CConstaterende datLaarbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

8 2010224 Toelichting bijlage 2 quickscan flora en fauna Lange Dreven 3.pdf

Commissie Ruimtelijke Zaken 24 februari 2021, gemeente LaarbeekBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan Woningen Lange Dreven 1 en 3, Lieshout4.695 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan flora en fauna Lange Dreven 3 Lieshout

documentkenmerk: 1910/236/JOW-02, versie 1

Quickscan flora en fauna

in opdracht van Van Kempen RO T.a.v. de heer J. van Kempen Peelkant 33 5845 EG SINT ANTHONIS betreffende locatie Lange Dreven 3 Lieshout (gemeente Laarbeek) documentkenmerk 1910/236/JOW-02 versie 1 vestiging Nuenen datum 27 december 2019

opgesteld door: ing. J.H.J. van Bree

gecontroleerd door: ir. R.A.C. van de Voort

Projectleider ecologie

Senior projectleider ecologie

Dit document is digitaal gegenereerd en derhalve niet voorzien van een handtekening. De inhoud is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven. Het document mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd. Door derden aangebrachte wijzigingen en/of toevoegingen dan wel oneigenlijk gebruik van het document vallen niet onder de verantwoording van Tritium Advies BV.

Tritium Advies BV Adviseurs in bouwen, milieu en veiligheid

Tritium Advies is gevestigd in:

T.

088 44 02 900

E.

info@tritium.nl

Arkel >> Neer >> Nuenen >>

I.

www.tritium.nl

Prinsenbeek >> Rijkevoort

KvK-nr.

17108024

documentkenmerk: 1910/236/JOW-02, versie 1

Inhoudsopgave pagina 1

Inleiding

1

2

Bronnenonderzoek

3

2.1

Gebieden

3

2.2

Soorten

5

3

Veldbezoek

6

4

Resultaten

7

4.1

Flora

7

4.2

Vogels

7

4.3

Grondgebonden zoogdieren

8

4.4

Vleermuizen

9

4.5

Amfibieën, reptielen en vissen

9

4.6

Ongewervelden/ overige soorten

10

5

Conclusies

11

5.1

Beschermde gebieden

11

5.2

Soorten

11

5.3

Zorgplicht

12

5.4

Eindconclusie

13

5.5

Advies

13

6

Literatuurlijst

14

Bijlagen 1.

situatietekening plangebied

2.

fotobijlage veldbezoek van 19 december 2019

documentkenmerk: 1910/236/JOW-02, versie 1

1 Inleiding In opdracht van Van Kempen RO is een quickscan flora en fauna uitgevoerd ten behoeve van het voornemen om op de locatie een woning te slopen en een nieuwe woning, verderop op het terrein, te realiseren. Het plangebied betreft het kadastrale perceel gemeente Lieshout, sectie L, nummer 439 en heeft een oppervlakte van circa 1350 m2. Het onderzoeksgebied is thans bestemd als ‘Wonen’ en is in de huidige situatie zo in gebruik. Het onderzoek dient te worden uitgevoerd om te voorkomen dat er in strijd met de geldende natuurwetgeving wordt gehandeld.

Figuur 1: huidige situatie plangebied (blauw omlijnd) (bron: http://perceelloep.nl)

Voor deze locatie wordt een juridisch-planologische procedure doorlopen conform de Wet ruimtelijke ordening. In het kader van deze procedure dient onder andere een quickscan flora en fauna te worden uitgevoerd. Hiermee kan worden voorkomen dat in strijd met de geldende natuurwetgeving wordt gehandeld. Doel van het onderhavige onderzoek is om te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming (verder: Wnb). Het is noodzakelijk om voorafgaande aan ruimtelijke ingrepen en inrichting te toetsen of de geplande activiteiten geen negatief effect hebben op beschermde plant- en/of diersoorten en leefgebieden. Op basis van de ecologische waarden van een planlocatie zal uit een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) blijken of er een overtreding te verwachten is van de Wnb. Tevens wordt vastgesteld of er meer soortgegevens nodig zijn door middel van inventarisatie en of er een uitgebreide studie noodzakelijk is naar de effecten van een ruimtelijke ingreep. In veel situaties zal

pagina 1 van 14

documentkenmerk: 1910/236/JOW-02, versie 1

het uitvoeren van een verkennend onderzoek echter reeds voldoende zijn om aan te tonen of een plan uitgevoerd kan worden met of zonder enkele eenvoudige maatregelen of aanpassingen om een overtreding van de Wnb te voorkomen. Uit onderstaande luchtfoto (figuur 2) kan worden opgemaakt dat het plangebied in het buitengebied van Lieshout is gelegen. In bijlage 1 is een situatietekening van het plangebied opgenomen.

Figuur 2: luchtfoto van de omgeving van het plangebied (rood omcirkeld) (bron: Google Earth)

pagina 2 van 14

documentkenmerk: 1910/236/JOW-02, versie 1

2 Bronnenonderzoek Onderhavig onderzoek richt zich met name op soortenbescherming en in beperktere mate op het gebiedsbeschermingsdeel van de Wnb (Natura 2000). In het uitgevoerde bronnenonderzoek is gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Onder andere is hierbij gebruik gemaakt van de zoogdierenatlas (Broekhuizen et al., 2016), de “Werkatlas amfibieën en reptielen in Noord-Brabant” en enkele digitale verspreidingsatlassen. De bevindingen van dit literatuuronderzoek zijn weergegeven in de navolgende twee paragrafen.

2.1 Gebieden In navolgende figuren 3 en 4 is het plangebied met haar ecologisch waardevolle gebieden in highlights weergegeven. In figuur 3 is het Natura 2000-gebied met de gele kleur aangeduid. In figuur 4 (op de volgende pagina) betreffen de groene en oranje highlights het Natuurnetwerk Nederland (verder: NNN) in de provincie Noord-Brabant ook wel Natuurnetwerk Brabant (verder: NNB) genoemd. De Natura 2000-gebieden liggen grotendeels binnen het NNN. Van de gebieden die binnen NNN zijn gelegen worden, naast de specifieke soorten en habitattypen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), ook de wezenlijke kenmerken en waarden beschermd.

Figuur 3: plangebied en omgeving (rood omcirkeld) met relevante natuurgebieden (bron: https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten)

Uit figuur 3 kan worden afgeleid dat het plangebied niet in Natura 2000-gebied en NNB is gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is op een afstand van circa 10,3 kilometer ten zuiden van het plangebied gelegen en betreft de “Strabrechtse Heide”.

pagina 3 van 14

documentkenmerk: 1910/236/JOW-02, versie 1

De Strabrechtse Heide, ten zuidoosten van Geldrop, is het grootste aaneengesloten open heidegebied van Noord-Brabant. Van bijzondere betekenis is de nagenoeg intacte overgang van de heide naar het beekdal van de Kleine Dommel en de aanwezigheid van het dal van de Witte Loop, dat z'n oorsprong op de heide heeft. Aan de oostzijde van het gebied ligt het Beuven, het grootste heideven van Nederland, dat bekend staat om zijn waardevolle zachtwaterflora. De Strabrechtse Heide bezit een afwisselend landschap met droge heide op de zandkoppen en natte heide en vennen in de laagten. In het noorden en zuiden grenst de heide aan aangeplante naaldbossen. Aan de westzijde is een natuurlijke overgang aanwezig naar het beekdal van de Kleine Dommel met hooilanden en vochtige bossen. De droge heide wordt gezien de aard van de bodem gerekend tot de stuifzandheiden. Verspreid over de heide komt jeneverbes voor, op de meeste plekken in de vorm van solitaire exemplaren of als kleine groepjes. De vochtige heide is evenals de droge heide van goede kwaliteit en vormt in het geaccidenteerde terrein fraaie mozaïeken met de droge heide en vennen. Het betreft alles bij elkaar een van de grootste oppervlakten aan vochtige heide in het zuiden van ons land. De Strabrechtse heide is een van de weinige gebieden in Nederland waar het gentiaanblauwtje nog volop voorkomt.

Verspreid over de heide liggen diverse vennen die variëren in omvang en hydrologie en daardoor een verschillend karakter hebben. De vennen, met het Beuven voorop, zijn belangrijk voor moerasvogels. In de navolgende figuur 4, overgenomen uit de kaart van het Natuurbeheerplan van de provincie Noord-Brabant is wederom het aandachtsgebied omcirkeld. Ook uit deze figuur blijkt dat het plangebied niet in een beschermd gebied ligt. Het dichtstbijzijnde natuurgebied behorende tot het NNB is op een afstand van circa 50 meter ten westen en noorden van het plangebied gelegen.

Figuur 4: kaart NNB. Het plangebied en omgeving is rood omcirkeld (bron: https://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/natuurbeheerplan)

pagina 4 van 14

documentkenmerk: 1910/236/JOW-02, versie 1

Effecten beschermde gebieden Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNB. De provincie Noord-Brabant hanteert een externe werking als het gaat om NNB, indien een bestemmingsplan leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water. In dit geval is het plangebied op een dergelijke afstand gelegen dat ervan een negatief effect op het dichtstbijzijnde NNB-gebied geen sprake is. Tevens betreft het een beperkte ingreep (sloop van een gebouw en bouw van een nieuwe woning iets verder op het perceel) Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is met circa 10,3 kilometer op relatief grote afstand gelegen (bij Natura 2000gebieden moet verspreiding van stoffen in lucht of water wel worden beschouwd). Gezien deze afstand en de beperkte aard van de ingreep valt een significant negatief effect niet te verwachten.

2.2 Soorten Aan de hand van literatuuronderzoek is informatie verzameld over het voorkomen van soorten in de directe omgeving van het plangebied. Hierbij is onder andere gebruik gemaakt van voornoemde zoogdierenatlas en de “Werkatlas amfibieën en reptielen van Noord-Brabant”. In de werkatlas wordt het voorkomen van soorten per kilometerhok aangeduid. In de zoogdierenatlas wordt dit aangegeven per atlasblok, met afmetingen van 5 bij 5 kilometer. Het plangebied is gelegen in kilometerhok X:170 / Y:391. Aangezien het plangebied slechts een klein gedeelte van het kilometerhok c.q. het atlasblok beslaat is het niet zeker dat de geregistreerde soorten ook daadwerkelijk voorkomen binnen het plangebied. Uit gegevens van de zoogdieren verspreidingsatlas en de NDFF blijkt dat de volgende zoogdieren of sporen van deze soorten (o.a. in braakballen) in de periode van 1989 tot 2019 zijn waargenomen in de directe omgeving van het plangebied: bosmuis, ree, bever, huisspitsmuis, laatvlieger, egel, haas, steenmarter, das, dwergmuis, aardmuis, veldmuis, ondergrondse woelmuis, wezel, bunzing, beverrat, rosse woelmuis, watervleermuis, rosse vleermuis, muskusrat, konijn, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, bruine rat, eekhoorn, tweekleurige bosspitsmuis, dwergspitsmuis, wild zwijn, mol en vos.

Uit gegevens van de Werkatlas amfibieën en reptielen blijkt dat enkel de volgende soorten in de periode van 1995 tot en met 2004 zijn waargenomen in de directe omgeving van het plangebied: levendbarende hagedis, alpenwatersalamander, kamsalamander, kleine watersalamander, gewone pad, bruine kikker en groene kikker complex, middelste groene kikker. In de periode 2000-2019 blijkt uit de gegevens van de NDFF en Ravon dat de volgende soorten zijn waargenomen in de directe omgeving van het plangebied: gewone pad, alpenwatersalamander, kleine watersalamander, bastaardkikker, poelkikker, bruine kikker en kamsalamander.

pagina 5 van 14

documentkenmerk: 1910/236/JOW-02, versie 1

3 Veldbezoek Het plangebied is op 19 december 2019 in de middag bezocht. Er was sprake van helder, zonnig weer, met windkracht 2 Bft en een temperatuur van circa 14 graden Celsius. Tijdens het terreinbezoek is zoveel mogelijk informatie verzameld met betrekking tot de aanwezigheid of afwezigheid van beschermde soorten. De te verzamelen informatie bestaat onder andere uit zichten geluidwaarnemingen, sporenonderzoek naar de aanwezigheid van vraat-, loop- en veegsporen, nesten, holen, uitwerpselen, prooiresten en haren. Op basis van terreinkenmerken is voorts beoordeeld of het plangebied geschikt is voor de in de regio voorkomende beschermde soorten. Het kan voorkomen dat soorten niet worden waargenomen tijdens het veldbezoek aangezien een quickscan een momentopname betreft. Hierdoor kan slechts in beperkte mate uitsluitsel worden gegeven over de aan- of afwezigheid van soorten. Aan de hand van expert-judgement en bekende ecologische principes zal derhalve een inschatting worden gemaakt over het wel of niet voor kunnen komen van beschermde plant- en diersoorten. Verder is de quickscan geen veldinventarisatie. Veldinventarisaties omvatten meerdere opnamerondes die seizoensgebonden zijn en volgens standaardmethoden worden uitgevoerd. In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een woonerf en tuin. Tussen de weg en het plangebied staat een bomenrij.

De in bijlage 2 opgenomen foto’s geven een duidelijk beeld van de huidige situatie van het plangebied.

pagina 6 van 14

documentkenmerk: 1910/236/JOW-02, versie 1

4 Resultaten Onderstaand volgen de resultaten en eerste conclusies van het uitgevoerde veldbezoek in relatie tot het planvoornemen.

4.1 Flora In de maand december zijn vrijwel alle planten zichtbaar. Tijdens het veldbezoek zijn binnen het plangebied echter geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Vanwege de voedselrijke omstandigheden waaruit het plangebied bestaat zijn ook geen beschermde soorten te verwachten. Beschermde soorten komen namelijk vooral voor op voedselarme, kalkhoudende grond. Conclusie: er zijn geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroep.

4.2 Vogels Uit de bevindingen van het veldbezoek blijkt dat het plangebied slechts voor een aantal soorten vogels geschikt is als onderdeel van het leefgebied. Binnen het plangebied is bebouwing aanwezig waardoor het verloren gaan van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vogels niet is uit te sluiten. De aanwezige bomen en struiken kunnen dienen als broedgelegenheid. Daarnaast is het gebied geschikt als foerageergebied, echter zullen niet alle vogelsoorten van het gebied gebruik maken. Met name voor vogels die in het “stedelijk gebied” en “bosrijk gebied” voorkomen zijn binnen en rond het plangebied gunstige biotopen aanwezig. Voor weide-, struweel- en watervogels zijn geen geschikte biotopen aanwezig. Tijdens het veldbezoek zijn overvliegende kokmeeuwen (Chroicocephalus ridibundus), een koolmees (Parus major) en een houtduif (Columba palumbus) aangetroffen. Binnen het plangebied is tevens één nest aangetroffen in een van de bomen richting het noorden van het plangebied. De bebouwing binnen het plangebied bevat een pannendak. De pannen die het dak bedekken zijn echter plat, dicht op de goot gelegen en aan de noordoostelijke zijde is de ruimte tussen de gevel en de dakpannen dichtgemaakt met hout. Tevens is rondom de woning begroeiing aanwezig.

Gierzwaluwen hebben een vrije uitvliegroute van minimaal drie meter onder de uitvliegopening nodig, omdat ze zich eerst uit de verblijfplaats laten vallen voor ze kunnen opstijgen. Vanwege de bomen en de locatie van de dakgoot ten opzichte van de dakpannen is er voor gierzwaluwen onvoldoende ruimte aanwezig om in en uit te kunnen vliegen en een jaarrond beschermde vaste verblijfplaats onder het dak te maken. Ondanks de voorgenoemde situatie zijn er enkele geschikte openingen aanwezig in het dak waar huismussen gebruik van kunnen maken. Er zijn geschikte openingen aanwezig tussen de goot en dakpannen. Tevens vormen enkele scheve en kapotte dakpannen geschikte openingen voor huismussen.

pagina 7 van 14

documentkenmerk: 1910/236/JOW-02, versie 1

Conclusie: de te slopen bebouwing bevat enkele openingen die geschikt zijn als jaarrond beschermde vaste verblijfplaats voor huismussen. Om deze reden dient aanvullend onderzoek te worden gedaan naar deze vogelsoort. Een aantal andere vogelsoorten zullen het plangebied met name benutten als foerageergebied. Dit vormt echter geen belemmering voor het planvoornemen. Het plangebied zal geen essentieel foerageergebied zijn voor deze soorten en het gebied kan bovendien als foerageergebied (tuin) in gebruik blijven. Wel wordt bij de voorgenomen sloop- en bouwwerkzaamheden verwezen naar de in hoofdstuk 5 omschreven werkwijze.

4.3 Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen exemplaren of voortplantings- en/of verblijfplaatsen van soorten aangetroffen die zijn beschermd volgens de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Voor minder algemene soorten (nationaal beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld in de Wnb), zoals de das (Meles meles), is het plangebied geschikt. Er zijn echter geen burchten en geen sporen aangetroffen van de das zoals pootafdrukken, vraatsporen of uitwerpselen. Het plangebied kan wel als foerageergebied dienen, echter zal dit geen essentieel foerageergebied zijn. Het plangebied is deels geschikt voor de steenmarter (Martes foina). Er zijn echter geen exemplaren of sporen aangetroffen. De steenmarter komt voor in diverse landschappen waaronder parklandschap, rotsachtig gebied en heeft een voorkeur voor kleinschalige landbouwgebieden. Tegenwoordig wordt de soort ook waargenomen in de buurt van dorpen en steden. De aanwezigheid van groenstroken, greppels en bermen is van belang. Echter zijn deze factoren niet voldoende aanwezig binnen het plangebied waardoor de aanwezigheid van de soort niet wordt verwacht. Het plangebied is ook gedeeltelijk geschikt voor kleine marterachtigen zoals de wezel (Mustela nivalis) en bunzing (Mustela putorius). Hiervan zijn echter ook geen sporen aangetroffen zoals holen, vraatsporen of uitwerpselen.

De bunzing houdt vooral van gebieden met oppervlaktewater. Binnen en in de directe omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. De wezel heeft de voorkeur voor open, droge natuur- en cultuurlandschap met in de omgeving voldoende dekking. De aanwezigheid van de wezel wordt eveneens niet verwacht vanwege het ontbreken van voldoende natuurlijke dekking. De bever (Castor fiber) is niet aangetroffen binnen het plangebied en ook voor deze soort is het plangebied ongeschikt. De bever komt namelijk voor in overgangsgebied tussen water en land (moeras, rivier, meren). Rustigere wateren omringt door broekbos hebben de voorkeur, maar een waterdiepte van minstens 50 centimeter is een vereiste. Binnen het plangebied zijn geen van deze factoren aanwezig waardoor de bever niet wordt verwacht. In de omgeving van het plangebied zijn voldoende alternatieven aanwezig in de vorm van akker en weiland om als foerageergebied te dienen voor algemeen voorkomende soorten. Ook zal het plangebied beschikbaar blijven als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren. Conclusie: er zijn geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroep.

pagina 8 van 14

documentkenmerk: 1910/236/JOW-02, versie 1

4.4 Vleermuizen Er is bebouwing aanwezig binnen het plangebied waardoor de aanwezigheid van verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen niet valt uit te sluiten. Vleermuizen hebben een voorkeur voor openingen waar zij zonder hinder op aan kunnen vliegen. De openingen in het dak van de woning binnen het plangebied liggen beschut achter de takken van bomen die zich nabij de woning bevinden. De kopgevels zijn tevens afgewerkt met hout waardoor er geen toegang is tot de achterliggende holtes. In de bomen, aanwezig binnen en op de grens van het plangebied, zijn geen geschikte holtes of scheuren aanwezig die dienst kunnen doen als vaste verblijfplaats voor vleermuizen. Ook zijn er geen sporen zoals ontlasting of vraatsporen in de vorm van vlindervleugels gevonden. Mogelijk zal het plangebied gebruikt worden als foerageergebied door vleermuizen. Het is echter geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen omdat in de directe omgeving voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig zijn zoals de tuinen en het aanwezige weiland rondom het plangebied. Vleermuizen maken gebruik van vliegroutes om zich te verplaatsen van verblijfplaatsen naar foerageergebieden. Hiervoor worden lange, aaneengesloten bomenrijen en andere lijnvormige landschapsstructuren zoals heggen en houtwallen gebruikt.

De bomen die zich rondom het plangebied bevinden kunnen dienst doen als vliegroute, deze bomen sluiten aan op de bossen en weilanden rondom het plangebied. Echter vormen ze geen essentiële vliegroute. Conclusie: er zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen aanwezig binnen het plangebied. Mogelijk wordt er door vleermuizen gefoerageerd binnen en in de directe omgeving van het onderzoeksgebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. Indien de sloop- en bouwwerkzaamheden overdag uitgevoerd worden, is een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten. Gezien het vorenstaande zijn er geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot vleermuizen. Een nader onderzoek naar vleermuizen is derhalve niet aan de orde.

4.5 Amfibieën, reptielen en vissen Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde amfibieën en reptielen aangetroffen en zijn er geen sporen van deze soortgroepen aangetroffen binnen het plangebied. Binnen en in de directe omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. De aanwezigheid van (beschermde) vissen kan derhalve worden uitgesloten. Eveneens lijkt het plangebied ongeschikt voor beschermde amfibieën vanwege het ontbreken van geschikt voortplantingswater. De sloot ten westen van het plangebied is diep met een steile helling waardoor het voor amfibieën lastig is om bij het plangebied te komen. Tevens is het niet bekend of er in de zomer altijd water in de desbetreffende sloot staat. Daarnaast is het plangebied voor de levendbarende hagedis (Zootoca vivipara) beperkt geschikt door de afwezigheid van vochtige heide en/of ruigten. De soort wordt echter ook waargenomen in open bossen en bermen van spoorwegen. Het is een vochtminnende soort. Binnen het plangebied zijn vochtige schuilmogelijkheden aanwezig in de vorm van houtstapels. Echter is de

pagina 9 van 14

documentkenmerk: 1910/236/JOW-02, versie 1

levendbarende hagedis volgens de NDFF echter niet meer aangetroffen vanaf jaar 2000 en wordt de aanwezigheid van de soort niet verwacht binnen het plangebied. Conclusie: er komen noch vissen noch beschermde soorten reptielen en amfibieën voor in het plangebied. De eventuele aanwezigheid van algemeen voorkomende soorten reptielen en amfibieën zoals bijvoorbeeld de gewone pad en bruine kikker vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.6 Ongewervelden/ overige soorten Beschermde soorten ongewervelden en overige soorten zijn niet waargenomen en ook niet te verwachten binnen het plangebied. Beschermde soorten stellen specifieke eisen aan een biotoop en gezien de afwezigheid van oppervlaktewater en de aanwezige beplanting is het plangebied voor veel soorten niet geschikt. Conclusie: er zijn geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen.

pagina 10 van 14

documentkenmerk: 1910/236/JOW-02, versie 1

5 Conclusies Doel van het onderhavige onderzoek is te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de natuurwetgeving.

5.1 Beschermde gebieden Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNB. De provincie Noord-Brabant hanteert geen externe werking als het gaat om NNB. De afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is dermate groot dat er geen direct negatief effect te verwachten is.

5.2 Soorten Er wordt in het kader van de Wnb nagegaan of vaste rust- en verblijfplaatsen door de beoogde ingreep opzettelijk worden aangetast (verwijderd, ongeschikt gemaakt) of dat dieren opzettelijk worden verontrust, verjaagd of gedood. Verder is er gekeken of er invloeden zijn die leiden tot een verminderde geschiktheid als foerageergebied waarbij het een zodanig belang betreft dat bij het wegvallen van deze functie ook vaste rust- en verblijfplaatsen niet langer kunnen functioneren. Flora Er zijn binnen het plangebied geen beschermde wilde plantensoorten aangetroffen. Deze soorten zijn ook niet te verwachten. Om deze redenen zullen er door de voorgenomen plannen geen nadelige effecten optreden ten aanzien van deze soortgroep en zijn er, naast de zorgplicht, vanuit de Wnb geen verdere verplichtingen. Vogels De te slopen bebouwing bevat enkele openingen die geschikt zijn als jaarrond beschermde vaste verblijfplaats voor huismussen. Om deze reden dient aanvullend onderzoek te worden gedaan naar deze vogelsoort. Dit houdt in dat er twee veldbezoeken moeten worden uitgevoerd in de periode van 1 april tot en met 15 mei of vier bezoeken in de periode van 10 maart tot en met 20 juni om aan te tonen dan wel uit te sluiten of en waar de huismussen vaste verblijfplaatsen hebben binnen het plangebied.

Locaties van nesten en essentiële onderdelen van het leefgebied dienen hierbij te worden geïnventariseerd. Dit onderzoek dient overdag op een geschikt moment te worden uitgevoerd in de periode van twee uur na zonsopkomst tot twee uur voor zonsondergang. Algemeen voorkomende soorten zonder jaarrond beschermd nest kunnen blijven broeden in de directe omgeving van het plangebied. Indien broedende vogels in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn, kunnen verstorende werkzaamheden zoals bouwwerkzaamheden of een verwijdering van beplanting mogelijk echter niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken. Wanneer er geen broedende vogels aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden. Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden in de minst kwetsbare periode (tussen begin oktober en half februari) worden eveneens geen nadelige effecten verwacht. Dit laatste verdient derhalve aanbeveling. Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd op bovenstaande wijze, zullen er geen nadelige effecten optreden ten aanzien van vogels.

pagina 11 van 14

documentkenmerk: 1910/236/JOW-02, versie 1

Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen Er zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen aanwezig binnen het plangebied. Mogelijk wordt er gefoerageerd binnen en nabij het plangebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. In de directe omgeving van het plangebied is echter voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de vorm van weilanden en akkers en tuinen van woningen. Ook is het verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten indien de sloop- en bouwwerkzaamheden overdag uitgevoerd worden. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten. Gezien het vorenstaande zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot vleermuizen.

Amfibieën, reptielen en vissen Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot amfibieën, reptielen en vissen. Ongewervelden/ overige soorten Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Er zijn derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen.

5.3 Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen. Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kunnen bijvoorbeeld struiken gedurende het groeiseizoen kort gesnoeid worden, zodat er geen vogels gaan broeden.

pagina 12 van 14

documentkenmerk: 1910/236/JOW-02, versie 1

Bij het inrichten van het bouwterrein dient te worden gezorgd dat het gebied niet aantrekkelijk wordt voor de vestiging van de rugstreeppad. Het ontstaan van poeltjes of plassen op het bouwterrein in het zomerhalfjaar (vanaf april) dient derhalve te wordt voorkomen, zodat er geen geschikt voortplantingswater voor de rugstreeppad aanwezig is. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen).

5.4 Eindconclusie In onderstaande punten wordt de eindconclusie weergegeven: •

de omschreven werkwijzen met betrekking tot zowel de zorgplicht als ten aanzien van vogels dienen in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen;

•

nader onderzoek naar huismussen is noodzakelijk;

•

om een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten, dienen de voorgenomen sloop- en bouwwerkzaamheden overdag te worden uitgevoerd;

•

voor algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling als het ruimtelijke ingrepen betreft.

5.5 Advies Checklist natuurvriendelijke maatregelen Bij het ontwerp van het nieuw te bouwen pand wordt geadviseerd gebruik te maken van de checklist natuurvriendelijke maatregelen aan gebouwen van de Vogelbescherming. Diverse natuurbeschermingsinstanties en bedrijven geven hier meer informatie over. Erfbeplanting Indien er een erfbeplanting is gepland of wordt vernieuwd, adviseren wij deze met inheemse en streekeigen soorten bomen en struiken te realiseren. Informeer hiervoor bij uw provincie of gemeente.

pagina 13 van 14

documentkenmerk: 1910/236/JOW-02, versie 1

6 Literatuurlijst Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J.B.M., Canters, K.J., Buys, J.C. (2016) Atlas van de Nederlandse zoogdieren - deel 12 serie Nederlandse fauna. Knnv Uitgeverij Delft, J.J.C.W. van, Schuitema, W. (2005) Werkatlas amfibieën en reptielen in Noord-Brabant. Stichting Ravon NDFF (2019) Geraadpleegd op 23 december 2019 via https://www.verspreidingsatlas.nl/ Ravon (2019) Geraadpleegd op 23 december 2019 via http://www.ravon.nl/ Zoogdiervereniging (2019) Geraadpleegd op 23 december 2019 via http://www.zoogdiervereniging.nl/

pagina 14 van 14

Fotobijlage: 1910/236/JOW-02, Lange Dreven 3, Lieshout

Foto 1

Foto 2

Foto 3

pagina 1

Fotobijlage: 1910/236/JOW-02, Lange Dreven 3, Lieshout

Foto 4

Foto 5

Foto 6

pagina 2

Fotobijlage: 1910/236/JOW-02, Lange Dreven 3, Lieshout

Foto 7

Foto 8

Foto 9

pagina 3

Fotobijlage: 1910/236/JOW-02, Lange Dreven 3, Lieshout

Foto 10

Foto 11

Foto 12

pagina 4

Fotobijlage: 1910/236/JOW-02, Lange Dreven 3, Lieshout

Foto 13

Foto 14

Foto 15

pagina 5

Fotobijlage: 1910/236/JOW-02, Lange Dreven 3, Lieshout

Foto 16

Foto 17

Foto 18

pagina 6

Fotobijlage: 1910/236/JOW-02, Lange Dreven 3, Lieshout

Foto 19

Foto 20

Foto 21

pagina 7

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Laarbeek&id=df378443-eda2-4870-ad0b-4bc843ae9bb4