7 20240522 Bestemmingsplan Regels en Toelichting met bijlagen - 'Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout'
Tekst van het document
Er zijn geen aanwijzingen dat zich hier in het verleden bodemverontreinigende activiteiten hebben voorgedaan of dat hier in het verleden bebouwing heeft gestaan. De gronden ter plaatse kunnen derhalve als ‘schoon’ worden geclassificeerd. Vanuit artikel 8 van de Woningwet wordt een bodemonderzoek geëist als sprake is van het oprichten van een inrichting waarin meer dan 2 uur per dag mensen aanwezig zullen zijn. De nieuw te bouwen stal wordt niet uitgevoerd met een melkinstallatie. De koeien die in deze stal worden gehuisvest zullen in de bestaande melkstal worden gemolken. Om die reden is het aannemelijk dat de verblijftijd van mensen in de stal kleiner is dan 2 uur per dag. Dat geldt ook voor de loods waarin opslag plaatsvindt van machines en werktuigen. Ter plaatse van het (denkbeeldige) differentiatievlak mag geen nieuwe bebouwing worden opgericht. Hier zijn alleen opslagvoorzieningen toegestaan. Verder Toelichting
43
bodemonderzoek kan daardoor achterwege blijven. Conclusie De nieuwbouw wordt gerealiseerd op gronden die in gebruik zijn als landbouwgrond. Op deze grond hebben geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden. Omdat in de nieuwbouw gemiddeld niet langer dan 2 uur per dag wordt verbleven, is nader bodemonderzoek niet nodig. Het aspect bodemkwaliteit staat de uitvoering van het planvoornemen niet in de weg. 4.5
Geluid
Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is geregeld dat bepaalde wegen, spoorwegen en bedrijven(terreinen) een zone hebben. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Toets Wegverkeerslawaai Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) heeft elke weg een geluidszone, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Het betreft in dit geval een bestaand agrarisch bedrijf met 2 bestaande bedrijfswoningen. Er wordt met het planvoornemen geen geluid gevoelig object toegevoegd. Er is in dit geval geen akoestisch onderzoek noodzakelijk. Industrielawaai De toekomstige uitbreiding van het bedrijf vindt plaats op relatief grote afstand van de woningen van de buren (meer dan 160 meter) . Met de vormverandering van het bestemmingsvlak komt deze deels op een grotere afstand te liggen van de omliggende woningen van derden.
De geluidbelasting van het bedrijf van initiatiefnemer op gevoelige objecten in de omgeving zal door de wijziging van de vorm van het bestemmingsvlak niet toenemen. 44
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
Spoorweglawaai Op korte afstand uit het plangebied is geen spoorlijn aanwezig. Het aspect railverkeerslawaai is dan ook niet van toepassing op het onderhavig plan. Luchtvaartlawaai Het plangebied ligt op hemelsbreed circa 14 km van de luchthaven Eindhoven. Dit is een militair vliegveld met medegebruik door de burgerluchtvaart (Eindhoven Airport). Vanaf 1 november 2009 geldt de Wet luchtvaart. Deze wet omvat een nieuw stelsel van besluitvorming en normen voor alle luchthavens, met uitzondering van Schiphol. Conform de systematiek van deze wet is voor luchthaven Eindhoven één luchthavenbesluit vastgesteld met een militaire geluidsruimte voor militair vliegverkeer en een burgergeluidsruimte voor het commercieel burgermedegebruik. Het luchthavenbesluit is op 26 september 2014 vastgesteld. Met dit besluit is de 35Ke-geluidszone rond de luchthaven vastgelegd als grens van de geluidsbelasting van het gezamenlijke militaire en civiele vliegverkeer. Het plangebied ligt niet binnen deze vastgestelde geluidszone (35Ke-contouren). Deze geluidszone werkt daarom niet belemmerend voor onderhavig plangebied. Conclusie De aspecten industrie-, spoorweg- en luchtvaartlawaai vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. De uitvoering van het planvoornemen worden door deze aspecten niet belemmerd. 4.6
Geur
Geur uit dierenverblijven De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder te opzichte van de tot de veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld zijn. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van verblijfsgebouwen voor mensen tegen de negatieve effecten van de geurbelasting, als gevolg van emissies uit dierenverblijven. Met de in de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij vergunningen aan veehouderijen. Nieuwe knelpunten moeten worden voorkomen. In de Wet geurhinder een veehouderij zijn grenswaarden opgenomen voor de geurbelasting die een veehouderijbedrijf op en geurgevoelig object (bijvoorbeeld Toelichting
45
een woning) mag veroorzaken. Tevens gelden volgens de wet minimale afstanden tot woningen van derden. De grenswaarden worden weergegeven in odour units per vierkante meter lucht (ouE/m3). Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de ligging van een veehouderijbedrijf binnen of buiten de concentratiegebieden en de ligging van de veehouderijbedrijven binnen of buiten de bebouwde kom. Toets Binnen het bestemmingsplan is een veehouderij mogelijk waar dieren (melkvee) worden gehouden waar een vaste afstand voor is vastgesteld. Voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom is dit 100 meter en buiten de bebouwde kom is dit 50 meter. Binnen de genoemde afstanden zijn geen woningen van derden gelegen, gemeten uit de ligging van het bestemmingsvlak in de nieuwe situatie. Opslag en bewerken van mest en kuilvoer Overige activiteiten, zoals de opslag van mest en veevoer, kunnen lokaal geurhinder veroorzaken. Geurhinder kan worden voorkomen door voldoende afstand te houden tussen de geurbron en een geurgevoelige locatie. Hiervoor kan worden aangesloten bij de afstanden die worden genoemd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Binnen het (denkbeeldig) differentiatievlak is het mogelijk om voorzieningen te realiseren voor de opslag van mest en veevoer. De kortste afstand van het differentiatievlak tot woningen van derden is circa 165 meter.
Er wordt hiermee ruim voldaan aan de minimale afstand uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Conclusie Het plan leidt niet tot geurhinder bij omliggende woningen. Geur is geen beperkende factor voor dit plan. 4.7
Externe veiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico’s moeten aanvaardbaar blijven. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven.
46
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
Bij ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met dit aspect. Daartoe moeten de risico’s voor de bevolking, die verbonden zijn aan gevaar veroorzakende activiteiten, in beeld worden gebracht. Voor de normstelling van risicovolle bedrijven moet worden aangesloten bij het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het toetsingskader is meer gedetailleerd uitgewerkt in de Regeling externe veiligheid voor inrichtingen (Revi). De eisen ten aanzien van vervoer van gevaarlijke stoffen en de daarmee samenhangende risico’s zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Voor buisleidingen die risicovolle stoffen transporteren geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Dit besluit regelt de taken en verantwoordelijkheden van de leidingexploitant en de gemeenten en geeft de eisen en veiligheidsafstanden voor buisleidingen die worden gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen ten opzichte van kwetsbare objecten. Toets Buisleidingen De meest nabijgelegen risicovolle bron betreft twee gastransportleidingen van Gasunie, gelegen direct ten noordoosten en ten zuidwesten van het plangebied. Zie ook de navolgende afbeelding.
Toelichting
47
Afbeelding 9: Aargasleidingen in de omgeving van het gebied In het bestemmingsplan zijn veiligheidszones opgenomen, circa 70 meter aan weerszijden van de gasleiding. De veiligheidszone van gasleiding A-521 ligt voor een deel binnen het plangebied. Ter bescherming van de gasleiding geldt een verbod op het bouwen van nieuwe gebouwen binnen de veiligheidszone. Hiervan kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken mits vooraf advies is ingewonnen bij de leidingbeheerder. Het plangebied ligt geheel in een 100% letaalzone van de gasleidingen. Aangezien het project niet voorziet in nieuwe ontwikkelingen ten aanzien van het aantal personen in het plangebied (het groepsrisico zal niet toenemen) en het feit dat er door de lage bevolkingsdichtheid (binnen het plangebied en de directe omgeving) waarschijnlijk sprake zal zijn van een laag groepsrisico, kan een nadere verantwoording van het groepsrisico in dit geval achterwege blijven. Aangezien het project niet voorziet in nieuwe ontwikkelingen, die van invloed kunnen zijn op het groepsrisico, is een verantwoording niet aan de orde. Inrichtingen In de directe omgeving van de locatie bevinden zich geen Bevi-bedrijven. Ook vanuit 48
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
het Activiteitenbesluit, het Vuurwerkbesluit, het Besluit ruimte en de Circulaire ontplofbare stoffen voor civiel gebruik krijgt deze locatie niet te maken met veiligheidsafstanden. Besluit en Regeling externe veiligheid transportrisico’s In de omgeving van het plangebied zijn geen transportroute's aanwezig waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats op voldoende afstand van: bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen; wegen waarop vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De risicocontouren van opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen vormen geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Het plangebied ligt in een risicocontour van gasleidingen. Omdat het plan geen invloed heeft op het aantal mensen in het gebied en de bevolkingsdichtheid laag is, vormen deze leidingen geen belemmering voor het plan. Het voorgenomen initiatief voorziet ook niet in nieuwe gebouwen in de veiligheidszone. Onderhavig plan voorziet verder niet in het vestigen of oprichten van een risicovolle inrichting. 4.8
Luchtkwaliteit
Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. Daarin zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit; ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven; een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van desbetreffende stoffen in de buitenlucht; een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Toelichting
49
Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit). De uitwerking van het begrip 'niet in betekende mate' staat in het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)'. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als 'niet in betekenende mate' worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is volgens deze regeling geen onderzoek nodig voor 'woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeerverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat'. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) is gericht op mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). In het besluit is geregeld dat wanneer een gevoelige bestemming binnen een onderzoekszone van een rijks- of provinciale weg wordt gevestigd of uitgebreid, een luchtkwaliteitsonderzoek nodig is. Gevoelige bestemmingen zijn functies waarbinnen kinderen, ouderen en zieken verblijven, zoals scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Een woning of ziekenhuis is geen gevoelige bestemming conform het besluit. De onderzoekszone van een rijksweg betreft 300 meter aan beide zijden van de weg, gemeten vanaf de rand van de weg. Voor een provinciale weg geldt hetzelfde, maar dan een zone van 50 meter. Goede ruimtelijke ordening Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg.
50
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
Toets Uit de toelichting bij het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)” blijkt dat woninglocaties tot 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit. Er wordt met dit plan geen nieuwe gevoelige bestemming conform het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteit) mogelijk gemaakt. Daarnaast valt het plan onder de ondergrens van de categorie “niet in betekenende mate” bijdragend. De Atlas Leefomgeving maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen nabij het plangebied ver onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De NO2 concentratie bedraagt 16 microgram/m3 (2019) en fijnstofconcentratie bedraagt 18 microgram/m3 (2019). De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet ruimschoots aan de wettelijke grenswaarden. De ontwikkelingen die als gevolg van het plan mogelijk worden gemaakt, zoals de bouw van de nieuwe stal en de opslagloods, zullen resulteren in een (kleine) toename van het aantal vervoersbewegingen van en naar het bedrijf. Deze toename zal echter “niet in betekenende mate” bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied.
Een (kleine) toename van het aantal vervoersbewegingen zal beneden NIBM grens van 1,2 microgram/m3 blijven waardoor ook de norm van de provincie niet overschreden zal worden. Met een toename van het aantal dieren zal ook de emissie van fijnstof uit de stallen toenemen. De huidige bedrijfsomvang is 309 melkkoeien, 278 stuks jongvee en 2 fokstieren. De emissie van fijnstof is 47,4 kg PM10 per jaar. De nieuwe ligboxenstal biedt ruimte voor 158 melkkoeien. Bij maximale benutting van de stalcapaciteit is de toename 18,6 kg PM10 per jaar, zodat de totale emissie 66 kg PM10 per jaar is. Volgens de Handreiking NIBM (zie: infomil.nl) draagt een toename van 324 kg PM10/jr op 70 meter van de inrichting (worst case) niet in betekenende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. De uitbreiding die dit plan mogelijk maakt leidt tot een veel lagere toename en ook de totale emissie is veel lager dan 324 kg/jaar. Ook liggen verblijfslocaties voor mensen op veel grotere afstand. Op grond van de Wet luchtkwaliteit bestaat geen aanleiding voor een nader Toelichting
51
onderzoek naar luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de uitvoering van het plan niet in de weg 4.9
Water
Watertoets Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief binnen het plangebied inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets de oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan kunnen worden gemaakt. Waterbeleid Met betrekking tot de waterhuishouding zijn diverse beleidsstukken relevant. Genoemd kunnen worden: Nationaal Waterplan 2016-2021, Provinciaal Milieu- en Waterplan van de provincie Noord-Brabant, Waterbeheerplan Waterschap Aa en Maas 2016-2021, Keur Waterschap Aa en Maas, Vierde Nota Waterhuishouding, Nationaal bestuursakkoord water en Beleidsbrief regenwater en riolering. Centraal in het waterbeleid is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De waterhuishouding legt daarmee een ruimteclaim waaraan voldaan moet worden. Daarbij zijn de volgende strategieën leidend: Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit) Waterbeheerplan Waterschap Aa en Maas 20122 - 2027 Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld.
In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma's: 1. Waterveiligheid; 52
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
Het programma 'Waterveiligheid' draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma 'Klimaatbestendig en gezond watersysteem' draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma 'Schoon Water' speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; de waterkwaliteit geen risico's geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma's zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen.
Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De Toelichting
53
legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Beleidsregel hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater De drie Brabantse Waterschappen hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. De Keur is in 2021 geactualiseerd. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m2, toename van een verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m2. Plannen met een verhardingstoename tot 500 m2 zijn onder de nieuwe keur vrijgesteld van compensatie.
Voor plannen met een verhardingstoename tussen 500 m2 en 10.000 m2 hanteert het waterschap een algemene (reken) regel (benodigde compensatie (in m3) = Toename verhard oppervlak (m2) * gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m)). De gevoeligheidsfactor houdt de nominale waarde in die de hydrologische gevoeligheid en infiltratiepotentie van de locatie uitdrukt. De waarde 0,06 is de waterschijf van 60 mm die overeenkomt met de vastgestelde bovengrens voor de compensatiecapaciteit van 600 m3/ha. Oppervlaktewater De volgende afbeelding toont de ligging van de leggerwatergangen in de omgeving van het plangebied, die in beheer zijn bij het waterschap Aa en Maas.
54
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
Afbeelding 10: Ligging leggerwatergangen (https://maps.aaenmaas.nl/portaal/legger_oppervlaktewater/) Uit de legger blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied geen watergangen aanwezig zijn die onder de Keur van het waterschap vallen. Grondwater Uit de Bodematlas van de provincie Noord-Brabant blijkt dat de gemiddelde hoogste waterstand zich rond 40-60 centimeter beneden maaiveld bevindt en de gemiddelde laagste grondwaterstand 120-140 centimeter beneden maaiveld. Naar het oosten toe zit het grondwater dieper. Zie ook de navolgende afbeelding.
Toelichting
55
Afbeelding 11: Gemiddelde Hoogste Grondwatertrap (bron: Bodematlas Noord-Brabant) Waterwingebied Het plangebied ligt in een waterwingebied, tevens grondwaterbeschermingsgebied en boringsvrije zone. Er geldt een zorgplicht voor de duurzame veiligstelling van de drinkwatervoorziening. Daarom zijn in de IOV direct werkende regels en instructieregels opgenomen ter bescherming van het grondwater. De provincie stimuleert het verminderen van het gebruik van bestrijdingsmiddelen en bevordert een gezonde bodem door middel van informatieverschaffing aan en kennisuitwisseling met de landbouwsector, gemeenten, het bedrijfsleven en bewoners. Het beleid is erop gericht om per 2027 aan de verplichtingen uit de Kaderrichtlijn Water te voldoen. In de IOV zijn verschillende werkingsgebieden onderscheiden, namelijk het waterwingebied, het grondwaterbeschermingsgebied en de boringsvrije zone. In het waterwingebied geldt de meest strikte vorm van bescherming. In dit gebied wordt water gewonnen dat gebruikt wordt voor de openbare watervoorziening, zoals (drink)waterproductiebedrijven (pompstations). Rondom een waterwingebied ligt een grondwaterbeschermingsgebied. Om de kwaliteit van het grondwater hier te waarborgen, moeten ook deze gebieden beschermd worden. Binnen deze gebieden gelden regels om bij eventuele ruimtelijke ontwikkelingen een zorgvuldige afweging te maken.
In de boringsvrije zone geldt de minst strikte vorm van bescherming. Deze beschermingsstatus geldt voor winningen waarvan het watervoerende pakket waaruit gewonnen wordt zijn 56
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
afgesloten door goed ontwikkelde afsluitende kleilagen. De diepte tot waar geboord mag worden is aan regels gebonden. Het bestemmingsplan moet hier mede zorgen voor behoud van de beschermende kleilaag in de bodem. Hieraan kan bijvoorbeeld invulling gegeven worden door middel van een aanlegvergunningenstelsel voor activiteiten in de bodem die de beschermende kleilaag kunnen doorboren. In dit bestemmingsplan zijn ter uitvoering van de instructieregels uit de IOV (artikelen 3.10, 3.11 en 3.12), regels opgenomen ter bescherming van het grondwater. Hiervoor is gebruik gemaakt van de 'Handreiking drinkwaterbescherming Noord-Brabant'. Voor een toelichting op de regels wordt verwezen naar de Handreiking. Deze planregels gelden voor nieuwe activiteiten. Bestaand gebruik mag worden voortgezet zolang de afwijking van de regels niet wordt vergroot. Afvoer hemelwater In de Keur is bepaald dat voor het afvoeren van hemelwater door afkoppelen van verhard oppervlak bij een toename van verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 compenserende maatregelen dienen te worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan. Het voorliggende plan voorziet in een uitbreiding van de verharding met een oppervlakte van 1.981 m2 (287 m2 loods + 1.594 m2 stal + 100 m2 verharding).
Dat betekent dat de aanleg van een infiltratievoorziening ten behoeve van de afvoer van het hemelwater noodzakelijk is. Uit de kaart 'Gevoeligheidsfactor' van de Keur blijkt dat de gevoeligheidsfactor ter plaatse van het plangebied 0,5 bedraagt. De benodigde compensatie (in m3) van de bergingsvoorziening bedraagt 1.981 * 0,5 * 0,06 = 59,4 m³. De benodigde watercompensatie wordt gerealiseerd door twee zaksloten aangrenzend aan het bouwvlak over een lengte van circa 60 meter te verbreden. De verbreding moet per meter circa 0,5 m3 (extra) kunnen bergen, dus 1 meter breder met een diepte van 0,5 meter. Deze zaksloten zijn geen watervoerende watergangen maar dienen voor opvang en infiltratie van hemelwaterwater en worden voorzien van een overstort (stuw) naar de watergang ten noordwesten.
Toelichting
57
Afbeelding 12: Infiltratievoorziening hemelwater Op 6 januari 2022 is de digitale watertoets uitgevoerd. Uit de beantwoording van de vragen blijkt dat de normale procedure van toepassing is. Voor het realiseren van de compensatiemaatregelen is een watervergunning van het waterschap noodzakelijk. De resultaten van de watertoets zijn als Bijlage 8 aan deze toelichting toegevoegd. Gebruik niet-uitlogende materialen Het gebruik van niet uitlogende materialen is conform het advies van de Dubo-richtlijn (Duurzaam Bouwen). In het Activiteitenbesluit staat dat niet verontreinigd hemelwater in principe in de bodem geïnfiltreerd kan worden of afgevoerd kan worden naar het oppervlaktewater, ook als dat in contact is geweest met oppervlakken als daken. Bij de nieuwbouw zal geen gebruik worden gemaakt van onbehandelde uitlogende materialen zoals koper, zink en lood, teerhoudende dakbedekking (PAK’s) en van met verontreinigde stoffen verduurzaamd hout. Doordat het hemelwater niet vervuild is, is het geen probleem om het hemelwater te laten infiltreren. Huishoudelijk afvalwater Het huishoudelijk afvalwater (geen bedrijfsafvalwater) afkomstig van de nieuwe 58
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
bebouwing wordt afgevoerd middels de gemeentelijke riolering Conclusie Initiatiefnemer zal ten minste 59,4 m3 aan watercompensatie realiseren door het verbreden van twee zaksloten waar schoon hemelwater kan infiltreren. Hiermee wordt versnelde afvoer van hemelwater tegen gegaan en voldoet het plan aan de voorwaarden van de Keur. 4.10
Ecologie
De bescherming van de natuur in Nederland vindt plaats door Europese en nationale wetgeving. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen soortbescherming en gebiedsbescherming. Deze staan los van elkaar en hebben ieder hun eigen werking. De Wet natuurbescherming (Wnb), die per 1 januari 2017 is ingegaan, vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. De Natuurbeschermingswet 1998 zorgde voor de bescherming van (natuur)gebieden en de Flora- en faunawet regelde de bescherming van alle in het wild levende plantenen diersoorten, dus ook buiten de beschermde gebieden. Bij werkzaamheden met betrekking tot ruimtelijke ingrepen, moest worden nagegaan of deze negatieve gevolgen zouden kunnen hebben voor beschermde soorten en/of beschermde gebieden. Toets Door Exlan is een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd, waarmee de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld zijn gebracht. Het plangebied is onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. De integrale rapportage van het onderzoek is als Bijlage 9 aan deze toelichting toegevoegd.
Een samenvatting van de bevindingen is in deze paragraaf opgenomen. Gebiedsbescherming Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op minimaal 350 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Toelichting
59
Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Noord-Brabant. Natura 2000 Het meest dichtbijgelegen Natura 2000-gebied is het Natura 2000-gebied “Strabrechtse Heide & Beuven" op ruim 10 kilometer ten zuiden van het projectgebied. Zie ook de navolgende afbeelding.
Afbeelding 13: Natura 2000-gebieden in de omgeving van het projectgebied Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden kan op voorhand worden uitgesloten dat er, naast de invloed door stikstofdepositie, nog andere schadelijke effecten kunnen optreden, bijvoorbeeld verstoring door geluid of licht. Beoordeling stikstof Gebruiksfase De toename van het aantal koeien zal door het toepassen van emissiearme staltechnieken niet leiden tot een toename van de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden. Dit is beschreven in paragraaf 4.2. 60
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
In de planregels is via een 'emisseplafond' geborgd dat het gebruik geen toename van stikstofdepositie in Natura 2000 mag veroorzaken. Ook is voldoende aangetoond dat het project geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft als een emissiearm huisvestingsysteem wordt toegepast waarvan de werking voldoende zeker is. In hoofdstuk 4.2 is al beschreven dat die stalsystemen beschikbaar zijn, bijvoorbeeld de Lely Sphere. Door mest versneld af te voeren uit de stal en op te slaan in een afgesloten opslagvoorziening kan een belangrijke emissiereductie worden bereikt. Het plan is daardoor uitvoerbaar binnen het emissieplafond. De uitbreiding van het bedrijf zal een toename van het aantal vervoersbewegingen veroorzaken. Zie ook paragraaf 4.12. Verwacht wordt dat de toename jaarlijks 500 vervoersbewegingen betreft waarvan 400 bewegingen met zwaar verkeer (incl. trekkers) en 100 bewegingen met licht verkeer. Aanlegfase Tijdens de bouw van gebouwen en bouwwerken kan extra stikstofemissie optreden door het gebruik van machines en extra verkeersbewegingen. De tijdens de aanlegfase extra optredende stikstofdepositie is berekend met AERIUS (zie Bijlage 10). Uit deze berekening volgt dat er in de aanlegfase geen significante (extra) stikstofdepositie (<0,005 mol/ha/jr) optreedt in Natura 2000-gebieden.
Soortenbescherming Flora algemeen Bij de planlocatie zijn geen bijzondere beplantingen aangetroffen. Er is tevens gelet op de aanwezigheid van (beschermde) muurvegetatie. Er is beplanting aanwezig in de siertuin, de voorzijde en de oprijlaan. Grondgebonden zoogdieren Specifiek is bekeken of binnen de betreffende inrichting verwacht kan worden of er streng beschermde zoogdieren; steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel, eekhoorn, bever en das kunnen worden aangetroffen. Het plangebied vormt geen geschikte habitat voor de steenmarter, de hermelijn, wezel, bunzing, eekhoorn, bever en das. Vleermuizen Het plangebied is zeer nauwkeurig beoordeeld op de mogelijke waarde voor vleermuizen. Hierbij is gelet op de geschiktheid van de aanwezige bebouwing als Toelichting
61
verblijfplaats voor deze dieren: aanwezigheid van spouwgaten en andere openingen in muren en daken, vetstrepen, uitwerpselen en prooiresten bij gevelopeningen. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op de aanwezige habitat, gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen. In de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig in de vorm van bomenrijen en bosranden. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen zoals houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfsplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord. Vogels Tijdens het bezoek is met name gelet op de aanwezigheid van nesten en rustplaatsen voor vogels. Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen het agrarische (buiten)gebied kunnen dit zijn: boomvalk, buizerd, havik, sperwer, wespendief, huismus, steenuil en de kerkuil.
Boomvalk De boomvalk is een soort die geen eigen nest maakt, maar broedt in gebruikte kraaien- en/of eksternesten in verschillende typen bos(randen) of in solitaire bomen, populierensingels, of op erven. De soort komt vooral voor in open en halfopen landschappen zoals boerenland en dorpen, alsook in buitenwijken van steden. De bomen op- en nabij de planlocatie zijn gecontroleerd op dergelijke nesten, deze zijn niet aangetroffen. Evenmin worden er met de beoogde werkzaamheden bomen verwijderd. Negatieve effecten op de boomvalk als gevolg van de werkzaamheden zijn derhalve niet aan de orde. Buizerd en havik De buizerd en havik broeden op grote nesten van ongeveer een meter in doorsnede 62
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
en 60 centimeter diep. Dergelijke nesten zijn tijdens het veldbezoek niet waargenomen. Een broedgeval van de buizerd en havik is daarom uit te sluiten. Eveneens worden er met de beoogde werkzaamheden geen bomen gekapt, zodat het wegnemen van een jaarrond beschermd nest kan worden uitgesloten. Wespendief en sperwer De wespendief is doorgaans gebonden aan grotere bosgebieden van zowel loof- als naaldbomen. Bij voorkeur is er afwisseling binnen het bosgebied aanwezig in de vorm van open plekken. De sperwer broedt bij voorkeur meer verborgen in naaldbomen. Beide situaties zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Gezien de ligging van de onderzoekslocatie binnen agrarisch gebied en de afwezigheid van voldoende dekking is een nestplaats van de sperwer of wespendief niet te verwachten. Eveneens zijn er tijdens het veldbezoek geen nesten aangetroffen. Een broedgeval van zowel de wespendief als de sperwer zijn uitgesloten. Steenuil en kerkuil De kerkuil en steenuil hebben een voorkeur voor cultuurlandschappen met allerlei landschapselementen die voor afwisseling zorgen. Beide soorten broeden in gebouwen en gebruiken ook graag speciale nestkasten. Daarnaast worden door de steenuil ook wel boomholten gebruikt, mits er zich grote holten in bevinden.
De locatie zijn in zijn geheel gecontroleerd op de aanwezigheid van steen- en kerkuilen en is vooral gelet op de aanwezigheid van sporen; braakballen, veren en uitwerpselen. Er zijn geen (sporen van) steen- en kerkuilen waargenomen. Er is geen sprake van een afname van belangrijk foerageergebied. Er blijft er voldoende foerageergebied aanwezig in de omgeving. Huismus Ook voor de huismus, die veel te vinden is in agrarisch gebied en vooral gebonden aan gebouwen is, is het nest jaarrond beschermd. Er zijn op deze locatie relatief veel huismussen aangetroffen die alle broeden onder de dakpannen van de woningen aan de voorzijde van het perceel. Overige broedvogels De beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals de merel en winterkoning. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Er broeden aan de achterzijde van de woning op nummer 13a circa 20 paar Toelichting
63
huiszwaluwen. Daarnaast is er in samenwerking met de gemeente en IVN een huiszwaluwenpaal geplaatst. Deze wordt door huiszwaluwen gebruikt en er is tenminste één zelfgebouwd nest. Deze paal wordt voor de bouw van de nieuwe rundveestal tijdig verplaatst tussen september en april en komt naast de nieuwe stal te staan. Ook broeden er boerenzwaluwen in de schuur achter in het voorste woonhuis. Hier broeden circa 5 paar. Reptielen, amfibieën en vissen Er zijn tijdens het terreinbezoek geen reptielen, amfibieën en/of vissen waargenomen. Overige Van de overige soortgroepen, zoals dagvlinders, insecten en libellen, kan worden aangenomen dat deze soorten gedurende het jaar in het plangebied aanwezig kunnen zijn of dit gebied in de migratieroute hebben liggen. Afhankelijk van het seizoen zijn mogelijk algemene soorten te vinden op/of binnen de planlocatie. Specifieke beschermende soorten zijn voornamelijk afhankelijk van specifieke terreinkenmerken met specifieke biotopen. Binnen het plangebied is een dergelijk biotoop niet aanwezig. Conclusie Het voornemen zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed.
Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Voor aanvang van de werkzaamheden is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet vereist. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. 64
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
Het planvoornemen is voor het aspect ecologie uitvoerbaar. 4.11
Cultuurhistorie en archeologie
Cultuurhistorie Cultuurhistorie neemt een belangrijke plaats in de ruimtelijke ordening. Met cultuurhistorische waarden dient bij het opstellen van ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden in de vorm van bescherming en behoud van deze karakteristieke gebiedswaarden. Toets Volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant is het plangebied gelegen binnen de cultuurhistorisch waardevolle regio ‘Meierij’ en de 'Helmondse akkers' (zie volgende figuur).
Afbeelding 14: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart provincie Noord-Brabant Meierij De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk Toelichting
65
aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Twee andere aspecten die het landschap van de Meierij kenmerken zijn de landgoederen en buitenplaatsen en de populierenteelt. Door de achteruitgang van de populierenteelt en de introductie van het prikkeldraad, waardoor de perceelrandbegroeiing zijn functie als veekering verloor, is de kleinschaligheid van de beekdalen op veel plaatsen verloren gegaan. Dit proces werd versterkt door de uitvoering van ruilverkavelingen in de tweede helft van de twintigste eeuw. Hierdoor zijn de markante verschillen tussen de hoge zandgronden, de oude cultuurgebieden en de beekdalen voor een deel verloren gegaan. Helmondse akkers Dit gebied ligt in de nabijheid van Helmond en omvat het sterk gevarieerde landschap tussen het Dommeldal in het westen en de Peelhorst in het oosten. Het gebied wordt van zuid naar noord doorsneden door de Aa en de Goorloop en hun zijbeken. Hierdoor is een mozaïek van kleinere en grotere dekzandgebieden ontstaan die veelal zijn bedekt met oude akkercomplexen en woeste gronden heide, bos). Met name in het westen komen zones met stuifduinen voor.
De Helmondse akkers zijn opgenomen in de cultuurhistorische waardenkaart vanwege de hoge dichtheid aan bekende archeologische vindplaatsen, hetgeen blijkt uit het hoge aantal waarnemingen per km2 en het relatief grote aandeel AMK-terreinen. Gebaseerd op de Archis-waarnemingen lijkt de bewoning te beginnen in het paleolithicum en door te lopen tot in de late middeleeuwen. De vormverandering van het bestemmingsvlak heeft geen directe gevolgen voor de cultuurhistorische waarden van het gebied. De indeling in agrarische gebruikseenheden wordt door het plan niet aangetast. Afbeelding 15 toont de Erfgoedkaart van de gemeente Laarbeek. Het plangebied is hierin rood omcirkeld. Het gebied aan de oostzijde van de planlocatie is aangemerkt als een cultuurhistorisch waardevol vlak (categorie 3).
66
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
Afbeelding 15: Uitsnede Erfgoedkaart gemeente Laarbeek Gebieden die aangewezen zijn als cultuurhistorisch waardevol kunnen gezien worden als belangrijke elementen van de lokale identiteit. Deze cultuurhistorische waarden verdienen het om behouden te worden, maar vooral ook om als inspiratiebron te worden gebruikt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. De toegangsweg naar de bedrijfslocatie is aangewezen als categorie 2. Elementen in deze categorie verdienen het om behouden te blijven. De gewenste ontwikkeling van het bedrijf vindt grotendeels aan de westzijde van het erf plaats, waar geen cultuurhistorische betekenis aan toe is gekend op basis van de Erfgoedkaart. Aan de oostzijde liggen de voeropslagen voor een klein gedeelte binnen het vlak dat aangewezen is als cultuurhistorisch waardevol. Onderdeel van het plan is de landschappelijke inpassing van het bedrijf in de nieuwe situatie. Bij de uitwerking van deze inpassing is ook rekening gehouden met de identiteit van het gebied en de cultuurhistorische waarden. De toegangsweg blijft onaangetast en als belangrijk element voor de cultuurhistorie van het gebied behouden. Het aspect cultuurhistorie staat het plan niet in de weg. Archeologie Bij de opstelling en uitvoering van ruimtelijke plannen moet rekening gehouden Toelichting
67
worden met bekende archeologische waarden en de te verwachten archeologische waarden. Paraplubestemmingsplan Archeologie In dit geval is in het 'Parapluplan Archeologie en monumenten gemeente Laarbeek' van toepassing op het plangebied. Dit parapluplan is een vertaling van de vastgestelde archeologische beleidskaart. Doel van dit paraplubestemmingsplan is de archeologische waarden en verwachtingsgebieden in Laarbeek te beschermen. De archeologische dubbelbestemmingen die volgen uit die parapluplan zijn één op één overgenomen en maken integraal onderdeel uit van voorliggend plan. De volgende archeologische dubbelbestemmingen zijn van toepassing op het plangebied: Waarde - Archeologie 3 Waarde - Archeologie 5.1 Waarde - Archeologie 5.2 Waarde - Archeologie 7 Archeologische beleidskaart Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Laarbeek is het plangebied gelegen binnen verschillende regimes wat betreft de archeologische verwachting. Het oostelijk deel van het plangebied heeft een (hoge) archeologische verwachting terwijl het westelijk deel een lage verwachting heeft. Zie ook de volgende afbeelding.
68
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
Afbeelding 16: Uitsnede ‘Archeologische beleidskaart’ gemeente Laarbeek (plangebied is indicatief aangegeven met een zwarte cirkel) Aan de westzijde van het erf, waar de nieuwbouw is voorzien, is een zone aanwezig waarvoor een lage archeologische verwachting geldt (Waarde - Archeologie 7). Binnen deze zones kunnen wel archeologische waarden aangetroffen worden. Echter, op basis van de geomorfologie en de bodemkundige kenmerken van het terrein (beekdal, veldpodzol, vlakvaaggronden, e.d.) of vanwege het verwachte incidentele en extensieve gebruik van de zones (depositielocaties, veeweiden, grondstofwinning e.d.) zijn dergelijke arealen moeilijk archeologisch te onderzoeken. Recente inzichten wijzen er ook op dat vooral beekdalen in een zeer dunne spreiding bijzondere vondsten kunnen bevatten, welke echter wegens hun geringe aantal meestal alleen bij grootschalige werkzaamheden aangetroffen zullen worden. Toets De nieuwbouw is gepland in de zone met een lage archeologische verwachting (Waarde - Archeologie 7). Omdat de nieuwbouw beneden de vrijstellingsgrens voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek blijft, is verder archeologisch onderzoek niet aan de orde. Toelichting
69
In dit bestemmingsplan worden ook de voeropslagen meegenomen die (deels) buiten het bestaande bestemmingsvlak liggen. Deze opslagen liggen in een zone met een hoge verwachting (Waarde - Archeologie 3). Echter gaat het hier om reeds bestaande opslagen. Conclusie Vanuit het oogpunt van zowel archeologie als cultuurhistorie is het planvoornemen uitvoerbaar. 4.12
Ontsluiting, verkeer en parkeren
Ontsluiting In de huidige situatie wordt het bedrijf ontsloten via een eigen toegangsweg op de Sonseweg. Deze ontsluiting blijft in de nieuwe situatie gehandhaafd. Er wordt geen extra ontsluiting gerealiseerd. Verkeer De verkeergeneratie als gevolg van het plan is beperkt. Met de nieuwe stal wordt de capaciteit voor het houden van rundvee vergroot. Dit zal tot gevolg hebben dat het aantal vervoersbewegingen iets zal toenemen. Ten opzichte van de vervoersbewegingen in de huidige situatie zal dit beperkt zijn. Verwacht wordt dat de toename jaarlijks 500 extra vervoersbewegingen betreft waarvan 400 bewegingen met zwaar verkeer (incl. trekkers) en 100 bewegingen met licht verkeer. De bestaande infrastructuur kan deze bescheiden toename van het aantal verkeersbewegingen prima verwerken. Parkeren Het uitgangspunt van het parkeerbeleid van de gemeente Laarbeek is dat een nieuw bouwinitiatief geen parkeerproblemen in de omgeving mag veroorzaken en dat elke initiatiefnemer van bouwplannen zorg draagt voor zijn eigen parkeeroplossing. Door de ontwikkeling neemt de parkeerbehoefte niet toe. Op het terrein is voldoende parkeergelegenheid aanwezig voor de bezoekers.
70
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
4.13
Kabels en leidingen
De aanwezigheid van kabels en/of leidingen in een gebied kunnen de realisatie van eventuele bouwplannen in de weg staan. Buiten de normale huis- en bedrijfsaansluitingen is aan de noordoostzijde binnen het plangebied een beschermingszone van de aardgasleiding aanwezig. Op de verbeelding van het bestemmingsplan heeft deze beschermingszone de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - leiding gas'. De onbebouwde zone van de gasleiding betreft 4 m aan weerszijden van het midden van de leiding. Het bestemmingsvlak 'Agrarisch Agrarisch bedrijf' ligt buiten deze onbebouwde zone. 4.14
Gezondheid
Bij de vaststelling van plannen voor veehouderijen is in toenemende mate aandacht voor de risico's voor de volksgezondheid. Dit geldt met name voor intensieve veehouderijen, zoals varkens - en pluimveehouderijen, en geitenhouderijen. Bij deze bedrijven zijn aanwijzingen dat de verspreiding van zoönosen en endotoxinen een risico kunnen vormen voor omwonenden. Zijn de emissies van fijnstof en geur bij intensieve veehouderij doorgaans groot. Voor melkveehouderijen zijn geen zoönosen bekend die een risico vormen voor mensen die in de omgeving van de veehouderij wonen. Ook is de uitstoot van endotoxinen en fijnstof relatief laag. Zoals eer der in dit hoofdstuk is beschreven zullen de emissies van geur, ammoniak, fijnstof en geluid niet leiden tot hinder of een verslechtering van de luchtkwaliteit.
Toelichting
71
Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving 5.1
Algemeen
De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moeten worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels. In de regels zijn eventuele aanlegregels, uitwerkingsregels, nadere eisen, ontheffing- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen. 5.2
Juridische vormgeving
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012. Voor de inhoudelijke systematiek is aangesloten bij het bestemmingsplan 'Buitengebied' van de gemeente Laarbeek. Hieronder wordt de opbouw en dergelijke kort toegelicht. 5.2.1
Inleidende regels
Conform SVBP bevatten de inleidende regels artikelen met de begripsbepalingen en de wijze van meten. 72
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
5.2.2
Bestemmingsregels
In het hoofdstuk bestemmingsregels zijn in de planregels alle bestemmingen opgenomen met de daarbij behorende bestemmingsomschrijving. Hieronder worden de gehanteerde bestemmingen kort toegelicht. Bestemmingsplan buitengebied De bestemmingsregels in dit plan sluiten zoveel mogelijk aan bij de wijze van bestemmen in het bestemmingsplan “Buitengebied” van de gemeente Laarbeek. In het plangebied komen twee bestemmingen voor, namelijk ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ en ‘Agrarisch – Agrarisch met waarden - Landschaps- en Natuurwaarden 1’. Artikel 3 - Agrarisch - Agrarisch bedrijf In artikel 3 is de bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ opgenomen, met de bijbehorende bouwen gebruiksregels. Binnen dit bestemmingsvlak kunnen de gebouwen ten behoeven van het agrarisch bedrijf worden gerealiseerd. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - ruwvoeropslag' zijn alleen ruwvoeropslagen mogelijk. Artikel 4 - Agrarisch met waarden - Landschaps- en Natuurwaarden -1 Het deel van het plangebied waar de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' vervalt krijgen de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschaps- en Natuurwaarden 1'. Met name de bescherming van struweelvogels is in dit gebied van belang. Deze aanduiding is tevens opgenomen overeenkomstig de omliggende gronden.
Artikelen 5 t/m 8 - Waarde Archeologie 3, 5.1, 5.2 en 7 Overeenkomstig het paraplubestemmingsplan Archeologie zijn de van toepassing zijnde dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie opgenomen in het plangebied ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden. 5.2.3
Algemene regels
Bij de bestemming aanvullende regels opgenomen met betrekking tot bouwen. Daarnaast bevat dit hoofdstuk algemene gebruiksregels en afwijkingsregels.
Toelichting
73
5.2.4
Overgangsrecht en slotregels
In artikel 3.2.1 Bro zijn standaardregels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik. Deze maken onderdeel uit van dit bestemmingsplan.
74
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
Hoofdstuk 6 Maatschappelijke en Economische uitvoerbaarheid 6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Algemeen Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid. Daarnaast wordt er in dit hoofdstuk ingegaan op grondexploitatie. Overleg Op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening is een voorontwerp van het bestemmingsplan in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan diverse overlegpartners van de gemeente. Van de provincie Noord-Brabant, waterschap Aa en Maas en de Omgevingsdienst Zuid-Oost Brabant is een reactie ontvangen. In een reactienota (zie Bijlage 11) is aangegeven hoe de reacties zijn verwerkt in het plan. Gezien het beleid van het Rijk in deze, is vooroverleg met deze partij niet noodzakelijk. Zienswijze Het ontwerpbestemmingsplan met bijbehorende stukken heeft van 22 december 2023 tot en met donderdag 1 februari 2024 ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend. Participatie Initiatiefnemer heeft het planvoornemen besproken met de buren. Van deze gesprekken is een verslag gemaakt welke als Bijlage 4 aan deze toelichting zijn toegevoegd. De buren hebben aangegeven geen bezwaren te hebben tegen de voorgenomen plannen. Ambtshalve wijzigingen In het ontwerpbestemmingsplan was ten onrechte vermeld dat initiatiefnemer plannen heeft om op termijn alle mest op de eigen locatie te gaan vergisten.
Het vergisten van mest is weldegelijk een onderdeel van de verduurzaming, maar vindt niet op de eigen locatie plaats. Dit gebeurt nu al extern en dit blijft extern. Toelichting
75
Bovendien is binnen het bouwvlak geen ruimte voor een vergistingsinstallatie. Artikel 3.4.1 'Mestbewerking' van de specifieke gebruiksregels is daarom uit de bestemmingsplanregels geschrapt. 6.2
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een initiatief dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het voornemen. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien: het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. De gewenste bouwplannen, inclusief de kosten die samenhangen met de procedure, komen voor rekening van aanvrager. Met initiatiefnemer wordt een anterieure overeenkomst gesloten voordat het plan ter inzage wordt gelegd. Voor de gemeente zijn er verder geen kosten te verhalen. Hiermee kan afgezien worden van het vaststellen van een exploitatieplan. De economische uitvoerbaarheid van dit initiatief is met het afsluiten van de anterieure overeenkomst aangetoond.
Eventueel uit te keren planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Hierover zijn afspraken gemaakt in de anterieure overeenkomst. Op basis van deze gegevens kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.
76
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
Bijlagen
Toelichting
77
Bijlage 1
78
Advies AAB
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
Aan het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Laarbeek t.a.v. Team Ontwikkeling
(verzonden per e-mail)
Uw kenmerk
Ons nummer
Datum
e-mail/br. 331026
BA 9668
15 juli 2021
Behandeld door
Onderwerp
Bijlage
zaaknr. 10958-2021
Geacht College, Naar aanleiding van uw schrijven van 7 april/25 mei 2021, inzake het verzoek van , delen wij u het volgende mede.
,
Op 22 juni 2021 heeft een vertegenwoordiger van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen de bedrijfslocatie aan de bezocht. Op basis van aldaar met de heer gevoerd overleg, de door uw gemeente toegezonden stukken en nader onderzoek komt de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen tot de volgende bevindingen. Bedrijfsbeschrijving De
exploiteert in Maatschap met zijn echtgenote en hun dochters een melkveehouderijbedrijf. is volledig op het ouderlijk bedrijf werkzaam, is parttime op het bedrijf werkzaam. Verder zijn een reguliere medewerker en een medewerker met een arbeidstoelage op het bedrijf werkzaam. Het bedrijf is gevestigd aan de op een ruime afstand van de openbare weg. Op het bedrijf worden circa 320 melkkoeien en een 180-tal stuks jongvee gehouden. Bij het bedrijf is ruim 150 ha grond in gebruik, waarvan 130 ha eigendom. Van deze eigendomsgrond is bijna 100 ha in de redelijk directe nabijheid van de bedrijfslocatie gelegen. Een kavel van 20 ha betreft een eertijds in Groningen aangekochte kavel. Het bedrijf neemt om gebruik te kunnen maken van hogere bemestingsnormen deel aan de derogatie, waardoor ruim 80% van het areaal in gebruik is als grasland. Door de uitbreiding van de dierstapel is de bedrijfsbebouwing de afgelopen decennia regelmatig uitgebreid en voor zover nodig aangepast. In de huidige opzet omvatten de stallen twee aan elkaar gebouwde ligboxenstallen met een gezamenlijke afmeting van circa 52 x 80 meter. Verder zijn twee loodsen aanwezig, te weten een loods info@AABbrabant.nl Postbus 1153 5200 BE ’s-Hertogenbosch
www.AABbrabant.nl KvK nummer 41098657 IBAN NL82ABNA0429952457
Op al onze diensten zijn algemene voorwaarden van toepassing die zijn gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel in Woerden. Op verzoek wordt hiervan een exemplaar toegezonden.
BA 9668 Blad 2
van 20 x 32 meter waarin ook een kalverenstal is ondergebracht en een loods van 13 x 35 meter, twee bedrijfswoningen, twee mestbassins en voeropslagen in de vorm van sleufsilo`s en kuilplaten. woont in de bedrijfswoning in de boerderij, Het als tweede bedrijfswoning bestemde bijgebouw naast de boerderij wordt bewoond door zijn ouders. De stallen zijn de afgelopen vier jaar in fasen aangepast om te komen tot de huidige bedrijfsopzet. De oorspronkelijke 2x12-stands visgraatmelkstal is vervangen door een moderne 44-stands draaimelkstal. Dit betreft een zogenoemde buitenmelker waardoor middels een tweemansmelksysteem tot een hoge capaciteit kan worden gekomen. De wachtruimte voor de melkstal is oplopend uitgevoerd, waardoor koeien makkelijker met de kop de goede kant op staan en vlotter de melkstal binnenlopen. Na het gereedkomen van deze melkstal is de locatie van de oorspronkelijke melkstal omgebouwd tot ligboxenstal. In deze periode zijn ook de asbesthoudende daken van de diverse gebouwen gesaneerd en het gebouwencomplex voorzien van circa 2200 zonnepanelen die zijn gelegd op basis van de SDE-subsidieregeling. In verband met het volume aan terug te leveren elektriciteit is in het kader van dit project aan de Sonseweg een transformatorhuisje gebouwd om op het middenspanningsnet te kunnen leveren.
In verband met de ontstaansgeschiedenis zijn de stallen uitgevoerd met diverse stalsystemen. Naast een traditionele roostervloer (jongvee en een gedeelte van de melkkoeien) betreft dit een dichte betonvloer met een mestschuif (G2 vloer van Swaans), een gedeelte dat is uitgevoerd met de roosterkappen van de groene vlag, en een gedeelte dat is uitgevoerd met de ECO-vloer (meest recente verbouwing). In de ligboxen wordt zaagsel en af en toe een mengsel van stro en kalk toegepast. Aan het melkvee wordt het jaarrond een gemengd rantsoen verstrekt waarnaast in de zomerperiode aan de koeien, verdeeld over twee groepen, beweiding wordt aangeboden. De geproduceerde drijfmest kan deels op de eigen landbouwgrond worden aangewend. Wekelijks wordt een gedeelte van de mest afgezet naar een verwerker (Groenewoud Gas), waar middels vergisting groen gas wordt geproduceerd en waar middels verwerking dikke fractie wordt gescheiden zodat een fosfaatrijk product over grote afstand kan worden afgezet (elders in Nederland of export). De fosfaatarme dunne fractie, die ook een relatief laag gehalte aan stikstof bevat, komt terug op het bedrijf. Deze dunne fractie kan naar behoefte apart worden opgeslagen in een mestzak of worden opgemengd met de uit te rijden drijfmest.