9 20210721 Toelichting - Bestemmingsplan Mgr. Verhagenstraat ongenummerd_VAST II.pdf
Tekst van het document
29
Uitsnede Risicokaart
4.6
Bodem
In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, bij een nieuw bestemmingsplan waarmee nieuwe bouwmogelijkheden mogelijk worden gemaakt, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. In opdracht van initiatiefnemers is door SGS Search Ingenieursbureau B.V. een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd binnen een groot deel van het plangebied. Deze rapportage is als bijlage aan onderhavige toelichting zijn gevoegd. De situatie binnen het plangebied is sinds het rapport ongewijzigd gebleven. Tijdens het verrichten van de handboringen zijn geen bijzonderheden waargenomen die kunnen wijzen op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. In de boven- en ondergrond zijn geen bijmengingen met bodemvreemde materialen aangetroffen. Tevens zijn op het maaiveld of in de opgeboorde grond zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Op basis van de resultaten van het onderzoek (en van het onderzoek uit 2007) wordt geconcludeerd dat er plaatselijk sprake is van een sterk verhoogd gehalte aan lood en zink en een matig verhoogd gehalten aan minerale olie. Om die reden is er een nader bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage). Op basis van dat onderzoek is de verontreinigingssituatie vrijwel geheel in kaart gebracht. Slechts de sterke verontreiniging met minerale olie ter plaatse van enkele boringen is nog niet volledig afgeperkt.
Aanbevolen wordt om middels een nader bodemonderzoek (2e fase) de verontreiniging verder af te perken. Ook is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem onder de bestaande gebouwen, waar geen boringen zijn geplaatst, niet bekend. 30
Parallel aan het slopen van de bestaande gebouwen zullen de laatste onderzoeken worden uitgevoerd. Daarna kan ook uitgesloten worden of de verontreinigingen onder de gebouwen doorlopen. Ondanks dat de verontreinigingen nog niet geheel in beeld zijn kan al wel gesteld worden dat de bodemkwaliteit momenteel niet volledig voldoet aan de functie wonen. Daarom zal voorafgaand aan de nieuwbouw de bodem op die locaties gesaneerd worden. Deze aanpak gaat uit van het herstellen van de bodemkwaliteit binnen het plangebied, zodat voldaan zal worden aan de bij de bodemfunctieklassen ‘Wonen’ behorende waarden.
4.8
Natuur
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Daarmee is de integratie van de Natuurbeschermingswet (Nbw), de Flora- en faunawet (Ffw) en de Boswet een feit. In de Wnb is zowel de gebiedsbescherming als de soortenbescherming geregeld. Bij gebiedsbescherming gaat het om aangewezen natuurgebieden en bij soortenbescherming gaat het om de bescherming van vogels en andere diersoorten en planten. Om te bepalen of de geplande activiteiten binnen het plangebied mogelijk een negatief effect hebben op beschermde plant- en/of diersoorten en leefgebieden, is door Tritium Advies een Quickscan flora en fauna uitgevoerd. De resultaten van deze quickscan zijn gerapporteerd en opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Hierna wordt op de belangrijkste bevindingen van het onderzoek ingegaan. 4.8.1 Gebiedsbescherming Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNB. De provincie Noord-Brabant hanteert een externe werking als het gaat om NNB, indien een bestemmingsplan leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water. In dit geval betreft het NNB-gebied een watergang, Zuid Willemsvaart, en is er tussen het plangebied en het NNB-gebied nog een weg gelegen waardoor een negatief effect op het gebied niet is te verwachten.
Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is met circa 13 kilometer op relatief grote afstand gelegen (bij Natura 2000-gebieden moet verspreiding van stoffen in lucht of water wel worden beschouwd). Tevens betreft het een beperkte ingreep. Gezien deze afstand en de beperkte aard van de ingreep valt een significant negatief effect niet te verwachten. Directe negatieve effecten van dit project op bovengenoemde beschermde natuurgebieden zijn vooral gelet op de afstand van het projectgebied tot aan deze natuurgebieden niet te verwachten. Indirecte negatieve effecten zoals stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten, omdat verstoring van natuurgebieden door stikstof nog op een grote afstand van een bepaalde ontwikkeling kan plaatsvinden. Om uit te sluiten dat het project directe negatieve gevolgen voor de natuur heeft in de vorm van stikstofdepositie, is een stikstofberekening uitgevoerd. Deze berekening is als bijlage bij deze toelichting toegevoegd. Op basis van de AERIUS Calculator berekening kan worden geconcludeerd dat voor de zowel de realisatiefase als de gebruiksfase geen stikstofdepositie bijdragen groter dan 0,00 mol/ha/jaar zijn berekend, waarmee significant negatieve effecten op de natuurwaarden van de omliggende Natura 2000-gebieden ten gevolge van de beoogde ontwikkeling op voorhand uitgesloten zijn.
Het aspect stikstofdepositie vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
31
Uitsnede kaart Natura 2000 (plangebied rood omcirkeld)
4.8.2 Soortenbescherming Er wordt in het kader van de Wnb nagegaan of vaste rust- en verblijfplaatsen door de beoogde ingreep opzettelijk worden aangetast (verwijderd, ongeschikt gemaakt) of dat dieren opzettelijk worden verontrust, verjaagd of gedood. Verder is er gekeken of er invloeden zijn die leiden tot een verminderde geschiktheid als foerageergebied waarbij het een zodanig belang betreft dat bij het wegvallen van deze functie ook vaste rust- en verblijfplaatsen niet langer kunnen functioneren. Flora Er zijn binnen het plangebied geen beschermde wilde plantensoorten aangetroffen. Deze soorten zijn ook niet te verwachten. Om deze redenen zullen er door de voorgenomen plannen geen nadelige effecten optreden ten aanzien van deze soortgroep en zijn er, naast de zorgplicht, vanuit de Wnb geen verdere verplichtingen. Vogels De te slopen bebouwing (Monseigneur Verhagenstraat 4 en Bosscheweg 10) bevat enkele openingen die geschikt zijn als jaarrond beschermde vaste verblijfplaats voor huismussen. Om deze reden is er nader onderzoek naar huismussen uitgevoerd. Deze rapportage is toegevoegd als bijlage bij deze toelichting. Tijdens veldbezoeken zijn geen vaste verblijfplaatsen en essentieel foerageergebied van huismussen aangetroffen, waardoor geen verplichtingen bestaan vanuit de Wet Natuurbescherming ten aanzien van deze soort.
Algemeen voorkomende soorten zonder jaarrond beschermd nest kunnen blijven broeden in de directe omgeving van het plangebied. Indien broedende vogels in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn, kunnen verstorende werkzaamheden zoals bouwwerkzaamheden of een verwijdering van beplanting mogelijk echter niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken. Wanneer er geen broedende vogels aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden. Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden in de minst kwetsbare periode 32
(tussen begin oktober en half februari) worden eveneens geen nadelige effecten verwacht. Dit laatste verdient derhalve aanbeveling. Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd op bovenstaande wijze, zullen er geen nadelige effecten optreden ten aanzien van vogels. Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen De bebouwing in het plangebied (Monseigneur Verhagenstraat 4 en Tuinstraat 2A) is geschikt als vaste verblijf- of voortplantingsplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Hier is aanvullend onderzoek voor uitgevoerd. Deze resultaten zijn opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Binnen het plangebied zijn geen rust- of verblijfplaatsen van een vleermuissoort aanwezig. Overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming met betrekking tot een vleermuissoort is uitgesloten.
Er hoeft geen ontheffing te worden verkregen, noch zijn er enige vervolgstappen noodzakelijk met betrekking tot deze soort(groep)en. Met betrekking tot vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op het appartementencomplex aan de Bosscheweg 6 te worden vermeden, om verstoring van de rust- en verblijfplaats te voorkomen; Amfibieën, reptielen en vissen Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot amfibieën, reptielen en vissen. Ongewervelden/ overige soorten Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Er zijn derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen. 4.8.3 Algemene zorgplicht Artikel 1.11 Wnb voorziet in de zorgplicht.
De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk nagelaten moeten worden of dat maatregelen genomen moeten worden om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. Die plicht is niet alleen van belang voor soorten maar ook voor gebieden. De zorgplicht fungeert als vangnet ten opzichte van de bij en krachtens de Wnb gestelde voorschriften. Bestuursrechtelijke handhaving van de zorgplicht is mogelijk in kennelijke gevallen van onzorgvuldig handelen en in situaties waarin er geen concreet voorschrift ter bescherming van de desbetreffende natuurwaarde van toepassing is. 4.8.4 Conclusie Dit bestemmingsplan heeft geen nadelige effecten voor beschermde soorten en gebieden. 33
4.9
Archeologie en cultuurhistorie
De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking zal treden. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Zo ook navolgende bepaling omtrent de archeologische monumentenzorg. De gemeente Laarbeek heeft haar cultuurhistorisch erfgoed vastgelegd op een Archeologische verwachtingen en -beleidskaart en een Cultuurhistorische waarden en -beleidskaart. Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met de bekende of verwachte archeologische monumenten. Ook moet rekening worden gehouden met de bekende cultuurhistorische monumenten door terreinen met bekende monumenten geen bestemming te geven die het erfgoed kan schaden. 4.9.1 Archeologie Op de gemeentelijke Archeologische beleidskaart is het plangebied gelegen binnen Categorie 3: “Gebied met een hoge archeologische verwachting, historische kern” en aangeduid als ‘mogelijk verstoord’.
Het gaat hier om de oude en de vermoedelijk nog oudere verschoven woonkernen en gehuchten, waar op basis van historische bronnen, oude kaarten en nog aanwezige bebouwing een hoge archeologische verwachting geldt. Door RAAP is een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage bij deze toelichting toegevoegd. Volgens het bureauonderzoek ligt het plangebied op een hoge dekzandrug en komt er een hoge zwarte enkeerdgrond voor, die gekenmerkt wordt door een zogenaamd esdek van minimaal 50 cm dik. In de directe omgeving van het plangebied zijn meerdere archeologische vindplaatsen bekend. Naast eerder lokaal voorkomende vindplaatsen (zoals diverse bijlen, een moated site en een kapel) werden ook nederzettingsresten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd aangetroffen die gerelateerd kunnen worden aan de historische kom van Donk, waartoe ook het plangebied behoort. Op historische kaarten blijkt dat het plangebied tot in de 19e eeuw uit diverse percelen bestaat die in gebruik zijn als moestuin, weiland en bouwland, behorende tot meerdere boerderijen die verspreid lagen langs (de voorloper van) de Mgr. Verhagenstraat. In de loop van de 19e eeuw, en vooral vanaf 1900, veranderde het plangebied en omgeving onder invloed van de toenemende industrialisatie langs de Zuid-Willemsvaart.
In het noordwestelijk deel van het plangebied ontstond meer bebouwing. In de loop van de 2e helft van de 20e eeuw is in het noordwestelijke deel van het plangebied een bedrijfsterrein tot stand gekomen en de woning aan de Bosscheweg 10. Het zuidoostelijke deel van het plangebied is pas ingericht als woonlocatie omstreeks 1998.
34
Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidskaart
Op basis van het bureauonderzoek is er voor het plangebied een hoge archeologische verwachting voor nederzettingen (en begravingen) uit de periode Neolithicum t/m Vroege Middeleeuwen vanwege de hoge landschappelijke ligging, en een zeer hoge archeologische verwachting voor nederzettingen vanaf de Volle Middeleeuwen t/m Nieuwe tijd vanwege de ligging in de historische kern van Donk. Tijdens het booronderzoek bleek dat in het zuidoostelijke deel van het plangebied een enkeerdgrond aanwezig was met een gevlekt (verrommeld) humeus dek van 0,9 à 1,2 m dik. 35
Hieronder bevindt zich de lichtgele C-horizont. In het humeuze dek worden zelf geen intacte archeologische resten meer verwacht, maar wel nog in de top van de C-horizont. In het noordwestelijke deel van het plangebied (voormalige garage) is deze bodemopbouw niet meer aanwezig. Hier zijn tot op een diepte van circa 2 à 2,6 m –Mv opgebrachte en verstoorde lagen aanwezig. Hieronder zit de natte lichtgrijze C-horizont. Aangenomen kan worden dat de bodem hier zodanig diep verstoord is dat behoudenswaardige resten niet meer verwacht worden. De verstoring die werd vermoed op basis van de gemeentelijke verwachtings- en beleidskaart, kan bevestigd worden op basis van het veldonderzoek. Waarschijnlijk is de verstoring tot stand gekomen als gevolg van voormalige bebouwing sinds circa 1900 en het huidig gebruik van het plangebied. Conclusie In het zuidoostelijk deel van het plangebied, waar geen diepe verstoringen zijn vastgesteld, kunnen nog behoudenswaardige resten van landbouwers aanwezig zijn vanaf 0,9 à 1,2 m –Mv (onder het humeuze dek). Bij de toekomstige inrichting van het terrein is hier een parkeerterrein gepland waarbij eventueel aanwezige archeologische resten niet meteen worden bedreigd. Geadviseerd wordt om hier de dubbelbestemming te behouden.
Mocht in de toekomst hier dieper dan 0,6 m – Mv worden geroerd (hierbij blijft er een buffer bestaan tussen de ondergrens en het archeologisch niveau van minimaal 30 cm), dan dient alsnog een archeologisch vervolgonderzoek (een proefsleuvenonderzoek) plaats te vinden. Voor het uitvoeren van een proefsleuvenonderzoek dient er een PVE (Plan van Eisen) opgesteld worden. Dit PVE moet ter goedkeuring worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. In het noordwestelijke deel van het plangebied is de bodem zodanig diep verstoord dat hier geen behoudenswaardige archeologische resten meer verwacht worden. RAAP adviseert om dit deel van het plangebied vrij te geven voor het uitvoeren van de geplande sanering en de realisatie van de nieuwbouw. Er kan nooit helemaal uitgesloten worden dat er geen archeologische resten aanwezig zijn. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS). 4.9.2 Cultuurhistorie Op de Erfgoedkaart van Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant is voor gemeente Laarbeek te zien welke cultuurhistorische elementen in de omgeving aanwezig zijn. Hieronder volgt een uitsnede van deze kaart.
Het plangebied is gelegen aan de Mgr. Verhagenstraat en het kanaal, die beiden als historisch geografisch waardevolle lijn zijn aangewezen. Deze lijnen worden gerespecteerd in dit plan. Ten noorden van het plangebied is een beeldbepalend pand aanwezig (Mgr. Verhagenstraat 9). Het planvoornemen laat het betreffende pand ongemoeid en doet dan ook geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarde ervan.
36
Uitsnede Erfgoedkaart van Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant
Verder is het plangebied gelegen binnen een gebied dat is aangewezen als cultuurhistorische waardevolle stedenbouw vanwege het voormalige industrieel complex Van Thiel. Dit complex met bedrijfsgebouwen, fabrikantenvilla's en arbeiderswoningen, was gelegen aan de ZuidWillemsvaart. De Zuid-Willemsvaart dateert uit de periode 1822-1826. Het complex is grotendeels ontstaan uit de N.V. Van Thiel Draad- en Nagelfabriek, waarvan de voorloper hier in 1870 werd gevestigd. Het complex omvat enkele monumentale gebouwen, waaronder de klinknagelfabriek (1906-1907), fabrikantenvilla's, met name op de westelijke oever van de Zuid-Willemsvaart (ca. 1900-1930), en arbeiderswoningen, met name op de oostelijke over van de Zuid-Willemsvaart, ten zuiden van het eigenlijke fabriekscomplex (ca. 1910-1920). Het terrein werd aan de oostzijde lange tijd begrensd door het recentelijk gedempte Afwateringskanaal. Een deel van de industriële bebouwing is recentelijk gesloopt. Ten slotte is vermeldingswaardig dat direct ten zuiden van het plangebied een door de wind aangedreven oliepel- en schorsmolen heeft gestaan. Deze molen is in 1837 opgebouwd. Later is de molen afgebrand, waarna hij niet meer werd opgebouwd.
4.10 Verkeer en parkeren 4.10.1 Verkeer Een onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeers- en infrastructuur. Hierbij is het van belang of de voorgenomen ontwikkeling grote veranderingen ten aanzien van verkeer en infrastructuur teweegbrengt. In onderhavig plan worden de parkeerplaatsen ontsloten via de Mgr. Verhagenstraat (inrit) en de Tuinstraat (uitrit). Deze inrit en uitrit zijn met een specifieke functieaanduiding vastgelegd op de verbeelding. De huidige verkeersintensiteit is van dien aard dat een toename van het aantal verkeersbewegingen niet zal leiden tot belemmeringen in de afwikkeling van verkeer. Als gevolg van de uitbreiding zijn dan ook geen aanvullende infrastructurele maatregelen noodzakelijk. Er blijft voldoende capaciteit voor de afwikkeling van het verkeer. 4.10.2 Parkeren De gemeente Laarbeek heeft een Paraplubestemmingsplan Parkeernormen Laarbeek vastgesteld op 7 juni 2018. Middels dit plan zijn de huidige parkeernormen en diens rechtsopvolger(s) in de 37
geldende bestemmingsplannen ingepast. Hierin staat aangegeven dat de parkeernorm wordt bepaald door de parkeerkencijfers toe te passen zoals deze gepubliceerd zijn door de stichting CROW (publicatie 381). De parkeerkencijfers van ‘weinig stedelijk’ worden gehanteerd voor het centrumgebied, schil centrum en de rest van de bebouwde kom. Voor het buitengebied worden de cijfers van de categorie ‘niet stedelijk’ toegepast. Er wordt in beginsel uitgegaan van de gemiddelde parkeerkencijfers. Er wordt onderscheid gemaakt in centrumgebied, schil centrum, rest bebouwde kom en buitengebied. Onderhavig plangebied is gelegen in het gebied rest bebouwde kom. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is parkeren op eigen terrein uitgangspunt. Hierin wordt in onderhavige ontwikkeling ook voorzien. Voor de 45 appartementen moeten er volgens de norm (CROW 381) 64 parkeerplaatsen gerealiseerd worden en voor de drie grondgebonden huurwoningen geldt een parkeernorm van minimaal 6 parkeerplaatsen. Dat betekent dat er totaal 70 parkeerplaatsen benodigd zijn: 43 x Huur, appartement (midden) = 43 x 1,4 = 60,2 2 x Huur, appartement, duur = 2 x 1,9 = 3,8 3 x Huur, huis, vrije sector = 3 x 2,0 = 6
Situatieschets parkeerinrichting parkeerterrein In onderhavig plan worden er 75 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. Er worden op het parkeerterrein 64 parkeerplaatsen gerealiseerd, de grondgebonden woningen krijgen in totaal 2 parkeerplaatsen op hun perceel en aan de zuidzijde van het gebouw (ontsloten via de Bosscheweg) komen 9 parkeerplaatsen. Het plan voorziet in ruim voldoende parkeergelegenheid om aan de geldende parkeernorm te kunnen voldoen.
38
4.11 Waterparagraaf Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium te adresseren in het besluitvormingsproces van ruimtelijke plannen. De paragraaf beschrijft de actuele waterhuishouding in het plangebied. Daarnaast wordt, binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan, vastgelegd aan welke watereisen de ontwikkeling moeten voldoen. Ruimtelijke plannen worden onder meer getoetst aan "hydrologisch neutraal" ontwikkelen conform landelijk en lokaal waterbeleid. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder c van het Besluit ruimtelijke ordening. 4.11.1 Beleid Rijksbeleid In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze wet regelt het beheer van oppervlakte- en grondwater en is gericht op de samenhang met de ruimtelijke ordening. De wet kent een vergunningstelsel (watervergunning). Nationaal Waterplan 2016 - 2021 Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 vastgesteld door de minister van Infrastructuur en milieu. Voor wat de ruimtelijke aspecten betreft moet dit plan worden gezien als een structuurvisie en is het bindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. Het waterplan beschrijft de strategische doelen voor het waterbeheer.
De condities en maatregelen voor het bereiken van deze doelen staan beschreven in het 'Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren' van Rijkswaterstaat. Lagere overheden dienen het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 in hun beleid te verwerken.
Provinciaal beleid Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 Het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (hierna: PMWP) is op 18 december 2015 door Provinciale Staten vastgesteld. Het plan staat voor het samen werken aan een provincie waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving en waarin de zorg voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving centraal staat. De agenda van Brabant plaatst provinciaal beleid in dienst van gezondheid, biodiversiteit, sociale ontwikkeling en een innovatieve, duurzame economie. Het PMWP integreert de milieu- en de wateropgave en het zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten. Behalve het PMWP is er een provinciaal natuurbeleidsplan (Brabant Uitnodigend Groen), een energieplan (Energieagenda) en is er beleid om de Brabantse agrofoodsector duurzaam te maken (Uitvoeringsagenda Brabantse Agrofood). Het PMWP vult deze plannen aan daar waar er grote raakvlakken zijn met het milieu- en waterbeleid. Op deze manier wordt gewerkt aan een integrale benadering van de duurzame fysieke leefomgeving.
Waterschap Aa en Maas Waterschap Aa en Maas is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het gronden oppervlaktewater in de omgeving van het plangebied. De doelen die het Waterschap Aa en Maas nastreeft zijn opgenomen in het Waterbeheerplan 2016-2021. Het is gericht op duurzaam beheer van het watersysteem. In het Waterbeheerplan worden de plannen voor de komende periode omschreven. De missie van het Waterschap is ‘Het ontwikkelen, beheren en in stand houden van gezonde, robuuste en veerkrachtige watersystemen, die ruimte bieden aan een 39
duurzaam gebruik voor mens, dier en plan in het gebied, waarbij de veiligheid is gewaarborgd en met oog voor economische aspecten. In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het afvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel nietverontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Dit hemelwater loopt door middel van afschot van daken en erfverharding in de tuin en onverharde delen van het perceel. Gemeentelijk beleid GRP 2019-2023 Onweerstaanbaar Laarbeek Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) van de gemeente Laarbeek geldt voor de planperiode 2019 tot en met 2023. Het GRP is een goed en wettelijk verplicht planinstrument om mee te kunnen bewegen met de trends en ontwikkelingen binnen dit vakgebied. Zo is er bijvoorbeeld sprake van meer extreme neerslag door klimaatverandering, een veranderende verhouding tussen overheid en burgers en verandering in wetgeving. Het GRP wordt gebruikt om nu en in de toekomst aan de gemeentelijke zorgplichten te kunnen voldoen en als toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen. De zorg voor riolering draagt bij aan een gezonde leefomgeving en is uitgewerkt in zorgplichten.
Volgens deze zorgplichten draagt de gemeente, vanuit het oogpunt van volksgezondheid en veiligheid, zorg voor een doelmatige inzameling, berging, transport en/of lokale zuivering van afvalwater, hemelwater (regenwater) en grondwater. De kans op overlast dient hierbij te worden beperkt tot maatschappelijk aanvaardbare normen. Deze taakverantwoordelijkheid geldt alleen indien de burger niet zelf op eigen terrein het hemel- en grondwater doelmatig kan verwerken Omgaan met regenwater bij nieuwbouw of herbouw Nieuwbouw kan tot een toename leiden van afvoerend oppervlak en daardoor versnelde afvoer van regenwater. Het risico op wateroverlast neemt hierdoor toe. Bij nieuwbouw is er vaak nog voldoende ruimte en flexibiliteit om water te bergen en de openbare ruimte waterproof in te richten. Gestreefd wordt naar robuuste watersystemen, waarbij het regenwater bij voorkeur wordt geïnfiltreerd in de bodem. Overtollig hemelwater wordt zichtbaar en bovengronds verwerkt. Op plaatsen waar infiltratie in de bodem mogelijk is, zijn de beleidsregels van de gemeente leidend. Dit geldt zowel voor particulier terrein als de openbare ruimte. Als er sprake is van afvoeren naar oppervlaktewater met een belangrijke functie voor de waterhuishouding zijn de beleidsregels van het waterschap van toepassing.
Los van deze beleidsregels wordt altijd getoetst aan een bui die eenmaal per 100 jaar voorkomt, of aan de landelijke toetsbui, zodra deze beschikbaar is. Bij een dergelijke bui mag geen schade optreden aan eigendommen en/of mogen geen essentiële gebruiksfuncties uitvallen. Dit betreft de nieuwbouw van gebouwen, parkeerplaatsen, trottoirs en andere verhardingen. Bij nieuwbouw en bij herbouw (het oppakken van bestaand verhard oppervlak en weer opnieuw terugplaatsen) bestaat voldoende flexibiliteit om ruimte voor wateropvang te creëren. Om de afvoer naar de riolering en/of het watersysteem te reduceren, dient een waterbergingsvoorziening van 60 mm/m² verhard oppervlak te worden aangebracht op eigen terrein. Deze eis geldt voor elk aan te leggen afvoerend verhard oppervlak ongeacht de lozingssituatie; verhard oppervlak dat voorheen aanwezig was wordt niet in mindering gebracht op deze waterbergingsnorm. Bij toepassing van 40
alternatieve voorzieningen (zoals groene daken) wordt de waterbergingsnorm gereduceerd op basis van de op dat moment geldende inzichten. Voor inbreidingslocaties werkt de gemeente in uitzonderingsgevallen mee aan het elders realiseren van de benodigde waterberging, indien de initiatiefnemer aantoont dat het niet realiseerbaar is om deze in het plangebied aan te leggen. De initiatiefnemer de waterberging dan afkopen op basis van een concreet plan en tegen de werkelijke totale projectkosten (grondverwerving, projectvoorbereiding, uitvoeringskosten etc). Toepassing plangebied De planlocatie is niet gelegen in een keurwaterbeschermingsgebied of attentiegebied. In onderstaand tabel is de verharding in de huidige en toekomstige situatie beschreven. Huidige situatie
Toekomstige situatie
Bebouwing
1.360 m²
1.309 m²
- 51 m²
Verharding
1.392 m²
1.123 m²
- 269 m²
Onverhard
1.104 m²
1.424 m²
+ 320 m²
Totale plangebied
3.856 m²
3.856 m²
In dit geval dient er dus een waterberging van 60 mm gerealiseerd te worden op basis van het uiteindelijk verhard oppervlak van 1.309 + 1.123= 2432 m². Daarmee dient die waterberging een inhoud te hebben van (afgerond) 146 m³. De eisen die worden gesteld aan de waterbergingsvoorziening is opgenomen in bijlage F van het GRP. Deze bijlage is tevens al bijlage bij deze toelichting gevoegd.
Overzicht situatieschets verhard/onverhard
41
42
Hoofdstuk 5. 5.1
Juridische vormgeving
Algemeen
Het bestemmingsplan "Mgr. Verhagenstraat ongenummerd" is te typeren als een gedetailleerd plan. De methodiek van het bestemmingsplan is gebaseerd op de SVBP2012. Waar dat noodzakelijk is wordt afgeweken van de standaard en is specifiek ingespeeld op de situatie binnen het onderhavige plangebied.
5.2
Planmethodiek
Er is, conform de Wro, gekozen voor een analoge en digitale verbeelding van het plan. Aan de bestemmingen zijn bouw- en gebruiksregels gekoppeld die direct inzichtelijk maken welke ontwikkelingen zijn toegestaan. Verbeelding en regels bieden een directe bouwtitel voor bebouwing en gebruik. Al dan niet in combinatie met een nadere - eisen - regeling.
5.3
Verbeelding
Op de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien en voor zover hier in de regels naar wordt verwezen. In verband met de leesbaarheid is het plan op een topografische ondergrond getekend. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn op de verbeelding opgenomen in het renvooi. Opgemerkt wordt dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen. Dit heeft ermee te maken dat de manier van raadplegen anders is. De digitale verbeelding is juridisch bindend.
5.4
Planregels
De planregels zijn ondergebracht in inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. 5.4.1 Inleidende regels De Inleidende regels bestaan uit begrippen en de wijze van meten. Dit is om te voorkomen dat er discussie ontstaat over de interpretatie van de regels. In "Artikel 1 Begrippen" wordt een omschrijving gegeven van de in de regels gehanteerde begrippen. Als in de regels begrippen voorkomen die niet in dit artikel zijn opgenomen, dan geldt hiervoor de uitleg/interpretatie conform het normale taalgebruik. In "Artikel 2 Wijze van meten" zijn de te gebruiken meetmethodes opgenomen. De regels bij de bestemming wordt hierna afzonderlijk toegelicht. 5.4.2
Bestemmingsregels
Bestemming ‘Verkeer’ (Artikel 3) De parkeervoorzieningen en ontsluiting van het plangebied zijn gelegen binnen de bestemming ‘Verkeer’. Deze gronden zijn primair bestemd voor verkeerdoeleinden en verblijfsgebieden, zoals 43
wegen, paden en parkeervoorzieningen. De inrit en uitrit zijn met een specifieke functieaanduiding (specifieke vorm van verkeer – 1 en – 2) vastgelegd op de verbeelding. Daarnaast zijn deze gronden bestemd voor groenvoorzieningen, afvalvoorzieningen, nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Verder zijn gronden binnen deze bestemming bestemd voor het houden van evenementen, het inrichten van standplaatsen, terrassen en hondenuitlaatstroken, alsmede het plaatsen van reclame-uitingen, voor zover toegestaan overeenkomstig de bepalingen in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Bestemming ‘Wonen’ (Artikel 4) Deze bestemming is opgenomen ten behoeve van de 48 nieuw te realiseren wooneenheden in de vorm van zowel grondgebonden woningen, als appartementen. In de regels is onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen en bijgebouwen. Het gebouw dat door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken, wordt beschouwd als het hoofdgebouw. Bijgebouwen zijn in architectonisch opzicht te onderscheiden van, en ondergeschikt aan, het hoofdgebouw. Hoofdgebouwen moeten binnen de bouwvlakken worden gebouwd waarbij de bouwvlakken volledig mogen worden bebouwd. Beroepsmatige activiteiten Het uitoefenen van beroepsmatige activiteiten is tevens binnen de woonbestemming toegestaan (tot maximaal 40 m²).
Dubbelbestemming `Waarde – Archeologie 3 (Artikel 5) Deze bestemming geldt voor die delen in het plangebied, waarbij bij bepaalde ingrepen eerst nader archeologisch onderzoek vereist is. Door middel van een dubbelbestemming wordt gezorgd dat de aanwezige waarden optimaal beschermd worden. 5.4.3 Algemene regels Onder de Algemene regels zijn de Anti-dubbeltelregel, Algemene bouwregels, Algemene gebruiksregels, Algemene afwijkingsregels, Algemene wijzigingsregels, Algemene procedureregels en de Overige regels opgenomen. Deze regels gelden voor het hele plan. 5.4.4 Overgangs- en slotregels In de Overgangs- en slotregels zijn het Overgangsrecht en de Slotregel opgenomen.
44
Hoofdstuk 6.
Financiële aspecten
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan, waarin ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, dient de gemeenteraad eveneens een exploitatieplan vast te stellen. Dit heeft te maken met de wettelijke verplichting om de kosten; die de gemeente moet maken om deze ontwikkeling mogelijk te maken, te verhalen op de eigenaar/ontwikkelaar. Van deze verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan kan worden afgezien indien het kostenverhaal op een andere manier is geregeld. Dit kan bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of door het afsluiten van een overeenkomst. In dit geval zal een anterieure overeenkomst gesloten worden zodat geen verplichting bestaat tot het vaststellen van een exploitatieplan.
45
46
Hoofdstuk 7. 7.1
Procedure en maatschappelijke uitvoerbaarheid
Bekendmaking ex artikel 1.3.1 Bro
De gemeente heeft de voorbereiding van dit bestemmingsplan conform artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bekend gemaakt.
7.2
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. 7.2.1 Provincie Noord-Brabant In dit kader is het voorontwerpbestemmingsplan door de gemeente digitaal aangemeld bij de provincie Noord-Brabant door invulling van het e-formulier. In reactie daarop meldt de provincie dat het door de gemeente ingevulde formulier over de in het bestemmingsplan betrokken ruimtelijke aspecten de provincie geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen. De gemeente kan het wettelijk vooroverleg als afgerond beschouwen. 7.1.2 Waterschap Aa en Maas Het voorontwerpbestemmingsplan is via de Watertoets ter beoordeling aan het waterschap Aa en Maas aangeboden. De opmerkingen van het Waterschap zijn verwerkt in paragraaf 4.11.
7.3
Inspraak en samenspraak
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak, en deze is in Wro zelf niet verplicht gesteld. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de geldende gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee is in artikel 150 van de Gemeentewet onder meer bepaald dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Het doel hiervan is het betrekken van burgers bij de besluitvorming. In het kader van betrokkenheid van de buurt heeft de initiatiefnemer een omgevingsdialoog gevoerd. Dit heeft plaatsgevonden middels zeven individuele gesprekken bij omwonende thuis en later nog middels een informatieavond op 13 augustus waarbij 19 omwonende zijn uitgenodigd. De uit het dialoog voortvloeiende vragen en opmerkingen zijn naderhand beantwoord en toegelicht aan de omwonende. De omwonenden hebben een verslag van deze vragen en antwoorden per mail ontvangen. In algemeenheid werd het plan gewaardeerd en betroffen de vragen praktische vragen over de toekomstige situatie en planning van de te doorlopen procedure en bouw.
7.4
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor zes weken op de gebruikelijke wijze ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is iedereen in de gelegenheid gesteld om schriftelijk of mondeling een zienswijze ten aanzien van het ontwerp bestemmingsplan kenbaar te maken. 47
Naar aanleiding van de tervisielegging zijn 6 zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen gaven aanleiding om het bestemmingsplan gewijzigd vast te stellen. Daarnaast zijn er enkele ambtshalve wijzigingen doorgevoerd. Voor het gemeentelijk standpunt ten aanzien van de zienswijzen wordt verwezen naar de 'nota van zienswijzen Mgr. Verhagenstraat ongenummerd’. Deze nota van zienswijzen is als Bijlage opgenomen bij de toelichting.
48
Bijlagen Bijlage 1. Bijlage 2. Bijlage 3. Bijlage 4. Bijlage 5. Bijlage 6. Bijlage 7. Bijlage 8. Bijlage 9. Bijlage 10. Bijlage 11. Bijlage 12. Bijlage 13.
Vormvrije MER-beoordeling; Akoestisch onderzoek omgevingslawaai middenstation; Akoestisch onderzoek omgevingslawaai parkeerterrein; Akoestisch onderzoek wegverkeers-, industrie- en scheepvaartlawaai; Verkennend bodemonderzoek; Nader bodemonderzoek; Stikstofdepositieberekening; Quickscan flora en fauna; Rapportage aanvullend huismusonderzoek; Archeologisch onderzoek; GRP Bijlage F - Eisen aan waterbergingsvoorzieningen. Resultaten vervolgonderzoek vleermuizen. Nota van zienswijzen Mgr. Verhagenstraat ongenummerd
49