9 20220929 Bestemmingsplan Heindertweg 1 Plantoelichting.pdf
Tekst van het document
Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan en die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In dezen zijn er geen ecologische omstandigheden waardoor categorie 5 soorten in het plangebied jaarrond beschermd dienen te zijn. Het betreft een lokaal en regionaal algemene vogels. In de directe omgeving zijn voldoende geschikte structuren die als alternatief gebruikt kunnen worden. Tijdelijke schadelijke effecten op Categorie 5 soorten vogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus bij slopen en verwijderen van beplantingen). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog.
• Algemene broedvogels Het plangebied is potentieel geschikt voor algemene broedvogels om te broeden. Zij kunnen nestelen in de bomen en struiken welke aanwezig zijn binnen het plangebied. Schadelijke effecten op algemene broedvogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord (slopen van bebouwingen en verwijderen van beplantingen). Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk. Soorten Habitatrichtlijn • Vleermuizen De voorgenomen ontwikkelingen kunnen niet leiden tot een negatief effect op vleermuizen. Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 (zie Tabel 1) van de Wnb niet worden overtreden. Aanvullend onderzoek wordt niet nodig geacht. • Overige habitatrichtlijnsoorten
27
Voor overige habitatrichtlijnsoorten is het plangebied (redelijkerwijs) ongeschikt door het ontbreken van geschikte habitat. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Nationaal beschermde soorten • In het plangebied zijn geen nationaal beschermde soorten aanwezig, waarvoor géén provinciale vrijstelling geldt. • Het plangebied is potentieel geschikt voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Noord-Brabant een vrijstelling geldt als egel, konijn en (spits)muizen. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effect op egel en (spits)muizen zoveel mogelijk dient te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden. Conclusie • Op basis van bovenstaande informatie welke uit de quickscan flora en fauna naar voren is gekomen, is er geen aanleiding om een aanvullend flora- of faunaonderzoek uit te voeren. • Er kan zonder voorziene problemen gestart worden met de sloop van het woonhuis en het verwijderen van beplantingen rondom de woning. • Tijdens werkzaamheden blijft te allen tijde de zorgplicht van kracht en bij een veranderende situatie dient altijd een ecoloog ingeschakeld te worden.
De quickscan flora en fauna is als bijlage 2 bij deze plantoelichting beschikbaar. Gebiedsbescherming, berekening stikstofdepositie Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). De provincie Noord-Brabant hanteert geen externe werking als het gaat om NNB. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is Strabrechtseheide & Beuven. De afstand tot dit Natura 2000-gebied bedraagt circa 10 km en is dermate groot dat er geen direct negatief effect te verwachten is. In het kader van de in de Wnb opgenomen instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden dient onderzocht te worden wat de gevolgen zijn van het plan en de beoogde sloop- en bouwwerkzaamheden. Daartoe is de stikstofdepositie ten gevolge van het plan in de gebruiksfase en de aanlegfase berekend met het rekeninstrument AERIUS calculator 2020. Uit de “Berekening stikstofdepositie beoogde ontwikkeling Heindertweg 1 te Aarle-Rixtel, gemeente Laarbeek” (Tritium Advies, 2020) blijkt dat er ten gevolge van de beoogde planontwikkeling geen stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Derhalve zijn ‘significante (negatieve) effecten’ op beschermde natuurgebieden ten aanzien van stikstofdepositie uit te sluiten. Een vergunning in het kader van de Wnb is derhalve niet aan de orde.
Bovendien moet worden opgemerkt dat in de berekening géén rekening is gehouden met (interne) saldering en er desondanks geen toename van stikstof is berekend. De berekening toont aan dat het aspect stikstofdepositie geen beperkingen oplevert ten aanzien voor het beoogde planvoornemen. De berekening stikstofdepositie is als bijlage 3 bij deze plantoelichting beschikbaar. Conclusie Vanuit het oogpunt van flora en fauna en stikstofdepositie zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan.
28
4.4 Waterparagraaf Toetsingskader Watertoets Uitgangspunt van de watertoets is dat een ruimtelijk besluit of plan geen slechtere waterhuishoudkundige situatie oplevert dan in het bestaande beleid is vastgelegd. Met het opstellen van de watertoets wordt beoogd dat water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing wordt genomen. Concreet betekent dit dat onderzocht wordt hoe in het toekomstige plan op een duurzame wijze wordt omgegaan met hemelwater. Uiteindelijk moet het resultaat hydrologisch neutraal zijn. De watertoets vormt een onderdeel van de onderbouwing van het plan, waarin met name de wijze wordt beschreven hoe de afvoer van hemelwater van daken en verhardingen plaats zal vinden. Doorwerking plan(gebied) Voor de woningbouwlocatie aan de Heindertweg is een afzonderlijke waterparagraaf opgesteld. De bevindingen uit deze “Waterparagraaf Heindertweg 1 te Aarle-Rixtel,” (Tritium Advies, 2021) zijn hierna weergegeven. Een belangrijk uitgangspunt is dat de zorgplicht begint bij de burger. Bij het verzamelen van regenwater geldt dat schone en vuile waterstromen van elkaar worden gescheiden. De gemeente Laarbeek hanteert de wettelijke voorkeursvolgorde voor het verwerken van hemelwater: vertragen, bergen en afvoeren. De totale verharding neemt toe met circa 889 m2 .
Omdat de toename van het verhard oppervlak kleiner is dan 2000 m2 , geldt vanuit het waterschap geen compensatieverplichting. Vanuit de gemeente Laarbeek geldt wel een compensatieverplichting. Uit de opgestelde waterparagraaf blijkt dat voor onderhavig plangebied, conform de aannames omtrent nieuwbouw, sprake is van een minimale bergingseis van 124,44 m 3 . Aan deze bergingseis kan conform de wettelijke voorkeursvolgorde voor het verwerken van hemelwater op verschillende manieren invulling worden gegeven. Er liggen voldoende kansen binnen het plangebied om te voldoen aan de bergingseis. Infiltratie wordt op basis van het verkennend (asbest)bodemonderzoek mogelijk geacht. De bergingseis kan worden ingevuld door middel van de realisatie van watervertragende groenstroken, infiltratiekratten, een infiltratieput, watervasthoudende plantenbakken, groene gevel, et cetera. Het is ook mogelijk om halfverharding toe te passen, gebruik te maken van regentonnen of een gedeelte van het dak groen in te vullen. Laatstgenoemde oplossingen verlagen de bergingseis. Uiteraard kan er ook voor een combinatie van oplossingsrichtingen worden gekozen. Voor alle oplossingsrichtingen geldt dat het regenwater en afvalwater gescheiden zal worden ingezameld.
Het meest voor de hand liggend is de realisatie van een ondergrondse waterbergingsvoorziening (bijvoorbeeld infiltratiekratten) gelegen onder aan te leggen rijbanen en parkeerplaatsen. Met een oppervlakte van circa 460 m2 (rijbaan en openbare parkeerplaatsen) biedt dit voldoende ruimte om een bergingsopgave te kunnen realiseren die voldoende waterbergend vermogen biedt, alsmede voldoet aan de eisen zoals gesteld door de gemeente in het Gemeentelijk Rioleringsplan. De exacte locatie, dimensionering en uitwerking van het berging- c.q. infiltratiesysteem zal in samenspraak met de gemeente nader worden bepaald. De waterparagraaf is als bijlage 4 bij deze plantoelichting gevoegd. Conclusie Vanuit het oogpunt van hydrologie zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan. Adviezen die voortvloeien uit de watertoets zijn geïntegreerd in de planontwikkeling.
29
4.5 Bodem Toetsingskader Besluit ruimtelijke ordening Op basis van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening zijn gemeenten verplicht om in de plantoelichting van een nieuwe ontwikkeling een paragraaf over de bodemkwaliteit op te nemen. In deze paragraaf dient gemotiveerd te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Doorwerking plan(gebied) Het planvoornemen voorziet in de realisering van woningbouw op gronden die deels in gebruik zijn geweest bij en een pastorie (inclusief bebouwing) en deels braak hebben gelegen. Om te beoordelen in hoeverre de bodem ter plaatse geschikt is voor de realisering van woningen is een verkennend (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd.
In dit “Verkennend (asbest)bodemonderzoek aan de Heindertweg 1 te Aarle-Rixtel” (Inpijn Blokpoel Ingenieurs, 2020) worden de volgende conclusies getrokken: Verkennend bodemonderzoek: • Op basis van de beschikbare gegevens is uitgegaan van de onderzoeksstrategie voor een onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONV-NL) • Zintuiglijk zijn in de bodem geen afwijkingen ten opzichte van een ‘natuurlijke’ samenstelling van de bodem geconstateerd • Analytisch zijn in de bovengrond op het noordelijke terreindeel lichte verontreinigingen met cadmium, lood, kwik en PAK aangetoond. De bovengrond op het overige terreindeel is licht verontreinigd met koper en lood • De ondergrond is niet verontreinigd met de onderzochte parameters • In het grondwater komen matige verontreinigingen met cadmium en zink en lichte verontreinigingen met barium, nikkel en xylenen voor • Het geheel aan onderzoeksresultaten geeft aanleiding de gestelde hypothese te verwerpen Verkennend asbest bodemonderzoek: • Uitgegaan is van de norm NEN 5707 en een verdachte locatie met plaatselijke bodembelasting met duidelijke verontreinigingskern • Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter plaatse van de overkapping met asbestverdacht dak aan de noordzijde van de voormalige pastorie.
Het gaat dan om een lengte van circa 5 m1 , waar sprake is van een asbestverdachte ‘druprand’ • Ten behoeve van onderhavig onderzoek zijn twee asbestinspectiekuilen gegraven en beoordeeld, één asbestinspectiekuil is doorboord tot een diepte van 2,0 m - mv • Bij zowel de maaiveldinspectie als de visuele inspectie van de asbestinspectiegaten is géén asbesthoudend of asbestverdacht materiaal in of op de bodem aangetroffen • Uit de asbestanalyses blijkt verder dat in de zintuiglijk onverdachte toplaag géén asbest boven de detectiegrens is gemeten • Het gemeten ‘gewogen’ asbestgehalte ligt dus ook ruim beneden de restconcentratienorm en interventiewaarde van 100 mg/kg d.s.. Ook de grenswaarde voor nader bodemonderzoek, 50 mg/kg d.s., wordt niet overschreden • De hypothese ‘asbest verdacht’ kan worden verworpen, het uitvoeren van een nader onderzoek is echter niet aan de orde • Ook op dit punt zijn er dus geen beperkingen voor de voorgenomen grondtransactie • Opgemerkt dient te worden dat asbestbodemonderzoek niet meer is dan steekproefsgewijs onderzoek. Met name bij bijmengingen met puin is sprake van heterogeniteit.
30
Er is derhalve altijd een zeker restrisico op het onverwacht aantreffen van asbesthoudend materiaal Resumé • Resumerend kan bij beoordeling van het geheel aan onderzoeksresultaten gesteld worden dat de aangetroffen bodemkwaliteit aanvaardbaar wordt geacht en zodoende geen belemmering behoeft te vormen voor de geplande nieuwbouw van de 12 patiowoningen. Voor de matige cadmium- en zinkverhoging in het grondwater kan een herbemonstering overwogen worden, teneinde de reproduceerbaarheid na te gaan. Gezien de variabiliteit en het ontbreken van humane risico’s behoeft deze verhoging geen belemmering te vormen voor de voorgenomen nieuwbouw • De constatering dat enkele gemeten gehaltes de desbetreffende achtergrondwaarde overschrijden, kan consequenties hebben bij eventuele graafwerkzaamheden. Licht verontreinigde grond mag op de locatie worden hergebruikt, mits voldaan wordt aan de lokale achtergrondwaarden/bodemkwaliteitszone (grond mag worden toegepast op een ondergrond van vergelijkbare bodemkwaliteit en op bodems van mindere bodemkwaliteit). Bij hergebruik van licht verontreinigde grond buiten de locatie dienen de eisen in acht te worden genomen, zoals gesteld binnen het Besluit bodemkwaliteit of de lokale/regionale bodembeheernota.
Afhankelijk van de bestemming en toepassing zal dus bij afvoer van de grond om een partijkeuring conform het protocol uit het Besluit bodemkwaliteit worden gevraagd. Het verkennend (asbest)bodemonderzoek is als bijlage 5 bij deze plantoelichting beschikbaar. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.
4.6 (Ondergrondse) infrastructuur / kabels en (buis)leidingen Toetsingskader Transport van gevaarlijke stoffen vindt plaats over de weg, het spoor, het water en door buisleidingen. Tijdens het transport kunnen dingen misgaan waardoor de gevaarlijke lading kan ontbranden of exploderen of waardoor er bijvoorbeeld giftige gassen ontsnappen via een lek of breuk. Bij risicovolle buisleidingen kan gedacht worden aan (hogedruk) transport van aardgas, maar ook van olie, benzine, kerosine, chemische producten en industriële gassen. Deze stoffen kunnen giftig, licht ontvlambaar, of brandbaar zijn. Buisleidingen lopen meestal ondergronds, maar kunnen soms ook bovengronds voorkomen. De grootste kans op een beschadiging aan een buisleiding ontstaat door graafwerkzaamheden. Denk hierbij aan werkzaamheden aan gas-, olie- en waterleidingen in de grond, of kabels voor stroom, TV, telefoon en internet. De risicokaart toont alle aardgasleidingen vanaf een diameter van 50 mm en een druk van 16 bar, alle buisleidingen voor brandbare vloeistoffen vanaf een diameter van 100 mm en alle overige buisleidingen waarvan geldt dat er een overschrijding van de wettelijke norm is op 5 meter afstand van de buis. Deze wettelijke norm is het plaatsgebonden risico 10-6. Het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen (Bevb) is op 1 januari 2011 in werking getreden.
In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt,
31
staan veiligheidseisen voor de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplan opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. Doorwerking plan(gebied) Teneinde een goede belangenafweging mogelijk te maken voor de voorgenomen functiewijziging is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de ligging en eigenschappen van binnen het plangebied voorkomende kabels en leidingen. Sommige van deze kabels en leidingen vereisen een bepaalde afstand tot gevoelige functies. Voor onderhavig plan zijn er geen belemmeringen aan de orde, zodat er in dit opzicht geen gevolgen zijn voor dit plan. Besluit externe veiligheid buisleidingen Er bevindt zich geen (hoge druk) gasleiding binnen of op korte afstand van het plangebied. Overige kabels en (buis)leidingen Nutsbedrijven eisen dat kabels en leidingen in het openbaar gebied (komen te) liggen. De initiatienemer van onderliggend bouwplan is verplicht zorg te dragen voor een door gemeente en nutsbedrijven geaccordeerde wijze van aansluiting. Overige zonering Er zijn in/op en nabij het plangebied verder geen ondergrondse leidingen, hoogspanningslijnen, waterkeringen, straalpaden, molenbiotopen of invliegfunnels aanwezig waarvan de aanwezigheid van invloed kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het voorgenomen plan, beschouwd vanuit de aspecten ondergrondse infrastructuur, kabels en leidingen, geen problemen oplevert. Nader onderzoek is na deze quickscan niet nodig.
4.7 Geur Toetsingskader Het geurbeleid voor bedrijven in de agrarische sector is bepaald in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). In deze wet worden normen gesteld voor de geurbelasting die een veehouderij (het dierenverblijf, niet de opslag van bijproducten e.d.) mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Deze belasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-stacks model). Dit geldt echter alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Rgv. Voor dieren zonder emissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Doorwerking plan(gebied) Geurhinder (Wgv) Voor zover het planvoornemen voorziet in de realisering van een geurgevoelig object (zoals een woning) dient in het kader van het aspect geurhinder nagegaan te worden of het plangebied geheel of gedeeltelijk is gelegen binnen de invloedssfeer van geurbronnen. In de omgeving van de Heindertweg zijn op korte afstand van het plangebied geen veehouderijen aanwezig. De dichtstbij gelegen veehouderij is op ruim 1 km van het plangebied gelegen, in het buitengebied van de gemeente Laarbeek aan Het Laar.
32
Verder wordt het plangebied reeds omgeven door een grote hoeveelheid bestaande woningen. Om qua geur een goed woon- en leefklimaat bij deze woningen te garanderen gelden voor de op grotere afstand gelegen veehouderijen, zoals aan het Laar, al beperkingen, waardoor ook voor de nieuwe woningen aan de Heindertweg 1 sprake zal zijn van een vergelijkbaar goed woon- en leefklimaat. In de Verordening geurhinder en veehouderij van de gemeente Laarbeek is verder vastgelegd, dat in afwijking van artikel 3, lid 1 van de Wgv, de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij voor zover de voor geur gevoelige objecten in het gebied zich bevinden binnen de bebouwde kom: 1,5 ouE/m3 bedraagt. Conclusie Met de hierboven genoemde waarde is een goed woon- en leefklimaat geborgd.
4.8 Akoestiek Toetsingskader Ten aanzien van geluid zijn de regels uit de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. De Wgh voorziet in onderzoekszones en bevat tevens geluidsnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbare geluidsniveaus van geluidsbronnen. Indien een ruimtelijke ontwikkeling voorziet in een verandering aan een bestaande geluidsbron, waarbij binnen de geluidszone daarvan een geluidsgevoelig object aanwezig is, dient volgens de Wgh een akoestisch onderzoek plaats te vinden. Doorwerking plan(gebied) Wegverkeerslawaai Het plan is niet gelegen binnen de geluidzone van wegen, zoals gedefinieerd in de Wgh. Het plan is wel gelegen aan de 30 km/uur weg Heindertweg. De Wgh is niet van toepassing op 30 km/uur wegen. Echter in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden aangetoond dat er ter hoogte van het plangebied een goed woon- en leefklimaat heerst. Het plangebied Heindertweg 1 wordt omringd door 30 km/u wegen. Enkel de Dorpsstraat ten zuiden van het plangebied heeft een doorgaande functie. De afstand tot deze weg bedraagt echter circa 70 m en meer. Daarbij is tussen deze weg en het plangebied de (massieve) bebouwing van de kerk en de huidige pastorie gelegen. De verwachting is gerechtvaardigd dat het verkeer over de Dorpsstraat niet zal leiden tot een onaanvaardbaar negatieve invloed op het woon- en leefklimaat.
De overige wegen ontsluiten enkel de aanliggende woningen en scholen. Er is alleen sprake van lokaal verkeer, dat geen relevante akoestische bijdrage oplevert voor het planvoornemen. Ten gevolge van het wegverkeer zal de geluidbelasting ter hoogte van het plangebied zodanig zijn dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Wet geluidhinder en de Wet ruimtelijke ordening leveren voor wat betreft wegverkeerslawaai geen restricties om het planvoornemen te realiseren. Omgevingslawaai Conform de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ editie 2009 (verder: VNGuitgave) geldt er een richtafstand van 30 m voor basisscholen. Deze afstand heeft betrekking op het aspect geluid en het omgevingstype rustige woonwijk. Aan deze afstand wordt niet voldaan. In onderhavige situatie is echter geen sprake van het omgevingstype rustige woonwijk. De aanwezigheid in de directe omgeving van de kerk, het parochiehuis, het kerkhof en de basisscholen, alsmede de ligging nabij de Dorpsstraat met diverse vormen van detailhandel, dienstverlening en maatschappelijke functies karakteriseren de omgeving als gemengd gebied. De richtafstand voor basisscholen mag daarbinnen teruggebracht worden naar 10 m. Aan deze afstand wordt, gemeten vanaf het perceel van de
33
scholen tot aan de dichtstbij gelegen geprojecteerde woning, voldaan. Daarmee kan aan het plangebied een voldoende goed woon- en leefklimaat worden toegekend. De VNG-uitgave geeft verder een richtafstand van 10 m (aspect geluid) voor begraafplaatsen voor het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Voor het omgevingstype ‘gemengd gebied’ mag deze richtafstand teruggebracht worden naar 0 m. De daadwerkelijke afstand tussen de woningen en het kerkhof bedraagt circa 3 m. Daarbij vermeldenswaard is het gegeven dat de gevels aan de zijde van het kerkhof slechts van zeer beperkte gevelopeningen voorzien zullen worden en dat tussen het plangebied en het kerkhof een dichte haag aanwezig is. Het kerkhof is daarmee niet van invloed op het woon- en leefklimaat bij de woningen. Andersom zal de impact van de woningen op het kerkhof ook minimaal zijn. De Wet geluidhinder levert voor wat betreft omgevingslawaai geen restricties om het planvoornemen te realiseren Conclusie Vanuit het aspect akoestiek zijn er geen belemmeringen voor het plan.
4.9 Luchtkwaliteit Toetsingskader Wet luchtkwaliteit, Wet milieubeheer In de Wet luchtkwaliteit is bepaald dat de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer (Wm). Hoofdstuk 5 van de Wm maakt onderscheid tussen projecten die 'Niet in betekenende mate' (NIBM) en 'In betekenende mate' (IBM) bijdragen aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. Als een project in betekenende mate bijdraagt aan luchtvervuiling, dient er een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden. Doorwerking plan(gebied) Bron luchtverontreiniging In het geval een planvoornemen strekt tot het realiseren of wijzigen van bronnen van luchtverontreiniging, die leiden tot een toename van de hoeveelheid luchtverontreiniging, dient onderzoek naar de exacte gevolgen voor de luchtkwaliteit uitgevoerd te worden. Echter als planvoornemen ervoor zorgt dat de concentratie fijn stof of CO2 met minder dan 3% van de grenswaarde wordt verhoogd, draagt het project niet in betekenende mate bij aan luchtvervuiling en hoeft er geen luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen, die per definitie niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Daartoe behoren woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 1000 woningen omvat. In onderhavig geval is sprake van het realiseren van 12 nieuwe woningen in een buurt met één ontsluitingsweg (Heindertweg). Uitgaande van het 3% criterium is binnen het plangebied geen sprake van een project dat in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Derhalve hoeft voor het planvoornemen geen onderzoek inzake luchtkwaliteit te worden uitgevoerd. Luchtkwaliteit omgeving Voor de kwaliteit van de buitenlucht bestaan verschillende soorten normen. Voor een aantal stoffen in de lucht gelden luchtkwaliteitsnormen op leefniveau (de buitenlucht). Veel van de wettelijke normen komen direct uit Europese richtlijnen. Ze zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer (titel 5.2 en bijlage 2). De normen zijn gesteld ter bescherming
34
van de gezondheid van de mens. Het ontstaan van nieuwe knelpunten moet worden voorkomen. De geldende luchtkwaliteit nabij het plangebied kan globaal afgeleid worden uit beschikbare informatie aan de hand van: • de grenswaarde voor het jaargemiddelde van de fijnstofconcentratie van 40 μg/m 3 ; • de grenswaarde voor het jaargemiddelde van de concentratie van stikstofdioxide van 40 μg NO2/m3 ). Uit de gegevens van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten is navolgende informatie af te leiden: • de jaargemiddelde fijnstofconcentratie in 2020 ligt tussen de 18 en 20 μg/m3 (ca. 18,3). Deze blijft daarmee onder de norm van 40 μg/m3; • de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide ligt tussen de 15 en 20 μg NO2/m3 (ca. 15,5). Deze blijft daarmee onder de norm van 40 μg/m3. Daarmee kan gesteld worden dat ter plaatse sprake is van een voldoende tot goede luchtkwaliteit. Conclusie Vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan.
4.10 Externe veiligheid Toetsingskader Wettelijk kader Externe veiligheid betreft de beheersing van de risico's en richt zich op het gebruik, de opslag, de productie en het transport van gevaarlijke stoffen. De normen voor externe veiligheid worden uitgedrukt in plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR). Om de risico's bij een mogelijke calamiteit te beperken dient er bij nieuwbouw een fysieke afstand te worden gehouden tussen (beperkt) kwetsbare objecten en risicobronnen. De volgende aspecten spelen een rol ten aanzien van externe veiligheid bij ruimtelijke projecten: • vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; • transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en/of spoor; • inrichtingen. Voor buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van belang (Bevb). Voor transport van gevaarlijke stoffen is met name de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (WVGS) relevant. Op basis van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is het verplicht transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd vast te leggen in een bestemmingsplan. Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het belangrijkste toetsingskader. Hierin zijn grenswaarden en oriënterende of richtwaarden opgenomen voor het PR en het GR. Daarnaast is er specifieke wetgeving voor de opslag van vuurwerk en munitie.
Doorwerking plan(gebied) Navolgende afbeelding betreft een uitsnede van de risicokaart Noord-Brabant.
35
Gasleiding Uit de risicokaart blijkt dat op circa 740 meter ten noorden van het plangebied een hogedruk aardgastransportleiding (Gasunie) ligt, met een werkdruk van 8000 kpa en een diameter van 6 inch. Gelet op de daadwerkelijke afstand tot de leiding van 740 m en het gegeven dat de contour voor het plaatsgebonden risico (PR) doorgaans binnen de belemmeringenstrook van de leiding valt (4 of 5 m) mag aangenomen worden dat het plangebied buiten de contour voor het PR is gelegen. Bij de beoordeling van het groepsrisico (GR) moet bepaald worden of het plangebied ligt binnen de 1%-letaliteitscontour van de hogedruk aardgastransportleiding. Deze contour kan bepaald worden met tabel 5.1 uit het “Handboek buisleidingen in bestemmingsplannen” (Ministerie I&M, update 2016). Bij een diameter van 6 inch en een druk van 8000 kpa ligt genoemde contour op 95 meter afstand van de leiding. Met een daadwerkelijke afstand tussen plangebied en leiding van 740 meter of meer, is het plangebied gelegen buiten de 1%-letaliteitscontour en behoeft geen berekening van het GR uitgevoerd te worden. Op circa 625 meter ten zuidwesten van het plangebied ligt een hogedruk aardgastransportleiding (Gasunie) met een werkdruk van 4000 kpa en een diameter van 4 inch. Deze eindigt bij het gasdrukregelstation aan de Hagelkruisweg.
Op vergelijkbare wijze als hiervoor mag aangenomen worden dat de contour voor het PR niet over het plangebied ligt. De met een werkdruk van 4000 kpa en een diameter van 4 inch corresponderende 1%-letaliteitscontour ligt op 45 meter van de leiding. Ook voor deze leiding behoeft daarom geen berekening van het GR uitgevoerd te worden. Het gasdrukregelstation beschikt over een veiligheidsafstand van 15 meter, gemeten vanaf het gebouw. Het plangebied ligt ver buiten deze veiligheidsafstand. BEVI-inrichtingen In de directe omgeving van het plangebied (binnen 500 meter) is geen enkele bron in de zin van het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI) aanwezig. Veiligheidsafstanden van op grotere afstand gelegen inrichtingen reiken niet tot over het plangebied.
36
Transport van gevaarlijke stoffen via (spoor/water)wegen Transport van gevaarlijke stoffen over één van de (spoor/water)wegen of wateren in de omgeving van het plangebied vindt niet plaats. Conclusie Vanuit het aspect milieu bestaan geen bezwaren tegen het planvoornemen. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu. Bij het planvoornemen behoeven geen verdere randvoorwaarden in acht te worden genomen.
4.11 Verkeer en parkeren De gemeente Laarbeek streeft naar een goede ontsluiting en ook naar een goede parkeerbalans op nieuw te ontwikkelen percelen. Uitgangspunt bij ruimtelijke plannen is dat wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein. Het gaat om in onderhavige locatie om de toevoeging 12 levensloopbestendige patiowoningen, die geschikt en aantrekkelijk zijn voor alle leeftijdscategorieën en die op de markt zullen worden gezet als huurwoning. De ontsluiting van de woningen zal plaatsvinden op de Heindertweg, en binnen het plangebied, worden zoals verantwoord in paragraaf 3.4 voldoende parkeerplekken opgericht. Uit het oogpunt van verkeer en parkeren bestaan geen belemmeringen om de bestemmingswijziging door te voeren.
37
5. Juridische aspecten 5.1 Het bestemmingsplan als juridisch instrument Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. Op de verbeelding is aangegeven welke bestemmingen in het plan voorkomen en waarop deze betrekking hebben. De regels geven aan wat de doeleinden zijn van elke bestemming. In aansluiting hierop bevatten de regels bepalingen met betrekking tot de toegelaten bebouwing. Dit alles gerelateerd aan de desbetreffende bestemming. De regels en de verbeelding vormen samen het deel van het bestemmingsplan dat voor een ieder bindend is. De toelichting is niet bindend, maar heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het bestemmingsplan en voor de uitleg van bestemmingen en regels. Op grond van de Wet ruimtelijke ordening moeten bestemmingsplannen ook digitaal beschikbaar zijn en volledig voldoen aan een aantal standaardeisen die zijn opgenomen in de ‘Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012’. Het bestemmingsplan dient verder te voldoen aan de Wro en het Bro en de RO-Standaarden 2012: • IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening 2012), • SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012), • STRI2012 (Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten 2012). Het onderhavige bestemmingsplan is uitgevoerd conform de Wabo en deze standaarden.
5.2 Systematiek van de regels De Wet ruimtelijke ordening bepaalt een drietal zaken met betrekking tot de opzet en inrichting van de bestemmingsplanregels, te weten: • • •
de digitale raadpleegbaarheid; de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen2012; de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
De regels zijn volgens de SVPB2012 in vier hoofdstukken als volgt opgesteld: • • • •
inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels.
De structuur van het plan is zodanig dat de verbeelding de primaire informatie geeft over waar en hoe gebouwd mag worden. Bij het raadplegen van het bestemmingsplan dient dan ook eerst naar de verbeelding gekeken te worden. Vervolgens kan men in de regels teruglezen welk gebruik en welke bouwmogelijkheden zijn toegestaan. Op de verbeelding zijn de volgende zaken aangegeven: • • • •
de (dubbel)bestemming(en) van de in het plangebied gelegen gronden; de grens van het plangebied; het bouwvlak; de aanduidingen.
38
5.3 Bebouwing algemeen Er wordt in het bestemmingsplan onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Hoofdgebouwen dienen binnen het bouwvlak gerealiseerd te worden. Voor de situering en maatvoering van bouwwerken wordt tevens verwezen naar de verbeelding.
5.4 Toelichting bestemmingen Voor een goed begrip van de regeling dienen in elk geval de regels tezamen met de verbeelding te worden geraadpleegd.
39
6. Uitvoeringsaspecten 6.1 Economische uitvoerbaarheid In het geval van een aangewezen bouwplan conform artikel 6.2.1 Bro, waarvan met de voorziene bouw van maximaal 12 woningen sprake is, dient een exploitatieplan opgesteld te worden. Hiervan kan worden afgezien indien kostenverhaal anderszins verzekerd is. Tussen de betrokken initiatiefnemer en de gemeente Laarbeek is een anterieure overeenkomst gesloten, waarin onder meer ook het kostenverhaal is geregeld. De door de gemeente Laarbeek te maken kosten in verband met de beoordeling van en besluitvorming over het planvoornemen worden op basis daarvan verhaald op de initiatiefnemer. De kosten van de daadwerkelijke uitvoering van het planvoornemen worden door de initiatiefnemer gedragen. Voor de gemeente Laarbeek zijn aan het planvoornemen daardoor geen kosten verbonden.
6.2 Planschade Op grond van artikel 6.1 Wro kennen Burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden ten gevolge van onder meer een wijziging van het bestemmingsplan, op aanvraag een tegemoetkoming in die schade toe. Daarbij geldt dat het moet gaan om schade die redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en die niet reeds voldoende anderszins is verzekerd. Naar verwachting zal in onderhavig geval geen sprake zijn van planschade. Het planvoornemen heeft nauwelijks of geen negatieve gevolgen voor de directe omgeving. Mocht toch sprake zijn van planschade, dan komt deze op basis van de bij de anterieure overeenkomst behorende planschadeovereenkomst voor rekening van de initiatiefnemer.
6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Naast de financiële uitvoerbaarheid van het planvoornemen is het ook belangrijk dat het plan maatschappelijke uitvoerbaar is. Gezien het feit dat er in Aarle-Rixtel maar zeer beperkt woningbouwcapaciteit beschikbaar is en er de afgelopen jaren ook maar weinig nieuwe woningen gereed zijn gekomen, mag verwacht worden dat er weinig bezwaren tegen het planvoornemen zullen bestaan. Bovendien is door middel van de toelichting bij dit bestemmingsplan aangetoond dat het planvoornemen geen negatieve invloed heeft op de waarden en kwaliteiten van de omgeving.
6.4 Conclusie Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het project voldoende is aangetoond.
40
7. Conclusies bestemmingsplan In deze plantoelichting is nadrukkelijk gemotiveerd dat het onderliggende plan zich verhoudt, zowel in negatieve als positieve zin, tot de aanwezige functies en waarden binnen het plangebied en de directe omgeving ervan. Naast het ruimtelijk-planologische beleid, de stedenbouwkundige toets zijn alle ruimtelijke en milieu-hygiënische deelaspecten onderzocht. In het algemeen geldt dat aan de volgende voorwaarden is voldaan: • het motiveren van de afwijking van de geldende bestemming middels het opstellen van onderliggende plantoelichting; • het met een ruimtelijke onderbouwing aantonen van de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieuhygiënische aanvaardbaarheid. Er ontstaat een representatieve locatie die de ruimtelijke beeldkwaliteit van het gebied onvoorwaardelijk in stand houdt.
41