CConstaterende datLaarbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

8 20220914 Bestemmingsplan Heindertweg 1 Plantoelichting.pdf

Commissie Ruimtelijke Zaken 14 september 2022, gemeente LaarbeekBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Kom Aarle-Rixtel’, herziening Heindertweg 1 Aarle-Rixtel13.566 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

BESTEMMINGSPLAN Kom Aarle-Rixtel, herziening Heindertweg 1 Aarle-Rixtel PLANTOELICHTING

NL.IMRO.1659.BPHeindertweg1-ON01

Titel: Datum: Projectnummer: Adviesbureau: Auteur: Contactpersoon: (Post)adres: Telefoon: E-mail: Website:

Bestemmingsplan Kom Aarle-Rixtel, herziening Heindertweg 1 Aarle-Rixtel 14 december 2021 2021.171 Wintraecken Advies B.V. Teun van de Camp Msc. (planoloog) en mr. David Wintraecken (planjurist) David Wintraecken Harry Bolsiuslaan 13 5481 BN Schijndel (073) 850 51 29 / (06) 146 488 29 info@wintraeckenadvies.nl www.wintraeckenadvies.nl

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of Wintraecken Advies.

2

Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding .................................................................................................... 5 1.2 Plangebied ................................................................................................... 6 1.3 Vigerend bestemmingsplan ............................................................................ 6 1.4 Doel bestemmingsplan .................................................................................. 9 1.5 Leeswijzer .................................................................................................... 9 2. Beleidskader ................................................................................................... 10 2.1 Inleiding .................................................................................................... 10 2.2 Rijksbeleid ................................................................................................. 10 2.3 Provinciaal beleid ........................................................................................ 11 2.4 Gemeentelijk beleid..................................................................................... 13 3. Ruimtelijke inpassing en beeldkwaliteit ..............................................................

15 3.1 Woningbouwbehoefte Aarle-Rixtel ................................................................. 15 3.2 Verkaveling ................................................................................................ 17 3.3 Bebouwing ................................................................................................. 17 3.4 Ontsluiting en parkeren ............................................................................... 18 3.5 Groenvoorzieningen .................................................................................... 19 3.6 Duurzaamheid ............................................................................................ 20 4. Milieu-hygiënische en planologische verantwoording ............................................ 22 4.1 M.e.r.-beoordeling ...................................................................................... 22 4.2 Archeologie en cultuurhistorie ....................................................................... 24 4.3 Flora en fauna en stikstofdepositie ................................................................ 26 4.4 Waterparagraaf .......................................................................................... 29 4.5 Bodem .......................................................................................................

30 4.6 (Ondergrondse) infrastructuur / kabels en (buis)leidingen ................................ 31 4.7 Geur.......................................................................................................... 32 4.8 Akoestiek ................................................................................................... 33 4.9 Luchtkwaliteit ............................................................................................. 34 4.10 Externe veiligheid ...................................................................................... 35 4.11 Verkeer en parkeren .................................................................................. 37 5. Juridische aspecten .......................................................................................... 38 5.1 Het bestemmingsplan als juridisch instrument ................................................ 38 5.2 Systematiek van de regels ........................................................................... 38 5.3 Bebouwing algemeen .................................................................................. 39 5.4 Toelichting bestemmingen............................................................................ 39 6. Uitvoeringsaspecten ......................................................................................... 40

3

6.1 Economische uitvoerbaarheid ....................................................................... 40 6.2 Planschade ................................................................................................. 40 6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................. 40 6.4 Conclusie ................................................................................................... 40 7. Conclusies bestemmingsplan............................................................................. 41

Bijlagen 1. Transect-rapport 3122 Aarle-Rixtel, Heindertweg 1 Gemeente Laarbeek (NB) Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase, Transect, projectnummer: 19070077, 15-12-2020 2. QuickScan flora en fauna Heindertweg 1, Aarle-Rixtel, BNL Advies, versie: 20130.QFF01 17-12-2020 3. Berekening stikstofdepositie beoogde ontwikkeling Heindertweg 1 te Aarle-Rixtel, gemeente Laarbeek, Tritium., kenmerk: 2009/070/JOW-03, 28-11-2020 4. Waterparagraaf Heindertweg 1 te Aarle-Rixtel, Tritium, documentkenmer: 2009/070/JOW-04, 08-01-2021 5. Verkennend (asbest)bodemonderzoek aan de Heindertweg 1 te Aarle-Rixtel, Inpijn-Blokpoel, documentnummer: 14P003318-adv-01, 22-12-2020

4

1. Inleiding 1.1 Aanleiding Aan de Heindertweg 1 Aarle-Rixtel, direct achter de Rijksmonumentale pastorie(tuin) en ten oosten van het kerkhof van de Onze-Lieve-Vrouw Presentatiekerk en tegenover basisschool de Heindert, liggen het perceel van de voormalige pastorie en een nog niet bebouwd woningbouwperceel. Op deze twee nu niet benutte percelen in Aarle-Rixtel wil de initiatiefnemer in totaal 12 patiowoningen realiseren. Eerder heeft de gemeente de intentie uitgesproken mee te willen denken over een bouwontwikkeling op deze locatie. Door de gemeente is daarbij in principe medewerking toegezegd aan de bouw van 12 levensloopbestendige patiowoningen die geschikt en aantrekkelijk zijn voor alle leeftijdscategorieën en die op de markt zullen worden gezet als huurwoningen. De ontwikkeling is strijdig met het vigerende bestemmingsplan. Om de ontwikkeling ruimtelijk en bestemmingsplantechnisch mogelijk te maken dient onder meer de bestemming van het zuidelijke perceel te wijzigen van ‘maatschappelijk’ naar ‘wonen’ en het toegestane aantal woningen op de percelen aangepast te worden naar 12. Met onderhavige plantoelichting wordt gemotiveerd op welke wijze de realisering van 12 patiowoningen ter plaatse aanvaardbaar en haalbaar is en dat aanwezige waarden en belangen van derden niet onevenredig geschaad worden.

Navolgende afbeelding betreft een weergave van het plangebied in de huidige situatie.

5

1.2 Plangebied Het plangebied bestaat deels uit het perceel met daarop de voormalige pastorie. Dit perceel betreft een gedeelte van het kadastraal perceel bekend als gemeente Aarle-Rixtel, sectie A, nummer 2025. Het andere deel van het plangebied wordt gevormd door het naastgelegen bouwperceel. Dit ligt feitelijk braak en is deels begroeid met enkele bomen en verder gras. Dit perceel is kadastraal bekend gemeente Aarle-Rixtel, sectie A, nummer 2594. Het plangebied is gelegen aan de Heindertweg, in de kern Aarle-Rixtel, in de gemeente Laarbeek. De begrenzing van het plangebied wordt gevormd door de Heindertweg, de begrenzing van de nog bij de kerk (en huidige pastorie en kerkhof) in gebruik zijnde gronden en de begrenzing van het woonperceel Heindertweg 3. Navolgende afbeelding betreft een luchtfoto van de huidige situatie (bron: maps.google.nl).

1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor het plangebied gelden de volgende bestemmingsplannen: • “Kom Aarle-Rixtel 2014”, zoals dat is vastgesteld op 29 januari 2015; • “Herziening Komplannen”, zoals dat is vastgesteld op 6 juli 2017; • “Parkeernormen Laarbeek”, zoals dat is vastgesteld op 7 juni 2018. Op basis van dit bestemmingsplan gelden voor het plangebied onder meer: • de bestemmingen ‘Maatschappelijk’ en ‘Wonen’; • de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’; • bouwvlakken; • de bouwaanduidingen ‘vrijstaand’ en ‘bijgebouwen’; • de functieaanduiding ‘bedrijfswoning’; • de maatvoering ‘maximum goothoogte: 3 m’.

6

Navolgende afbeelding betreft een weergave van de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. maatschappelijke dienstverlening; b. horeca, uitsluitend in de vorm van een kantine, direct verband houdende met de onder a. genoemde functies, met een maximum van 10% van de brutovloeroppervlakte; c. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning', het wonen in een bedrijfswoning; d. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'wonen', het wonen in gestapelde woningen; e. bedrijfsgebouwen; f. bijgebouwen; g. bouwwerken geen gebouwen zijnde; h. verkeers- en parkeervoorzieningen; i. groen- en speelvoorzieningen; j. waterbergings- en infiltratievoorzieningen, waterpartijen en watergangen; k. doeleinden van openbaar nut. De (bedrijfs)woning en de daarbij behorende bijgebouwen mogen worden gebruikt voor het uitoefenen van beroepsmatige activiteiten, met dien verstande dat: a. de woonfunctie bij de (bedrijfs)woning primair blijft; b. maximaal 40 m² van het vloeroppervlak van de (bedrijfs)woning en de bijgebouwen samen voor de uitoefening van beroepsmatige activiteiten mag worden benut; c. het gebruik geen ernstige c.q. onevenredige hinder oplevert voor het woonmilieu en geen afbreuk doet aan het woonkarakter van de buurt; d. detailhandel slechts is toegestaan voor zover deze beperkt blijft tot een beperkte verkoop en in direct verband staat met de uitoefening van beroepsmatige activiteiten.

7

Voor het bouwen van (hoofd)gebouwen gelden de volgende regels: a. de gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, met uitzondering van gebouwen voor doeleinden van openbaar nut; b. het bouwvlak mag geheel worden bebouwd; c. de oppervlakte van een gebouw ten behoeve van doeleinden van openbaar nut mag maximaal 15 m² bedragen; d. ter plaatse van de aanduidingen 'maximum goothoogte (m)', 'maximum bouwhoogte (m)' respectievelijk 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' mag de goot- en/of bouwhoogte van gebouwen maximaal de aangeduide goot- en/of bouwhoogte bedragen; in afwijking hiervan geldt dat de goot- en bouwhoogte van gebouwen voor doeleinden van openbaar nut maximaal 3 m respectievelijk 5 m mogen bedragen; e. per bouwperceel mag, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning', maximaal één bedrijfswoning worden gebouwd, met dien verstande dat voor de bouw van de woning geldt dat: 1. de woning, al dan niet in één bouwmassa met of aangebouwd aan de bedrijfsbebouwing, slechts mag worden gebouwd binnen het bouwvlak; 2. ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' de goothoogte maximaal de aangeduide goothoogte mag bedragen; 3. de inhoud van de woning maximaal 750 m³ mag bedragen; f.

de ruimten van de dienstverlenende bedrijven en instanties waarin het contact met het publiek plaatsvindt (balieruimte) mogen uitsluitend op de begane grond worden gesitueerd; g. het bouwen van gebouwen met een oppervlak van meer dan 35 m² dient op hydrologisch neutrale wijze plaats te vinden. Ten behoeve van bijgebouwen bij bedrijfswoningen gelden de volgende regels: a. de bijgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' worden gebouwd; b. de oppervlakte van bijgebouwen bedraagt maximaal 100 m² per woning; c. de goothoogte van bijgebouwen mag ten hoogste 3,5 m bedragen met een maximale bouwhoogte van 5 m voor vrijstaande bijgebouwen en 6 m voor aangebouwde bijgebouwen; d. voor bijgebouwen geldt dat zij moeten worden gebouwd binnen een (denkbeeldig) vlak vanaf 3,5 m hoogte op de perceelsgrens, wijkend onder een hoek van 60°, behalve in geval er sprake is van een aaneengesloten bouwmassa, inclusief kap, aan weerszijden van de perceelsgrens; e. het bouwen van bijgebouwen met een oppervlak van meer dan 35 m² dient op hydrologisch neutrale wijze plaats te vinden. De voor 'Waarde - Archeologie 2' (gebied van archeologische waarde) aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden.

Strijdigheid bouwplan met vigerend bestemmingsplan De voorziene woningbouwontwikkeling is deels gelegen binnen de bestemming ‘Maatschappelijk’. Binnen deze bestemming is het bouwen van burgerwoningen niet toegestaan. Enkel de aanwezigheid van een bedrijfswoning bij de kerk/pastorie is toegestaan. Binnen de bestemming ‘Wonen’ is enkel de bouw van 1 vrijstaande woning toegestaan. De voorgestane bouw van meerdere geschakelde patiowoningen is niet mogelijk. Derhalve is herziening van de bestemmingsregeling noodzakelijk om het planvoornemen planologisch-juridisch mogelijk te kunnen maken.

8

1.4 Doel bestemmingsplan Doelstelling van het bestemmingsplan “Kom Aarle - Rixtel, herziening Heindertweg 1 Aarle-Rixtel” is om de realisatie van het onderliggende bouwplan planologisch en juridisch mogelijk te maken. Het bestemmingsplan besteedt aandacht aan de ruimtelijke en milieu-hygiënische effecten van de voorgenomen ontwikkeling. Onderzocht wordt hoe het plan zich verhoudt – zowel in negatieve als in positieve zin – tot de aanwezige functies en waarden van het plangebied en de directe omgeving ervan. In dit kader worden, behalve het ruimtelijk-planologische beleid, alle ruimtelijke en milieu-hygiënische aspecten alsmede de ruimtelijke inpassing en beeldkwaliteit nader beschouwd. Aan de volgende deels juridische voorwaarden dient te worden voldaan: • het motiveren van de afwijking(en) van de geldende bestemming middels het opstellen van een bestemmingsplan; • het met een bestemmingsplan aantonen van de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid; • het in procedure brengen van het bestemmingsplan. Met dit bestemmingsplan wordt derhalve een planologische en juridische basis gelegd om de gewenste ruimtelijke ontwikkeling te kunnen realiseren. De met dit bestemmingsplan aangetoonde ruimtelijke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid heeft betrekking op het onderliggende bouwplan om de bouw van woningen te kunnen ontwikkelen in het plangebied.

Het bestemmingsplan dient verder te voldoen aan de Wro en het Bro en de RO-Standaarden 2012: • IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening 2012); • SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012); • STRI2012 (Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten 2012).

1.5 Leeswijzer In de volgende hoofdstukken wordt aandacht besteed aan de verschillende aspecten van de bestemmingsplantoelichting. Hoofdstuk 2 gaat in op het ruimtelijk-planologische beleidskader. Hoofdstuk 3 behandelt de ruimtelijke inpassing en beeldkwaliteit van het plan. Voor een beschrijving van de milieu-hygiënische en ruimtelijke aspecten wordt verwezen naar hoofdstuk 4. De juridische aspecten worden toegelicht in hoofdstuk 5 en het onderdeel economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstuk 6. Hoofdstuk 7 bevat de slotconclusie.

9

2. Beleidskader 2.1 Inleiding Wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling en bevoegdheidsverdeling zijn het Rijk, de provincies en de gemeenten verantwoordelijk voor hun eigen belangen. Er kan slechts sprake zijn van bemoeienis van Rijk of provincie met de gemeente, indien dat noodzakelijk is vanwege een nationaal respectievelijk provinciaal belang. Rijk en provincies beschikken in de Wet ruimtelijke ordening over dezelfde bevoegdheden als gemeenten om hun eigen ruimtelijke belangen te kunnen uitvoeren. Daarnaast kunnen het Rijk en de provincies algemeen verbindende regels uitvaardigen en aanwijzingen geven om hun belangen veilig te stellen. Het beleid van de gemeente Laarbeek vormt dus het kader waarbinnen de functionele en ruimtelijke ontwikkeling wordt vastgesteld. De ruimtelijke ontwikkelingsplannen van Rijk, provincie en regio vormen randvoorwaarden voor het gemeentelijke beleid. Voor zover relevant voor de plannen worden in de volgende paragrafen het Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid toegelicht.

2.2 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Toetsingskader De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In Nederland staan we voor een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Denk aan periodes van droogte, afgewisseld met extreme regenval, de zeespiegelstijging, de overgang naar duurzame energie en de ruimte die nodig is voor windmolens en zonnepanelen. Of de bouw van 1 miljoen nieuwe woningen om het woningtekort op te lossen, de groei en het bereikbaar houden van steden en plekken voor distributiecentra. Denk ook aan het versterken van onze natuur en biodiversiteit, het behoud van ons landschap en de vitaliteit van onze landbouw. Dit zijn voorbeelden van grote, ingewikkelde opgaven. Deze opgaven kunnen niet meer apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen.

Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken. Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. De NOVI is tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers. Hoe werkt de NOVI? Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt

10

moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en 3. Afwentelen wordt voorkomen. Belangrijkste keuzes in de NOVI • een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden; • de verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit. Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsten; • de overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied; • de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden. We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en regio’s in heel Nederland.

Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden; • het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies; • het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen. Uitvoering van de NOVI Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe het Rijk samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering geeft aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. Het Rijk werkt de NOVI uit in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma’s, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling en werkt gebiedsgericht met Omgevingsagenda’s en NOVI-gebieden. Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie.

2.3 Provinciaal beleid Omgevingsvisie Noord-Brabant en Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Het provinciale ruimtelijke beleid staat de realisering van de plannen niet in de weg. Hoofddoelstellingen van de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn ‘zuinig ruimtegebruik’ met daaraan gekoppeld de ‘concentratie van verstedelijking’. De accenten moeten hierbij liggen op ‘inbreiding’ en ‘herstructurering’.

11

Concentratie van verstedelijking De provincie stuurt op concentratie van verstedelijking: het is belangrijk dat er verschil bestaat en blijft bestaan tussen de steden en dorpen. De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant en is onderverdeeld in ‘concentratiegebieden’ en ‘overig stedelijk gebied’. In concentratiegebieden wordt de bovenlokale groei van verstedelijking opgevangen. Daarnaast moet hier een hoog voorzieningenniveau geboden worden, waardoor de (suburbane) kernen en dorpen buiten het concentratiegebied het huidige (landelijke) karakter behouden. In overig stedelijk gebied is grootschalige verstedelijking ongewenst. Wel kan hier voor de eigen behoefte gebouwd worden. Naast concentratie van verstedelijking wil de provincie binnen de stedelijke structuur het volgende bereiken: • zorgvuldig ruimtegebruik; • meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit; • betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur; • versterking van de economische kennisclusters. Voor onderhavig initiatief spelen de elementen ‘zorgvuldig ruimtegebruik’ en ‘meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit’ een rol. Zorgvuldig ruimtegebruik De provincie wil dat de kansen voor functiemenging, inbreiding, herstructurering en zo nodig transformatie in het stedelijk gebied goed worden benut, inclusief de mogelijkheden voor intensivering en meervoudig ruimtegebruik.

Hierdoor is minder ruimte nodig voor stedelijke uitbreidingen. Het ‘aansnijden van nieuwe ruimte’ voor verstedelijking wordt in samenhang bezien met deze mogelijkheden. Door meer aandacht te schenken aan beheer en onderhoud van het bestaand stedelijke gebied worden in de toekomst ingrijpende herstructureringen voorkomen. Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit Karakteristieke verschillen tussen dorpen en steden vervagen. Uitbreidingswijken en werklocaties in steden en dorpen gaan steeds meer op elkaar lijken. De provincie wil dat nieuwe ontwikkelingen meer inspelen op het karakter en de kwaliteit van de plek. Door bij stedelijke ontwikkelingen uit te gaan van het verschil in omvang en karakter van de verschillende kernen, wordt het contrast tussen stad en dorp behouden. Dit versterkt de identiteit en aantrekkelijkheid van kernen en hun relatie met het omliggende landschap. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Met visies, agenda’s en plannen geeft de provincie haar ruimtelijk beleid voor Noord-Brabant vorm. Daarvoor gelden soms ook regels. Die staan in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De gemeente moet rekening houden met deze instructieregels bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. Binnen het plangebied zijn navolgende instructieregels relevant voor het planvoornemen.

Duurzame stedelijke ontwikkeling Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken en dat het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden;

12

c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Het plangebied is gelegen binnen het ‘stedelijk gebied’ van de kern Aarle-Rixtel. Deze kern is onderdeel van het ‘concentratiegebied’ rond Eindhoven en Helmond. Goede omgevingskwaliteit In hoofdstuk 4 zijn de aspecten die de aanwezigheid van een veilige, gezonde leefomgeving nader beschreven. Uit dit hoofdstuk blijkt dat sprake is van een goede omgevingskwaliteit. Zorgvuldig ruimtegebruik Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. Per saldo is met het planvoornemen geen nieuw ruimtebeslag gemoeid. Het planvoornemen vindt geheel plaats op momenteel niet (meer) in gebruik zijnde percelen. Er is derhalve sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. Productie en gebruik van duurzame energie Bij de nieuw te bouwen woningen zal nadrukkelijker naar de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie gekeken worden. De bouw van woningen met een groot plat dak biedt in elk geval de mogelijkheid tot het benutten van zonne-energie.

Klimaatverandering Het plangebied beschikt over voldoende mogelijkheden om hemelwater op te vangen. Duurzame mobiliteit Voor de bereikbaarheid van de woningen blijft enerzijds het gebruik van de auto van belang (inherent aan de ligging in een kleinere kern als Aarle-Rixtel). Anderzijds biedt de ligging nabij het centrum van Aarle-Rixtel de mogelijkheid om de voorziening in de kern te voet of per fiets te bereiken en gebruik te maken van openbaar vervoer. Duurzame, concurrerende economie Het planvoornemen is dermate kleinschalig van aard, dat dit nauwelijks of geen effect heeft op de economische situatie. Het planvoornemen staat het realiseren van een duurzame, concurrerende economie niet in de weg. Geconcludeerd kan worden dat het planvoornemen past binnen het provinciaal beleid, zoals vastgelegd in de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.

2.4 Gemeentelijk beleid De provinciale ruimtelijke beleidskaders zijn of moeten worden vertaald in het gemeentelijke ruimtelijke beleid. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de Structuurvisie Laarbeek 2010-2020 en de Woonvisie Wonen in Laarbeek 2017-2021. Daarnaast is er al uitgebreid aandacht besteed aan de vigerende bestemming met daartoe behorende regels in paragraaf 1.3 van deze plantoelichting.

13

Structuurvisie Laarbeek 2010-2020: Groei in balans In de structuurvisie van de gemeente Laarbeek is de visie op de verdere ontwikkeling van de gemeente Laarbeek voor de komende 10 jaar vastgelegd. Deze visie op hoofdlijnen gaat onder meer in op ‘volkshuisvesting’. Volkshuisvesting Op basis van de resultaten van recente lotingen, de input van Woningstichting Laarbeek, diverse projectontwikkelaars en regionale woningmarktonderzoeken is een goed beeld te schetsen van de huidige woningmarkt. Voor de komende jaren bestaat in Laarbeek de volkshuisvestelijke opgave met name uit de volgende toevoegingen: • sociale huurwoningen voor starters; • sociale koopwoningen voor starters al of niet op basis van Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO); • grondgebonden seniorenwoningen; • appartementen voor één- en tweepersoonshuishoudens met merendeels een maximaal bvo van 100 m²; • halfvrijstaande woningen met een maximale perceelgrootte van 325 m²; • vrijstaande woningen (bij voorkeur zelfbouwkavels) met een maximale perceelgrootte van 600 m². Dit betekent niet dat de woningbouwopgave kan worden beperkt tot deze toevoegingen. Differentiatie blijft nadrukkelijk noodzakelijk om een verhuisketen (doorstroming) tot stand te kunnen brengen.

In algemene zin wordt gepoogd om de woningbouw kwantitatief zo evenredig mogelijk over de vier kernen te verdelen, naar rato van het aantal inwoners per kern. De gemeente streeft ernaar om tussen de 25% en 45 % van het woningbouwprogramma te realiseren in het sociale segment (huur en koop). Tevens bestaat het voornemen om het negatieve migratiesaldo terug te dringen. Enerzijds door de bouw van voldoende starterswoningen, anderzijds door een omslag van groeidenken naar kwaliteitsdenken. Laarbeek heeft de ambitie om door kwaliteitsverbetering aantrekkelijk te worden voor de vestiging van forenzen en kenniswerkers, werkzaam in het stedelijk gebied. Met het planvoornemen dat de bouw van grondgebonden woningen in de huursector mogelijk maakt, wordt invulling gegeven aan de volkshuisvestelijke opgave, zoals geschetst in de structuurvisie. Wonen in Laarbeek Woonvisie 2017-2021 De visie komt in paragraaf 3.1 uitgebreid aan de orde. Met het bouwplan wordt zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik nagestreefd. Geen uitbreiding, wel inbreiding, herontwikkeling, herstructurering en verdichting. De gemeente Laarbeek streeft naar een evenwichtige woningmarkt met voldoende, goede, betaalbare, gevarieerde en passende woningen. Dit streven komt onder meer terug in haar beleid ten aanzien van wonen en woningbouw.

Het onderliggende bouwplan is in overeenstemming met de beleidsdoelstellingen en uitgangspunten van de gemeentelijke visie. Zodoende is gewaarborgd dat zowel de afzetbaarheid als de maatschappelijke betekenis van het initiatief gegarandeerd zijn. De initiatiefnemer heeft uitvoerig overleg gevoerd met de gemeente om zo volledig mogelijk te beantwoorden aan de wensen en behoeftes, zoals opgenomen in de verschillende beleidsstukken van de gemeente Laarbeek. Zodoende is gewaarborgd dat zowel de afzetbaarheid als de maatschappelijke betekenis van het bouwplan gegarandeerd zijn.

14

3. Ruimtelijke inpassing en beeldkwaliteit 3.1 Woningbouwbehoefte Aarle-Rixtel Eén van de ambities uit de ‘Kadernota 2016 Laarbeek investeert!’ is gericht op het streven naar een aanbod van voldoende betaalbare huur- en koopwoningen voor alle doel groepen, met een woningbouwprogramma dat flexibel aansluit op de vraag naar zowel huur- als koopwoningen en (zelf)bouwkavels. Een daaruit voorkomend actiepunt is het opstarten van nieuwe woningbouwontwikkelingen in Aarle-Rixtel. In de visie ‘Wonen in Laarbeek Woonvisie 2017-2021’ is de gemeentelijke woonopgave nader uitgewerkt. Uitgangspunten daarbij waren onder meer de in het Regionaal Ruimtelijk Overleg Zuidoost Brabant (RRO) gemaakte kwantitatieve woningbouwafspraken. In het RRO is voor de periode 2015 tot en met 2024 vastgelegd dat in Laarbeek in totaal 1.105 woningen mogen worden toegevoegd aan de woningvoorraad. De totale plancapaciteit (dat wil zeggen de concrete vastgestelde of nog vast te stellen bouwplannen/bestemmingsplannen) per 1 januari 2016 voor Laarbeek bedroeg 863 woningen. Hiervan waren 741 woningen harde plancapaciteit en 122 zachte plancapaciteit. Dit betekent dat, gelet op de regionale woningbouwafspraken, er nog kwantitatieve ruimte is van 1.105 minus 863 is 242 woningen in de periode 2016 tot en met 2024.

De gemeente Laarbeek wil deze kwantitatieve ruimte van 242 woningen vooral inzetten voor Aarle-Rixtel en in de tweede plaats voor Lieshout. Naast de kwantitatieve woningbouwopgave, zijn in de woonvisie ook de kwalitatieve prioriteiten voor het woonbeleid voor de periode 2017 tot en met 2021 vastgelegd. Deze prioriteiten kunnen als volgt worden samengevat: • gevarieerd en aantrekkelijk aanbod van woningen dat aansluit op de vraag • voldoende aanbod betaalbare woningen • voldoende aanbod sociale huurwoningen • voldoende aanbod middeldure vrije sector huurwoningen • verduurzaming van de woningenvoorraad met oog voor kwaliteitsverbetering van de woningvoorraad en woonomgeving In het rapport ‘Woningbehoefte Aarle-Rixtel’ (Royal HaskoningDHV, 2018) is in opdracht van de gemeente Laarbeek geprobeerd een kadering van een meer exacte kwalitatieve woonbehoefte te geven. Dit heeft verschillende inzichten opgeleverd, die richting kunnen geven aan de invulling van het programma van nieuwe woningbouwprojecten in Aarle-Rixtel. De daadwerkelijke totstandkoming van een programma is naast de lokale woningbehoefte ook afhankelijk van andere factoren, zoals onder andere, beleidsambities, de grondkosten en locaties.

Bij nieuwbouw projecten zou de gemeente Laarbeek aandacht moeten hebben voor: • Toevoegen levensloopbestendige woningen Een mix van koop- (patiowoning) en huurwoningen (appartement) in diverse categorieën (Koop: middelduur en duur. Huur: sociaal en middenhuur). Deze categorie geeft invulling aan een absoluut tekort en is daarmee aanvullend op de huidige woningvoorraad. Hierdoor kan meer doorstroming ontstaan. Sluit aan bij de beleidsuitgangspunten in de Woonvisie. Voor beide type woningen is een adequate locatie en buitenruimte van groot belang om de doelgroep te kunnen bedienen. • Toevoegen starterswoningen Een mix van bij voorkeur (beperkt) uitbreidbare eengezinswoningen in de koopsector met VON prijzen tot ongeveer €225.000. Hiermee wordt een kwalitatief passende woning (lage hypotheek en overige lasten) als eerste

15

•

•

• •

stap op woningmarkt mogelijk, met als gevolg dat jongeren voor de kern worden behouden. Zelfbouw en CPO Er blijkt een grote behoefte c.q. geneigdheid naar (collectieve) zelfbouw. Eén op de 5 aanwezigen geeft een nadrukkelijke voorkeur voor zelfbouw op. Nog eens 20% ziet (collectieve) zelfbouw als optie. De genoemde segmenten (sociale huur uitgezonderd) lenen zich voor zelfbouw (collectieven). Daarbij moet als kanttekening worden gesteld dat alsnog 80% van de aanwezigen zich bij voorkeur bediend ziet door een ontwikkelaar of ontwikkelende bouwer. Beperken grote eengezinswoningen Is niet aanvullend op huidige woningmarkt. Een groot deel van de voorraad bestaat uit wat grotere tweekappers of vrijstaande woningen (VON prijs >€350.000). Bij deze woningen is de belangrijkste opgave het verduurzamen. Verhouding huur / koop In de totale programmering van locaties past een verhouding van ongeveer 60- 70% koopwoningen en 30-40% huurwoningen bij woningbehoefte in Aarle-Rixtel. Samenvatting kwantitatief Wanneer de uitbreidingsopgave uit de Woonvisie van 70 woningen tot en met 2024 als uitgangspunt wordt genomen, zou een nieuwbouw streefprogramma voor de kern Aarle-Rixtel zou in aanzet de volgende samenstelling kunnen hebben:

In de ‘Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant 2020’ is een prognose opgenomen van de toename van het aantal huishoudens in de gemeente Laarbeek. Op basis van demografische cijfers en trends wordt verwacht dat in Laarbeek in de periode 2020-2030 dit aantal groeit met 425 huishoudens. In dezelfde periode neemt de woningvoorraad naar verwachting toe met 755 woningen. Uitgangspunt hierbij is de bovenstaande provinciale, demografische prognose. Met het planvoornemen wordt de bouw van 12 patiowoningen in Aarle-Rixtel mogelijk gemaakt. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de gewenste ‘inhaalslag’ wat betreft uitbreiding van de woningvoorraad in de kern Aarle-Rixtel. Het planvoornemen sluit verder goed aan bij de prioriteiten genoemd in de Woonvisie: • meer woningen voor 1-2 persoonshuishoudens en senioren • bij nieuwbouw prioriteit geven aan de realisatie van starterswoningen, sociale huurwoningen, middeldure huurwoningen en levensloop bestendige woningen

16

•

nieuw te bouwen woningen moeten uiterlijk 2025 energieneutraal zijn

Tussen gemeente en initiatiefnemer heeft afstemming plaatsgevonden over meest wenselijke invulling van deze locatie. Gelet op de woonprioriteiten is een invulling met betaalbare woningen voor starters en/of levensloopbestendige woningen het meest wenselijk. Het planvoornemen gaat uit van 12 levensloopbestendige patiowoningen die geschikt en aantrekkelijk zijn voor alle leeftijdscategorieën. De woningen zullen op de markt worden gezet als huurwoning.

3.2 Verkaveling Plangebied Het plangebied betreft de locatie van de voormalige pastorie aan de Heindertweg en het naastgelegen (bouw-)perceel. Dit laatste perceel is door de initiatiefnemer aangekocht om dit terrein bij de herontwikkeling te kunnen betrekken. Analyse Aan de zuidzijde sluit de Heindertweg aan op de Dorpsstraat van Aarle-Rixtel. De Dorpsstraat is het voornaamste lint van het dorp en bestaat uit een monumentale diversiteit van kleinschalige bebouwing. Kijkende naar de traditionele bebouwing, is te zien dat de van oorsprong publieke gebouwen aanzienlijk rijker geornamenteerd zijn dan de woongebouwen, welke sober en functioneel zijn vormgegeven. Hoe groter de afstand tot de Dorpsstraat, hoe meer de schaal en de moderniteit van de bebouwing toenemen. Aan de Heindertweg is dit verloop helder zichtbaar. Ter plaatse van de Dorpsstraat is de pastorie gepositioneerd en vandaaruit nemen de schaal en moderniteit van de bebouwing toe tot uiteindelijk de forse, lichte appartementencomplexen aan de Molenstraat. Ten westen van de Heindertweg bevindt zich het kerkhof, ten oosten Basisschool de Heindert. Ambitie De nieuwbouw aan de Heindertweg dient op een zorgvuldige manier deel te nemen in dit verloop van schaal en moderniteit. Bovendien dient rekening gehouden te worden met het naastgelegen kerkhof, alsmede te tegenoverliggende school (en de daarbij horende verkeersdrukte).

Uitwerking Het nieuwe plan bestaat uit 12 patiowoningen. De verkaveling is zo georganiseerd dat er een zichtrelatie blijft bestaan tussen de school en de kerk met bijbehorend kerkhof. In zichzelf zorgt deze verkaveling voor ‘buurtvorming’ tussen de woningen doordat ze richting elkaar zijn georiënteerd.

3.3 Bebouwing Bouwvolumes Om deel te nemen in het schaal- en stijlverloop van de Heindertweg is gekozen voor sculpturale volumes van metselwerk. De diversiteit hiervan vormt een levendig beeld tegenover basisschool de Heindert, de ingetogen gevels aan de achterzijde reageren gepast op het kerkhof. De volumes zijn één bouwlaag hoog, onder meer om recht te doen aan de schaal van de naastgelegen woning Heindertweg 3. Dakopbouwen zijn niet voorzien.

17

Materialen Het ensemble is uitgevoerd in grijs-bruin metselwerk met een donkere voeg. De kozijnen worden vervaardigd in antraciet gekleurd hout. Verder zijn accenten aangebracht middels verticaal aangebracht hout en wit gekeimd metselwerk. De detaillering is ingetogen en minimalistisch. Navolgende afbeelding betreft een eerste opzet en analyse van de toekomstige verkaveling (bron: Salix Vastgoed, XL Architecten, 2020)

Enerzijds is deze detaillering een abstractie van het ingetogen detailniveau van de traditionele bebouwing aan de Dorpsstraat, anderzijds zorgt dit voor moderne en frisse architectuur, die een opmaat vormt voor de hedendaagse architectuur van de basisschool en de achterliggende appartementengebouwen.

3.4 Ontsluiting en parkeren De ontsluiting van de woningen vindt plaats via 2 insteken vanaf de Heindertweg. De beide insteken zijn doodlopend en ontsluiten enkel de aanliggende nieuwe woningen. In het bebouwingsvoorstel zijn 22 parkeerplaatsen voorzien. 12 parkeerplaatsen daarvan zijn gesitueerd ‘op eigen terrein’ nabij de entrees tot de woningen. De overige 10 parkeerplaatsen zijn gelegen aan de Heindertweg. Ter hoogte van de nieuwe woningen zijn aan deze weg 10 parkeerplaatsen haaks op de weg gesitueerd. Uitgaande van de te realiseren 12 woningen betekent dit dat een parkeernorm van ruim 1,8 parkeerplaatsen per woning wordt gehaald. Daarmee wordt voldaan aan de parkeernorm op basis van het Parkeerbeleidsplan van de gemeente Laarbeek. Dit gaat voor huurwoningen in de vrije sector in de schil om het centrum van een kern in weinig stedelijk gebied uit van een parkeernormen van gemiddeld 1,8 pp/woning. Uitgaande van het bebouwingsvoorstel

18

zijn op basis van deze norm 12 x 1,8 = 21,6 parkeerplaatsen noodzakelijk. Met de 22 te realiseren parkeerplaatsen wordt hier hierin voorzien. Navolgende afbeelding betreft de toekomstige verkaveling, met tevens ingetekend de voorziene parkeerplekken (bron: Salix Vastgoed, XL Architecten, 2021).

3.5 Groenvoorzieningen De groenvoorzieningen spelen een belangrijke rol bij de inpassing van de nieuwe woningen in de omgeving. De beide insteken worden aan weerszijden begeleid door groen. Dit groen zorgt enerzijds voor een uniforme inpassing van de woningen. Anderzijds versterkt dit laag blijvende groen de zichtrelatie vanaf de Heindertweg naar het achtergelegen ‘groene’ kerkhof. Om dit ook voor de toekomst vast te leggen wordt de inrichting van de tuinen bij de woningen afgestemd op de inrichting van de openbare ruimte, zodat deze samen een geheel vormen. De afstemming wordt bewaakt door de verhuurder en de toekomstige vereniging van eigenaren. De beëindiging van de insteken wordt gemarkeerd door een solitaire boom, geplaatst in de as van de insteek. De verbreding van de insteken aan de zijde van het kerkhof en de situering van een zitelement onder de beide bomen, dragen bij aan de verblijfskwaliteit van de insteken. Navolgende afbeeldingen geven een weergave van de toekomstige situatie van het plangebied, respectievelijk bezien vanaf de Heindertweg en de nieuw te creëren insteek (bron: Salix Vastgoed, XL Architecten, 2021).

19

3.6 Duurzaamheid Duurzame ontwikkeling is te zien als een ontwikkelingsproces, waarbij gestreefd wordt naar het tot stand brengen van een duurzame samenleving. Dit gebeurt door in alle stadia van een planproces kansen en mogelijkheden te benutten voor het realiseren van een hoge ruimtelijke kwaliteit in combinatie met een zo laag mogelijke milieubelasting, en deze in de tijd weten te handhaven, zodat ook toekomstige generaties daarin delen. Ook de gemeente Laarbeek heeft in haar beleidsdoelstellingen duurzaamheid opgenomen en wenst deze structureel in ontwikkelingsplannen op te nemen.

20

Bij de verdere uitwerking van de plannen voor de woningbouw en de inrichting van de openbare ruimte zal duurzaamheid een belangrijk item zijn. Zaken als de toepassing van zonnepanelen op de daken en ondergrondse infiltratie van hemelwater zijn randvoorwaarden bij de verdere uitwerking. Door natuurinclusief te bouwen en te ontwerpen is het mogelijk gezonde en aantrekkelijke steden en dorpen te creëren, die voor alle gebruikers een prettige leefomgeving zijn. Goed stedelijk groen zorgt voor verkoeling in de zomerhitte, zuivert de lucht en biedt volop ruimte aan mede-stadsbewoners, zoals huismus, gierzwaluw, merel of gewone dwergvleermuis. Bij de uitwerking van de plannen voor de locatie Heindertweg 1 zal ook nadrukkelijk aandacht worden besteed aan de mogelijkheden voor natuurinclusief bouwen.

21

4. Milieu-hygiënische en planologische verantwoording De ruimtelijke ontwikkeling dient praktisch uitvoerbaar te zijn. In dit kader is het noodzakelijk om aandacht te besteden aan alle ruimtelijke en milieu-hygiënische (deel)aspecten. Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De beleidsvelden groeien naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de afweging van het al dan niet toelaten van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Tevens is het van belang milieubelastende functies, zoals bedrijfsactiviteiten, ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies, zoals woningen. Dit hoofdstuk gaat in op de milieu-hygiënische en ruimtelijke aspecten die van belang zijn voor de voorgenomen ontwikkeling in het gebied gelegen aan de Heindertweg te AarleRixtel. De resultaten van de kwalitatieve onderzoeken naar de milieukundige haalbaarheid worden beschreven en er wordt aan de andere – ruimtelijk relevante – waarden en omgevingsaspecten, zoals verkeer, parkeren en mobiliteit, getoetst. De thema’s die aan bod komen, hebben direct of indirect betrekking op de voorgenomen planontwikkeling.

4.1 M.e.r.-beoordeling Toetsingskader Het Besluit Mer is per 1 juli 2017 gewijzigd. De nieuwe beoordelingssystematiek moet worden toegepast en worden omschreven. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die onder de drempelwaarden van kolom 2 vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Dit houdt in dat er voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan een aparte mer-beoordelingsbeslissing moet worden genomen dat geen MER nodig is. Dit beslissingsdocument moet vervolgens in de bijlage van de toelichting opgenomen worden. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling gelden twee voorwaarden: 1. het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r.; 2.

de omvang van al die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de D-lijst). Bij besluiten en plannen over activiteiten die niet op de D-lijst staan, is de vormvrije m.e.r.-beoordeling dus niet nodig. In de bijlage bij het Besluit MER is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst).

22

Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: • een globale beschrijving van de ingreep-effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit; • wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht), verkeersaantrekkende werking e.d.? • wat is het ruimtebeslag? • wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn? • zijn er met betrekking tot de activiteit indicatieve invloedsafstanden bekend? (bijvoorbeeld uit het ‘groene boekje’) • waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op? Doorwerking plan(gebied) In de bijlage bij het Besluit m.e.r. is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst).

Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: • een globale beschrijving van de ingreep-effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit; • wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht), verkeersaantrekkende werking e.d.? Wat is het ruimtebeslag? • wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn? • zijn er met betrekking tot de activiteit indicatieve invloedsafstanden bekend? (bijvoorbeeld uit het ‘groene boekje’) • waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op? Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. 1. Op het plangebied wordt via een nieuw bestemmingsplan de bestemming gewijzigd naar ‘Wonen’ om onderhavig planvoornemen mogelijk te maken. In het plangebied wordt de realisatie van 12 wooneenheden mogelijk gemaakt (11 meer dan in de huidige situatie is toegestaan). Er is daarmee geen sprake van een overschrijding van de drempelwaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. 2.

In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een ‘gevoelig gebied’. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Het plangebied behoort niet tot een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Ook behoort het plangebied niet tot een gebied waarbinnen een Rijksmonument ligt of een Belvédèregebied. 3. In dit hoofdstuk worden de milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er door onderhavig bestemmingsplan geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen.

23

Conclusie Gelet op kleinschalige karakter van het plan in vergelijking met de plandrempels uit het Besluit m.e.r. en de ligging van het plangebied (niet in de buurt van een Natura 2000 gebied) en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de milieutoets van de verschillende milieuaspecten, zoals deze in de overige paragrafen zijn opgenomen. In het kader van de planprocedure is dan ook geen m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r. Het realiseren van woningen valt in beginsel onder onderdeel D (stedelijk ontwikkelingsproject, categorie D.11.2) van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Aangezien het gaat om een bestemmingsplanherziening ten behoeve van de ontwikkeling van maximaal 12 woningen wordt dit niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. en is een aanmeldnotitie (vormvrije m.e.r.-beoordeling) niet noodzakelijk.

4.2 Archeologie en cultuurhistorie Toetsingskader De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2019 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Zo ook navolgende bepaling omtrent de archeologische monumentenzorg. De gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1, onderscheidenlijk artikel 3.38, van de Wet ruimtelijke ordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden Doorwerking plan(gebied) De gemeente Laarbeek heeft haar cultuurhistorisch erfgoed onder meer vastgelegd op een Archeologische beleidskaart.

Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met de bekende of verwachte archeologische monumenten door terreinen met bekende of verwachte monumenten geen bestemming te geven die het bodemarchief kan schaden. Conform de Archeologische beleidskaart is sprake van een ‘zone van archeologische waarde’. In deze gebieden is bij eerdere onderzoeken reeds aangetoond dat er concentraties archeologische resten voorkomen die als behoudenswaardig gekarakteriseerd kunnen worden. Hiervoor geldt dat bij bodemingrepen die groter zijn dan 100 m2 en die dieper reiken dan 30 cm -Mv een archeologische onderzoeksplicht geldt. Aangezien de voorgenomen ingrepen deze vrijstellingsgrenzen zullen overschrijden, is sprake van een archeologische onderzoeksplicht. In dit kader is het onderzoek “Aarle-Rixtel, Heindertweg 1, gemeente Laarbeek (NB). Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase.” (Transect b.v., 2021) uitgevoerd. Daarin worden de volgende conclusies getrokken: • Op basis van het bureauonderzoek was voor het plangebied een hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum tot en met de

24

•

Nieuwe Tijd vastgesteld. Het plangebied ligt ter plaatse van een dekzandwelving, die mogelijkheden voor bewoning hebben gehad vanaf het Laat-Paleolithicum. Het plangebied maakt deel uit van de historische kern van Aarle-Rixtel, die ontstaan is gedurende de Late Middeleeuwen. Vrijwel direct ten westen van het plangebied zijn tijdens archeologisch onderzoek reeds huisplattegronden uit de Late Middeleeuwen aangetroffen, waarvan de grondsporen aanwezig zijn in zowel een cultuurlaag in de top van het dekzand als in de C-horizont van het dekzand. Ook gedurende de Nieuwe tijd is de omgeving van het plangebied bewoond geweest, hoewel op basis van historische kaarten geen bebouwing in het plangebied wordt verwacht. Tijdens het veldonderzoek is aangetoond dat de bodemopbouw archeologisch gezien nog intact is. Vanaf een diepte van 40-90 cm -Mv (15,3-15,6 m +NAP) is dekzand aangetroffen. In de top van het dekzand is een cultuurlaag en een restant van een BC-horizont aanwezig, die scherp overgaan in de Chorizont van het dekzand op een diepte van 55-125 cm -Mv (14,9-15,5 m +NAP). Daarom is sprake van een hoge verwachting op de aanwezigheid van resten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd, die zowel in de cultuurlaag als in de C-horizont aangetroffen kunnen worden.

Het ontstaan van de cultuurlaag heeft gezorgd voor aantasting van dat deel van de bodemopbouw waarin vondstconcentraties uit het Laat-Paleolithicum B en Mesolithicum kunnen worden aangetroffen. Daarom is sprake van een lage verwachting op het aantreffen van resten uit deze periode.

Voorgaande conclusies leiden tot het volgende advies: • In het plangebied is sprake van een hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten vanaf een diepte van 40-90 cm -Mv (15,3-15,6 m +NAP). De voorgenomen ingrepen in het plangebied, die de ondergrond in het gehele plangebied over een oppervlakte van 3000 m² zullen verstoren tot een nog onbekende diepte, zullen naar verwachting zorgen voor de aantasting van het archeologisch relevante niveau. Daarom adviseren wij om een karterend en waarderend archeologisch onderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid en aard van eventuele archeologische resten. Dit onderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P). Dit onderzoek moet worden uitgevoerd volgens een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). Het proefsleuvenonderzoek kan het beste worden uitgevoerd na afloop van de bovengrondse sloop van de bestaande bebouwing, waarbij een Archeologische Begeleiding (AB) van de sloop van bestaande funderingen plaats kan vinden. • Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport zal de bevoegde overheid (de gemeente Laarbeek) een selectiebesluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.

Het verkennend archeologisch onderzoek is als bijlage 1 bij deze plantoelichting beschikbaar. De gemeente Laarbeek heeft haar cultuurhistorisch erfgoed vastgelegd op een Cultuurhistorische beleidskaart. Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met de bekende cultuurhistorische monumenten door terreinen met bekende monumenten geen bestemming te geven die het erfgoed kan schaden en onder de (dubbel)bestemming waarde cultuurhistorie te brengen. Op de cultuurhistorische beleidskaart zijn aan het plangebied geen cultuurhistorische waarden toegekend. Ten zuiden van het plangebied is de zone langs de Dorpsstraat en

25

rond de kerk en het kerkhof wel aangeduid als een gebied met een zeer hoge cultuurhistorische waarde. Historisch stedenbouwkundig is hier sprake van een ensemble met een hoge cultuurhistorische waarde. Zo ook is de Heindertweg aangeduid als een object met een zeer hoge cultuurhistorische waarde. Het tracé van de Heindertweg is aangeduid als een historisch geografische lijn met een redelijk hoge cultuurhistorische waarde. Op basis van de bekende historische gegevens en/of de landschappelijke ligging, kunnen deze objecten of gebieden gezien worden als belangrijke elementen van de regionale identiteit. Deze cultuurhistorische waarden verdienen het om behouden te worden, maar vooral ook om als inspiratiebron te worden gebruikt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. De aanwezige cultuurhistorische waarden mogen in principe niet worden verstoord of vernietigd. Nieuwe ontwikkelingen moeten zo mogelijk de cultuurhistorische waarden versterken. Bij gebouwen geldt dat onderhoud en versterken voor vernieuwen en ontwikkelen gaat en dat vernieuwen en ontwikkelen geschiedt vanuit en met respect voor de cultuurhistorische waarden. Het plangebied valt buiten genoemde gebieden en objecten. De cultuurhistorisch waardevolle gebieden en objecten zijn niet rechtstreeks in het geding.

Daarnaast is bij de verkaveling van het plangebied en de dimensionering en situering van de bebouwing daarbinnen nadrukkelijk rekening gehouden met de historische context om te voorkomen dat de aanwezige cultuurhistorische waarden worden aangetast. Conclusie Uit archeologisch en cultuurhistorisch perspectief zijn er, bij inachtneming van de adviezen, geen belemmeringen voor het (betemmings)plan.

4.3 Flora en fauna en stikstofdepositie Toetsingskader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Daarmee is de integratie van de Natuurbeschermingswet (Nbw), de Flora- en faunawet (Ffw) en de Boswet een feit. In de Wnb is zowel de gebiedsbescherming als de soortenbescherming geregeld. Bij gebiedsbescherming gaat het om aangewezen natuurgebieden en bij soortenbescherming gaat het om de bescherming van vogels en andere diersoorten en planten. Doorwerking plan(gebied) In verband met de uitvoerbaarheid van ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met soortenbescherming en dan met name de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Er mogen geen mogelijkheden worden geboden voor ruimtelijke ontwikkelingen waarvan op voorhand redelijkerwijs kan worden ingezien dat in het kader van de Wnb geen ontheffing zal worden verleend. In het kader van de gebiedsbescherming moet getoetst worden in hoeverre het planvoornemen significante effecten heeft op natuurgebieden in de omgeving. In ieder geval moet daarbij gekeken worden naar de effecten op het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Natura 2000-gebieden. Soortenbescherming, quickscan flora en fauna

26

Teneinde in beeld te krijgen welke soorten in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn en wat de effecten op natuurgebieden in de omgeving (kunnen) zijn, is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. In de “Quickscan flora en fauna Heindertweg 1, Aarle-Rixtel” (BNL advies, 2020) zijn de bevindingen van het Wnb-onderzoek vastgelegd. Hierna volgen de conclusies uit dit onderzoek. Soorten Vogelrichtlijn • Vogels met jaarrond beschermde nesten Het plangebied is niet geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten, namelijk de huismus, gierzwaluw, steenuil en kerkuil. Naderonderzoek naar het voorkomen/gebied gebruiksfuncties van deze soorten wordt niet nodig geacht. Nader onderzoek naar boombewonende soorten welke volgens de vogelrichtlijn beschermd dienen te worden wordt niet nodig geacht door het ontbreken van een geschikt habitat. • Vogels met niet- jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) Het plangebied is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met niet jaarrond beschermde nesten, waaronder spreeuw, koolmees, pimpelmees en zwarte roodstaart.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Laarbeek&id=45091008-5641-4435-9d77-512acd24564f