8 20210224 Toelichting onbp Woningen Lange Dreven 1 en 3, Lieshout.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan Woningen Lange Dreven 1 en 3, Lieshout
31
De resultaten van dit “Akoestisch onderzoek wegverkeers- en industrielawaai Lange Dreven 3 Lieshout” (Tritium Advies, 2020) kunnen als volgt worden samengevat: ✓ Voor de N615 geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woning de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschrijdt. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB voor nieuwbouw in buitenstedelijk gebied wordt echter nergens overschreden. Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien de toepassing van overdrachts- of bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet. ✓ Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige en landschappelijke aard. Het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is tevens niet doeltreffend in onderhavige situatie. Het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) is niet van toepassing, aangezien op de N615 reeds een geluidreducerend asfalttype is gesitueerd. Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wgh.
✓ Het plangebied is gelegen binnen de 50 tot 55 dB(A)-contour van het geluidgezoneerde bedrijf ‘Bavaria’. In overleg met de omgevingsdienst is de geluidbelasting vastgesteld op 55 dB(A). Derhalve dient voor onderhavige woning ten gevolge van industrielawaai een hogere waarde te worden aangevraagd van 55 dB(A). Aangezien de zuidwestgevel buiten de zichthoek van het geluidgezoneerde bedrijf is gelegen wordt op de zuidwestgevel een 5 dB lagere geluidbelasting gehanteerd dan op de overige gevels. Maatregelen voor het reduceren van de geluidbelasting ten gevolge van het geluidgezoneerde bedrijf ‘Bavaria’ aan zowel de geluidbron als in de overdracht zijn niet realistisch. ✓ Aangezien in onderhavige situatie sprake is van een procedure hogere waarde ten gevolge van wegverkeer- en industrielawaai, is voor de woning een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels noodzakelijk. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd. Plangebied met op achtergrond de N615
Bestemmingsplan Woningen Lange Dreven 1 en 3, Lieshout
32
✓ Tenslotte dient er ten behoeve van het geluidbeleid, bij het ontwerpen van de plattegronden rekening te worden gehouden dat ten minste 50% van het totaal aantal verblijfsruimten of 50% van het oppervlakte van het verblijfsgebied is gesitueerd aan een geluidluwe gevel. Voor wegverkeerslawaai geldt een maximale ontheffingswaarde van 53 dB voor nieuwbouw in buitenstedelijk gebied. Deze ontheffingswaarde wordt nergens overschreden. Daarnaast geldt voor industrielawaai een maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A). Deze ontheffingswaarde wordt eveneens nergens overschreden. Dit zijn twee losstaande aspecten. Voor beide aspecten dient afzonderlijk een hogere waarde te worden aangevraagd. Derhalve moet een hogere waarde worden aangevraagd voor het wegverkeer op de N615 (met een maximale belasting van 53 dB) én een hogere waarde voor het industrielawaai (met een maximale belasting van 55 dB(A)). Het genoemde aanvullende onderzoek zal in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van de woning uitgevoerd worden. Een ontwerp voor de woning, waarop dit onderzoek gebaseerd kan worden, is nu nog niet beschikbaar. Bij het maken van het ontwerp zal ook met de gevraagde situering van de verblijfsruimten rekening worden gehouden. Het akoestisch onderzoek is als bijlage bij het bestemmingsplan beschikbaar.
De ontwerpbeschikking Wet geluidhinder voor de beide hogere grenswaarden is als bijlage bij het bestemmingsplan beschikbaar. 5.3.3 Milieuaspecten: luchtkwaliteit Wet luchtkwaliteit, Wet milieubeheer In de Wet luchtkwaliteit is bepaald dat de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer (Wm). Hoofdstuk 5 van de Wm maakt onderscheid tussen projecten die 'Niet in betekenende mate' (NIBM) en 'In betekenende mate' (IBM) bijdragen aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. Als een in betekenende mate bijdraagt aan luchtvervuiling, dient er een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden. Bron luchtverontreiniging In het geval een planvoornemen strekt tot het realiseren of wijzigen van bronnen van luchtverontreiniging, die leiden tot een toename van de hoeveelheid luchtverontreiniging, dient onderzoek naar de exacte gevolgen voor de luchtkwaliteit uitgevoerd te worden. Echter als planvoornemen ervoor zorgt dat de concentratie fijn stof of CO2 met minder dan 3% van de grenswaarde wordt verhoogd, draagt het project niet in betekenende mate bij aan luchtvervuiling en hoeft er geen luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen, die per definitie niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Daartoe behoren woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 1000 woningen omvat.
Bestemmingsplan Woningen Lange Dreven 1 en 3, Lieshout
33
In het planvoornemen is geen sprake van een toename van het aantal woningen. Een bestaande woning wordt vervangen door een nieuwe woning met een gewijzigde situering. Er is daarbij geen sprake van een gewijzigde bron van luchtverontreiniging, die leidt tot een toename van de hoeveelheid luchtverontreiniging. Een onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit kan achterwege blijven. Luchtkwaliteit omgeving Voor de kwaliteit van de buitenlucht bestaan verschillende soorten normen. Voor een aantal stoffen in de lucht gelden luchtkwaliteitsnormen op leefniveau (de buitenlucht). Veel van de wettelijke normen komen direct uit Europese richtlijnen. Ze zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer (titel 5.2 en bijlage 2). De normen zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid van de mens. Het ontstaan van nieuwe knelpunten moet worden voorkomen. De geldende luchtkwaliteit nabij het plangebied kan globaal afgeleid worden uit beschikbare informatie aan de hand van: ✓ de grenswaarde voor het jaargemiddelde van de fijnstofconcentratie van 40 μg/m3; ✓ de grenswaarde voor het jaargemiddelde van de concentratie van stikstofdioxide van 40 μg NO2/m3). Uit de gegevens van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten is navolgende informatie af te leiden: ✓ de jaargemiddelde fijnstofconcentratie in 2019 ligt tussen de 18 en 20 μg/m3 (ca. 18,2).
Deze blijft daarmee onder de norm van 40 μg/m3; ✓ de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide ligt tussen de 15 en 20 μg NO2/m3 (ca. 15,6). Deze blijft daarmee onder de norm van 40 μg/m3. Daarmee kan gesteld worden dat ter plaatse sprake is van een voldoende tot goede luchtkwaliteit. 5.3.4 Milieuaspecten: geur Wet geurhinder en veehouderij Het geurbeleid voor bedrijven in de agrarische sector is bepaald in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). In deze wet worden normen gesteld voor de geurbelasting die een veehouderij (het dierenverblijf, niet de opslag van bijproducten e.d.) mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Deze belasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-stacks model). Dit geldt echter alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Rgv. Voor dieren zonder emissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Voor zover het planvoornemen voorziet in de realisering van een geurgevoelig object (zoals een woning) dient in het kader van het aspect geurhinder nagegaan te worden of het plangebied geheel of gedeeltelijk is gelegen binnen de invloedssfeer van geurbronnen.
Bestemmingsplan Woningen Lange Dreven 1 en 3, Lieshout
34
Geurgevoelig object Het planvoornemen betreft de verplaatsing van een bestaande woning over relatief korte afstand (circa 25 m) op de locatie Lange Dreven 3. Er wordt geen extra woning toegevoegd, enkel wordt een bestaande woning op een gunstiger positie op het perceel gesitueerd. In het deel van het buitengebied, waarvan het plangebied deel uitmaakt zijn meerdere bestaande woningen aanwezig. Om qua geur een goed woon- en leefklimaat bij deze woningen en de bestaande woning in het plangebied te garanderen gelden voor omliggende veehouderijen in het buitengebied al beperkingen. Gelet op de afstand tot de dichtstbij gelegen veehouderijen (rundveehouderij Vogelenzang 55, intensieve veehouderij Vogelenzang 57) na verplaatsing (circa 1 km), de beperkte afstand waarover de woning verplaatst wordt en de verder aanwezige burgerwoningen, is de veronderstelling gerechtvaardigd dat het woonklimaat van de te verplaatsen woning niet of nauwelijks zal veranderen en dat de verplaatsing van de woning geen beperkingen voor omliggende veehouderijen met zich mee zal brengen. 5.3.5 Milieuaspecten: bedrijven en milieuzonering Milieuzonering draagt er zorg voor dat nieuwe bedrijven of inrichtingen een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven en/of inrichtingen gesitueerd worden.
In de VNG-handreiking “Bedrijven en milieuzonering” zijn minimale richtafstanden opgenomen tussen bedrijven en burgerwoningen. Het planvoornemen brengt geen nieuwe woning in de omgeving van bestaande bedrijven met zich mee. Een reeds bestaande woning wordt gesloopt en op korte afstand van de slooplocatie opnieuw gebouwd. De afstand waarover de verplaatsing plaatsvindt bedraagt circa 25 m. De afstand van de nieuwe locatie voor de woning tot de bedrijven in de omgeving blijft daarbij nagenoeg gelijk. De verplaatsing van de woning heeft nauwelijks of geen invloed op de milieuzonering rond de aanwezige bedrijven. Bij de woning blijft sprake van een vergelijkbare milieukwaliteit en de beperkingen voor de bedrijven nemen door het planvoornemen niet toe. 5.3.6 Externe veiligheid Besluit externe veiligheid inrichtingen/buisleidingen/transportroutes en Regeling Basisnet Externe veiligheid betreft de beheersing van de risico's en richt zich op het gebruik, de opslag, de productie en het transport van gevaarlijke stoffen. De normen voor externe veiligheid worden uitgedrukt in plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR). Om de risico's bij een mogelijke calamiteit te beperken dient er bij nieuwbouw een fysieke afstand te worden gehouden tussen (beperkt) kwetsbare objecten en risicobronnen.
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een risicobron bevindt, overlijdt door een ongeval met de risicobron. Het PR is daarmee de risicomaat om het beschermingsniveau voor de individuele burger uit te drukken. Het toetsingscriterium is in veel gevallen een PR van 10-6. PR wordt inzichtelijk gemaakt door vaste contouren rondom een risicobron.
Bestemmingsplan Woningen Lange Dreven 1 en 3, Lieshout
35
Het groepsrisico (GR) geeft aan wat de kans is op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde risicobron. Voor het GR geldt geen harde norm, maar een oriëntatiewaarde. De effecten van de ontwikkeling worden in een curve weergegeven en vergeleken met de curve van de oriëntatiewaarde. Bij overschrijding van de oriëntatiewaarde of een significante toename van het groepsrisico moet het bevoegd gezag het groepsrisico betrekken bij de vaststelling van het besluit. Voor deze groepsrisico verantwoording is de hoogte van het groepsrisico of de toename ervan onderdeel van de afweging. Daarnaast worden factoren meegenomen als mogelijkheden van de bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en de zelfredzaamheid van personen. Daarvoor wordt door het bevoegd gezag advies gevraagd aan de brandweer. De volgende aspecten spelen een rol ten aanzien van externe veiligheid bij ruimtelijke projecten: ✓ inrichtingen; ✓ vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; ✓ transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en/of spoor. Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het belangrijkste toetsingskader. Hierin zijn grenswaarden en oriënterende of richtwaarden opgenomen voor het PR en het GR. Voor buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van belang (Bevb).
Voor transport van gevaarlijke stoffen is met name de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (WVGS) relevant. Op basis van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is het verplicht transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd vast te leggen in een bestemmingsplan. In het Bevt en de Regeling Basisnet zijn de normen voor het transport van gevaarlijke stoffen vastgesteld. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Tot slot is er specifieke wetgeving voor de opslag van vuurwerk en munitie. Risicokaart Op de Risicokaart Noord-Brabant zijn de risicovolle inrichtingen en transportassen weergegeven. Uit deze kaart blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen sprake is van de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen. De risicocontouren van op enige afstand gelegen inrichtingen (Bavaria) reiken niet tot over het plangebied. Hetzelfde geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over (water-/spoor-)wegen. In de wijde omgeving van het plangebied vinden dergelijke transporten niet plaats. In de omgeving van het plangebied worden wel gevaarlijke stoffen vervoerd door buisleidingen. Het gaat daarbij om de volgende leidingen: ✓ defensieleiding, met PR10-6-contour van 0 m.
Gelet op de ligging van deze contour op de leiding is er geen sprake van een veiligheidsafstand, waarbinnen naar het GR moet worden gekeken. ✓ aardgasleiding, diameter 14 inch, druk 4000 kpa, met PR10-6-contour binnen 5 m van leiding en een veiligheidsafstand (1%-letaliteitsgrens) voor GR van 150 m.
Bestemmingsplan Woningen Lange Dreven 1 en 3, Lieshout
36
Het planvoornemen voorziet in de verplaatsing van een bestaande woning. Deze bestaande woning Lange Dreven 3 is op korte afstand van beide bovengenoemde leidingen gelegen. Door de verplaatsing van de woning komt deze op beperkt grotere afstand van beide leidingen te liggen. Doordat geen woning wordt toegevoegd, maar deze slechts wordt verplaatst, vindt geen toename van het aantal personen binnen het veiligheidsgebied plaats. Doordat de woning op grotere afstand van beide leidingen komt te liggen is bovendien sprake van een lichte verbetering van de veiligheidssituatie. De veiligheidssituatie wordt per saldo beperkt verbeterd. Een verantwoording van het groepsrisico is daardoor niet aan de orde. 5.3.7 Mer(beoordelings)plicht Besluit milieueffectrapportage Ingevolge het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) moet worden getoetst of een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor zijn in de bijlage bij het Besluit m.e.r. lijsten opgenomen waarin activiteiten zijn aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (lijst C) of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (lijst D). In de lijsten zijn (indicatieve) drempelwaarden opgenomen.
Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieubeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij m.e.r.-beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. Vormvrije m.e.r.-beoordeling De specifieke activiteiten, die plaatsvinden binnen het plangebied, zijn niet opgenomen op de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Ook gezien de in deze toelichting beschreven aspecten in dit hoofdstuk in de paragrafen Ondergrond, Netwerklaag en Bovenste laag, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van significante effecten, die een m.e.r.(beoordelings)plicht noodzakelijk maken.
Bestemmingsplan Woningen Lange Dreven 1 en 3, Lieshout
37
5.4
Economische uitvoerbaarheid
5.4.1 Kostenverhaal Tussen de betrokken initiatiefnemer en de gemeente Laarbeek is een anterieure overeenkomst gesloten, waarin onder meer ook het kostenverhaal is geregeld. De door de gemeente Laarbeek te maken kosten in verband met de beoordeling van en besluitvorming over het planvoornemen worden op basis daarvan verhaald op de initiatiefnemer. De kosten van de daadwerkelijke uitvoering van het planvoornemen worden door de initiatiefnemer gedragen. Voor de gemeente Laarbeek zijn aan het planvoornemen daardoor geen kosten verbonden. 5.4.2 Planschade Op grond van artikel 6.1 Wro kennen Burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden ten gevolge van onder meer een wijziging van het bestemmingsplan, op aanvraag een tegemoetkoming in die schade toe. Daarbij geldt dat het moet gaan om schade die redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en die niet reeds voldoende anderszins is verzekerd. Naar verwachting zal in onderhavig geval geen sprake zijn van planschade. Het planvoornemen heeft nauwelijks of geen negatieve gevolgen voor de directe omgeving. Mocht toch sprake zijn van planschade, dan komt deze op basis van de bij de anterieure overeenkomst behorende planschadeovereenkomst voor rekening van de initiatiefnemer.
Bestemmingsplan Woningen Lange Dreven 1 en 3, Lieshout
38
6
JURIDISCHE VERANTWOORDING
6.1
Juridische planopzet
Op basis van de Wet ruimtelijke ordening, bepaalt een drietal zaken de opzet en inrichting van de planregels, te weten: ✓ de digitale raadpleegbaarheid; ✓ de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012); ✓ de Woningwet. De structuur van het plan is zodanig dat de verbeelding de primaire informatie geeft over waar en hoe gebouwd mag worden. Bij het raadplegen van het bestemmingsplan dient dan ook eerst naar de verbeelding gekeken te worden. Vervolgens kan in de regels teruggelezen worden welk gebruik en welke bouwmogelijkheden zijn toegestaan.
6.2
Toelichting op de verbeelding
Op de verbeelding zijn aangegeven: ✓ de grens van het plangebied; ✓ de bestemmingen van de in het plangebied gelegen gronden: ‘Groen – Landschapselement’ en ‘Wonen’; ✓ de dubbelbestemmingen ‘Leiding’ en ‘Waarde – Archeologie 2’ ✓ de gebiedsaanduidingen ‘geluidzone – industrie 50 dB’, ‘veiligheidszone – leiding brandstof’ en ‘veiligheidszone – leiding gas’; ✓ de bouwaanduiding ‘bijgebouwen’; ✓ de figuur ‘hartlijn – leiding brandstof’. Binnen de bestemming ‘Wonen’ is de aanwezigheid van een woning met bijgebouwen toegestaan. Binnen de bestemming ‘Groen - Landschapselement’ is geen bebouwing toegestaan. De bouwaanduiding ‘bijgebouwen’ is opgenomen om bij de nieuw te bouwen woning ook bijgebouwen voor de voorgevelrooilijn toe te kunnen staan.
6.3
Toelichting op de regels
De regels zijn conform de SVBP 2012 als volgt opgebouwd: ✓ inleidende regels, met de gebruikte ‘begrippen’ en ‘wijze van meten’; ✓ bestemmingsregels, met de regels voor de binnen het plangebied gelegen bestemmingen; ✓ algemene regels, met een overzicht van de algemene bouw- en gebruiksregels, de algemene aanduidingsregels en de algemene afwijkingsregels; ✓ overgangs- en slotregels, met de regels over het overgangsrecht en de wijze van aanhalen van het plan.
Bestemmingsplan Woningen Lange Dreven 1 en 3, Lieshout
39
7
PROCEDURE
7.1
Vooroverleg
Artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg plegen met andere betrokken overheden en overheidsdiensten, zoals naburige gemeenten, het waterschap, en de diensten van het Rijk en de provincie. De bedoeling van dit vooroverleg is voornamelijk om de opstellers van het plan tijdig de mogelijkheid te geven het plan desgewenst aan opmerkingen van andere overheden aan te passen. 7.1.1 Provincie Noord-Brabant In dit kader is het voorontwerpbestemmingsplan door de gemeente digitaal aangemeld bij de provincie Noord-Brabant door invulling van het e-formulier. In reactie daarop meldt de provincie dat het door de gemeente ingevulde formulier over de in het bestemmingsplan betrokken ruimtelijke aspecten de provincie geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen. De gemeente kan het wettelijk vooroverleg als afgerond beschouwen. 7.1.2 Waterschap Aa en Maas Het voorontwerpbestemmingsplan is via de Digitale Watertoets ter beoordeling aan het waterschap Aa en Maas aangeboden. Conform de resultaten hiervan wordt ook het ontwerpbestemmingsplan aan het waterschap voorgelegd.
7.2
De te volgen procedure
Het bestemmingsplan doorloopt de volgende procedure: Ontwerp: ✓ publicatie en terinzagelegging overeenkomstig afdeling 3.4 Awb en Wro. Een ieder kan gedurende deze terinzagelegging een zienswijze indienen bij de gemeenteraad Vaststelling: ✓ vaststelling door de gemeenteraad ✓ mogelijkheid reactieve aanwijzing ✓ publicatie en terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan gedurende de beroepstermijn Inwerkingtreding: ✓ na afloop van de beroepstermijn (tenzij binnen de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan) Beroep: ✓ beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Bestemmingsplan Woningen Lange Dreven 1 en 3, Lieshout
40
7.3
Ter inzage legging
Bestemmingsplan Woningen Lange Dreven 1 en 3, Lieshout