CConstaterende datLaarbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

8 20211014 Toelichting vgbp Duin 10 Lieshout bijlage 3 Nader onderzoek huismussen.pdf

Raadsvergadering 14 oktober 2021, gemeente LaarbeekBij agendapunt: H. Voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan Duin 10 Lieshout17.147 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Figuur 10: Stofbad (bron: Stichting witte Mus).

(figuur 9), dat het mogelijk is om per gebouw of eventueel per huizenblok te zien waar de nestplekken zich bevinden. Aangeraden wordt om ook waarnemingen van soorten als spreeuw en gierzwaluw tegelijkertijd te noteren, omdat die op vergelijkbare plekken in gebouwen als de huismus kunnen broeden. Figuur 9: Verspreiding van de huismus in Purmerend in 2011. Elke stip staat voor een broedpaar (nest), per huis ingetekend (bron: Sovon, Gemeente Purmerend).

18

19

Huismus | Passer domesticus Kennisdocument | Versie 1.0 Juli 2017

Dit is een publicatie van BIJ12 I Werkt voor Provincies

Periode van inventariseren

gebied gedurende enkele jaren in beeld te brengen. De verdeling van deze klassen geeft een indicatie

In figuur 11 wordt de geschiktheid van perioden voor inventariseren voor de verschillende

hoe het met de populatie gesteld is en of er regelmatig voortplantingssucces aanwezig is.

inventarisatiewijzen aangegeven. Ook buiten deze perioden kan soms worden geïnventariseerd, maar dan zal meer onderzoeksinspanning verricht moeten worden.

Met behulp van de inventarisatiegegevens kan ook in beeld gebracht worden hoe de populatie het gebied gebruikt: betreft het plangebied een onderdeel van een netwerkpopulatie, is het gebied een

Plekken waar huismussen gezamenlijk overnachten moeten rond zonsopgang of rond zonsondergang

belangrijke schakel in dat netwerk, zijn er barrières, et cetera. In grote lijnen kunnen drie situaties gelden

worden geïnventariseerd.

maar de plaatselijke situatie is leidend (figuur 6): 1.

er is sprake van een gebied van dusdanige grootte en kwaliteit dat er zich op langere termijn een

Figuur 11: Op hoofdlijnen weergegeven de geschiktheid van perioden van inventariseren voor verschillende wijzen van

duurzaam levensvatbare populatie kan bevinden. Veelal betreft dit gebieden waar meer dan 25

inventariseren.

paartjes huismussen verblijven. 2.

er is sprake van een gebied waar zich een levensvatbare populatie bevindt, de duurzaamheid op langere termijn hiervan is alleen mogelijk als dit gebied in verbinding is met andere gebieden/ populaties. Veelal betreft dit gebieden waar zich tussen de 10 en 25 paartjes huismussen bevinden.

3.

er is sprake van een gebied waar zich geen duurzame populatie kan bevinden. Veelal betreft dit gebieden waar zich minder dan 10 paartjes huismussen bevinden.

Meer inzicht in de populatieontwikkeling ter plekke kan mogelijk worden verkregen door tevens gebruik te maken van tot 10 à 15 jaar oude ecologische relevante verspreidingsgegevens uit bijvoorbeeld de NDFF of inventarisatierapporten. Ook het informeren bij vrijwilligers van een regionale vogelwerkgroep die zich bezig houden met huismussen kan al veel inzicht geven in de gunstige staat van instandhouding.

2.3 Het bepalen van de effecten van de activiteiten Het bepalen of de voorgenomen activiteiten tot een overtreding leiden is per project maatwerk en 2.2.3

Bepaal de omvang van de populatie

moet gebeuren door een deskundige die hiermee aantoonbaar ervaring heeft. Om de effecten van

Als een ontheffing of een verklaring van geen bedenkingen nodig is voor het uitvoeren van de

de voorgenomen activiteiten te bepalen is het noodzakelijk om eerst goed te beschrijven wat deze

activiteiten, is het noodzakelijk om inzicht te krijgen in het effect van de activiteiten op de gunstige staat

activiteiten gaan inhouden. Per project en gebied betreft dit maatwerk. Er zal onder meer, bij voorkeur

van instandhouding van de populatie van de huismus. Er moet in beeld gebracht worden hoe groot de

ook op kaart, in beeld gebracht moeten worden op welke locaties in het gebied de activiteiten plaats

populatie van huismus ter plekke is, hoe deze zich ontwikkelt en op hoeveel exemplaren van de huismus

gaan vinden. Daarnaast zal het nodig zijn om aan te geven wanneer in het jaar, wanneer op de dag en

de activiteit effect zal hebben en daarmee welk effect op de populatie optreedt. Het is aan het bevoegd

gedurende welke periode ze uitgevoerd gaan worden. Ook is het vaak relevant om in beeld te brengen

gezag om te bepalen op welk niveau (lokaal, regionaal, landelijk) de gunstige staat van instandhouding

welke voorbereidende activiteiten plaats gaan vinden, welke machines of welke materialen gebruikt

beoordeeld moet worden.

gaan worden. Tevens kan in beeld worden gebracht waar en wanneer bepaalde maatregelen’ worden genomen ten gunste van de huismus.

Er zijn meerdere mogelijkheden om de populatie van de huismus in beeld te brengen. Per project is dit maatwerk, dat door een huismusdeskundige uitgevoerd moet worden. Het kan nodig zijn om ook in de

2.3.1

directe omgeving van het eigenlijke plangebied het voorkomen van de huismus in beeld te brengen. De

Het onderzoek moet onderbouwd aangeven of de functionaliteit van de nesten en rustplaatsen tijdens

omvang van die omgeving is per project maatwerk maar zal veelal in de orde van minimaal 500 meter,

en na uitvoer van de activiteiten gegarandeerd kan worden. Hierbij moeten de volgende zaken in beeld

maar vaak meer liggen om de relaties met andere territoria adequaat in beeld te brengen.

worden gebracht: •

•

leefomgeving. Bij de huismus betreft dit naast de plekken waar het nest zich bevindt ook

worden. Dit kan door aan te geven welke delen van het gebied in welke mate in potentie geschikt

de optimale en overige geschikte habitat in het gebied waarin de huismus is aangetroffen:

exemplaren meegenomen worden. Om later het effect van de uit te voeren activiteit op de

foerageerplekken, dekkingsmogelijkheden, slaapplekken en dergelijke, •

worden hoeveel optimaal en overig geschikt leefgebied er aanwezig is en hoe dat ten opzichte van elkaar en de nestplekken gelegen is.

welke activiteiten plaats gaan vinden, op welke plekken, op welk moment, de wijze van uitvoering, en dergelijke

gunstige staat van instandhouding van de huismus aan te geven, moet in beeld gebracht

20

de locaties van de nesten en van de rustplaatsen en de bijbehorende (essentiële) functionele

De verspreiding, de omvang en kwaliteit van het leefgebied van de huismus kan in beeld gebracht zijn voor de huismus. Daarbij moeten ook de aangetroffen nesten en de aantallen waargenomen

•

Het bepalen van de vernieling van nesten of van rustplaatsen

•

waar en wanneer welke maatregelen ten gunste van de huismus worden genomen, zowel tijdens de sloop- en bouwfase als de gebruiksfase.

Ook kan bij ingrijpende projecten uitgebreid populatieonderzoek nodig zijn door de verspreiding

Aantasting van de functionaliteit kan aan de orde zijn als het geschikte habitat waar de huismus in

van en het aantal huismussen in de diverse leeftijdsklassen (jongen, adulten) in het betreffende

voorkomt in kwantiteit of kwaliteit voor de huismus afneemt, waardoor de plek niet meer de functie van

21

Huismus | Passer domesticus Kennisdocument | Versie 1.0 Juli 2017

Dit is een publicatie van BIJ12 I Werkt voor Provincies

voortplantingsplaats of rustplaats kan vervullen. Een leefgebied moet de huismus het hele jaar blijvend

een voortplantingsplaats of rustplaats is ter beoordeling van het bevoegd gezag. In het juridisch kader

voorzien in alles wat nodig is om succesvol te kunnen voortplanten of te kunnen verblijven.

behorende bij dit kennisdocument wordt hier nader op ingegaan.

Het kan nodig zijn om een analyse te maken van de locaties van elk nest in samenhang met het

Van belang is om in het onderzoek navolgbaar te onderbouwen welk effect de activiteiten hebben en of

bijbehorende leefgebied en om de uitkomsten van deze analyse op een kaart weer te geven. Uit deze

het om een tijdelijk of permanent effect gaat.

analyse moet blijken waar het nest of de nesten en de rustplaatsen zich bevinden, en wat geschikte,

Er zijn drie mogelijkheden:

matig geschikte of ongeschikte habitatdelen zijn. Van belang is om naast de locatie van een nest ook de kwaliteit van de foerageerplekken met hun dekkingsmogelijkheden, de altijd groenblijvende

1.

beplanting (heesters, gevelbegroeiing), dichte beplanting (zoals meidoorn, haagbeuk), en dergelijke

De activiteiten hebben geen effect op de functionaliteit van de nesten en rustplaatsen (figuur 13). De ingreep vindt plaats in een deel van het gebied waar de huismus geen betekenis aan hecht.

binnen het gebied in beeld te brengen (figuur 12). Vervolgens kan door een huismusdeskundige bepaald worden op welke onderdelen de ingreep effect heeft, en hoe belangrijk die onderdelen zijn voor de

Figuur 13: De ingreep (rood gearceerd) vindt plaats in niet-essentiële onderdelen van het territorium. Er is daardoor geen

instandhouding van de nesten en rustplaatsen. Ook activiteiten die alleen gericht zijn op die onderdelen

aantasting van de functionaliteit van een nest en rustplaats. Zie ook figuur 1 voor de legenda.

van het mussenhabitat kunnen effect hebben op de functionaliteit van een nest van de huismus. Het kan ook nodig zijn om de verschillende functies en kwaliteiten buiten het eigenlijke plangebied in beeld te brengen. Het bepalen of de functionaliteit in gevaar komt, is per project maatwerk en hangt onder meer af van de grootte en de duur van een project. Figuur 12: Voorbeeld van een slaapplaats in een treurwilg met klimop (bron: Stichting witte Mus).

2.

De activiteiten veroorzaken een aantasting van een deel van het gebied (figuur 14). De vernietiging van de nestplek zelf of een geringe aantasting van een deel van het leefgebied kan al een

aantasting van de nesten en rustplaatsen of van de bijbehorende de essentiële functionele leefomgeving opleveren. Het is van belang om te weten in welke mate de functionaliteit verloren gaat, welk effect dit heeft op de verblijfplaats en of het om een tijdelijk of permanent effect gaat.

Er kan sprake van verstoring van een nest of van een rustplaats als deze plaatsen fysiek, al dan niet voorlopig, wel in stand blijven, maar de activiteiten wel tot gevolg hebben dat de betreffende functie niet of minder goed vervuld kan worden. Dit kan onder meer gebeuren door aanwezigheid van mensen, gebruik van materieel of wellicht door effecten van geluid of licht. Of er een negatief effect optreedt is afhankelijk van de intensiteit, duur en frequentie van de herhaling van de verstoring en het moment waarop de verstoring plaatsvindt. Het verbod op verstoren richt zich op het opzettelijk verstoren. Of

22

er sprake is van opzettelijk verstoren en/of deze verstoring leidt tot een beschadiging of vernieling van

23

Huismus | Passer domesticus Kennisdocument | Versie 1.0 Juli 2017

Dit is een publicatie van BIJ12 I Werkt voor Provincies

Figuur 14: Een ingreep (rood gearceerd) kan plaats vinden ter plekke van de nestplaats (boven) of een gedeeltelijke

het toepassen van zorgplichtmaatregelen of door het nemen van maatregelen gericht op de huismus

aantasting van de functionaliteit van een nestplaats en rustplaats veroorzaken (onder).

(zie hoofdstuk 3 voor voorbeelden). Ook door het afzien van het uitvoeren van de activiteiten op de betreffende plek kan dit voorkomen worden.

2.3.2

Het bepalen of er huismussen opzettelijk worden gedood

Het bepalen of er door de activiteiten huismussen opzettelijk zullen worden gedood, is in alle gevallen maatwerk waarvoor een huismusdeskundige moet worden ingeschakeld. Men moet zich altijd aan de zorgplicht houden, waarmee onder meer wordt bedoeld dat doden en verwonden moet worden voorkomen. Het doden van huismussen is mogelijk te voorkomen door het niet uitvoeren of door het op een andere wijze of plek uitvoeren van de activiteiten, door het toepassen van zorgplichtmaatregelen en door het nemen van maatregelen gericht op de huismus (zie hoofdstuk 3 voor voorbeelden). 2.3.3

Het bepalen of er eieren van huismussen beschadigd of vernield worden

Als activiteiten leiden tot aantasting of vernietiging van nestplekken waar eieren aanwezig zijn, kan worden aangenomen dat er ook eieren van de huismus beschadigd of vernield worden. Dit geldt alleen als deze activiteiten plaatsvinden in de periode dat er eieren aanwezig kunnen zijn.

3.

De activiteit vernietigt het volledige gebied (figuur 15). De functionaliteit van het nest en rustplaats wordt daardoor aangetast. In deze situatie is het nodig om maatregelen te nemen om de functionaliteit te behouden.

Figuur 15: Volledige aantasting van de functionaliteit van een voortplantingsplaats en rustplaats door een ingreep (rood gearceerd).

Een hulpmiddel om te bepalen of er door de activiteit een kans is op negatieve effecten is de effectindicator (zie http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/effectenindicatorsoorten.aspx? subj=soorten). De effectindicator geeft niet aan in welke mate er effect optreedt. Het beschadigen, vernielen van nesten of rustplaatsen kan op verschillende manieren mogelijk

24

voorkomen worden. Bijvoorbeeld door het op een andere wijze of plek uitvoeren van de activiteiten, door

25

Huismus | Passer domesticus Kennisdocument | Versie 1.0 Juli 2017

Dit is een publicatie van BIJ12 I Werkt voor Provincies

3 Mogelijke maatregelen ten gunste van de huismus

3.1 Werken buiten kwetsbare perioden

In dit hoofdstuk staat een aantal maatregelen ten gunste van de huismus genoemd die in aanmerking

Een deskundige op het gebied van huismussen kan aangeven of de activiteiten plaats kunnen vinden.

maatregel Het uitvoeren van de activiteiten buiten de kwetsbare perioden van de huismus. uitleg

kunnen komen als bij de uitvoering van de voorgenomen activiteiten een overtreding van een verbodsbepaling gaat optreden. Door het nemen van één of meer van die maatregelen is het mogelijk

De huismus gebruikt zijn nest jaarrond en het gehele jaar kan aangemerkt worden als kwetsbare periode

om negatieve effecten van de activiteiten te verkleinen en mogelijk te voorkomen. Naast de genoemde

voor de huismus (figuur 16). De meest kwetsbare periode hierbinnen is de voortplantingsperiode. De

maatregelen geldt in alle gevallen dat er ook oplossingen liggen in andere niet nader omschreven

kwetsbare periode van de voortplanting loopt van maart tot en met augustus. Indien sprake is van late

alternatieven voor de uit te voeren activiteiten. Zo kunnen bij het isoleren van een gebouw wellicht

vervolglegsels kan september ook aangemerkt worden als voortplantingsperiode. De genoemde periode

ook toegangen tot plekken waar gebroed kan worden behouden blijven. Ook het niet uitvoeren van de

kan eerder of later beginnen of eindigen, afhankelijk van de lokale klimatologische omstandigheden en

activiteiten, zoals het plaatsen van vogelschroot, behoort tot de mogelijkheden om negatieve effecten

afhankelijk van de meteorologische omstandigheden voorafgaand aan of tijdens de werkzaamheden.

op de huismus te voorkomen. Hetzelfde geldt voor het verplaatsen van de activiteiten naar een gebied

Ook per broedpaar kan de

waar geen effecten op de huismus zullen optreden.

voortplantingsperiode verschillen. Een huismusdeskundige kan de exacte periode van voortplanting aangeven. Perioden met extreme koude in de winter kunnen ook aangemerkt worden als kwetsbare

In alle gevallen is maatwerk mogelijk. In samenspraak met een huismusdeskundige moet worden

periode. Ook hier kan een huismusdeskundige aangeven of er sprake is van een kwetsbare periode.

bepaald wanneer, waar, welke en hoeveel maatregelen in het specifieke project getroffen moeten worden. Mogelijk komen er ook maatregelen in aanmerking die hier niet genoemd worden, maar die door

Figuur 16: Op hoofdlijnen weergegeven de kwetsbare perioden van de huismus.

de huismusdeskundige wel als effectief worden gezien. Het toepassen van die maatregelen is mogelijk. In alle gevallen moet op schrift een goede onderbouwing worden gegeven waarom ze in het specifieke geval effectief zullen zijn. De te nemen maatregelen kunnen meer algemeen van aard zijn, ze kunnen gericht zijn op het zorgvuldig handelen maar het kunnen ook mitigerende of compenserende maatregelen zijn. Het verwachte succes van de maatregel moet zeker of met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vooraf vaststaan. Als de staat van instandhouding in het geding komt door de activiteiten, kan voor een maatregel worden gekozen die gericht is op het handhaven van een gunstige staat van instandhouding en die al aanwezig is én functioneert voordat de activiteiten met het negatieve effect plaats gaan vinden. De te nemen maatregelen moeten in verhouding staan tot het effect van de activiteiten. Veelal zal een kleine ingreep slechts een gering aantal exemplaren treffen en is er veel vergelijkbaar habitat in de directe omgeving aanwezig. In dat geval behoeft een relatief beperkt aantal aanvullende maatregelen te worden uitgevoerd. Een kleine ingreep kan echter ook een groot aantal exemplaren treffen, bijvoorbeeld

Er kan geen gunstige periode worden aangegeven om de activiteiten uit te voeren. Bij activiteiten die

als grotere kolonie (een “bolwerk”). In dat geval zal meer gedaan moeten worden.

effect hebben op het nest van de huismus (figuur 17) moeten de activiteiten plaatsvinden in de periode september tot en met februari, dat wil zeggen buiten het meest kwetsbare deel, namelijk de periode van

De in dit hoofdstuk beschreven maatregelen bieden een houvast en vormen een hulpmiddel bij het

de voortplanting, maar binnen de genoemde periode ook niet tijdens vorstperioden. Hetzelfde geldt voor

samenstellen van maatregelen om de effecten op de huismus te verminderen dan wel te voorkomen.

activiteiten die effect hebben op essentiële onderdelen van het leefgebied van de huismus. Activiteiten die de winterslaapplekken beïnvloeden moeten bij voorkeur buiten de koudeperioden uitgevoerd

Als monitoring aan de orde is moet het uitgevoerde onderzoek (inventarisatie, effectbepaling) als

worden.

nulmeting bruikbaar zijn. Dit vraagt extra aandacht bij het beschrijven van de gehanteerde methodiek in de bij de ontheffingsaanvraag te overleggen rapportage omdat het onderzoek later herhaald moet

Op het moment dat er jongen aanwezig zijn in het nest mogen nesten niet binnen twee meter benaderd

kunnen worden, mogelijk ook door partijen die niet bij dit eerste onderzoek betrokken zijn geweest.

worden door mensen of materieel.

Het wegvangen en vervolgens direct verplaatsen van huismussen naar een geschikte (verblijf)plaats in de directe omgeving van het plangebied is geen zinvolle maatregel. Huismussen zullen de nieuwe

26

verblijfplaats direct verlaten.

27

Huismus | Passer domesticus Kennisdocument | Versie 1.0 Juli 2017

Dit is een publicatie van BIJ12 I Werkt voor Provincies

Figuur 17: Op hoofdlijnen weergegeven de perioden waarin activiteiten al dan niet uitgevoerd kunnen worden.

Een vervangende nestplaats heeft nooit dezelfde eigenschappen als de oorspronkelijke nestplaats. Hierdoor kan een vervangende nestplaats zowel wat betreft zijn eigenschappen als zijn locatie, minder geschikt blijken dan verwacht. Dit kan worden ondervangen door meerdere nestplaatsen aan te bieden. Hoe meer alternatieve nestplaatsen aanwezig zijn, hoe groter de kans is dat minimaal één van deze geschikt gevonden wordt. De alternatieve nestplaatsen moeten voor minimaal eenzelfde aantal huismussen dezelfde functie kunnen vervullen als de oorspronkelijke plaats die verdwijnt. Een vervangende nestplaats kan een al voor de betreffende functie aanwezige geschikte, maar nog niet in gebruik zijnde plek zijn. Onderzoek moet uitwijzen of deze plekken aanwezig zijn. Als onderzoek aantoont dat die plekken niet aanwezig zijn, kunnen nieuwe vervangende verblijfplaatsen worden gerealiseerd, mits deze de betreffende functie kunnen overnemen voor een vergelijkbaar aantal Kader maatregel:

huismussen.

Zorgplicht/zorgvuldig handelen, behoud functionaliteit Huismussen hebben de tijd nodig om aan nieuwe nestplaatsen te wennen. Gedurende deze

3.2 Alternatieve nestplaatsen aanbieden

gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende

maatregel

voorzieningen beiden aanwezig zijn. Hierdoor kunnen de huismussen de voorzieningen ontdekken en

Voor elke nest dat zijn functie niet meer kan vervullen, wordt gezorgd dat er meerdere nieuwe

verkennen voor de ingreep wordt uitgevoerd. Een voldoende lange gewenningsperiode is nodig om een

alternatieve nestplaatsen aanwezig zijn.

voldoende succes van de maatregelen te waarborgen. Hoe dichter de vervangende verblijfplaats bij de oorspronkelijke verblijfplaats wordt gerealiseerd, hoe groter de kans is op succes. In de laatste maand

uitleg

van de gewenningsperiode kan al aangevangen worden met het langzamerhand ongeschikt maken van

Als de nestplek verloren gaat door de ingreep (figuur 18), gaat de functionaliteit van die plek volledig

de oorspronkelijke verblijfplaats.

verloren. Er zal gezorgd moeten worden voor vervangende nestplaatsen. In geval voedsel geen beperking geeft is de huismus zeer flexibel in het innemen van allerlei typen Figuur 18: Vogelschroot verhindert de toegang tot nestgelegenheid onder de onderste rij dakpannen (bron: Foto’s: Hans

vervangende verblijfplaatsen. Ook zal onder die omstandigheden, waarbij tevens sprake is van een al

Borra / comfortdak).

grote aanwezige populatie, een mussenhotel (een kast met meerdere verblijfplaatsen bijeen) eerder door meerdere paartjes worden ingenomen, terwijl dat onder andere omstandigheden niet snel het geval zal zijn. Als een nestplaats tijdelijk ongeschikt is voor de huismus door tijdelijke werkzaamheden, bijvoorbeeld bij renovatie van een gebouw, kan na de verstoring de oorspronkelijke nestplaats hersteld worden. Voor de periode dat de werkzaamheden plaatsvinden, moet dan wel tijdig voor vervangende nestgelegenheid gezorgd zijn. Ook een tijdelijke achteruitgang van de functionaliteit is namelijk niet toegestaan. Mogelijke maatregelen om het aanbod en functioneren van alternatieve nestplaatsen tijdens en na de werkzaamheden te garanderen, zijn:

28

29

Huismus | Passer domesticus Kennisdocument | Versie 1.0 Juli 2017

Dit is een publicatie van BIJ12 I Werkt voor Provincies

•

Voor elke nestplaats die aangetast of verwijderd worden minimaal twee nieuwe nestplaatsen

Figuur 19: De zogenaamde Vogelvide of vergelijkbare uitvoeringen geven wel mogelijkheid voor het maken van nesten,

aangeboden. Dit in de vorm van bijvoorbeeld vogeldakpannen, gierzwaluwpannen/stenen,

maar zorgt er voor dat er geen van buiten af door dieren bereikbare ruimten in gebouwen zijn (©Vogelbescherming

huiszwaluwnestkommen, nestkasten, neststenen, mussenpotten, dakvoetsystemen (waaronder

Vlaanderen vzw).

vogelvides, figuur 19) of vergelijkbare voorzieningen of door het maken van toegangen in gebouwen tussen dakbedekking en isolatielaag of het verwijderen van aanwezig vogelschroot. •

Voor de vervangende nestplaatsen geldt: –

dat er meerdere nestplekken bij elkaar aangeboden moeten worden. Zorg dat de openingen

minimaal 50 centimeter uit elkaar liggen; dit kan dichter bijeen, maar zorg er dan voor dat de

nestingang niet zichtbaar is voor de huismus die in de andere nestingang zit

–

zo dicht mogelijk bij de locatie van de oorspronkelijke verblijfplaats worden geplaatst

en als dat niet mogelijk is, dan in de directe omgeving (in de regel binnen 200 meter, bij

uitzondering 500 meter) van de oorspronkelijke nestplaats en buiten de

invloedsfeer van de werkzaamheden liggen

–

op minimaal 3 meter hoogte plaatsen

–

een minimale broedruimte van 15 x 8 centimeter

–

dat ze op een voor de huismus geschikte wijze en plek worden aangebracht. Zo mogen ze

niet te heet worden in de middagzon, maar zich ook niet op een te koude locatie bevinden:

voorkeur heeft een noord of oost expositie of een ligging in de schaduw van een dakgoot of

iets dergelijks

3.3 Verbeteren habitat in bestaand of nieuw leefgebied

–

in de directe omgeving van de nieuwe nestplaats continu voldoende dekking aanwezig is

maatregel

(minimaal 3 à 4 meter hoog opgaand groen), en dat er altijd (binnen 100 à 200 meter, bij

Het verbeteren van de kwaliteit van bestaand of het realiseren van nieuw geschikt habitat voor

voorkeur binnen 50 meter) voldoende geschikt voedsel en potentiële slaapplaatsen

huismussen. Dit moet tijdig gerealiseerd zijn en moet buiten de invloedsfeer van de activiteiten

beschikbaar zijn

plaatsvinden.

–

dat ze van voldoende duurzaam materiaal zijn en op een voldoende duurzame wijze worden

bevestigd. Of de duurzaamheid voldoende is hangt van meerdere factoren af,

uitleg

bijvoorbeeld van het type materiaal (hout, houtbeton, aardewerk, pvc, en dergelijke),

Als essentiële onderdelen van het leefgebied niet (meer) aanwezig zijn, kunnen voorafgaand aan de

van de houtsoort (ceder en robinia zijn duurzamer dan vuren of grenen), de wijze van

start van de eigenlijke activiteiten maatregelen worden genomen om het aanbod en het functioneren

ophanging, de aangebrachte plek (bijvoorbeeld onder een dakgoot of een andere

van vervangend foerageergebied, slaapplaatsen en dergelijke te garanderen door het nemen van

vorm van overhang of vol in zon en wind), dient het voor tijdelijke vervanging ter

beheermaatregelen of inrichtingsmaatregelen.

overbrugging van de periode van de werkzaamheden of als permanente vervanging, het te

verwachten gebouwbeheer (bij schilderwerk verdwijnen regelmatig aangebrachte

Onderstaande maatregelen zijn gericht op het in samenhang in stand houden van voldoende dekking,

voorzieningen) en of het beheer en onderhoud van de voorziening (schoonhouden, herstel bij

voedsel en slaapplaatsen:

gebreken) geregeld is.

•

Behoud of verkrijgen van voldoende dekkingsmogelijkheden door bijvoorbeeld:

–

dat er voldoende veiligheid is tegen predatoren. Dit geldt voor de nestplaats zelf, als ook dat

-

aanplant van doornige struiken als vuurdoorn en meidoorn, groenblijvende heesters,

er voldoende opgaand groen in de directe omgeving aanwezig is als dekking voor adulten of

klimplanten als klimop of wingerd, beukenhagen, en dergelijke binnen 5 à 10 meter (bij

(net uitvliegende) juvenielen

voorkeur binnen 2,5 meter) van plekken waar gefoerageerd wordt. Bladverliezende soorten

–

dat het materiaal waarvan ze zijn gemaakt niet behandeld is met chemische middelen

zijn in de winterperiode minder effectief.

–

dat ze minimaal drie maanden voor de start van de werkzaamheden aanwezig zijn, om de

vogels te laten wennen aan de nieuwe voorzieningen – •

-

dat het beheer duurzaam geregeld is. Dit beheer moet gebeuren in een periode dat verstoring niet of minimaal optreedt

aanplant van inheemse soorten bomen en ander opgaand groen binnen 5 à 10 meter (bij voorkeur binnen 2,5 meter) van de plekken waar gebroed wordt kant-en-klare hagen of gevelgroen aan te brengen als tijdelijke voorzieningen noodzakelijk zijn.

Voor al deze maatregelen geldt dat ze een hoogte van minimaal 3 meter moeten hebben willen ze

Monitoring van de effectiviteit van de genomen maatregelen kan aan de orde zijn.

effectief zijn. Kader maatregel: Behoud functionaliteit, waarborgen staat van instandhouding

•

Behoud of ontwikkeling van slaapgelegenheden door bijvoorbeeld - aanbrengen van groenblijvende gevelbegroeiing of ander verticaal groen, bijvoorbeeld met vuurdoorn, klimop -

aanplanten van groenblijvende heesters (bijvoorbeeld liguster, hulst) of coniferen

(bijvoorbeeld taxus).

30

-

in de winterperiode winternesten aan te bieden in de vorm van bijvoorbeeld takkenhopen of

31

Huismus | Passer domesticus Kennisdocument | Versie 1.0 Juli 2017

Dit is een publicatie van BIJ12 I Werkt voor Provincies

strobalen als een tijdelijke oplossing noodzakelijk is.

Voor al deze maatregelen geldt dat ze een hoogte van minimaal 3 meter moeten hebben

Het faseren van de activiteiten in ruimte en tijd is per project maatwerk. Aanbevolen wordt dit in

willen ze effectief zijn en zo mogelijk binnen 100 meter van de nestplaats aanwezig moeten

een werkplan vast te leggen. Er moet altijd een deskundige op het gebied van huismussen worden

zijn.

ingeschakeld. De genomen maatregelen kunnen op hun effectiviteit gemonitord worden. Bij een activiteit

•

Behoud of ontwikkeling van voldoende plekken waar gefoerageerd kan worden, door bijvoorbeeld:

met een klein ruimtebeslag ligt fasering in de ruimte en tijd minder voor de hand tenzij er cumulatie van effecten optreedt.

-

in stand houden of ontwikkelen van overhoekjes of stroken ruigte met onkruiden als bron

voor zaden en kleine zachte insecten. Straatgras, herderstasje en weegbree zijn favoriete

onkruiden

Kader maatregel

extensiever beheer van gazons door het terugbrengen van de maaifrequentie naar 1 maal per

Behoud functionaliteit, waarborgen staat van instandhouding

jaar. Het maaien vindt niet in het najaar plaats het bijvoeren met meelwormen in de periode dat er jongen zijn of met zaden e.d kan als

3.5 Toegankelijk houden nestplaatsen

tijdelijke maatregel in aanmerking komen.

Maatregel

op plekken met weinig kans op aanrijding gesloten (asfalt)verharding te vervangen door

Nestplaatsen worden tijdens het uitvoeren van de activiteiten toegankelijk gehouden voor de huismus.

klinkerbestrating.

Voor al deze maatregelen geldt dat voedsel bij voorkeur jaarrond beschikbaar is en zo mogelijk

Uitleg

binnen 100 meter van de nestplaats beschikbaar is en dat er binnen 5 à 10 meter (bij voorkeur

Nestplaatsen kunnen voor de huismus toegankelijk gehouden worden door bijvoorbeeld:

binnen 2,5 meter) dekking aanwezig is.

•

•

Behoud van voldoende drinkwater door bijvoorbeeld aanleg van vijvers

worden, zodanig te plaatsen dat geen holten, nissen en dergelijke die door huismussen als in- en

•

Behoud van voldoende mogelijkheden voor nemen van stofbaden door zandige plekken te

uitvliegopeningen worden gebruikt ontoegankelijk worden

realiseren of te handhaven.

•

geen (bouw)licht op de in- en uitvliegopeningen te laten schijnen.

De effectiviteit van de getroffen maatregelen worden gemonitord.

•

vogelschroot niet op de eerste panlat van onderen, maar aan de tweede panlat te plaatsen.

•

steigers, doeken, folie en vangnetten, die bij renovatiewerkzaamheden van gebouwen gebruikt

Overigens zitten de nesten vaak nog hoger, waardoor hiermee de plek niet behouden blijft als Het bevoegd gezag kan aanvullende eisen stellen aan het bestendigen van beheer en onderhoud van

nestplaats maar wel als slaapplaats.

mitigerende en compenserende inrichtingsmaatregelen. Kader maatregel Kader maatregel:

Zorgplicht/zorgvuldig handelen, behoud functionaliteit

Behoud functionaliteit, waarborgen staat van instandhouding

3.4 Faseren activiteiten in ruimte en tijd Maatregel

3.6 Ongeschikt maken nestplaatsen Maatregel Nestplaatsen worden tijdig voorafgaand aan de eigenlijke activiteiten ongeschikt gemaakt.

Door activiteiten gefaseerd in de ruimte en tijd uit te voeren, kan er voor worden gezorgd dat er op elk moment voldoende functionerende nesten, rustplaatsen en leefgebied aanwezig blijven.

Uitleg Tijdig voorafgaand aan de activiteiten moeten de nestplaatsen ongeschikt gemaakt worden om te

Uitleg

voorkomen dat deze bewoond zijn tijdens de uitvoering van de activiteiten. Dit moet voor de start van

Het in de tijd en ruimte gefaseerd uitvoeren van de activiteiten, zoals renovatie- of sloop van alle

de werkzaamheden en na het tijdig realiseren van vervangende nest- en rustgelegenheid gebeuren. Ook

woningen in een straat of wijk, herstructurering groen en dergelijke, kan van groot belang zijn. Vanuit

in perioden met vorst kunnen verblijfplaatsen bewoond zijn; daarom moet het ongeschikt maken van

de delen die gehandhaafd blijven heeft de populatie de mogelijkheid te herstellen na een tijdelijke

verblijfplaatsen ruim voor de winter plaatsvinden.

achteruitgang veroorzaakt door de activiteiten. Hierdoor kunnen huismussen verhuizen naar andere vrije gebieden in de directe omgeving, voor zover die de juiste kwaliteit hebben (gekregen). Er moeten

In alle gevallen moet een huismusdeskundige worden ingeschakeld om de best passende methode en het

voldoende nestplaatsen functioneel blijven.

beste moment te bepalen, uit te voeren en te controleren.

Bij sloop of werkzaamheden aan gebouwen over een grotere oppervlakte, bijvoorbeeld alle woningen

Kader maatregel

in een straat of een gehele wijk zullen in een groot gebied tegelijkertijd de kieren, nissen en dergelijke

Zorgplicht/zorgvuldig handelen

die door huismussen gebruikt worden als nestplekken verdwijnen. Vanwege de veelomvattendheid van de werkzaamheden kan ook een tijdelijke verhuizing van de bewoners van de huizen aan de orde zijn, waardoor ook voedselbronnen zoals broodkruimels en zaden over langere periode niet beschikbaar zullen zijn. Bij sloopwerkzaamheden en een nieuwe inrichting van de wijk of straat zal ook het aanwezige

32

groen verdwijnen, waarmee dekkings- en foerageermogelijkheden aangetast worden.

33

Huismus | Passer domesticus Kennisdocument | Versie 1.0 Juli 2017

Dit is een publicatie van BIJ12 I Werkt voor Provincies

3.7 Inschakelen huismusdeskundige

4 Activiteiten: effecten en te nemen maatregelen

maatregel De activiteiten worden uitgevoerd onder begeleiding van een deskundige op het gebied van huismussen. uitleg Het bevoegd gezag verstaat onder een deskundige een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis

In dit hoofdstuk staat van een aantal veelvoorkomende activiteiten een indicatie van negatieve

heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis moeten zijn opgedaan doordat

effecten op de huismus. Ook staat hier bij welke activiteiten welke maatregel of maatregelen veelal in

de deskundige:

aanmerking komen. Dit gebeurt op hoofdlijnen. Elk project en elk gebied is uniek: maatwerk kan en is

•

noodzakelijk.

op HBO-, dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of

• • •

op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt natuurwetgeving,

4.1 Effecten van verschillende typen activiteiten

soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of

Verschillende typen activiteiten zullen andere effecten tot gevolg hebben. Belangrijk is het schaalniveau

als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is

waarop de activiteiten zich afspelen en op welke wijze de huismus negatief beïnvloed wordt. Voor de

aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of

huismus kan dan in grote lijnen de volgende driedeling worden gemaakt:

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten

•

bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland,

huismussen bij betrokken •

Beheer Natuur en Landelijk gebied) en/of zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de

activiteiten waarbij alleen gebouwen betrokken zijn: deze hebben veelal alleen effect op de locaties van de nesten en slaapplaatsen van huismussen

Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, Sovon, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting

activiteiten die zich over een grote oppervlakte afspelen: er zijn meerdere territoria van

•

activiteiten waarbij alleen groen betrokken is: deze kunnen effect hebben op het foerageergebied, slaapplaatsen en de dekkingsmogelijkheden van huismussen, maar ook soms op nestlocaties.

soortenmonitoring en/of -bescherming. Activiteiten die op een groot gebied plaatsvinden, hebben effect op een zeer groot aantal territoria. Kader maatregel:

Vaak zal het niet mogelijk zijn om van elke nestplaats de functionaliteit te behouden. Door deze

Zorgplicht/zorgvuldig handelen

activiteiten moet rekening gehouden worden met sterfte van een groot aantal huismussen als er geen voorzorgsmaatregelen worden getroffen. De effecten op de staat van instandhouding van de populatie

3.8 Opstellen ecologisch werkprotocol

kunnen groot zijn. De effecten kunnen verminderd worden door gebieden geschikt te maken voor de

maatregel

huismus of door de activiteiten gefaseerd in ruimte en tijd uit te voeren.

Een huismusdeskundige stelt een ecologisch werkprotocol op. Dit ecologische werkprotocol moet op de locatie aanwezig zijn en de inhoud moet bij de betrokken werknemers bekend zijn. De activiteiten

Activiteiten die plaatsvinden aan een enkel gebouw kunnen effect hebben op één of meer nestplaatsen

moeten aantoonbaar volgens dit protocol worden uitgevoerd.

of op gezamenlijke slaapplaatsen. Activiteiten die in de bijbehorende tuin of groene omgeving plaatsvinden, hebben vooral effect op het foerageergebied van de huismus, maar kunnen ook effect

uitleg

hebben op nestlocaties of slaapplaatsen. Vaak zal het niet mogelijk zijn om van elke verblijfplaats

In een ecologisch werkprotocol staat omschreven welke maatregelen getroffen worden om effecten op

de functionaliteit te behouden. De effecten op de staat van instandhouding van de populatie zijn

beschermde soorten te voorkomen. Ook staat erin hoe te handelen als deze effecten toch optreden. Er

vaak beperkt. Hier kunnen effecten verminderd worden door bijvoorbeeld het in stand houden of het

staat onder andere in vermeld:

creëren van nestgelegenheid en allerlei wintergroene elementen en dergelijke. De huismus ondervindt

•

in welke periode gewerkt moet worden

gebruikelijk geen relevante last van een normaal gebruik van een tuin.

•

welke activiteiten op welke locatie(s) en op welk moment plaatsvinden

•

welke maatregelen worden genomen en wat daarmee wordt gerealiseerd voor de huismus

Activiteiten die plaatsvinden in de “groene” delen van het leefgebied van de huismus hebben vooral

•

wanneer begeleiding door een huismusdeskundige noodzakelijk is

effect op de (essentiële) leefomgeving van de nestplaats en de winterverblijfplaats, soms ook op de

•

wie die huismusdeskundige is en wat de deskundige exact gaat doen.

nestplaats zelf. Hier kunnen effecten verminderd worden door het in stand houden en creëren van plekken waar voedsel gevonden kan worden of van allerlei wintergroene elementen en andere slaap- en

Kader maatregel:

dekkingsmogelijkheden.

Zorgplicht/zorgvuldig handelen Als klinkerbestratingen vervangen worden door asfaltbestrating dan verdwijnen mogelijkheden voor groei van onkruiden. Eenzelfde effect heeft het spuiten tegen onkruid groeiend tussen klinkers. Ook het aanbrengen van houtsnippers op de bodem kan negatieve gevolgen hebben vanwege het verdwijnen van

34

onkruiden en het verdwijnen van mogelijkheden om zandbaden te nemen.

35

Huismus | Passer domesticus Kennisdocument | Versie 1.0 Juli 2017

Dit is een publicatie van BIJ12 I Werkt voor Provincies

Figuur 20: Indicatie van welke type maatregelen in aanmerking komen bij een aantal veel voorkomende activiteiten,

4.2 In aanmerking komende maatregelen bij verschillende typen activiteiten

afhankelijk van de grootte van het gebied waar de activiteit wordt uitgevoerd en de impact van de maatregel; xx = vrijwel

Afhankelijk van het type activiteit en de grootte van het gebied waar de activiteit plaatsvindt, is het

altijd van toepassing, x = vaak van toepassing, o = vrijwel nooit van toepassing

toepassen van één of meer van de maatregelen die genoemd zijn in hoofdstuk 3 effectief. In de tabel van figuur 20 staat indicatief aangegeven bij een groot aantal veel voorkomende activiteiten welke maatregelen vrijwel altijd, welke vaak en welke meestal niet van toepassing zijn om negatieve effecten te vermijden of zoveel mogelijk te verminderen. Elk gebied en alle activiteiten zijn uniek. De maatregelen die genomen worden betreffen dan ook altijd maatwerkmaatregelen. Afwijken van de genoemde maatregelen kan dan ook. Een onderbouwing waarom gekozen wordt voor (andere) maatregelen is noodzakelijk. Deze onderbouwing kan door een huismusdeskundige worden aangeleverd.

36

37

Huismus | Passer domesticus Kennisdocument | Versie 1.0 Juli 2017

Dit is een publicatie van BIJ12 I Werkt voor Provincies

5 Bronnen en begrippen Literatuur •

Kooijmans, J.L., 2009. Stadsvogels. Bouwen, beleven, beschermen. Vogelbescherming Nederland, Tirion Natuur.

•

Mostert, K. & B. Vastenhouw, 2007. Huismussen in de regio Delft.

•

Oosterhuis, R., 2013. Dispersie en zwerfgedrag van Huismussen in Leek en Lettelbert. Limosa 86: 80-87.

•

SOVON, 2011. Handleiding BMP, MUS.

•

Stichting Witte Mus, 2015. http://www.huismusbescherming.nl/pdfs/ssHUISMUS_2015_ praktischeUi twerkingA_vs002_huismusbeschermingNL.pdf

•

Vogelbescherming, 2008. De huismus anno 2008. Update van het actieplan huismus van Vogelbescherming Nederland.

•

Vogelbescherming / www.stadsvogels.nl. Factsheet Steden en dorpen voor vogels en mensen: de Huismus.

Websites www.bij12.nl/natuur-en-landschap www.rvo.nl www.huismusbescherming.nl www.huismussenonderzoek.nl www.mussenwerkgroep.be Totstandkoming publicatie Deze publicatie is een bewerking van de voormalige soortenstandaard Huismus zoals deze door RVO.nl in afstemming met vertegenwoordigers van NGO’s en verschillende experts van groene adviesbureaus in 2014 is opgesteld. Deze publicatie is in opdracht van het Interprovinciaal Overleg (IPO) door BIJ12 opgesteld en gecoördineerd.

38

39

Huismus | Passer domesticus Kennisdocument | Versie 1.0 Juli 2017

Dit is een publicatie van BIJ12 I Werkt voor Provincies

Het gedicht De mus van Jan Hanlo op de zijmuur van het gebouw aan de Nieuwe Rijn 107, Leiden.

Colofon Dit is een publicatie van BIJ12 I werkt voor Provincies BIJ12 Leidseveer 2 3511 SB Utrecht Meer informatie www.bij12.nl info@bij12.nl Voor specifieke vragen met betrekking tot de uitvoering van de wet of beoordeling van een aanvraag, dient u contact op te nemen met de desbetreffende provincie Bronvermelding Kennisdocument Huismus, versie 1.0 BIJ12 juli 2017 Foto voorkant: Jelger Herder Publicatienummer BIJ12-2017-009 Deze publicatie is tot stand gekomen in opdracht van het IPO en in afstemming met de provincies en het Ministerie van Economische Zaken opgesteld door BIJ12. BIJ12 is vanuit het Interprovinciaal Overleg (IPO) opgericht en werkt voor en met de 12 provincies op het vlak van uitvoering, informatievoorziening en kennisontwikkeling

40

41

Huismus | Passer domesticus Kennisdocument | Versie 1.0 Juli 2017

Dit is een publicatie van BIJ12 I Werkt voor Provincies

BIJLAGE 1 Wet natuurbescherming

Hoofdstuk 3. Soorten

a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing;

§ 3.1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn

b. zij is nodig:

Artikel 3.1 1 Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen.

4

b. regels, gesteld krachtens artikel 3.2, vierde lid.

Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

1°.

in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;

2°.

in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

3°.

ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;

ter bescherming van flora of fauna;

2

Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.

3

Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben.

5°.

voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of

4

Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen.

5

Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

6°.

om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;

Artikel 3.2 1 Het is verboden vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn dood of levend, of gemakkelijk herkenbare delen daarvan, of uit deze vogels verkregen producten te verkopen, te vervoeren voor verkoop, onder zich te hebben voor verkoop of ten verkoop aan te bieden. 2

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing ten aanzien van vogels van soorten, genoemd in bijlage III, deel A, bij de Vogelrichtlijn, die aantoonbaar overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn gedood of gevangen, onderscheidenlijk verkregen, en ten aanzien van delen of producten van die vogels.

3

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing ten aanzien van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vogels van soorten, genoemd in bijlage III, deel B, bij de Vogelrichtlijn, die aantoonbaar overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn gedood of gevangen, onderscheidenlijk verkregen, en ten aanzien van delen of producten van die vogels.

4

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de verkoop, het vervoer voor verkoop, het onder zich hebben voor verkoop of het ten verkoop aanbieden van vogels van soorten, aangewezen op grond van het derde lid, en delen of producten van die vogels.

5

Een vogelsoort wordt op grond van het derde lid uitsluitend aangewezen, indien de handelingen, bedoeld in het eerste lid, uitgevoerd overeenkomstig regels als bedoeld in het vierde lid, er niet toe leiden dat het populatieniveau, de geografische verspreiding of de omvang van de voortplanting van deze soort in gevaar wordt gebracht of kan worden gebracht.

6

Het is verboden, anders dan voor verkoop, vogels, delen of producten als bedoeld in het eerste lid, onder zich te hebben of te vervoeren, tenzij deze vogels, delen of producten aantoonbaar overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn gedood of gevangen, onderscheidenlijkverkregen.

Artikel 3.3 1 Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 of artikel 3.2, zesde lid, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren. 2

3

42

producten van daarbij aangewezen soorten, of

Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 of artikel 3.2, zesde lid, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren. Onze Minister kan ontheffing of vrijstelling verlenen van:

a. de verboden, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, ten aanzien van vogels, dood of levend, of gemakkelijk herkenbare delen daarvan, of ten aanzien van uit deze vogels verkregen

4°.

c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. 5

In een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling worden in elk geval voorschriften opgenomen, onderscheidenlijk regels gesteld, over:

a. de middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden, waarbij enkel het gebruik wordt toegestaan van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen, installaties of methoden;

b. de tijd en plaats waarvoor de ontheffing of vrijstelling geldt, en

c. de wijze waarop het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt.

6

De verboden, bedoeld in de artikelen 3.1 en 3.2, zesde lid, zijn niet van toepassing op handelingen ten aanzien waarvan bij of krachtens enige wettelijke bepaling een besluit is vereist, indien bij of krachtens die wet is bepaald dat het desbetreffende besluit de handelingen uitsluitend toelaat indien is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het vierde lid, en dat aan het besluit de voorschriften worden verbonden, bedoeld in het vijfde lid.

7

De verboden, bedoeld in de artikelen 3.1 en 3.2, zesde lid, zijn niet van toepassing op:

a. handelingen ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel als bedoeld in artikel 2.2, en b. handelingen die zijn beschreven in en worden verricht overeenkomstig een beheerplan als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, een plan of een programma als bedoeld in artikel 2.3, vijfde lid, of een programma als bedoeld in artikel 1.13, eerste, zevende, of achtste lid, indien: 1°.

ten aanzien van het beheerplan, het plan of het programma, althans het onderdeel dat betrekking heeft op de desbetreffende handelingen, is voldaan aan het in het vierde en vijfde lid bepaalde ten aanzien van ontheffingen en vrijstellingen, en

2°.

het bestuursorgaan dat het beheerplan, het plan of het programma heeft vastgesteld tevens bevoegd is voor de verlening van een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling als bedoeld in het eerste, onderscheidenlijk tweede lid voor dergelijke handelingen, of, als dat niet het geval is, het beheerplan, het plan of het programma is vastgesteld in overeenstemming met het bestuursorgaan dat bevoegd is voor de verlening van de ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling.

Artikel 3.4 1 Ingeval het vangen of doden van vogels als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, bij of krachtens deze wet is toegestaan, is het verboden deze vogels:

a. te vangen of te doden met:

43

Huismus | Passer domesticus Kennisdocument | Versie 1.0 Juli 2017

Dit is een publicatie van BIJ12 I Werkt voor Provincies

BIJLAGE 2 Jaarrond beschermde nesten

1°.

middelen, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Vogelrichtlijn;

2°.

middelen, installaties of methoden voor massaal of niet-selectief vangen of doden van vogels, of

middelen, installaties of methoden waardoor een soort plaatselijk kan verdwijnen, of

3°.

b. te achtervolgen met behulp van vervoermiddelen, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Vogelrichtlijn, overeenkomstig de daar beschreven wijze.

Vogels nemen in de Wet natuurbescherming een bijzondere positie in. De basis hiervoor vormt de

2

regelmatig voorkomende trekvogels, zodat deze ‘kunnen voortbestaan en zich kunnen voortplanten’.

Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen en provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in het eerste lid. Artikel 3.3, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

3

Onze Minister kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, voor het gebruik van motorboten op open zee onder de in bijlage IV, onderdeel b, tweede gedachtestreep, tweede volzin, bij de Vogelrichtlijn genoemde voorwaarden.

4

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen middelen, installaties of methoden worden aangewezen die in elk geval worden gerekend tot de middelen, installaties, onderscheidenlijk methoden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2° of 3°.

Europese Vogelrichtlijn, waarin onder meer de bescherming gereguleerd is van alle inheemse en De wet natuurbescherming geeft aan dat álle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen beschermd zijn tijdens de broedperiode. Daarnaast zijn er een aantal kwetsbare vogelsoorten waarvan de nesten ook jaarrond zijn beschermd. RVO.nl heeft daartoe in 2009 een (aangepaste) lijst opgesteld met vogelsoorten die dit betreft. Het is een indicatieve lijst die als hulpmiddel gebruikt kan worden bij het bepalen of er voor een ruimtelijke ingreep een ontheffing aangevraagd moet worden en om te kijken welke mitigerende maatregelen nodig zijn. Zie https://mijn.rvo.nl (zoeken op jaarrond beschermde nesten). Het is geen uitputtende lijst en op de lijst kunnen uitzonderingen ontstaan waardoor het nest van een bepaalde soort toch niet jaarrond beschermd is. Voor meer informatie kunt u zicht richten tot de provincie alwaar de desbetreffende activiteit plaatsvindt. Er wordt onderscheid gemaakt in vijf categorieën, waarbij de nesten van categorie 1 tot en met 4 jaarrond beschermd zijn en categorie 5 alléén tijdens de broedperiode. Hierbij geldt echter dat wanneer ‘zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden’ dat rechtvaardigen, ook de nesten van categorie 5 soorten jaarrond beschermd kunnen zijn.

Voor deze soorten is daarom vaak ook inzicht nodig in de nesten en rustplaatsen in het plangebied en de omgeving. De onderscheiden categorieën zijn: 1.

Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, ook buiten het broedseizoen gebruikt worden als vaste rust- en verblijfplaats (Steenuil)

2.

Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast of afhankelijk van bebouwing of biotoop zijn. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (Roek, Gierzwaluw en Huismus)

3.

Nesten van vogels, zijnde géén koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast of afhankelijk van bebouwing zijn. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (Grote gele kwikstaart, Kerkuil, Oehoe, Ooievaar en Slechtvalk)

4.

Nesten van vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (Boomvalk, Buizerd, Havik, Ransuil, Sperwer, Wespendief en Zwarte wouw)

5.

Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (diverse soorten waaronder Boerenzwaluw, Groene specht en Torenvalk)

44

45

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Laarbeek&id=c8a1098f-167e-4f39-a893-691e981a24b1