CConstaterende datLaarbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

7 20240117 Bestemmingsplan De Tapperij Kerkstraat 22 - toelichting

Commissie Ruimtelijke Zaken 17 januari 2024, gemeente LaarbeekBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan De Tapperij, Kerkstraat 22, Beek en Donk13.081 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

44/96

Gelet op de bomenlaan in de Kerkstraat en de bebouwing rondom de onderzoekslocatie, zijn bij de bouwfase en gebruiksfase, overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen te vermijden als mogelijke verblijfplaatsen en vliegroutes functioneel en duurzaam behouden blijven. Additionele (bouw)verlichting richting bovengenoemde elementen dient te worden voorkomen. Indien verstoring door een toename van verlichting dreigt, zal een verlichtingsplan in samenwerking met een ter zake deskundige worden opgesteld om verstoring door verlichting te voorkomen. Overtreding ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden voorkomen door te werken buiten het broedseizoen. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Met betrekking tot Natura 2000 gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en beschermde houtopstanden worden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden op de onderzoekslocatie. 4.10.3 Natuurinclusief bouwen De gemeente Laarbeek heeft behoud en ontwikkeling van biodiversiteit hoog in het vaandel staan.

Met eenvoudige voorzieningen aan gebouwen, zoals architectonische aanpassingen aan het ontwerp, kan veel bereikt worden voor de biodiversiteit en leefbaarheid binnen en buiten het plangebied. Per woning wordt minimaal één speciale dakpan aangebracht voor gierzwaluwen. 4.10.4 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Voorafgaand aan werkzaamheden moet door middel van aanvullend ecologisch onderzoek duidelijkheid zijn verkregen over de aanwezigheid van de huismus, gierzwaluw en vleermuis. Indien nodig zullen er mitigerende maatregelen getroffen worden en/of een ontheffing worden aangevraagd. Dit staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het project.

4.11 Kabels en leidingen Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn, naast hetgeen is aangegeven in paragraaf 4.8.2, geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig.

4.12 Water 4.12.1 Beleid en normstelling Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water een sturende factor in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding.

45/96

Een goede afstemming tussen beide is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals bijvoorbeeld wateroverlast, slechte waterkwaliteit en verdroging te voorkomen. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in de projectlocatie met water en water­gerelateerde aspecten wordt omgegaan. Nationaal waterbeleid In de afgelopen decennia heeft Nederland meerdere keren te kampen gehad met wateroverlast. Dit heeft geresulteerd in een omslag in het waterbeleid en het denken over water. Het kabinet heeft in december 2000 voor het Waterbeleid 21e eeuw drie uitgangspunten opgesteld, te weten anticiperen in plaats van reageren, niet afwentelen van waterproblemen op het volgende stroomgebied, maar handelen volgens de drietrapsstrategie van vasthouden­bergen­afvoeren en meer ruimtelijke maatregelen naast technische ingrepen. Belangrijk onderdeel in het waterbeleid is de watertoets. Nieuwe plannen en projecten moeten worden getoetst aan de effecten op veiligheid, wateroverlast en verdroging. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen.

Waterbeleid Het Waterbeleid 21e eeuw richt zich primair op het voorkomen van wateroverlast door overstroming vanwege veel neerslag in een korte tijd. Hieruit volgen richtlijnen voor de ruimtelijke inrichting van het gebied om wateroverlast tegen te gaan en de mogelijke technische maatregelen die kunnen worden ingezet. De maatregelen kunnen worden ingedeeld in de voorkeursvolgorde van vasthouden, bergen en afvoeren. De doelstelling van deze maatregelen is een afvoer te realiseren die niet groter is dan de landbouwkundige afvoer. Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Een belangrijke verandering na het in werking treden van de Waterwet is de onderverdeling in het bevoegde gezag met betrekking tot directe en indirecte lozingen. Alle indirecte lozingen vallen onder het Wabo bevoegde gezag (gemeente en provincie). Alle directe lozingen vallen onder het bevoegde gezag voor de Waterwet (waterschappen voor de regionale wateren en Rijkswaterstaat voor de Rijkswateren). De directe lozingen vallen onder de Waterwet (Wtw). De indirecte lozingen zijn opgegaan in de Wet milieubeheer (Wm) en vallen inmiddels onder de omgevingsvergunning (Wabo).

Regionaal beleid Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022­2027 Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen.

46/96

Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking. Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden. Beleid waterschap De projectlocatie maakt deel uit van het stroomgebied van het Waterschap Aa en Maas. Het waterschap is verantwoordelijk voor het waterbeleid in en om onderhavige projectlocatie in de gemeente Laarbeek. Het waterschap zorgt ervoor dat er voldoende water is en dat dit water een goede kwaliteit heeft. Om deze taak goed uit te voeren, zijn wettelijke regels nodig, ook op en langs het water. Deze regels staan in de Keur van het waterschap en gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van het waterschap. Het waterschap stelt ter concretisering van het waterhuishoudkundig beleid kaartmateriaal vast.

Voor wat betreft de aanwijzing van de gebieden waarvoor een vergunning voor het lozen in en afvoeren naar oppervlaktewateren is vereist, is dit ook een taak van het waterschap. Waterbeheerplan 2022­2027 Aa en Maas In het Waterbeheerplan staan de doelen voor de komende 6 jaar beschreven, hoe deze doelen behaald gaan worden en hoe ingespeeld wordt op veranderende omstandigheden. De missie van het waterschap Aa en Maas is: “Het ontwikkelen, beheren en in stand houden van gezonde, robuuste en veerkrachtige watersystemen, die ruimte bieden aan een duurzaam gebruik voor mens, dier en plant in het gebied, waarbij de veiligheid is gewaarborgd en met oog voor economische aspecten.” Het waterschap wil samen met de gemeente werken aan een klimaatrobuust watersysteem. Om dit te bereiken: y maakt het waterschap op strategisch niveau afspraken met gemeenten en andere overheden over de ruimtelijke borging van het waterbelang; y maakt het waterschap met gemeenten op basis van de stresstesten, risicodialogen en het uitvoeringsprogramma DPRA kwantitatieve afspraken gericht op een klimaatrobuust watersysteem.

Hierbij komen ook de Vitale en Kwetsbare Functies in beeld en ontstaat er duidelijkheid over restrisico’s; y denkt het waterschap met gemeenten mee bij beleid en regelgeving rondom meervoudig ruimtegebruik, afkoppelen en hemelwaterverordeningen zodat de hoeveelheid water vanuit bebouwd gebied doelmatig wordt ingezet en/of afvoer naar het regionale systeem wordt beperkt; y gaat het waterschap op zoek naar mogelijkheden om in bebouwd gebied verdroging tegen te gaan en ruimte te vinden voor waterberging; y wordt het waterschap uitgangspunten voor weging van het waterbelang (de watertoets) geactualiseerd voor waterkwantiteit en waterkwaliteit; y meet en monitort het waterschap de waterkwaliteit van het water in en rondom de stad. Op basis hiervan stellen we een overzicht op van knelpunten en streven we ernaar om deze samen met gemeenten te verhelpen;

47/96

y

y

zet het waterschap in op vergroten sponswerking. Dit doen we door maatregelen als ontstenen, vergroenen, afkoppelen en groene daken te promoten/te ondersteunen. De stimuleringsregeling klimaatactief bebouwd gebied zetten we daarom voort en koppelen dit waar mogelijk aan gemeentelijke regelingen; zoekt het waterschap in het bebouwde gebied breed de samenwerking op met gemeenten, woningcorporaties, bedrijventerreinen, ontwikkelaars en de bouwsector om anders bouwen te promoten.

Keur Waterschap Aa en Maas De “Keur Waterschap Aa en Maas” bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater, die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van het Waterschap. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunningverlening. De Keur van het waterschap is onder andere van toepassing wanneer direct of indirect wordt geloosd naar een oppervlaktelichaam. Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater De drie Brabantse waterschappen (Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta) hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze uitgangspunten zijn geformuleerd in de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'.

Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m², 2.000 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m². Op basis van de Keur en de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen' wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m². Het hemelwater afkomstig van het toegenomen verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat.

Gemeente Laarbeek Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2019­2023 De zes gemeenten binnen de samenwerkingsregio Brabantse Peel (Asten, Deurne, GemertBakel, Helmond, Laarbeek, Someren) en het waterschap Aa en Maas hebben voor dit GRP een gezamenlijk proces doorlopen. Omgaan met regenwater bij nieuwbouw of herbouw Bij de keuze van nieuwe bouwlocaties of vitale/belangrijke infrastructuur vermijden we, voor zover mogelijk, het bouwen op lager gelegen (grond)wateroverlastgevoelige locaties. We waken ervoor dat hoger gelegen/aangelegde nieuwbouw geen extra risico vormt op (grond)wateroverlast in nabij gelegen lagere gebieden. Wanneer een

48/96

ruimtelijke ontwikkeling in lager gelegen gebieden plaatsvindt besteden we extra aandacht aan een voldoende hoog bouwpeil. Nieuwbouw kan tot een toename leiden van afvoerend oppervlak en daardoor versnelde afvoer van regenwater. Het risico op wateroverlast neemt hierdoor toe. Bij nieuwbouw is er vaak nog voldoende ruimte en flexibiliteit om water te bergen en de openbare ruimte waterproof in te richten. We streven naar robuuste watersystemen, waarbij het regenwater bij voorkeur wordt geïnfiltreerd in de bodem. Overtollig hemelwater verwerken we zichtbaar en bovengronds. Op plaatsen waar infiltratie in de bodem mogelijk is, zijn de beleidsregels van de gemeente leidend. Dit geldt zowel voor particulier terrein als de openbare ruimte. Als er sprake is van afvoeren naar oppervlaktewater met een belangrijke functie voor de waterhuishouding zijn de beleidsregels van het waterschap van toepassing. Los van deze beleidsregels toetsen we altijd aan een bui die eenmaal per 100 jaar voorkomt, of aan de landelijke toetsbui, zodra deze beschikbaar is. Bij een dergelijke bui mag geen schade optreden aan eigendommen en/of mogen geen essentiële gebruiksfuncties uitvallen. Dit betreft de nieuwbouw van gebouwen, parkeerplaatsen, trottoirs en andere verhardingen.

Als ontwerpnorm hanteren we net als de Brabantse waterschappen 60 mm berging van regenwater in de boven­ en/of ondergrond en binnen het plangebied. Omgaan met regenwater bij nieuwbouw en bij herbouw Bij nieuwbouw en bij herbouw (het oppakken van bestaand verhard oppervlak en weer opnieuw terugplaatsen) bestaat voldoende flexibiliteit om ruimte voor wateropvang te creëren. Om de afvoer naar de riolering en/of het watersysteem te reduceren, dient een waterbergingsvoorziening van 60 mm/m2 verhard oppervlak te worden aangebracht op eigen terrein. Deze eis geldt voor elk aan te leggen afvoerend verhard oppervlak ongeacht de lozingssituatie; verhard oppervlak dat voorheen aanwezig was wordt niet in mindering gebracht op deze waterbergingsnorm. Bij toepassing van alternatieve voorzieningen (zoals groene daken) wordt de waterbergingsnorm gereduceerd op basis van de op dat moment geldende inzichten. Voor inbreidingslocaties werkt de gemeente in uitzonderingsgevallen mee aan het elders realiseren van de benodigde waterberging, indien de initiatiefnemer aantoont dat het niet realiseerbaar is om deze in het plangebied aan te leggen. De initiatiefnemer de waterberging dan afkopen op basis van een concreet plan. 4.12.2 Situatie projectlocatie Bestaande bebouwing en verharding In de bestaande situatie zijn de gronden

van het café, de zalen, het terras en de oprijlanen volledig verhard.

Grondwater De gemiddelde hoogste grondwaterstand in de omliggende gebieden van de projectlocatie bedraagt tussen de 0,20 tot 0,60 m­mv, zie figuur 4.7. Voor zover bekend vinden in de directe omgeving van de locatie geen grootschalige grondwateronttrekkingen plaats die een directe invloed hebben op de grondwaterstand en grondwaterstroming op de locatie.

49/96

Figuur 4.7: Gemiddeld hoogste grondwaterstand, plangebied rood omkaderd (bron: Bodematlas Provincie Brabant) Oppervlaktewateren Er bevinden zich geen watergangen in en in de directe omgeving van het plangebied, zie figuur 4.8.

50/96

figuur 4.8: Uitsnede legger Waterschap Aa en Maas, plangebied rood omkaderd Huidige en toekomstige situatie van de planlocatie Het planvoornemen voorziet in de sloop van het huidige café en de zalen om daarvoor 6 seniorenappartementen met voor­ en achtertuin en parkeerplekken nieuw te bouwen. Door de komst van de tuinen zal de oppervlakteverharding afnemen. In het stedenbouwkundig plan is 264,3 m2 groen ingetekend aan tuin en heggen en 66,4 m2 aan mos­sedum op de platte daken. Het verhard oppervlak in de nieuwe situatie is (319 m2 bebouwing + 68,9 m2 verharding in voortuin, 106,5 m2 verharding in achtertuin =) 494,4 m2 . De parkeerplaatsen worden in halfverharding uitgevoerd met een oppervlakte van 75 m2. Tabel 4.5: Oppervlakten nieuwe situatie Totaal Verhard Voortuin: 238,5 68,9 + 75 (half verharde parkeerplaatsen) Achtertuin: 276,5 106,5 Daken: 319 252,6 (traditioneel) Plangebied: 834 503

Groen 94,4 169,9 66,4 (mos­sedum) 330,7

Volgens het GRP van de gemeente Laarbeek dient een waterbergingsvoorziening van 60 mm/m2 verhard oppervlak te worden aangebracht op eigen terrein, om de afvoer naar de riolering en/of het watersysteem te reduceren. Deze eis geldt voor elk aan te leggen afvoerend verhard oppervlak ongeacht de lozingssituatie; verhard oppervlak dat

51/96

voorheen aanwezig was wordt niet in mindering gebracht op deze waterbergingsnorm. Bij toepassing van alternatieve voorzieningen (zoals groene daken) wordt de waterbergingsnorm gereduceerd op basis van de op dat moment geldende inzichten. Half verharde parkeerplaatsen tellen mee als volledig verhard. In de nieuwe situatie dient daarom een waterbergingsvoorziening met een inhoud van (verharding x 60 mm) = (503 m2 x 0,06 meter =) 30,2 m3 gerealiseerd te worden. Deze voorziening wordt indien mogelijk gerealiseerd in de vorm van infiltratiekratten. Extreme neerslag Wateroverlast vanwege extreme buien is op het perceel voorkomen doordat er een hoogteverschil bestaat tussen de bestaande bebouwing en de omliggende infrastructuur. Extreme neerslag zal derhalve geen directe problemen veroorzaken. Materiaalgebruik De afkoppeling van het hemelwater van het afvalwater maakt dat er in de bestaande bebouwing geen materialen gebruikt zijn of mogen worden die de grondwaterkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden, zoals uitlogende materialen, bijvoorbeeld zink en lood. Overige aandachtspunten Het is niet toegestaan chemische bestrijdingsmiddelen toe te passen of agressieve reinigingsmiddelen te gebruiken op de af te koppelen verharde oppervlakken.

Het is in beperkte mate toegestaan tijdens gladheid door bevriezing of sneeuwval zout als gladheidbestrijdingsmiddel op de bestrating en parkeerplaatsen e.d. toe te passen. Een alternatief kan bijvoorbeeld zand zijn.

52/96

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planopzet

Wettelijk kader

Het wettelijk kader voor de inhoud en de vaststellingsprocedure van een bestemmingsplan wordt sinds 1 juli 2008 gevormd door de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en is verder ingevuld door het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro). De Wro, het Bro en de Rsro bevatten regels ten aanzien van de (digitale) vormgeving, inhoud en raadpleegbaarheid van bestemmingsplannen met als doel dergelijke plannen uniform vergelijkbaar en uitwisselbaar te maken.

5.2

Planonderdelen

Een bestemmingsplan bestaat in elk geval uit een verbeelding en planregels, die samen het juridisch deel van het bestemmingsplan vormen. Daarnaast gaat het bestemmingsplan vergezeld van een toelichting, die voorziet in de motivatie en onderbouwing van en de toelichting op de keuzes die zijn gemaakt om te komen tot de verbeelding en regels. Een bestemmingsplan kan ook bijlagen bevatten. Indien de bijlagen een relatie hebben met de regels worden ze opgenomen als bijlage bij de regels. Indien de bijlagen bijdragen aan de onderbouwing dan wel motivatie van het plan worden ze opgenomen als bijlage bij de toelichting.

5.3

Inhoud algemeen

Bij het opstellen van de verbeelding en regels van het bestemmingsplan is voldaan aan het bepaalde in de Wro, Bro en de Rsro. Voor het overige is zoveel mogelijk aangesloten bij de gemeentelijke standaarden en plansystematiek. De structuur van het plan is zodanig dat de kaart de primaire informatie geeft over de van toepassing zijnde bestemming. In de regels kan vervolgens worden teruggelezen welke gebruiks­ en bouwmogelijkheden voor de betreffende bestemming gelden. Behalve bestemmingen kan de verbeelding onder meer aanduidingen en maatvoeringsvlakken bevatten om binnen een bestemming te kunnen voorzien in maatwerk voor een bepaalde locatie. In dat geval zijn steeds ook regels verbonden aan deze aanduidingen en maatvoeringsvlakken.

5.4

Regels

De regels worden opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012), welke als bijlage onderdeel uitmaakt van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro). De regels bevatten allereerst begripsomschrijvingen en meetvoorschriften om respectievelijk interpretatie­ en meetverschillen uit te sluiten (hoofdstuk 1). Vervolgens zijn in hoofdstuk 2 de regels voor de afzonderlijke bestemmingen en dubbelbestemmingen opgenomen, waarbij voor elke bestemming is voorzien in een apart artikel. Voor zover behoefte bestaat aan het opnemen van regels die niet zijn gebonden aan een specifieke bestemming,

53/96

maar gelden voor het gehele dan wel een gedeelte van het plangebied, dan zijn de betreffende regels opgenomen in hoofdstuk 3 van de regels. Indien de betreffende regels betrekking hebben op slechts een gedeelte van het plangebied, dan wordt dat op de verbeelding aangegeven door middel van een zogenoemde gebiedsaanduiding. De bestemmingsregels zijn in beginsel steeds op dezelfde manier opgebouwd: 1. Bestemmingsomschrijving; 2. Bouwregels; 3. Nadere eisen; 4. Afwijken van de bouwregels; 5. Specifieke gebruiksregels; 6. Afwijken van de gebruiksregels; 7. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; 8. Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; 9. Wijzigingsbevoegdheid. Hoe gronden met een bepaalde bestemming mogen worden gebruikt is primair beschreven in de bestemmingsomschrijving. Eventuele aanvullingen of uitzonderingen zijn opgenomen in de specifieke gebruiksregels. De bouwregels bevatten de regels ten aanzien van de mogelijkheden om gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde op te richten. Zowel ten aanzien van gebruik als bouwen geldt dat binnen een bepaalde marge kan worden voorzien in mogelijkheden om af te wijken van de bouwen gebruiksregels. Deze mogelijkheden zijn opgenomen onder respectievelijk 'Afwijken van de bouwregels' en 'Afwijken van de gebruiksregels'.

Voor zover gewenst kan in de regels voor een bestemming worden voorzien in een vergunningstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden. Deze vergunningstelsels dienen dan veelal ter bescherming van binnen de bestemming voorkomende waarden of ter bescherming van bijvoorbeeld ondergrondse leidingen. Naast voornoemde veel voorkomende onderdelen van bestemmingsregels kan worden voorzien in een vergunningstelsel voor het slopen van bebouwing en specifieke procedureregels. Bestemming Artikel 3 Wonen In dit artikel staat beschreven wat er binnen de bestemming 'Wonen' is toegestaan en welke bouwregels er gelden voor hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Daarnaast staan er een afwijking opgenomen voor het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten in de woningen en voor het realiseren van een afhankelijke woonruimte. In de algemene gebruiksregels zijn regels opgenomen om zeker te stellen dat voldaan wordt aan de parkeernormen (voor seniorenappartementen). Artikel 4 Waarde ­ Archeologie 5.1 In dit artikel is de van toepassing zijnde dubbelbestemmingen ‘Waarde ­ Archeologie 5.1’ opgenomen. Dit correspondeert met categorie 5.1 op de archeologische beleidskaart. In dit artikel is geregeld dat voor het oprichten van bouwwerken groter dan 500 m2 en met een bodemverstoring dieper dan 0,3 meter een archeologisch onderzoek nodig is.

54/96

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Het betreft hier een private ontwikkeling waarbij het risico geheel gedragen wordt door de initiatiefnemer. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente Laarbeek is een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten (anterieure overeenkomst). Hiermee kunnen de gemeentelijke kosten voor het voeren van de planologische procedure en de kosten voor de openbare voorzieningen worden verhaald. Daarnaast zijn hierin ook zaken omtrent planschade vastgelegd. Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de economische en financiële uitvoerbaarheid van het project voldoende is gegarandeerd.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het planvoornemen betreft een kleinschalige ontwikkeling, waarbij een bestaand café wordt gesloopt om daarvoor 6 seniorenappartementen in de plaats te bouwen. Gelet hierop en gezien het feit dat het planvoornemen geen verslechtering van de ruimtelijke kwaliteit met zich meebrengt ten opzichte van de bestaande feitelijke noch de bestaande planologische situatie, mag aangenomen worden dat tegen het planvoornemen geen overwegende bezwaren bestaan. 6.2.1

Participatie

Op 9 november 2022 heeft de initiatiefnemer de direct omwonenden geïnformeerd door het plan te delen in de buurt door het toesturen van een planboekje met de post. Na het delen van het plan bleek er veel belangstelling te zijn vanuit de direct omwonenden. Op 1 december 2022 is er een inloopmiddag georganiseerd voor alle geïnteresseerden in de zaal van De Tapperij om met de omwonenden de dialoog aan te gaan. De inloopmiddag bood de gelegenheid om het plan op het gemak te bekijken en om vragen te stellen. Na deze inloopmiddag is het ontwerp op een aantal punten gewijzigd. Dit aangepaste ontwerp is op 17 februari gedeeld met de direct omwonenden via een nieuw planboekje in de brievenbus. Hierop is slechts één reactie ontvangen. De bewoners effectenrapportage, ook wel de omgevingsdialoog, is te lezen in Bijlage 6.

55/96

56/96

Hoofdstuk 7 7.1

Procedure

Vooroverleg

Artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg plegen met andere betrokken overheden en overheidsdiensten, zoals naburige gemeenten, het waterschap, en de diensten van het Rijk en de provincie. De bedoeling van dit vooroverleg is voornamelijk om de opstellers van het plan tijdig de mogelijkheid te geven het plan desgewenst aan opmerkingen van andere overheden aan te passen. 7.1.1 Provincie Noord­Brabant In deze toelichting is onderbouwd dat het planvoornemen niet in strijd is met provinciale belangen. Het bestemmingsplan is wel digitaal aangemeld bij de provincie. 7.1.2 Waterschap Aa en Maas Het planvoornemen is gelet op de ondergeschikte veranderingen voor de waterhuishouding in het kader van de watertoets niet vooraf aan de formele procedure aan het waterschap Aa en Maas aangeboden.

7.2

De te volgen procedure

Het bestemmingsplan doorloopt de volgende procedure: Ontwerp: y publicatie en terinzagelegging overeenkomstig afdeling 3.4 Awb en Wro. Een ieder kan gedurende deze terinzagelegging een zienswijze indienen bij de gemeenteraad Vaststelling: y vaststelling door de Raad y mogelijkheid reactieve aanwijzing y publicatie en terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan gedurende de beroepstermijn Inwerkingtreding: y na afloop van de beroepstermijn (tenzij binnen de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan) Beroep: y beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

57/96

7.3

Ontwerp

Overeenkomstig het bepaalde in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 3.8 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening is het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken ter inzage gelegd in het gemeentehuis en digitaal raadpleegbaar gesteld.

Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 9 oktober 2023 gedurende 6 weken voor iedereen ter inzage gelegen. Gedurende de inzagetermijn zijn er geen zienswijzen ingediend. Het bestemmingsplan zal dan ook ongewijzigd worden vastgesteld.

58/96

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Laarbeek&id=45d771fd-7be5-451d-98d0-ff4e196bf71a