9 20220914 Bestemmingsplan Oranjelaan 54 Beek en Donk.C1 Toelichting.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan “Oranjelaan 54 Beek en Donk” Toelichting
COLOFON:
Opdrachtnemer:
RO Connect Mr. Onno Truschel
Projectnummer:
ROC.B.2021.532.T
IMRO/Plan ID:
NL.IMRO.PM
Versie:
Concept: 20 oktober 2021 Ontwerp: Vaststelling:
1 ROC.B.2021.532.T
Inhoud HOOFDSTUK 1. INLEIDING ....................................................................................................................... 4 1.1 Doel ................................................................................................................................................... 4 1.2 Plangebied ......................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan................................................................................................................ 6 1.4 Het project ......................................................................................................................................... 7 1.4.1. Inleiding ................................................................................................................................. 7 1.4.2 Kadastrale situatie ................................................................................................................ 10 1.4.3 Het (ver)bouwplan ............................................................................................................... 11 HOOFDSTUK 2 BESTAANDE SITUATIE ....................................................................................................
14 2.1 Inleiding ........................................................................................................................................... 14 2.2 Bebouwingsstructuur ...................................................................................................................... 14 2.3 Functionele structuur ...................................................................................................................... 15 HOOFDSTUK 3 BELEIDSKADER............................................................................................................... 16 3.1 Rijksbeleid........................................................................................................................................ 16 3.2 Provinciaal beleid ............................................................................................................................ 18 3.2.1 Omgevingsvisie Noord Brabant ................................................................................................ 18 3.2.2. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant ...................................................................... 19 3.3 Gemeentelijk beleid ........................................................................................................................
22 3.3.1 Structuurvisie Laarbeek ............................................................................................................ 22 3.3.2 Herziene welstandsnota 2012 .................................................................................................. 23 3.3.3 Archeologische beleidskaart Laarbeek ..................................................................................... 24 HOOFDSTUK 4 RUIMTELIJKE EN MILIEUHYGIENISCHE ASPECTEN ........................................................ 25 4.1 Bodem ............................................................................................................................................. 25 4.2 Bedrijven en milieuzonering............................................................................................................ 26 4.3 Wet geluidhinder ............................................................................................................................. 27 4.4 Wet Luchtkwaliteit .......................................................................................................................... 28 4.5 Wet Natuurbescherming .................................................................................................................
30 4.6 Archeologie en cultuurhistorie ........................................................................................................ 31 4.7 Waterhuishouding ........................................................................................................................... 32 4.8 Externe veiligheid ............................................................................................................................ 33
2 ROC.B.2021.532.T
4.9 Geurhinder veehouderijen .............................................................................................................. 37 4.10 Spuitzone ....................................................................................................................................... 37 4.11 Hoogspanningslijnen ..................................................................................................................... 37 4.12 Mer-beoordeling ........................................................................................................................... 37 HOOFDSTUK 5 JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING ................................................................................... 38 5.1 Inleiding ........................................................................................................................................... 38 5.2 Toelichting verbeelding ................................................................................................................... 38 5.3 Toelichting regels ............................................................................................................................ 38 5.4 Toelichting bestemmingen ..............................................................................................................
39 5.4.1 Bestemming Maatschappelijk .................................................................................................. 39 HOOFDSTUK 6 UITVOERBAARHEID ....................................................................................................... 40 6.1 Economische uitvoerbaarheid ......................................................................................................... 40 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................. 40
BIJLAGEN: 1. Haalbaarheidstoets (milieu-onderbouwing), Oranjelaan 54, Beek en Donk, d.d. 24 augustus 2021, kenmerk 21.422-WRO.01A 2. Historisch bodemonderzoek, Oranjelaan 54, Beek en Donk, d.d. 26 juli 2021, kenmerk 21.730-NEN.01 3. Verslag Omgevingsdialoog
3 ROC.B.2021.532.T
HOOFDSTUK 1. INLEIDING 1.1 Doel Door initiatiefnemer is aan RO Connect opdracht verleend voor het opstellen van een bestemmingsplan voor het planologisch maken van de uitbreiding van het Uitvaartcentrum aan de Oranjelaan 54 in Beek en Donk. De uitbreiding betreft enerzijds de vergroting van de Orangerie/kantoren. Anderzijds de uitbreiding van de functies, met diepkoeling en resomeren. Bij schrijven van 17 mei 2021 heeft de gemeente Laarbeek laten weten in beginsel positief te staan tegenover het initiatief. In de brief van de gemeente is aangegeven aan welke voorwaarden moet zijn voldaan. Dit rapport is de ruimtelijke onderbouwing voor de uitbreiding van de orangerie/kantoren en de functies diepkoeling en resomeren.
4 ROC.B.2021.532.T
1.2 Plangebied Het plangebied is gelegen ten zuiden van de kern Beek en Donk. Op onderstaande afbeelding is de ligging van de locatie aan de Oranjelaan weergegeven.
En meer in detail:
5 ROC.B.2021.532.T
1.3 Geldend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan “Kom Beek en Donk” het vigerende bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is op 12 december 2012 onherroepelijk geworden. Op basis van dit bestemmingsplan heeft het grootste deel van het onderhavige perceel de enkelbestemming ‘Maatschappelijk’. Een kleiner gedeelte (de noord- en westrand) de enkelbestemming ‘Wonen’. Daarnaast is een functieaanduiding ‘Bouwvlak’ opgenomen. Bovendien geldt binnen het bouwvlak een aanduiding met een maximum bouwhoogte van 5 meter. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan weer.
Uitsnede vigerende bestemmingsplan Kom Beek en Donk De gewenste uitbreiding van het uitvaartcentrum (orangerie/kantoren) en de uitbreiding met de functies diepkoelen en resomeren, is niet rechtstreeks toegestaan binnen de mogelijkheden van het vigerend bestemmingsplan. De gemeente Laarbeek wil meewerken aan het initiatief via een nieuw bestemmingsplan.
Een bestemmingsplan moet gebaseerd zijn op een goede ruimtelijke onderbouwing, waarin alle relevante ruimtelijke, milieukundige en economische aspecten worden behandeld. Deze toelichting voorziet hierin.
6 ROC.B.2021.532.T
1.4 Het project 1.4.1. Inleiding De initiatieflocatie is gelegen aan de Oranjelaan 54 in Beek en Donk. Ter plaatse is reeds een uitvaartcentrum gevestigd. In het verleden zijn ook al uitbreidingen gerealiseerd met omgevingsvergunningen. De uitbreiding van het uitvaartcentrum met het crematorium zijn met de vergunningen van 28 juli 2017 (kenm. HZ_WABO-2017-2745), 2 februari 2018 (kenm. HZ_WABO-2017-5535) en 9 oktober 2018 (kenm. HZ_WABO-2018-5994) gerealiseerd. Dat betreft uitbreidingen van het crematorium en parkeerplaatsen. Deze uitbreidingen zijn nog niet in een bestemmingsplan vertaald en zullen om die reden gelijktijdig met het onderhavige initiatief worden meegenomen in het nieuw op te stellen bestemmingsplan. Toelichting gewenste uitbreidingen: Familiekamer: In de familiekamer verzamelt de naaste familie zich voor aanvang van de afscheidsdienst. Deze familiekamer, die enkel geschikt is voor een klein groepje mensen, is vaak te klein en daardoor onvoldoende toereikend om een gezin van meer dan 8 personen te kunnen laten plaatsnemen voorafgaande aan een dienst. Families wensen graag gezamenlijk de aula binnen te gaan met de overledene in hun midden. Aangezien de familiekamer hier onvoldoende groot voor is, kan met een uitbreiding van de Orangerie, een gedeelte hiervan tevens worden gebruikt als familiekamer.
Door deze aanpassing krijgen ook grotere families gelegenheid om voorafgaand aan de dienst met elkaar samen te zijn. Deze onderlinge steun is van groot belang voor een goed afscheid en een belangrijk onderdeel van het rouwproces. Tijdens de dienst kan deze familiekamer weer geschikt worden gemaakt om bij de Orangerie te betrekken voor de koffietafel, waardoor iedereen ook meer ruimte krijgt tijdens het samenzijn na afloop van de dienst. As uitgifte voor familie: Een maand na de crematie komt de familie de as ophalen. Daarvoor heeft initiatiefnemer op dit moment geen aparte ruimte beschikbaar. Hiervoor wordt de ceremoniekamer gebruikt, welke nog diverse andere functies heeft, wat het moeilijk maakt om met de familie een tijdstip af te spreken om de uitgifte van de urn (as) in te plannen. Voor een as uitgifte wil initiatiefnemer de familie graag gastvrij ontvangen,. Het is immers voor hen een zeer emotioneel moment. Het nadeel van het niet hebben van een aparte ruimte is, zoals hierboven al beschreven, dat men zeer beperkt is in de tijd om dit te kunnen laten plaatsvinden.
7 ROC.B.2021.532.T
De ceremoniekamer is vaak bezet voor andere functies. Het plannen van afspraken met nabestaanden om de as van hun dierbare op te komen halen verloopt hierdoor moeizaam. Ook wanneer initiatiefnemer in de toekomst gaat resomeren (hierover later meer), blijft er na dit proces as over en is het noodzakelijk om uitgiftes op meerdere momenten in de week te kunnen inplannen. Initiatiefnemer streeft ernaar om zoveel mogelijk aan de wensen van de nabestaanden te kunnen voldoen. Door te weinig ruimte in het gebouw, loop men hierin regelmatig vast. In het onderhavige initiatief vervalt de huidige familiekamer en ontstaat een ruimte die uitermate geschikt is voor het ophalen van de as, waardoor meer tegemoet wordt gekomen aan de wensen van de familie. Kantoorruimte: Op dit moment is er een gebrek aan kantoorruimte. Er zijn inmiddels 25 mensen werkzaam bij het Uitvaartcentrum en zijn nu in totaal 6 (kantoor) werkplekken beschikbaar. Het aantal personeelsleden is toegenomen, maar het aantal (kantoor)werkplekken niet. Met het plan om de huidige familiekamer in de toekomst te gaan gebruiken als asuitgifteruimte, kan deze ruimte op momenten dat deze vrij is tevens gebruikt worden als flexplek. Koelruimte. Diepkoeling en resoneerruimte Initiatiefnemer heeft behoefte aan meer koelruimte, een diepkoeling en een resoneerruimte met naastliggende afscheidsruimte.
Resoneren: Resomeren is de natuurlijke benadering van crematie. Resomeren is het nieuwe groene alternatief voor cremeren. Bij resomeren wordt er water gebruikt in plaats van gas om het lichaam tot as te brengen. Deze manier geeft mensen de keuze om een ‘zachter’, meer milieuvriendelijk alternatief te kiezen. Families in Noord-Amerika, Australië en Engeland kunnen inmiddels al kiezen voor dit natuurlijk proces. Wat zijn de voordelen Met een groeiende bevolking worden mensen zich steeds meer bewust van hun omgeving en zoeken meer en meer naar een groener alternatief, in leven en dood. Zonder schadelijke uitstoot en met voordelen voor het milieu, is resomeren een natuurlijk alternatief voor begraven of cremeren. Resomeren, ofwel alkalische hydrolyse, is een proces waarbij het lichaam van een overledene wordt ontbonden in een stalen drukvat. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een stof met een hoge Ph-waarde, opgelost in heet water. 8 ROC.B.2021.532.T
Het lichaam wordt voor aanvang van de resomatie respectvol in de resomator geplaatst. Wanneer het resomatieproces afgerond is, kunnen de botten van de overledene tot as worden gebracht. Het overgebleven water wordt behandeld, beoordeeld en kan terug in het watersysteem. De verwachting is, dat resomeren in de toekomst steeds meer plaats gaat vinden en langzaamaan het cremeren gaat vervangen. Naast het duurzaamheidsaspect, is het voor de omgeving ook prettig dat er minder uitstoot zichtbaar is. Daar waar mensen met het crematorium problemen zouden kunnen hebben met de waterdamp die de lucht ingaat, zal in geval van resomeren geen emissie naar de lucht aanwezig zijn. Voor resomeren zijn apparaten en gebouwen nodig. Onderhavig bestemmingsplan maakt het realiseren van deze gebouwen mogelijk. Koelruimte: Van Covid 19 heeft initiatiefnemer geleerd, dat het uitvaartcentrum over te weinig koelcapaciteit beschikt. Door niet af te wachten en ook hierin de lessen om te zetten in acties, is initiatiefnemer ervan overtuigd dat, naast dat het - ook in ‘gewone tijden’ prettiger werkt wanneer over voldoende koelcapaciteit wordt beschikt, er voldoende koelcapaciteit aanwezig moet zijn voor onvoorziene omstandigheden. Diepkoeling: Door de vereenzaming van (met name ouderen) komt het steeds vaker voor dat iemand na het overlijden pas dagen later wordt gevonden.
Omdat een diepkoeling in die gevallen noodzakelijk is, wil initiatiefnemer hierin ook in de toekomst kunnen voorzien. Onder ‘normale’ omstandigheden kan deze diepkoeling worden gebruikt als een “normale” koeling, ook hierdoor wordt de koelcapaciteit vergroot. Op onderstaande afbeelding is het initiatief (en het bestaande bouwvlak) weergegeven:
9 ROC.B.2021.532.T
1.4.2 Kadastrale situatie
10 ROC.B.2021.532.T
Het perceel is kadastraal bekend gemeente Beek en Donk, sectie I, nummers 3248, 2685 en 2686. De totale oppervlakte van het perceel bedraagt circa 4.000 m². Het perceel is in eigendom van initiatiefnemer.
1.4.3 Het (ver)bouwplan Voor de initiatieflocatie is – behalve voor het ruimtebeslag – nog geen (concreet ver) bouwplan gemaakt De plannen zijn vertaald naar een verbeelding. Onderstaand een afbeelding van de verbeelding waarbij het gehele perceel de bestemming ‘Maatschappelijk’ heeft gekregen en het bouwvlak is aangepast aan de voorliggende plannen. Ter illustratie is het ruimtebeslag van het plan onder de verbeelding gelegd.
Parkeren De uitbreiding van de Orangerie neemt geen parkeerplaatsen in beslag, nog leidt het tot een grotere parkeerbehoefte/-druk. De uitbreiding ten behoeve van de resomatie neemt nauwelijks parkeerplaatsen in beslag. Het uitvaartcentrum beschikt in de bestaande situatie over circa 90 parkeerplaatsen (zie onderstaande afbeelding). 11 ROC.B.2021.532.T
(Bron: Amitec: tekening bij melding Activiteitenbesluit 18/10/2017) Door een beperkte herschikking op het terrein, blijven in de nieuwe situatie de 90 parkeerplaatsen beschikbaar (in totaal zelfs 93). Zie onderstaande afbeelding.
12 ROC.B.2021.532.T
Bovendien zal er slechts zeer beperkt sprake zijn van een toename van verkeer, doordat er slechts sprake is van een verschuiving van de bestaande activiteiten. Het aantal diensten zal niet toenemen. Deze parkeerplaatsen zijn reeds afgestemd op de activiteiten en bebouwing en mogelijk gemaakt door middel van een eerder verleende omgevingsvergunning (datum 4 maart 2019). In de nieuwe situatie blijven 90 parkeerplaatsen beschikbaar
13 ROC.B.2021.532.T
HOOFDSTUK 2 BESTAANDE SITUATIE 2.1 Inleiding In dit hoofdstuk is een beschrijving gegeven van de huidige situatie van de omgeving van het plangebied. Beek en Donk is een dorp waarbij het groene wonen in een landelijke omgeving centraal staat. Bovendien een dorp met een relatief hoog voorzieningenniveau en veel verenigingen.
2.2 Bebouwingsstructuur De initiatieflocatie aan de Oranjelaan in Beek en Donk, is gelegen aan de zuidzijde van de kom Beek en Donk. De directe omgeving kenmerkt zich door veel bebouwing afgewisseld met wat groen. Onderstaand een afbeelding ter illustratie van de aanwezige bebouwing in de omgeving.
14 ROC.B.2021.532.T
2.3 Functionele structuur De omgeving van het perceel Oranjelaan 54 in Beek en Donk laat zich het best omschrijven als een gebied met gemengde functies. In de omgeving is naast een paar woningen ook een aantal bedrijven en een agrarisch bedrijf gelegen. In Hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de consequenties van deze functies op het initiatief en andersom op de consequentie van het initiatief op deze functies. Opgemerkt zij, dat het een bestaand uitvaartcentrum betreft waarbij de bestaande Orangerie wordt vergroot en het resomeren en (diep)koelen als dienstverlening wordt toegevoegd. De functie uitvaartcentrum is dus bestaand.
15 ROC.B.2021.532.T
HOOFDSTUK 3 BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid Nationale omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 zijn de Nationale Omgevingsvisie en bijbehorende Uitvoeringsagenda vastgesteld door de Tweede Kamer. Deze geven richting aan een duurzaam perspectief voor onze fysieke leefomgeving met een perspectief tot 2050. Er zijn 21 nationale belangen vermeld. Daarbij gelden deze vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. Duurzaam economisch groeipotentieel 3. Sterke en gezonde steden en regio's 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijke gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied.
Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties Conclusie Een van de functies waar deze onderbouwing op ziet is resomeren. Naast begraven, cremeren, het zeemansgraf of je lichaam ter beschikking stellen aan de wetenschap kunnen mensen er in de toekomst dan ook voor kiezen hun lichaam te laten oplossen in een verwarmde vloeistof: zogeheten alkalische hydrolyse. Uit onderzoek is gebleken dat resomeren een stuk milieuvriendelijker is dan begraven of cremeren. Dit komt omdat er geen schadelijke stoffen vrijkomen bij het proces van resomeren. Ook wat betreft duurzaamheid scoort resomeren goed. Er is namelijk minder 16 ROC.B.2021.532.T
ruimte nodig voor de installatie en er komt aanzienlijk minder uitstoot vrij dan bij begraven of cremeren. Bovendien komen er geen schaarse grondstoffen vrij. Naast het duurzaamheidsaspect, is het voor de omgeving ook prettig dat er minder uitstoot zichtbaar is. Daar waar mensen met het crematorium problemen zouden kunnen hebben met de waterdamp die de lucht ingaat, zal in geval van resomeren geen emissie naar de lucht aanwezig zijn. Het onderhavige initiatief raakt geen nationale belangen, c.q. is niet is strijd met nationale belangen.
Ladder Duurzame Verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. De Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Het bevoegd gezag moet voldoen aan een motiveringsvereiste als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. De ladder is kaderstellend voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van de decentrale overheden. Hieronder vallen dus ook de bestemmingsplannen. Toepassing van de ladder is verplicht voor opgaven, die nieuwe stedelijke ontwikkelingen, gebaseerd op een regionale behoefte, mogelijk maken. Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat wanneer een bestemmingsplan voorziet in een van de andere in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro genoemde stedelijke voorzieningen in de vorm van een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte kleiner dan 500 m2, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt.
Dit betekent dat een bouwplan voor de uitbreiding van een bedrijfspand met een bruto-vloeroppervlakte van 500 m² of minder, dat de Laddertoets achterwege mag worden gelaten, omdat niet gesproken kan worden van “voldoende substantieel”. Conclusie Het uitvaartcentrum heeft uiteraard een belangrijke, niet te missen maatschappelijke en sociale functie. De uitbreiding van het uitvaartcentrum draagt bij aan verbetering van het voorzieningenniveau en daarmee aan een leefbaar Nederland en is in die zin passend binnen de Nationale Omgevingsvisie.
17 ROC.B.2021.532.T
Het rijksbeleid vormt geen belemmering voor het onderhavige initiatief. Onderhavig initiatief heeft geen betrekking op een stedelijke ontwikkeling. Toepassing van de ladder is om die reden dan ook niet nodig.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Noord Brabant De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie vindt zijn legitimatie in de Omgevingswet. Vanzelfsprekend staan de achterliggende doelen van de Omgevingswet dan ook centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Onder het motto ‘eenvoudig beter’, doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Het doel van de omgevingsvisie is om de kwaliteit van de leefomgeving voor alle Brabanders te verbeteren. In de visie is voor verschillende programma’s de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma’s is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Het belangrijkste programma dat hier een rol speelt is ‘omgevingskwaliteit’.
Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is: ‘Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.’ Het tussendoel voor 2030 in dit programma is: ‘Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaat adaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.’
18 ROC.B.2021.532.T
Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten zoals een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Het initiatief voldoet aan het tussendoel voor 2030 omdat aan alle milieu wet- en regelgeving wordt voldaan. Het uitvaartcentrum heeft daarnaast een belangrijke, niet te missen maatschappelijke en sociale functie. De uitbreiding van het uitvaartcentrum draagt bij aan verbetering van het voorzieningenniveau en daarmee aan een leefbaar Nederland en is in die zin passend binnen de Omgevingsvisie Brabant.
3.2.2. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim omgevingsverordening (Iov) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Iov is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de op handen zijnde Omgevingswet moet worden vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De Iov is op 25 oktober 2019 door Provinciale Staten vastgesteld en is op 5 november 2019 in werking getreden. De Iov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Iov zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveaus zijn opgedeeld in meerdere afdelingen. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2.
Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waar een plangebied in is gelegen. In dit geval is het plangebied – voor zover relevant - gelegen binnen de aanduidingen ‘Stedelijk gebied’/ ’Landelijke kern’, zie de afbeelding hierna.
19 ROC.B.2021.532.T
De Interimverordening kent een aantal basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2). Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: - zorgvuldig ruimtegebruik; - de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; - meerwaardecreatie. Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikel 3.6 t/m 3.8. Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht. Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel. 3.6) Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag is gelegen binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. De initiatieflocatie is gelegen binnen bestaande stedelijk gebied. Wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). In paragraaf 3.1 is getoetst aan Ladder duurzame verstedelijking. Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen.
Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: - de ondergrond - de netwerklaag - de bovenste laag 20 ROC.B.2021.532.T
Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting. Meerwaardecreatie (artikel 3.8) Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.
Het uitvaartcentrum heeft uiteraard een belangrijke, niet te missen maatschappelijke en sociale functie. De uitbreiding van het uitvaartcentrum draagt bij aan verbetering van het voorzieningenniveau en daarmee aan een leefbaar Nederland en is in die zin passend binnen de doelstellingen van de Omgevingsverordening. De uitbreiding van het uitvaartcentrum zoals in deze onderbouwing beschreven, is noodzakelijk om meerdere redenen: meer ruimte om afstand te kunnen houden tot elkaar bij Covid en eventuele andere vergelijkbare situaties. Om de milieuvriendelijke en duurzame resomatie mogelijk te maken, is bebouwing nodig. Kortom: De onderhavige ontwikkeling draagt bij aan een vergroting van de duurzaamheid en vermindering van uitstoot. Hiermee draagt het initiatief bij aan de doelstellingen van de Interim Omgevingsverordening Noord Brabant. Conclusie Gelet op de hierboven omschreven uitgangspunten en voorwaarden van de provinciale Verordening, concluderen wij dat het onderhavige initiatief hiermee niet in strijd is, c.q. hieraan voldoet.
21 ROC.B.2021.532.T
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Laarbeek De gemeenteraad van de gemeente Laarbeek heeft op 16 september 2010 de ‘Structuurvisie Laarbeek, 2010-2020 Groei in balans’ vastgesteld. Deze structuurvisie omvat het ruimtelijk beleid op hoofdlijnen voor de gemeente Laarbeek tot 2020. De initiatieflocatie is gelegen in structuurvisiegebied ‘Beken en kernen’. Zie onderstaande afbeelding)
Aan de hand van de lagenbenadering is voor de gemeente Laarbeek een duurzaam structuurbeeld opgesteld, een ‘tijdloze’ waardering van basis - kwaliteiten. Per deelgebied is aangegeven wat de duurzame kwaliteiten zijn en wat de gebiedsstrategie is uitgaande van deze kwaliteiten en de gebiedsopgaven. Afhankelijk van de kwaliteiten ligt de nadruk op conserveren, revitaliseren of ontwikkelen. Het betreft keuzes op hoofdlijnen. 22 ROC.B.2021.532.T
De essentiële keuze welke delen van het buitengebied duurzaam zijn (geen bebouwing meer gewenst) en waar eventueel nog ontwikkelingsruimte aanwezig is, wordt in het duurzaam structuurbeeld voorgekookt. Voor deelgebied Beken en kernen geldt het volgende: • nadruk op herontwikkeling en structuurversterking • inbreiding / uitbreiding • duurzaam afronden komranden (hoogwaardig groen woonmilieu) • versterken van groen-blauwe dooradering Voor het gebied en/of voor realisering/uitbreiding van een uitvaartcentrum zijn geen specifieke beleidsmatige uitspraken gedaan in de structuurvisie. In algemene zin wordt in de structuurvisie wel gesteld, dat - om de lage werkgelegenheidsquotiënt van de gemeente niet nog verder te laten dalen - de gemeente ervoor kiest de reeds gevestigde bedrijvigheid waar mogelijk te behouden en te versterken. Dat geldt uiteraard ook voor het uitvaartcentrum. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de gemeentelijke structuurvisie.
3.3.2 Herziene welstandsnota 2012 Doel van de welstandsnota is het vertalen, waarborgen en versterken van de ruimtelijke kwaliteit van de gebouwde omgeving en het openbaar gebied in stedenbouwkundig, cultuurhistorisch, architectonisch en landschappelijk opzicht. Dit door middel van transparante, objectieve en daarmee voor eenieder begrijpelijke criteria. Het welstandsbeleid vormt daarbij de basis voor een actief, inspirerend en open architectuurbeleid conform de doelstellingen van de wetgever. De gemeente Laarbeek hecht belang aan het behoud van de historische en de visuele waarden van het landschap en de dorpskernen. Nieuwe ontwikkelingen moeten passen in de bestaande beeldkwaliteit en bijdragen aan een behoud en verrijking van het cultureel erfgoed. Welstandzorg maakt het mogelijk om de beoogde ruimtelijke kwaliteit van de openbare ruimte te bewaken en is daarmee een belangrijk instrument om deze doelstelling te bereiken. Door de invoering van gebieden waar geen welstandstoets van toepassing is wordt met deze nota ingezet op meer vrijheid voor de burger. De gemeente doet hiermee een beroep op het gezond verstand van haar inwoners en is van mening dat dit niet tot ongewenste situaties zal leiden.
23 ROC.B.2021.532.T
De systematiek van de herziene nota is erop gericht om in de cultuurhistorisch waardevolle gebieden de meest uitgebreide toetsing te laten plaatshebben, in de karakteristieke gebieden een gemiddelde toetsing en de gebieden met een beperkte betekenis voor de openbare ruimte als gebieden waar geen welstandstoets van toepassing is. Indien nodig zal te zijner tijd bij de aanvraag omgevingsvergunning een welstandsoordeel worden gevraagd.
3.3.3 Archeologische beleidskaart Laarbeek De gemeente Laarbeek heeft een archeologische beleidskaart opgesteld (2017). Met dit beleid dient rekening te worden gehouden bij het opstellen van bestemmingsplannen. Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Laarbeek is de initiatieflocatie binnen de planlocatie gelegen in een beleidszone dat is aangemerkt als categorie 4: gebieden met een hoge verwachting én deels als esdek. Om die reden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 500 m² en dieper gaan dan 0,3 m onder maaiveld, of 0,5 m onder maaiveld bij esdek en agrarisch bestemde gronden. De uitbreidingen zijn gezamenlijk < 500m², waardoor geen archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is voor deze ontwikkeling. Conclusie Gelet op het hierboven omschreven gemeentelijk beleid, concluderen wij dat het onderhavige initiatief hiermee niet in strijd is.
24 ROC.B.2021.532.T
HOOFDSTUK 4 RUIMTELIJKE EN MILIEUHYGIENISCHE ASPECTEN Bij elke ruimtelijke ingreep is het noodzakelijk om in beeld te brengen wat de invloed is op een aantal omgevingsaspecten. Amitec BV uit Uden heeft voor het initiatief de milieuaspecten onderzocht en onderbouwd, welke in dit hoofdstuk zijn overgenomen. In dit hoofdstuk wordt per aspect weergegeven wat deze invloed is en of deze invloed acceptabel is. Met andere woorden of voldaan wordt aan de van toepassing zijnde wet- en regelgeving. Achtereenvolgens zal worden ingegaan op: • Bodem • Bedrijven en milieuzonering • Geluid • Luchtkwaliteit • Wet natuurbescherming • Archeologie en cultuurhistorie • Waterhuishouding • Externe veiligheid • Geurhinder veehouderijen • Spuitzones gewasbescherming • Hoogspanningslijnen • M.e.r.-beoordeling De rapportages “Haalbaarheidstoets milieu-onderbouwing Project Oranjelaan 54, Beek en Donk”, d.d. 24 augustus 2021, kenmerk 21.422-WRO.01A en “Historisch bodemonderzoek”, d.d. 26 juli 2021, kenmerk 26 juli 2021 zijn integraal als bijlage bij deze toelichting gevoegd.
4.1 Bodem Algemeen Het bestemmingsplan dient een motivering over de bodemkwaliteit in relatie tot de beoogde bestemming(en) / gebruiksfunctie(s) te bevatten. De (milieuhygiënische) bodemkwaliteit in het plangebied moet geschikt zijn voor de gewenste bestemming(en). Er gelden daarbij andere eisen voor de gevoelige bestemming wonen dan bijvoorbeeld voor de minder gevoelige bestemmingen bedrijven, openbaar groen of infrastructuur zoals wegen. 25 ROC.B.2021.532.T
Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Is er toch sprake van risico’s als gevolg van bodemverontreiniging, dan zullen er maatregelen nodig zijn om die risico’s weg te nemen. Deze maatregelen kunnen bestaan uit het saneren van de verontreiniging zodat de bodemkwaliteit geschikt gemaakt wordt of door te schuiven met de gebruiksfuncties zodat de verontreiniging geen belemmering meer vormt. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet zoals bij graafwerkzaamheden tijdens de realisatie / de inrichting van het plangebied. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. In geval maatregelen aan de orde zijn, dan speelt het kostenaspect een belangrijke rol. In het kader van het bestemmingsplan moet namelijk ook de economische uitvoerbaarheid aangetoond worden. In sommige gevallen wegen de kosten voor sanering niet op tegen de opbrengsten. Mede daarom is het belangrijk om vroeg in het planproces eventuele kosten samenhangend met het aspect bodem in beeld te brengen. Bodemtoets Voor de ontwikkeling is een milieuhygiënisch vooronderzoek conform de NEN5725 uitgevoerd. Het onderzoek (kenm. 21.730-NEN.01) is separaat bijgevoegd. Hieruit blijkt dat tijdens het historisch onderzoek zijn er geen aanwijzingen gevonden welke duiden op een potentiële (historische) verontreiniging op de locatie.
De uitbreidingen zijn voornamelijk bouwkundig van aard en de uitbreiding van functies (fase 2) geeft geen aanleiding voor een verkennend bodemonderzoek. Voor de opslag van stoffen voor fase 2 zal t.z.t. een nulsituatie bodemonderzoek uitgevoerd dienen te worden. Conclusie Samenvattend kan geconcludeerd worden dat de bodemkwaliteit (zowel grond als grondwater) in het plangebied geen (financiële) risico’s oplevert en geen belemmering vormt voor het voorgenomen plan.
4.2 Bedrijven en milieuzonering In de handreiking Bedrijven en Milieuzonering (VNG, editie 2009, Sdu Uitgevers BV, Den Haag) zijn richtafstanden opgenomen voor diverse bedrijfstypering. Deze richtafstand hebben betrekking op de omgevingstypen ‘rustige woonwijk’ en ‘rustig buitengebied’, gebaseerd op gemiddeld moderne bedrijfsactiviteiten. Hierbij is de omgeving van de locatie aan te merken als ‘gemengd gebied’, omdat deze langs een drukke ontsluitingsweg (Oranjelaan) en tegen het bedrijventerrein aan ligt.
26 ROC.B.2021.532.T
Milieuzonering zorgt voor een voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven en voorzieningen) en milieugevoelige functies (zoals woningen) in ruimtelijke plannen. Het doel hiervan is enerzijds in ruimtelijke plannen milieuhinder bij woningen (en andere gevoelige functies) te voorkomen, en anderzijds aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun bedrijfsactiviteiten. In de omgeving ten noordwesten is een woning aanwezig. Het huidige crematorium is bepalend voor de inpassing, zoals weergegeven in onderstaande tabel. Bij een 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden met 1 afstandsstap verkleind worden. De toekomstige activiteiten (fase 2) zal minder impact op de omgeving hebben en naar aard en omvang gelijk zijn aan de huidige functies.
Beide functies zijn toegestaan binnen de aanwezige bestemming en verleende vergunning. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.
4.3 Wet geluidhinder In het kader van goede ruimtelijke ordening moet bij ontwikkelingen in de omgeving van drukke doorgaande wegen een zorgvuldige afweging met betrekking tot wegverkeerslawaai worden gemaakt. Daarnaast dienen eveneens de onderdelen vliegverkeer- en industrielawaai beschouwd worden. Wegverkeer De uitbreidingen (fase 1 en 2) omvatten geen gevoelige functies, welke dichter naar de omliggende wegen worden geprojecteerd. Onderzoek naar de geluidsbelasting van het wegverkeer wordt dan ook niet nodig geacht. Vliegverkeer De locatie ligt niet binnen de invloedsfeer van vliegbasis Eindhoven en behoeft niet nader onderzocht te worden.
27 ROC.B.2021.532.T
Industrielawaai Het buitenterrein, met verkeersbewegingen, verandert niet door de geplande uitbreiding(en). De nieuwe inpandige functies omvatten geen nieuwe emissiebronnen die het geluidniveau naar de omgeving beïnvloeden. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het plan.
4.4 Wet Luchtkwaliteit Van toepassing is de Wet luchtkwaliteit. Getoetst is of het project al ‘niet in betekenende mate’, bijdraagt aan de luchtkwaliteit, zoals gesteld in het Besluit ‘niet in betekenende mate’ (NIBM). Sinds 1 augustus 2009 is de Nationaal Samenwerking Luchtkwaliteit (NSL) van kracht. Hierin is opgenomen dat een project ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging als 3% van de jaargemiddeldegrenswaarde niet wordt overschreden. Voor de luchtkwaliteit maatgevende stoffen “fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2)”, komt dit overeen met een bijdrage aan de jaargemiddeldeconcentratie van 1,2 μg/m³. Voor ontwikkelingen die een NIBM-bijdrage leveren aan de concentratie luchtverontreinigende, stoffen vormt de Wet luchtkwaliteit geen belemmering. In de “Regeling niet in betekenende mate bijdragen ” wordt aangegeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwplan op de luchtkwaliteit onder het begrip 'niet in betekenende mate' valt. De bijlage geeft een duidelijke grens aan voor een aantal gevallen. Zo geldt bij één ontsluitingsweg het aantal van 1.500 nieuwe woningen netto (vervanging van bestaande woningen geldt als bijdrageneutraal) of 100.000 m² kantoren. Met de uitbreiding van fase 1 en 2 zal een marginale toename van verkeersbewegingen per dag plaatsvinden.
Het initiatief heeft hierdoor een NIBM-bijdrage, zoals in de onderstaand tabel te zien is. In de worst case worden 18 extra voertuigbewegingen, bestaande uit nabestaande voor een afscheid c.q. resomatie of personeel waarvoor kantoorruimte wordt gecreëerd.
28 ROC.B.2021.532.T
In het kader van het NSL is door diverse bronbeheerders zoals gemeenten, provincies en Rijkswaterstaat de Monitoringstool3 ingevoerd. Uit de resultaten van de Monitoringstool blijkt dat op meetpunten ten noorden van de locatie tot en met het jaar 2030 aan bovengenoemde grenswaarden (jaargemiddelde en overschrijdingsdagen) voor PM2.5, PM10 en NO2 wordt voldaan. De volgende afbeeldingen geven de resultaten van de monitoringstool voor de stoffen PM2.5, PM10 en NO2 voor het jaar 2030 weer.
De uitbreiding van fase 1 en 2 hebben een beperkte verkeersaantrekkende werking tot gevolg, waardoor de luchtkwaliteit ter plaatse wordt beïnvloed. Deze invloed is verwaarloosbaar. 29 ROC.B.2021.532.T
Conclusie Ter plaatse van de locatie is sprake van een lichte toename van verkeer, er heerst een goed woon-/leefklimaat en vormt de luchtkwaliteit geen belemmering voor het initiatief of omgeving.
4.5 Wet Natuurbescherming Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en het Natuurnetwerk Brabant. Normaliter moet ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan met name om de stikstofdepositie. Conform de Wet natuurbescherming mag de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden niet toenemen. Er geldt dan ook een grenswaarde van 0,00 mol/hectare/jaar. Onderhavig planvoornemen ligt op ruim 10 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied ‘Strabrechtse Heide & Beuven’. Een AERIUS berekening wordt niet noodzakelijk geacht omdat de uitbreidingen zien op gebouwuitbreiding en beperkte verkeersbewegingen. De nieuwe activiteiten omvatten geen stikstofemissie. Gesteld kan worden dat de stikstofdepositie voor onderhavig project 0,00 mol/ha/jaar is. Soortenbescherming Bij ontwikkeling van het initiatief kunnen natuurwaarden in het gebied verstoord worden. Het plangebied is reeds bebouwd en wordt ingericht als parkeerterrein met erfbeplanting. Voor de uitbreidingen komen enkele parkeerplaatsen te vervallen, maar deze hebben geen (negatieve) invloed op de omgeving. De planlocatie bevat geen geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming.
Conclusie Het aspect natuur vormt geen planologische belemmering voor het project.
30 ROC.B.2021.532.T
4.6 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet (2016). In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische beleidskaart. Op deze kaart is de archeologische verwachting van gebieden vertaald naar beleidscategorieën waarvoor een ondergrens onderzoeksplicht geldt. Het gemeentelijk archeologiebeleid en de archeologische beleidskaart zijn op 9 november 2017 door de gemeenteraad van Uden vastgesteld.
Zoals te zien in de volgende figuur, is de locatie vanuit de archeologische beleidskaart gelegen in een gebied dat is aangemerkt als categorie 4: gebieden met een hoge verwachting én deels als esdek.
31 ROC.B.2021.532.T
Om die reden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 500 m² en dieper gaan dan 0,3 m onder maaiveld, of 0,5 m onder maaiveld bij esdek en agrarisch bestemde gronden. De uitbreidingen zijn gezamenlijk < 500m², waardoor geen archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is voor deze ontwikkeling. Na de voorgenomen ruimtelijke procedure is afgerond, zal voor de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, getoetst en rekening gehouden moeten worden met hiervoor opgenomen voorwaarden. Indien onverhoopt tijdens werkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen dan dienen deze terstond bij het bevoegd gezag te worden gemeld. Op basis van bovenstaande kan dus worden gesteld dat met de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen archeologische resten worden geschaad. Cultuurhistorie De locatie bevat geen cultuurhistorische waarde waar de uitbreidingen een inbreuk op zouden kunnen doen. Binnen de planlocatie vindt geen aantasting van cultuurhistorische waarden plaats. Conclusie Het initiatief leidt niet tot beïnvloeding van archeologische en/of cultuurhistorische waarden.
4.7 Waterhuishouding Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van Waterschap De Dommel. Door het waterschap is een aantal principes opgesteld, waaraan ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst. Per 1 maart 2015 gelden de bepalingen uit de Keur 2015, art. 15 van de Algemene regels resp. art. 13 van de Beleidsregels, voor het afkoppelen van hemelwater. Tot 500 m² hoeft op basis van de Keur geen voorziening te worden getroffen. Het gemeentelijk beleid (GRP 2019-20234) van Laarbeek schrijft voor dat er hydrologisch neutraal gebouwd dient te worden en dus dient elke toename (m²) van verharding te worden gecompenseerd. Het feit dat bestaande verharding anders wordt ingevuld (parkeerterrein > gebouw) maakt dat de wateropgave ter plaatse niet aangepast hoeft te worden.
32 ROC.B.2021.532.T
Afvalwater In de openbare weg (Rijakkerweg) ten zuiden van het plangebied ligt een rioolstelsel. Het afvalwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI Aarle Rixtel). De uitbreiding wordt, zover nodig, op de bestaand riolering aangesloten worden. Hemelwater Hemelwater wordt niet op het drukriool geloosd, maar aangesloten worden op de bestaande voorziening. In deze ruimtelijke fase kan gesteld worden dat het terrein voldoende mogelijkheden biedt voor de verwerking van hemelwater. Ten behoeve van de aanvraag omgevingsvergunning, activiteit bouwen, zal zo nodig een definitieve systeemkeuze en berekening overlegd dienen te worden. De uitbreiding(en) worden aangesloten op het aanwezige waterbergingssysteem. De toename bedraagt minder als 500², waardoor geen overleg met het waterschap nodig is. Conclusie De waterhuishouding vormt geen belemmering voor het initiatief.
4.8 Externe veiligheid Wet- en regelgeving Externe veiligheid gaat over het beheersen van risico's die mensen lopen door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen van personen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. Risicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (onder andere LPG-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen (via wegen, spoorwegen, vaarwegen) en buisleidingen (onder andere aardgas en brandbare vloeistoffen). De wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), de Structuurvisie buisleidingen, het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling basisnet. Voorts dient in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1 Wro) ook getoetst te worden aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPGtankstations’. Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobronnen en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen.
Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het 33 ROC.B.2021.532.T
plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans dat een persoon die (onafgebroken en onbeschermd) op een bepaalde plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit. Het GR bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit. Risiconormering Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen, welke hieronder verder worden beschreven: Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 1O- 6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer).
Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de
34 ROC.B.2021.532.T
Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.
Zie voor verklaring van de noten de bij deze toelichting gevoegde “Haalbaarheidstoets” van Amitec. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico', dat overblijft nadat de benodigde veiligheid verhogende maatregelen genomen zijn. Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Laarbeek Sinds de vuurwerkramp in Enschede en de potentiële ramp in Amersfoort als gevolg van een lekkende spoorwagon staat het onderwerp externe veiligheid hoog op de agenda in (bestuurlijk) Nederland. Inmiddels heeft het Rijk de wetten en regels omtrent dit onderwerp flink aangescherpt. Naast de landelijke wet- en regelgeving laat deze ook ruimte open voor gemeenten om eigen veiligheidsambities te formuleren. De gemeente Laarbeek beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Laarbeek 2013). De beleidsvisie stelt, op het vlak van de externe veiligheid per gebiedstype, voorwaarden aan ruimtelijke ontwikkelingen. Beschouwing risicobronnen Hieronder is een uitsnede opgenomen uit de risicokaart, waarin de ligging van het plangebied is aangeduid.
35 ROC.B.2021.532.T
Inrichtingen De planlocatie is niet gelegen binnen risicocontouren van risicobronnen. Transportroutes In de omgeving van het plangebied is het Wilhelminakanaal en de Zuid-Willemsvaart gelegen, welke zijn aangemerkt als groene vaarweg. De PR 10-6 komt naar verwachting helemaal niet voor, ook niet op het water. Voor het groepsrisico bestaat geen plafond. Dit betekent dat er voor nieuwbouw geen beperkingen zijn en hoeft het groepsrisico niet verantwoord te worden. Buisleidingen Ten zuiden is een buisleiding van de Defensie Pijpleiding Organisatie (DPO) aanwezig, voor het transport van gevaarlijke stoffen. Deze leiding heeft geen risicocontour (PR 10-6 = 0m) en heeft geen invloed is op het plangebied. Conclusie De planlocatie ligt buiten het invloedgebied van vaarwegen en een buisleiding, maar niet binnen het plaatsgebonden risico en plasbrandaandachtsgebied. Er zijn derhalve geen belemmeringen ten aanzien van het aspect externe veiligheid voor het plan. 36 ROC.B.2021.532.T
4.9 Geurhinder veehouderijen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met milieuhinder van bedrijven in de directe omgeving van het plangebied. De locatie ligt in de bebouwde kom, ruim buiten de richtwaarde van agrarische bedrijven. Conclusie Vanuit het deelaspect geurhinder zijn geen belemmeringen aanwezig voor het initiatief.
4.10 Spuitzone In de directe nabijheid van planlocatie is geen sprake van bomenteelt of hiermee te vergelijken activiteiten. Conclusie Er is voor het plan geen sprake van een aanwezige spuitzone.
4.11 Hoogspanningslijnen In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen hoogspanningslijnen. Conclusie Gezien de afstand van de hoogspanningsleidingen tot het plangebied (ca. 2,0 km), heeft dit geen invloed op de ontwikkeling en leidt dit niet tot een belemmering. Er is geen sprake van een belemmering voor de ontwikkeling c.q. schade voor de volksgezondheid van de toekomstige bewoners op dit aspect.
4.12 Mer-beoordeling De ontwikkeling is getoetst aan het Besluit Mer. Het uitbreiden van een uitvaartcentrum is niet genoemd in de bijlagen van het Besluit Mer.
Algehele conclusie Amitec concludeert dat uit de toetsing van de verschillende aspecten blijkt, dat er vanuit milieutechnisch oogpunt geen belemmeringen te verwachten zijn voor de onderhavige ontwikkeling.
37 ROC.B.2021.532.T
HOOFDSTUK 5 JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING 5.1 Inleiding Een bestemmingsplan is een zogenaamd bindend plan. Dat wil zeggen dat het bindend is voor zowel de overheid als voor de burgers. Regels (voorschriften) en verbeelding (de plankaart) zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De toelichting is niet juridisch bindend, maar moet zoals de naam al zegt worden gezien als een nadere toelichting op de regels en de verbeelding. Bovendien geeft het inzicht in de afweging die tot het bepalen van de bestemmingen heeft geleid.
5.2 Toelichting verbeelding De verbeelding is getekend op een kadastrale ondergrond, schaal 1:1.000. Op de verbeelding is de bestemming ‘Maatschappelijk’ opgenomen met een specifieke aanduiding ‘uitvaartcentrum/ crematorium/ resomatie’. Deze gronden zijn bestemd voor een uitvaartcentrum, crematorium en resomatie. Toegelaten functies zijn onder andere: crematorium, resomatie, rouwcentrum, aula, groenvoorzieningen en parkeervoorzieningen.
5.3 Toelichting regels De planregels zijn verdeeld in vier hoofdstukken. • Hoofdstuk 1 geeft de inleidende regels met de begrippen en de wijze van meten. • In hoofdstuk 2 zijn de bestemmingsplanregels weergegeven. In dit hoofdstuk worden de op de verbeelding opgenomen bestemmingen geregeld. • In hoofdstuk 3 zijn algemene regels opgenomen waaronder de antidubbeltelbepaling en algemene regels voor afwijken bij omgevingsvergunning. • In hoofdstuk 4 zijn de overgangsregels en is de slotregel opgenomen. Een bestemmingsartikel is als volgt opgebouwd: - Bestemmingsomschrijving - Bouwregels - Nadere eisen - Afwijking van de bouwregels - Specifieke gebruiksregels - Afwijking van de gebruiksregels
38 ROC.B.2021.532.T
-
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Wijzigingsbevoegdheden
5.4 Toelichting bestemmingen 5.4.1 Bestemming Maatschappelijk De voor ‘Maatschappelijk’, met specifieke aanduiding ‘uitvaartcentrum/ crematorium/ resomatie’ aangewezen gronden zijn bestemd voor een uitvaartcentrum, crematorium en resomatie. Toegelaten functies zijn onder andere: crematorium, resomatie, rouwcentrum, aula, groenvoorzieningen en parkeervoorzieningen. De begripsomschrijving ‘Maatschappelijke doeleinden’ is hierop aangepast.
39 ROC.B.2021.532.T
HOOFDSTUK 6 UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid Het verhaal van plankosten via een exploitatieplan is uitgangspunt in de Wet ruimtelijke ordening. In de wet is ook bepaald dat van een exploitatieplan kan worden afgezien als het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins is verzekerd. De initiatiefnemer is zich ervan bewust dat alle kosten die gemaakt worden in of ten behoeve van de procedure en de uitvoering voor rekening van de initiatiefnemer komen. Dit betreft onder meer de kosten voor de benodigde onderzoeken en de kosten voor het opstellen het bestemmingsplan en de kosten die gemaakt moeten worden in het openbaar gebied. Deze kosten worden via een anterieure overeenkomst op de initiatiefnemer verhaald. In deze overeenkomst is ook het verhaal van eventueel toegekende planschadeclaims geregeld. Kostenverhaal is dus anderszins verzekerd als gevolg waarvan geen exploitatieplan behoeft te worden opgesteld. Conclusie Het plan is financieel uitvoerbaar.