uit het onderzoek blijkt dat een nader onderzoek noodzakelijk is. In het bestemmingsplan wordt de reeds aanwezige dubbelbestemming overgenomen. Zodoende is geborgd dat er geen graaf/bouwactiviteiten plaatsvinden voordat nader onderzoek heeft plaatsgevonden en het plangebied is vrijgegeven. Plaats van het object Criteria

Toets

Bestaand grondgebruik

In de huidige situatie zijn de gronden waar de woningen zijn voorzien, bestemd ten behoeve van bedrijfsactiviteiten. Onderzoeken wijzen uit dat de gronden geschikt zijn voor de functie wonen. N.v.t.

Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: • gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijn-gebieden) • gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid

Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van door Wet natuurbescherming beschermde gebieden. Zie ook paragraaf 4.3 ‘Natuur’.

Nee. N.v.t.

In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied

Toets

Beschermd natuurmonument

Nee.

Habitat en vogelrichtlijngebieden

Nee, zie paragraaf 4.3 ‘Natuur’.

Watergebied van internationale betekenis

Nee.

37

Natuurnetwerk Nederland (voormalige EHS)

Landschappelijk waardevol gebied

Waterwinlocaties. waterwingebieden, en grondwaterbeschermingsgebieden

Het plangebied ligt niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Zie paragraaf 4.3 ‘Natuur’. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van landschappelijk waardevol gebied. Nee, zie paragraaf 4.2 ‘Water’.

Conclusie De uitgevoerde onderzoeken (zie vervolg van dit hoofdstuk) onderbouwen de conclusie dat gelet op aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot het plangebied en de (directe) omgeving er geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Op grond van voorgaande m.e.r.-beoordeling kan het college van B&W besluiten dat het opstellen van een milieueffectrapportage niet noodzakelijk is. De uitgevoerde onderzoeken tonen aan dat het realiseren van een woongebied op de projectlocatie voldoet aan de wettelijke eisen en er sprake is van een verantwoorde situatie vanuit milieuoogpunt. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste conclusies beschreven. 5.1.2 Bodem In het kader van de Wro dient aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is om een nieuwe functie te realiseren en hoe eventuele bodemverontreiniging kan worden voorkomen. Van de locatie zijn geen bodemonderzoeken bekend, waardoor de milieuhygiënische bodemkwaliteit momenteel onbekend is. De bedrijfsactiviteiten aan de Bemmerstraat 6 worden definitief beëindigd en een deel van de bebouwing zal gesloopt gaan worden. De locatie wordt omgezet naar een woonbestemming en de huidige woning en een bijgebouw blijven behouden. Tevens worden er 6 ruimte-voorruimtewoningen gerealiseerd op gronden die nu bestemd zijn als ‘Bedrijf’ of ‘Agrarisch’.

Middels een onderzoek naar de bodemkwaliteit dient te blijken dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie. Er is daarom een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Op de locatie Bemmerstraat 6 is tevens een onderzoek naar asbest in de grond uitgevoerd. Onderstaand zijn de conclusies en aanbevelingen uit de onderzoeken weergegeven. Voor de volledige rapportages wordt naar bijlage III en IV verwezen. Bemmerstraat 6 Tijdens de veldinspectie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal van de bovengrond zijn plaatselijk sporen baksteenresten aangetroffen. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond en ondergrond geen verhoogde gehalten zijn gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met barium, koper, zink, xylenen en naftaleen.

38

Op het maaiveld en in het uitgegraven materiaal uit de asbestinspectiegaten rondom de stal en bedrijfsruimte zijn visueel geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de druipzone rondom de stal en de bedrijfsruimte is geen verhoogde asbestconcentratie aangetoond. Uit het bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat de milieuhygiënische conditie van de bodem geen belemmering vormt voor de voorgenomen planontwikkeling. Bemmerstraat ongenummerd Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen voor verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond en de ondergrond geen gehalten zijn gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het freatisch grondwater is matig verhoogd met barium en licht verhoogd met xylenen. Uit het bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat de milieuhygiënische conditie van de bodem geen belemmering vormt voor de voorgenomen planontwikkeling. 5.1.3 Lucht Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen.

Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Ter plaatse van de te realiseren woningen dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van de luchtkwaliteit. In de Wet Milieubeheer zijn daarom grenswaarden gesteld met betrekking tot fijnstof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2). Voor het vaststellen van de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofdioxide zijn de grootschalige concentratiekaarten van het RIVM geraadpleegd.

39

Fijnstof De grens voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 µg/m3 en de grens voor de daggemiddelde concentratie bedraagt 50 µg/m3. Uit de concentratiekaart blijkt dat de achtergrondconcentratie voor fijnstof binnen het besluitgebied circa 16,9 µg/m 3 (PM10) bedraagt. Er wordt dus voldaan aan de wettelijk gestelde grenswaarden. Stikstof Voor stikstofdioxide (NO 2) geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 voor een jaargemiddelde concentratie en 200 µg/m3 voor een daggemiddelde concentratie. De achtergrondconcentratie voor stikstofdioxide ter plaatse van het besluitgebied bedraagt circa 11,62 µg/m3. Dat betekent dat ook de hoeveelheid stikstofdioxide beneden de gestelde grenswaarden conform de Wet milieubeheer ligt. Conclusie Een ruimtelijke ontwikkeling kan invloed hebben op het aantal verkeersbewegingen dat uiteindelijk effect heeft op de luchtkwaliteit. Voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de beëindiging van de bedrijfsactiviteiten (opslag/stalling) en de realisatie van 6 ruimtevoor-ruimtewoningen. Uit paragraaf 5.6.1 blijkt dat de verkeersgeneratie als gevolg van voorgenomen ontwikkeling met 23,1 verkeersbewegingen per etmaal toeneemt. Door middel van de NIBM-tool kan worden berekend of naar aanleiding van deze toename een nader onderzoek naar de luchtkwaliteit noodzakelijk is.

Figuur 9. NIBM-tool.

Uit de NIBM-tool (figuur 9) blijkt dat de toename van het extra verkeer niet in betekenende mate is, waardoor nader onderzoek naar de luchtkwaliteit niet noodzakelijk is. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling. 5.1.4 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van

40

veehouderijen. De Wgv is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. In principe bepaalt de Wgv de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Wgv wordt alleen de ontwikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven gereguleerd en vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven. De wet vormt geen toetsingskader van de toelaatbaarheid van andere functies. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (in dit geval een ruimte-voor-ruimtewoning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met een verspreidingsmodel. In de Wgv is een definitie opgenomen voor geurgevoelige objecten. Deze definitie in combinatie met verschillende uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [1] heeft tot gevolg dat gesteld kan worden dat alle bebouwing waar mensen kunnen verblijven en ook als zodanig bestemd is als gevoelig object beschouwd kunnen worden.

Hierdoor kan gesteld worden dat de te realiseren ruimte-voor-ruimtewoningen als geurgevoelig aangemerkt kunnen worden. In dit geval worden er twee geurgevoelige objecten toegevoegd. In de directe omgeving van het plangebied is één veehouderij gelegen: dit betreft de melkveehouderij aan de Middenweg 4 welke op een afstand van 360 meter van de planlocatie is gelegen. Gezien deze afstand (> 50 meter) en het feit dat de planlocatie momenteel omgeven wordt door burgerwoningen, vormt de ontwikkeling geen onevenredige belemmering voor omliggende agrarische bedrijven. Naast toetsing op basis van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen, dient er ook aangetoond te worden dat ter plaatse van het plangebied een acceptabel woon- en leefklimaat heerst. In figuur 12 is een uitsnede weergegeven van de geurkaart (achtergrondbelasting) van de omgevingsdienst Zuidoost-Brabant.

41

Figuur 12 Uitsnede geurkaart ODZOB. Planlocatie rood omcirkeld.

Uit de ‘Verordening geurhinder en veehouderij’ van de gemeente Laarbeek blijkt dat het plangebied op de grens van de kernrandzone en het buitengebied is gelegen. De gemeente acht een achtergrondbelasting van 7,0 ou/m 3 als algemeen acceptabel voor de gebieden die worden aangemerkt als kernrandzone. Ter plaatse van de planlocatie bedraagt de geurbelasting tussen de 3 en 7 ou/m3 en wordt het woon- en leefklimaat op het gebied van de achtergrondbelasting als ‘goed’ beoordeeld. De achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied ligt beneden de gemeentelijke norm waardoor gesteld kan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Gelet op bovenstaande kan worden geconcludeerd dat in de omgeving van de Bemmerstraat 6 in Beek en Donk niemand onevenredig in zijn belangen geschaad wordt en dat ter plaatse van de woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd wordt. 5.1.5 Geluid In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, aangetoond dient te worden dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect akoestiek. Wanneer dat aan de hand is dient een akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. Dit geldt voor alle straten en wegen, met een uitzondering van: − −

Wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; Wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

42

In dit geval worden binnen de invloedssfeer van de Bosscheweg, een weg met een maximumsnelheid van 60 km/uur, nieuwe geluidsgevoelig objecten toegevoegd. Tevens is het plangebied op korte afstand van het bedrijventerrein ‘Bemmer IV’ gelegen. Wegverkeerslawaai Gezien de ligging in de invloedssfeer van de Bosscheweg en Pater de Leeuwstraat is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de Bemmerstraat, Vonderweg en Lange Vonder opgenomen in het akoestisch onderzoek. Hieronder zijn de conclusies uit dit onderzoek opgenomen. Het volledige rapport van dit onderzoek is te vinden in bijlage V. Bosscheweg De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 45 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Pater de Leeuwstraat De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 35 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan.

Bemmerstraat Er is sprake van een 30 km/h zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 43 dB (excl. art. 110g Wgh). Zou de aftrek gehanteerd mogen worden is de belasting 38 dB (incl. art. 110g) waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Vonderweg Er is sprake van een 30 km/h zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 38 dB (excl. art. 110g Wgh). Zou de

43

aftrek gehanteerd mogen worden is de belasting 33 dB (incl. art. 110g) waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Lange Vonder Er is sprake van een 30 km/h zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 32 dB (excl. art. 110g Wgh). Zou de aftrek gehanteerd mogen worden is de belasting 27 dB (incl. art. 110g) waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Industrielawaai Het bedrijventerrein ‘Bemmer IV’, dat aangrenzend ten oosten van het plangebied is gelegen, betreft een gezoneerd industrieterrein. Middels de zonering van een industrieterrein worden (grote) lawaaimakers ruimtelijke gescheiden van geluidsgevoelige objecten. Deze scheiding ontstaat door het vaststellen van een zone rondom het industrieterrein waarin het toelaten van geluidsgevoelige objecten enkel onder voorwaarden mogelijk is.

In het kader van de vaststelling ‘Parapluplan Geluidzone bedrijventerrein Bemmer’ is deze zone rondom het industrieterrein vastgelegd middels een gebiedsaanduiding 'geluidzone – industrie’. Ter plaatse van deze gebiedsaanduiding geldt dat op de betreffende gronden, ongeacht het bepaalde in de afzonderlijke bestemmingen, geen nieuwe woningen en/of andere geluidgevoelige bebouwing mogen worden opgericht. Daarnaast is in het bestemmingsplan vastgelegd dat de cumulatie geluidbelasting op elk punt van deze zonegrens (dat wil zeggen de gesommeerde geluidbelasting ten gevolge van alle inrichtingen binnen de grens van het bedrijventerrein) niet meer mag bedragen dan 50 dB(A) etmaalwaarde op deze zonegrens. Doordat de nieuwe woningen buiten de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie’ worden gerealiseerd, is de ontwikkeling niet in strijd met het ‘Parapluplan Geluidzone bedrijventerrein Bemmer’. Tevens kan ter plaatse van de woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect industrielawaai verzekerd worden doordat de geluidbelasting beneden de 50 dB(A) is gelegen. Conclusie Het aspect ‘Geluid’ vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling. 5.1.6 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen,

44

spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste besluiten zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten weten bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.

45

Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Altijd wanneer binnen invloedgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen2. Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.

In artikel 7 van het Bevt is opgenomen dat bij het toevoegen van nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten een verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden. Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheid verhogende maatregelen genomen zijn. Tot slot moet in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1. Wro) ook getoetst worden aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ enzovoort. Toetsing De realisatie van de zes ruimte-voor-ruimte woningen betreft de realisatie van zes kwetsbare objecten. Met behulp van de risicokaart is gekeken welke risicobronnen in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen. In figuur 11 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven.

2

Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: 1. Het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; 2. De toename minder is dan 0,1 keer oriëntatiewaarde of; 3. Personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.

46

Figuur 13 Uitsnede Risicokaart met planlocatie blauw omcirkeld

Risicovolle inrichtingen en transport In de nabije omgeving zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Daarnaast zijn er geen transportroutes gelegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Buisleidingen In de omgeving zijn enkele buisleidingen gelegen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Dit betreffen aardgasleidingen zonder plaatsgebonden risicocontour. De dichtstbijzijnde buisleiding is op een afstand van circa 450 meter gelegen waardoor dit aspect geen belemmering vormt voor voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 5.1.7 Bedrijven- en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan: een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot gevoelige functie dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur.

47

Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. De richtafstanden welke zijn opgenomen in de VNG-publicatie worden aangehouden of er genoeg ruimte zit tussen bedrijven en gevoelige objecten. Deze afstanden zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In het geval dat een locatie is gelegen binnen een ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. Een gemengd gebied heeft verschillende kenmerken. Dit kan bijvoorbeeld een lint zijn waar meerdere functies naast elkaar zijn gevestigd of een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg is gelegen. In het buitengebied kan dit een lint zijn met overwegend (agrarische) bedrijvigheid. Een gemengd gebied kent hierdoor al een hogere milieubelasting, waardoor er kleinere richtafstanden mogen worden aangehouden dan bij een rustige woonwijk. In dit geval is de planlocatie gelegen nabij een gezoneerd bedrijventerrein waardoor sprake is van een gemengd gebied. De aan te houden afstanden conform de VNGpublicatie mogen daarom met 1 stap worden verkleind. In dit geval zijn in de directe omgeving van de planlocatie een bedrijventerrein en een aantal andere bedrijven gelegen. In onderstaande tabel is de toets aan de van toepassing zijnde afstanden weergegeven.

De werkelijke afstand heeft betrekking op de afstand tussen de beoogde woningen aan de Bemmerstraat en de grens van het bouwvlak waarbinnen het bedrijf is gelegen. Tabel 1 Omliggende bedrijven en richtafstanden Adres

Soort bedrijf

Milieu-

Minimum-

Werkelijke

cat.

afstand

afstand

Voldaan?

Bemmerstraat 14

Opslag

2

10 meter

200 meter

Ja

Bemmerstraat 8

Timmerwerkplaats

2

10 meter

20 meter

Ja

Bemmerstraat 4

Bedrijfsperceel

2

10 meter

20 meter

Ja

Vonderweg ong.

Bedrijfsperceel

3.2

50 meter

60 meter

Ja

Vonderweg 4

Banketfabriek

4.2

200 meter

140 meter

Nee

Lange Vonder

Bedrijventerrein

3.2

50 meter

65 meter

Ja

Bemmer IV

Uit bovenstaande tabel blijkt dat formeel niet aan de richtafstand tot het bedrijf aan de Vonderweg 4 kan worden voldaan. Deze richtafstand van 200 meter heeft betrekking op het aspect ‘geluid’. Aan de richtafstand van de overige aspecten (‘stof’, ‘geluid’ en ‘gevaar’) van dit bedrijf kan wel worden voldaan. Uit paragraaf 5.1.5 blijkt dat ten aanzien van het aspect ‘geluid’ ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Deze aanvaardbare situatie wordt ook geborgd door het bestemmingsplan ‘Parapluplan Geluidzone bedrijventerrein Bemmer’. Doordat alle geluidgevoelige objecten buiten de geluidzone worden gerealiseerd is de geluidbelasting afkomstig van het industrieterrein op de nieuwe woningen aanvaardbaar en leidt de voorgenomen ontwikkeling niet tot een beperking van de

48

bedrijfsvoering van omliggende bedrijven. Het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ vormt dan ook geen belemmering voor voorgestane ontwikkeling. 5.1.8 Kabels en leidingen Voor zover op basis van het bestemmingsplan en de risicokaart bekend, zijn er in het plangebied geen kabels of leidingen aanwezig die een planologisch-juridische bescherming behoeven en als gevolg daarvan een mogelijke belemmering vormen voor het initiatief. Ten aanzien van de gewenste ontwikkeling bieden kabels en leidingen geen bezwaren voor de ontwikkeling. 5.1.9 Spuitzones gewasbescherming Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terechtkomt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt op stam (bijv. appels, peren etc.) dan bij de akkerbouw en lage fruitteelt bijvoorbeeld aardbeien en bessen), waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Derhalve dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en teeltgebieden ten behoeve van boomteelt en. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand.

Door de Raad van State wordt bij beoordeling van nieuwe ruimtelijke situaties vanwege drift een afstand van 50 meter aangehouden. Per 1 september 2017 is in het activiteitenbesluit milieubeheer (wettelijk bepaald) besloten dat driftreducerende maatregelen genomen moeten worden bij gebruik van bestrijdingsmiddelen. Deze maatregelen zijn noodzakelijk wanneer gronden grenzen aan openbare wegen of gevoelige functies (zoals woningen). De aangrenzende gronden (< 50 meter) zijn in gebruik als agrarische grond, specifiek grasland en akkerbouw. Boomteelt wordt niet toegepast binnen een straal van 50 meter rondom de woningen, waardoor de kans op drift zeer klein is. Daarnaast zijn aangrenzend aan de percelen reeds bestaande woningen (Bemmerstraat 3 3c, 3d, 3e en 5) gelegen, waardoor de gebruiker van de gronden reeds rekening dient te houden met het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Tevens zorgt de realisatie van de woningen niet voor een nieuwe belemmering ten aanzien van de gebruiksmogelijkheden van de gronden in relatie tot het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden, wordt de kans zeer klein geacht dat er drift in de tuin of de woning terecht komt.

Doorwerking plangebied Ter plaatse van het plangebied kan gesteld worden dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat met betrekking tot eventuele drift dat vrijkomt bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen. De aanwezigheid van de bestaande woningen aangrenzend aan het perceel en de huidige wet- en regelgeving (activiteitenbesluit) zorgt in principe voor voldoende bescherming. Daardoor kan gesteld worden dat sprake is van een goede

49

ruimtelijke ordening en het aspect bestrijdingsmiddelen geen belemmering vormt voor het plan. 5.1.10 Volksgezondheid Pluimvee- en varkenshouderijen In 2016 zijn verschillende onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stofemissie afkomstig van veehouderijen, met name varkens- en pluimveehouderijen. In de omgeving van het plangebied zijn geen varkens- en/of pluimveehouderijen aanwezig die relevant zijn in het kader van het aspect volksgezondheid. Geitenhouderijen Uit het VGO-2 en VGO-3 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet bij mensen die woonachtig zijn in de directe omgeving van geitenhouderijen. Met onderhavig plan wordt een woning van status gewijzigd (bedrijfswoning naar burgerwoning). Gesteld kan worden dat sprake is van een gevoelige functie in het kader van geitenhouderijen en volksgezondheid, waardoor deze onderzoeken relevant zijn voor deze ontwikkeling. Het is daarom van belang om te weten of binnen een straal van 2 kilometer geitenhouderijen aanwezig zijn, en waar deze zijn gelegen ten opzichte van het besluitgebied.

Binnen een straal van 2 kilometer zijn geen geitenhouderijen gevestigd. Het aspect volksgezondheid vormt geen belemmering ten aanzien van onderhavige ontwikkeling.

5.2

Water Het plangebied is gelegen binnen het beheergebied van waterschap Aa en Maas. In aansluiting op het landelijke beleid hanteert het Waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen onderzocht en aangegeven dient te worden hoe omgegaan wordt met het schone hemelwater. Het uitgangspunt is om ontwikkelingen hydrologisch neutraal uit te voeren. Kortom, het initiatief mag niet leiden tot een verandering in de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en in de directe omgeving. Het streven is daarbij om het schone en het verontreinigde water zoveel mogelijk te scheiden.

5.2.1

Beleid Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Provinciaal plan van NoordBrabant, het Waterbeheerplan 2022-2027 van waterschap Aa en Maas, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water, de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening.

50

De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de ‘Beleidsbrief regenwater en riolering’ relevant. Hierin staat hoe het beste omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. Tevens zijn de Keur en de beleidsregels Keur van Waterschap Aa en Maas van belang. Waterschap Aa en Maas Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar.

Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaat robuust watersysteem waarin: − schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; − de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; − de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; − de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.

51

Keur De Keur is een waterschap verordening en omvat samen met de Waterwet alle gebodsen verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen.

Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², toename van een verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m². Op basis van de Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m². Voorgenomen ontwikkeling voorziet in een toename van verhard oppervlak van meer dan 500 m2. Het hemelwater afkomstig van het toegenomen verhard oppervlak wordt binnen de grenzen van het plangebied geïnfiltreerd waardoor geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. 5.2.2

Toekomstige waterhuishoudkundige situatie Ten behoeve van de ontwikkeling is een beknopte waterparagraaf opgesteld. Deze waterparagraaf is bijgevoegd in bijlage IV bij deze toelichting. Hieronder wordt nader ingegaan op de belangrijkste aspecten uit de waterparagraaf. De bestaande bebouwing is reeds afgekoppeld en hierbij wordt geen nieuw verhard oppervlak aangelegd. Voor dit perceel is dan ook geen bijkomende waterberging

52

benodigd. Bij de overige percelen dient bij de toekomstige nieuwbouw op eigen perceel waterretentie aangelegd te worden. In eerste instantie dient gesloten verharding bij nieuwbouw zoveel mogelijk beperkt te worden. Ook het gebruik van waterpasserende bestrating of halfverharding heeft invloed op de benodigde waterberging op een perceel. Ingeschat zonder maatregelen dient per perceel afhankelijk van het uiteindelijk gesloten oppervlak circa 40 m 3 hemelwater verwerkt te worden. Naar verwachting is de infiltratiesnelheid van de bodem matig waardoor de aanleg van een vertraagde leegloop naar het bestaand oppervlaktewater geadviseerd wordt. Ter plaatse is gezien de toekomstige bebouwde situatie op een ruime open kavel genoeg ruimte beschikbaar. Het afvalwater dient aangesloten te worden op het gemeentelijk drukriool. De verwachte toename bedraagt ca. 1,8 m3/dag. Hiervoor dient per woning te zijner tijd een rioolaansluiting bij de gemeente Laarbeek aangevraagd te worden. Door het aanhouden van een vloerpeil van minimaal 14 m +NAP (20 cm boven kruin weg) is bij de nieuwbouw geen grondwateroverlast te verwachten en wordt voldaan aan de benodigde ontwateringsdiepte. Bij het definitieve bouwplan dienen de uiteindelijke afval- en hemelwaterstelsels gedetailleerd conform het geldende beleid uitgewerkt en opgenomen te worden.

Door de aanleg van een gescheiden stelsel, de hemelwatervoorziening van 60 mm voor het nieuw verhard oppervlak en rekening te houden met de aandachtspunten zoals genoemd in de bijlage wordt hydrologisch gezien neutraal ontwikkeld en is geen verhoogd risico op wateroverlast te verwachten door de voorgenomen planontwikkeling.

5.3

Natuur 5.3.1 Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijnen Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Wanneer deze mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuur in een Natura 2000-gebied geldt een vergunningsplicht. Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd.

53

De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natura 2000 Het plangebied is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden betreffen ‘Strabrechtse Heide & Beuven’ en ‘Deurnsche Peel & Mariapeel’ welke op een afstand van respectievelijk ca. 14,0 en 15,6 kilometer van de planlocatie zijn gelegen. Ontwikkelingen kunnen een significant negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden door onder andere een aanzienlijke toename van het aantal verkeersbewegingen in de gebruiksfase of door de emissie die ontstaat gedurende de aanlegfase. Aanlegfase Voor de aanlegfase van de beoogde woningen is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. In deze berekening is gebruik gemaakt van de kengetallen uit de ‘Handreiking woningbouw en AERIUS’ (januari 2020) voor de emissie uit de aanlegfase.

In deze handreiking wordt voor de aanlegfase een emissie van 3 kg NO x per woning (mobiele werktuigen en transportbewegingen) gehanteerd. Voor de 6 beoogde woningen is dus een emissie van 18 kg NOx gehanteerd. Uit deze berekening blijkt dat de aanlegfase van voorgenomen ontwikkeling geen depositieresultaten boven 0,00 mol/ha/jr. tot gevolg heeft. De AERIUS-berekening voor de aanlegfase is als bijlage VII aan deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Gebruiksfase Ook voor de gebruiksfase van voorgenomen ontwikkeling is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Op grond van voorliggend plan wordt de bedrijfsfunctie aan de Bemmerstraat 6 beëindigd en worden 6 nieuwe woningen toegevoegd die gasloos worden uitgevoerd. In de beoogde situatie wordt enkel stikstofemissie veroorzaakt door de verkeersbewegingen van en naar de planlocatie. Uit paragraaf 5.6.1 blijkt dat de verkeersgeneratie met 23,1 verkeersbewegingen per etmaal toeneemt. Bij de berekening is uitgegaan van 10% filevorming. Uit deze berekening blijkt dat de gebruiksfase van voorgenomen ontwikkeling geen depositieresultaten boven 0,00 mol/ha/jr. tot gevolg heeft. De AERIUS-berekening voor de gebruiksfase is als bijlage VIII aan deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied is niet binnen het Natuurnetwerk Nederland gelegen.

Het dichtstbijzijnde gebied behorend tot het Natuurnetwerk Nederland is op 200 meter ten oosten van het

54

plangebied gelegen. Gezien de kleinschalige aard van de ontwikkeling en de afstand tot het dichtstbijzijnde gebied, zijn significante negatieve effecten uit te sluiten. 5.3.2 Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. In dit geval kunnen de te slopen gebouwen als verblijfplaatsen voor diersoorten dienen. Er dient voor de sloop van de gebouwen vastgesteld te worden of de ontwikkeling een negatief effect heeft op eventueel aanwezige dier- en plantensoorten. Er is daarom op 17 mei 2022 een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is als separate bijlage IX bijgevoegd. Hieronder zijn de conclusies uit het onderzoek weergegeven. Op basis van bovenstaande informatie welke uit de quickscan flora en fauna naar voren is gekomen, is er aanleiding om een aanvullend flora en faunaonderzoek naar beschermde soorten flora en fauna uit te voeren voorafgaand aan de geplande werkzaamheden.

Daarom is een nader onderzoek naar vleermuizen in de te slopen stal uitgevoerd (Bijlage X). Naar aanleiding van het nader onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen en hun essentieel leefgebied binnen het plangebied is geconcludeerd dat de ontwikkeling geen nadelige effecten heeft. In het kader van de Wet natuurbescherming is dan ook geen ontheffing nodig om de beoogde werkzaamheden uit te voeren. Het aspect natuur vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.4

Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal bepalingen toegevoegd, die aangeven dat in een bestemmingsplan een beschrijving dient te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Aangetoond dient dan ook te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In dit bestemmingsplan is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. In deze paragraaf gaan we daarom in op het aspect archeologie en in paragraaf 5.5 wordt ingegaan op het aspect cultuurhistorie.

55

Conform het bestemmingsplan heeft het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’, ‘Waarde – Archeologie 5.1’ en ‘Waarde – Archeologie 5.2’. Voor deze gebieden geldt dat bij bodemingrepen met een bepaalde diepte en verstoringsoppervlakte een archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. In onderstaande tabel zijn deze normen weergegeven. Tabel 2 Archeologische dubbelbestemmingen

Dubbelbestemming Waarde – Archeologie 4 Waarde – Archeologie 5.1 Waarde – Archeologie 5.2

Verstoringsdiepte 0,3 m 0,3 m 0,5 m

Verstoringsoppervlakte 250 m2 500 m2 500 m2

Doordat voorgenomen ontwikkeling de minimale verstoringsoppervlakte en -diepte overschrijdt, zijn archeologische onderzoeken uitgevoerd. Onderstaand zijn de conclusies en aanbevelingen uit de onderzoeken weergegeven. Voor de volledige rapportages wordt verwezen naar bijlage XI en bijlage XII. Bemmerstraat 6 Op basis van het uitgevoerde verkennend veldonderzoek kan worden gesteld dat de bodemopbouw binnen het grootste deel van het plangebied bestaat uit (deels) intacte zwarte hoge enkeerdgronden. Hierdoor is de kans groot dat archeologische resten in de ondergrond kunnen worden aangetroffen. Het eerste mogelijk aanwezige niveau bevindt zich vanaf het maaiveld (een buffer van 30 centimeter in acht nemend). Het tweede verwachte aanwezige archeologische niveau (laat-paleolithicum B) bevindt zich op circa 90 centimeter onder maaiveld (een buffer van 30 centimeter in acht nemend). De voorgenomen werkzaamheden kunnen een negatief impact hebben op de eventueel aanwezige archeologische resten. Om deze redenen wordt er een vervolgonderzoek, bij voorkeur in de vorm van een verkennend karterend booronderzoek, geadviseerd. Bemmerstraat ongenummerd Op basis van het uitgevoerde verkennend veldonderzoek kan worden gesteld dat het plangebied op een gradiëntzone ligt. Hierdoor is de kans groot dat archeologische resten in de ondergrond kunnen worden aangetroffen.

Het eerste archeologische niveau bevindt zich onder de A-horizont (circa 35 – 60 centimeter onder maaiveld). Indien de voorgenomen graafwerkzaamheden dieper reiken dan 90 centimeter (een buffer van 30 centimeter in acht nemend), dan kunnen deze een negatieve impact hebben op het verwachte tweede aanwezige archeologische niveau (laat-paleolithicum B). Om deze redenen wordt er een vervolgonderzoek, bij voorkeur in de vorm van een karterend booronderzoek en/of een proefsleuvenonderzoek, geadviseerd.

56

Ten aanzien van het voorlopig advies van het onderzoeksbureau om een nader vervolgonderzoek uit te voeren en ter bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden, worden de huidig geldende dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 4’ en ‘Waarde – Archeologie 5.2’ overgenomen op de verbeelding van onderhavig bestemmingsplan.

5.5

Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal.

Figuur 14 Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Laarbeek

Conform de cultuurhistorische beleidskaart van de gemeente Laarbeek (figuur 14) zijn een aantal gronden binnen het plangebied aangeduid als open akker. Open akkers zijn vaak erg groot en bevatten een heleboel meest strookvormige eigendommetjes die allemaal bouwland zijn en onderling niet of amper door heggen gescheiden zijn of waren. Het terrein ligt meestal hoog ten opzichte van de omgeving, maar is intern behoorlijk vlak. De belevingswaarde van de open akkers ligt voor een groot deel in de aanwezige vergezichten over de akker. De vergezichten in oostelijke richting worden

57

geblokkeerd door de ontwikkeling van het bedrijventerrein. De bouw van de oostelijke woningen zal derhalve geen afbreuk doen aan de aanwezige cultuurhistorische waarden. Volgens de hoogtekaart van het Actueel Hoogtebestand Nederland (kaart 15) ligt de akker in het westelijke gedeelte van het plangebied lager dan de omliggende gronden. Het betreft dan ook geen bolle akker, maar een open akker. De openheid wordt met nam ervaren als men via de Bosscheweg naar de N279 rijdt, of juist van de N279 via de Bosscheweg naar Beek en Donk rijdt. De toevoeging van enkele woningen, direct aansluitend aan de Bemmerstraat doet hier geen afbreuk aan. Juist door het toevoegen van landschappelijke inpassing, wordt het open karakter van de akker behouden en benadrukt.

Figuur 15 Uitsnede AHN hoogtekaart

Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling. Op de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant zijn geen cultuurhistorische elementen of bebouwing weergegeven op of nabij het plangebied. Bij de landschappelijke inpassing (zie hoofdstuk 3.2) is wel rekening gehouden met het behoud en terugbrengen van cultuurhistorische- en landschappelijke elementen.

58

5.6

Verkeer Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren. 5.6.1 Mobiliteit In het verleden vonden er verkeersbewegingen ten behoeve van de bedrijfsfunctie (opslag) van en naar de planlocatie plaats. Door de herontwikkeling van de percelen ten behoeve van de 6 ruimte-voor-ruimtewoningen zal de verkeersgeneratie in de nieuwe situatie wijzigen. De bestaande woning blijft behouden waardoor deze niet in de berekening is meegenomen. Om te bepalen of het aantal extra verkeersbewegingen een belemmering vormt ten aanzien van het aspect mobiliteit, wordt de CROWpublicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ gehanteerd. Tabel 3 Aantal verkeersbewegingen huidige en nieuwe situatie (conform CROW-publicatie)

Bedrijfsfunctie 2 Ruimte-voor-ruimtewoning 3 Verschil huidige/ nieuwe situatie

Aantal/oppervlakte 500 m2 6

1

verkeersbewegingen per eenheid per etmaal in buitengebied

2

categorie ‘bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief’

3

categorie koop, huis, vrijstaand

Norm 1 5,7 per 100 m2 8,6

Totaal 28,5 51,6 + 23,1

Uit het voorgaande blijkt dat dat de verkeersgeneratie van en naar de planlocatie als gevolg van voorgenomen ontwikkeling toeneemt met 23,1 verkeersbewegingen per etmaal. Hiermee zal het aantal verkeersbewegingen dus met geringe mate stijgen. Gezien de kleinschaligheid van het initiatief en de bestaande infrastructurele situatie en ontsluiting op de N279 behoeft de Bemmerstraat en omliggende wegen dan ook geen aanpassingen. Het aspect ‘mobiliteit’ levert dan ook geen belemmeringen op voor onderhavig plan. 5.6.2 Parkeren Bij het bouwen, uitbreiden of wijzigen van de gebruiksfuncties in het plangebied dient altijd voldoende parkeergelegenheid gegarandeerd te zijn. Het beleid van de gemeente Laarbeek is vastgelegd in de ‘Nota parkeernormen Laarbeek 2023’ (vastgesteld 15-062023). En luidt dat parkeren dient te geschieden op eigen terrein. Het parkeerbeleid van de gemeente Laarbeek is gebaseerd op de landelijke parkeernormen uit de CROWpublicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’. Dit betekent dat per woningbouwkavel 2,2 (twee-onder-een-kap) tot 2,8 parkeerplaatsen gerealiseerd dienen te worden. De beoogde kavels behorende bij de ontwikkeling zijn voldoende groot om op eigen terrein te voorzien in deze parkeerbehoefte. Het aspect ‘parkeren’ levert geen problemen op voor onderhavig plan.

59

HOOFDSTUK

6 Uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.

6.1

Economische uitvoerbaarheid De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Wanneer met een omgevingsvergunning een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro), mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening (Wro) een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Binnen het plangebied wordt een extra woning gebouwd, zodat sprake is van een bouwplan, zoals bedoeld in artikel 6.12, lid 1 Wro in samenhang met artikel 6.2.1. onder a Bro. Doordat er in het kader van de beoogde ontwikkeling geen aanpassingen in de openbare ruimte nodig zijn, is er geen sprake van verhaalbare kosten, waardoor volgens artikel 6.2.1a, aanhef en onder b van het Bro geen verplichting tot kostenverhaal geldt. De gemeente sluit een planschadeovereenkomst met de initiatiefnemer. Hiermee wordt vastgelegd dat eventuele tegemoetkomingen in planschade aan derden, toegebracht door een planologische wijziging, door de gemeente verhaald kunnen worden op initiatiefnemer van het plan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Laarbeek&id=eb929f62-7f42-4263-8bf2-1b4d6e7d2f1a