7 20231012 Ontwerpbestemmingsplan
Tekst van het document
Onder achtergrondbelasting wordt verstaan de cumulatieve geurbelasting op het plangebied als gevolg van de aanwezige veehouderijen in de omgeving van het plangebied (belang geurgevoelig object). 5.5.1
Beoordeling belangen veehouderijen (voorgrondbelasting)
In de directe omgeving van het plangebied zijn een aantal veehouderijbedrijven gelegen. 25
Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 1-1a, Mariahout
Deze veehouderijbedrijven zijn beschermd tegen geurgevoelige objecten. Dit betekent dat de rechten van de veehouderijbedrijven die kunnen worden ontleend aan de vigerende vergunning gerespecteerd dienen te worden. Het plangebied betreft in de beoogde situatie een voormalige veehouderij. Ingevolge artikel 3, tweede lid van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of een voormalige veehouderij (beëindigd na 19 maart 2000) ten minste 50 meter indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen. De woningen dienen te worden beschouwd als een voormalige agrarische bedrijfswoning. Hier dient dan ook te worden voldaan aan de vaste afstanden met betrekking tot geur van tenminste 50 meter. De afstand van deze woning tot de dichtstbijzijnde veehouderij (konijnenhouderij Heieindseweg 6) bedraagt 50 meter. Er wordt voldaan aan de minimale afstand. Onderhavige ontwikkeling vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van omliggende veehouderijbedrijven. Er wordt voldaan aan de wettelijke afstanden. 5.5.2
Beoordeling woon- en leefklimaat (achtergrondbelasting)
Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur in beeld te brengen, is de cumulatieve geurbelasting in de omgeving in kaart gebracht waarbij de aanwezige andere veehouderijbedrijven in de omgeving van het initiatief meegenomen zijn. In de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant zijn voor veehouderijen gelegen in het gemengd landelijk gebied normen gesteld aan de geurbelasting. Bij uitbreiding dient aangetoond te worden dat de kans op cumulatieve geurhinder op gevoelige objecten in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij de ontwikkeling van de veehouderij leidt tot een daling van de achtergrondbelasting. Een achtergrondconcentratie van 20 ouE/m³ bij 98-percentiel veroorzaakt maximaal 20% kans op geurhinder in het buitengebied. In de bebouwde kom is een goed woon- en leefklimaat te borgen indien de achtergrondconcentratie niet hoger is dan 10 ouE/m³. Dit komt overeen met een kans op geurhinder die niet hoger is dan 12%. Deze normen komen overeen met de streefwaarden zoals opgenomen in de ‘Gebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij’ van de gemeente Laarbeek. De cumulatieve geurbelasting wordt hieraan getoetst. In de kaartbank van de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant is een kaart opgenomen die de achtergrondbelasting geur in juni 2023 in beeld brengt (zie volgende figuur).
26
Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 1-1a, Mariahout
Plangebied
Figuur 17: Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur juni 2023 (https://atlas.odzob.nl/portal/apps/webappviewer/index.html?id=504c14413ebc4c3e89640fd2be05d167)
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
5.6
Bedrijven en milieuzonering
Er dient voldoende ruimtelijke scheiding te zijn tussen hinder veroorzakende en hinder gevoelige functies ter bescherming en/of vergroting van de woon- en leefkwaliteit. Indien milieubelastende functies in het plangebied mogelijk worden gemaakt, dient de invloed op de omgeving inzichtelijk te worden gemaakt. De VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) geeft per bedrijfsactiviteit richtafstanden met betrekking tot geur, fijn stof, geluid en gevaar die in de meeste gevallen kunnen worden aangehouden tussen een bedrijf en woningen om hinder en schade aan mensen in de directe omgeving van een ruimtelijke ontwikkeling binnen aanvaardbare normen te houden. Uitgangspunt hierbij is dat de richtafstand in principe geldt tussen de perceelsgrens van het bedrijf en de grens van het bestemmingsvlak van een hindergevoelig object. De volgende figuur laat de ligging van de bedrijfsactiviteiten en gevoelige objecten zien binnen en in de directe omgeving van het plangebied.
27
Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 1-1a, Mariahout
Heieindseweg 5 (zeugen)
Heieindseweg 6 (konijnen)
Plangebied
Ginderdoor 30 (vleesvee)
Figuur 18: Ligging bedrijfsactiviteiten in de omgeving van het plangebied
De volgende tabel toont het type bedrijfsactiviteiten, de bijbehorende richtafstanden en de werkelijke afstand tussen de perceelgrenzen. Tabel 3: Richtafstanden op basis van ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (VNG) Categorie bedrijvigheid Indices en richtafstanden (meters) Heieindseweg 6 (Konijnen) Geur Stof Geluid Gevaar Fokken en houden van konijnen 100 30 30 0 Ginderdoor 30 (Vleesvee) Fokken en houden van vleesvee 100 30 30 0 Heieindseweg 5 (Zeugen) Fokken en houden van zeugen 200 30 50 0
Afstand plangebied (m) 50 210 250
Voor alle aspecten wordt aan de geldende richtafstanden voldaan. Uitzondering vormen de richtafstanden voor het aspect geluid voor de konijnenfokkerij op de locatie Heieindseweg 6. In paragraaf 5.5 is onderbouwd dat voor het aspect geur wordt voldaan aan de gestelde regelgeving en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van geurhinder. Bovendien is het zo dat de bedrijfsgebouwen van de konijnenfokkerij een stuk verder naar achteren liggen op het terrein, en dus verder van de perceelsgrens van het plangebied af staan. Op grond hiervan wordt ook betrekking tot de aspect geluid voldaan aan de gestelde richtafstanden en is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. Tevens gaat het in de beoogde situatie dus om twee reeds bestaande woningen. Er is dus ook geen sprake van een nieuw ‘gevoelig’ object. Er is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woonbestemming en omliggende bedrijven worden niet belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Omgekeerd dienen ook de activiteiten in de beoogde situatie binnen de woonbestemming Heieindseweg 11a te worden beoordeeld. Het betreft hier twee (reeds) bestaande woningen en een bestaand bijgebouw. 28
Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 1-1a, Mariahout
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.7
Externe veiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico’s moeten aanvaardbaar blijven. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven. Bij ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met dit aspect. Daartoe moeten de risico’s voor de bevolking, die verbonden zijn aan gevaar veroorzakende activiteiten, in beeld worden gebracht. Voor de normstelling van risicovolle bedrijven moet worden aangesloten bij het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het toetsingskader is meer gedetailleerd uitgewerkt in de Regeling externe veiligheid voor inrichtingen (Revi). De eisen ten aanzien van vervoer van gevaarlijke stoffen en de daarmee samenhangende risico’s zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Voor buisleidingen die risicovolle stoffen transporteren geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Dit besluit regelt de taken en verantwoordelijkheden van de leidingexploitant en de gemeenten en geeft de eisen en veiligheidsafstanden voor buisleidingen die worden gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen ten opzichte van kwetsbare objecten. De volgende figuur toont een uitsnede van de Risicokaart waarop de meest nabijgelegen risicobronnen in beeld zijn gebracht (zie volgende figuur).
Buisleiding RRP I6 & RRP I9 NL.IMEV.RRP.11
Plangebied
Buisleiding A-521 GasUnie
Figuur 19: Uitsnede Risicokaart
Er zijn in de omgeving van het plangebied drie (hoge druk) transportleidingen aanwezig. Deze leidingen kunnen een potentieel risico vormen als er bij het transport een calamiteit optreedt.
29
Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 1-1a, Mariahout
De leiding A-521 is in gebruik voor het transport van gas, en is gelegen op een afstand van ruim 1,1 kilometer westwaarts ten opzichte van het plangebied. Ten noorden op een afstand van ruim 1,2 kilometer van het plangebied liggen de leidingen RRP I6 en RRP I9, welke in gebruik zijn voor transport van brandbare vloeistoffen in de K1 categorie. Bovengenoemde leidingen liggen echter op ruim voldoende afstand van het plangebied. Het plangebied ligt dan ook ruim buiten het invloedsgebied van de aanwezige leidingen en daarmee vormen de leidingen geen risico of beperking. Verder bevinden zich in de nabije omgeving van het plangebied geen inrichtingen of transport die van invloed zijn op de externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
30
Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 1-1a, Mariahout
6. Waterparagraaf 6.1
Watertoets
Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief binnen het plangebied inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets de oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan kunnen worden gemaakt.
6.2
Waterbeleid
Met betrekking tot de waterhuishouding zijn diverse beleidsstukken relevant. Genoemd kunnen worden: Nationaal Waterprogramma 2022-2027, Provinciaal Milieu- en Waterplan van de provincie Noord-Brabant, Waterbeheerplan 2022-2027 Waterschap Aa en Maas, Keur Waterschap Aa en Maas, Vierde Nota Waterhuishouding, Nationaal bestuursakkoord water en Beleidsbrief regenwater en riolering. Centraal in het waterbeleid is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De waterhuishouding legt daarmee een ruimteclaim waaraan voldaan moet worden. Daarbij zijn de volgende strategieën leidend: • Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Waterbeheerplan Waterschap Aa en Maas 2022-2027 In het Waterbeheerplan 2022-2027 staan de doelstellingen van waterschap Aa en Maas voor de periode 2022-2027. Hierin wordt beschreven wat gedaan moet worden om die doelen te halen. Hierdoor weten de inwoners van het werkgebied en de partners wat ze van het waterschap kunnen verwachten. Met dit plan wordt ook invulling gegeven aan de verplichting vanuit de Waterwet en de Verordening Water om een waterbeheerplan op te stellen. In de nieuwe Omgevingswet staat de verplichting om een waterbeheerprogramma op te stellen. De eisen aan een dergelijk programma zijn vergelijkbaar met de huidige eisen aan een waterbeheerplan.
Het grootste verschil is dat de hoofdlijnen van het watersysteembeleid een plek krijgen in het Omgevingswet-instrument ‘omgevingsvisie’ van rijk, provincie en gemeenten. Hier wordt op ingegaan, om de maatregelen in dit waterbeheerplan in de goede context te kunnen plaatsen. De samenhang tussen de omgevingsvisies en dit plan vraagt om goede afstemming. In het waterbeheerplan is een indeling gemaakt in programma’s: • Waterveiligheid; • Klimaatbestendig en gezond watersysteem; • Schoon water; • Gezond en natuurlijk water; • Het leveren van maatschappelijke meerwaarde. Keur Brabantse waterschappen Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de Keur waterschap Aa en Maas van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap.
Beleidsregel hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater
De drie Brabantse Waterschappen hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. De Keur is in 2021 geactualiseerd. 31
Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 1-1a, Mariahout
Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m2, toename van een verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m2. Plannen met een verhardingstoename tot 500 m2 zijn onder de nieuwe keur vrijgesteld van compensatie. Voor plannen met een verhardingstoename tussen 500 m2 en 10.000 m2 hanteert het waterschap een algemene (reken) regel (benodigde compensatie (in m3) = Toename verhard oppervlak (m2) * gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m)). De gevoeligheidsfactor houdt de nominale waarde in die de hydrologische gevoeligheid en infiltratiepotentie van de locatie uitdrukt. De waarde 0,06 is de waterschijf van 60 mm die overeenkomt met de vastgestelde bovengrens voor de compensatiecapaciteit van 600 m3/ha. Gemeentelijk Rioleringsplan 2019-2023 In 2018 heeft de gemeente Laarbeek het Gemeentelijk RioleringsPlan (GRP) vastgesteld.
Met dit plan geeft de gemeente Laarbeek invulling aan een duurzame inzameling en verwerking van afvalwater, een doelmatige inzameling en verwerking van hemelwater, een grondwaterhuishouding in balans en het verder professionaliseren van de watertaken. De planperiode van dit GRP omvat de periode 2019 tot en met 2023. Ten aanzien van hemelwaterzorgplicht stelt de gemeente Laarbeek dat iedere eigenaar primair verantwoordelijk is voor de verwerking van zijn eigen hemelwater op zijn eigen terrein. Ze streeft wel naar een duurzame en doelmatige inzameling en transport van hemelwater, wanneer het niet lukt om zich redelijkerwijs van het hemelwater te kunnen ontdoen. In het GRP is voor verschillende soorten plannen opgenomen hoe om te gaan met regenwater. Bij kleinschalige (her)bouw in de situatie waarbij ten hoogste 2 nieuwe woningen worden gerealiseerd geldt het volgende. Om in die situatie de afvoer naar de riolering en/of het watersysteem te reduceren, baseert de gemeente zich op de toename van het verhard oppervlak ten opzichte van de bestaande situatie. Er dient een waterbergingsvoorziening van 60 mm/m2 toename verhard oppervlak te worden aangebracht op eigen terrein. Deze eis geldt ongeacht de lozingssituatie. Bij toepassing van alternatieve voorzieningen (zoals groene daken) wordt de waterbergingsnorm gereduceerd op basis van de op dat moment geldende inzichten.
Bij een beperkte toename van het verhard oppervlak kan een afvoer naar het gazon waar het water kan wegzijgen mogelijk al voldoende zijn.
6.3
Oppervlaktewater
De volgende figuur toont de ligging van de leggerwatergangen in de omgeving van het plangebied, die in beheer zijn bij het waterschap Aa en Maas.
32
Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 1-1a, Mariahout
A-watergang
Plangebied
A-watergang
Figuur 20: Ligging leggerwatergangen (https://maps.aaenmaas.nl/portaal/legger_oppervlaktewater/)
Aan de zuidwestzijde, aan de noordzijde en aan de oostzijde van het plangebied zijn A-watergangen gelegen. In het landschappelijk inpassingsplan wordt rekening gehouden met de beschermingszone van 5 meter bij het realiseren van nieuwe beplanting. De ontwikkeling ligt op ruim voldoende afstand van- en heeft geen invloed op deze watergangen.
6.4
Grondwater
Via de Bodematlas van de provincie Noord-Brabant zijn gegevens opgevraagd over de grondwaterstand bij de onderzoekslocatie. Uit gegevens is gebleken dat de gemiddelde hoogste waterstand zich rond de 40100 centimeter beneden maaiveld bevindt en de gemiddelde laagste grondwaterstand 180-250 centimeter beneden maaiveld (zie volgende figuren).
Figuur 21 Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) (Bodematlas Noord-Brabant)
33
Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 1-1a, Mariahout
Figuur 22: Gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) (Bodematlas Noord-Brabant)
6.5
Afvoer afval- en hemelwater
Afkoppelen van hemelwater Verhard oppervlak In de Keur is bepaald dat voor het afvoeren van hemelwater door afkoppelen van verhard oppervlak bij een toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² er compenserende maatregelen dienen te worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan. Toename is in onderhavige ontwikkeling niet van toepassing. Op basis van de Keur is de aanleg van een infiltratievoorziening dan ook niet noodzakelijk is. Dit is ook het geval op basis van het GRP. Hemelwater is in onderhavige ontwikkeling juist eenvoudiger af te voeren. De varkensstallen zijn gesloopt en de bijbehorende verharding is verwijderd. Er is dus sprake van een aanzienlijke verkleining van het verharde oppervlak op het plangebied. Hemelwater kan door de afname in de verharding eenvoudiger infiltreren in de bodem. Gebruik niet-uitlogende materialen Het gebruik van niet uitlogende materialen is conform het advies van de Dubo-richtlijn (Duurzaam Bouwen). In het Activiteitenbesluit staat dat niet verontreinigd hemelwater in principe in de bodem geïnfiltreerd kan worden of afgevoerd kan worden naar het oppervlaktewater, ook als dat in contact is geweest met oppervlakken als daken.
Bij de bouw van het bijgebouw zal geen gebruik worden gemaakt van onbehandelde uitlogende materialen zoals koper, zink en lood, teerhoudende dakbedekking (PAK’s) en van met verontreinigde stoffen verduurzaamd hout. Doordat het hemelwater niet vervuild is, is het geen probleem om het hemelwater te laten infiltreren. Huishoudelijk afvalwater Het huishoudelijk afvalwater afkomstig van de woningen wordt afgevoerd middels de bestaande gemeentelijke riolering. Dit wijzigt niet. Conclusie Water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Vanwege de afname van verharding neemt de mogelijkheid voor het plangebied om hemelwater te verwerken toe en hoeven er geen maatregelen te worden getroffen. Geconcludeerd kan worden dat voldaan wordt aan het beleid van Waterschap Aa en Maas inzake de watertoets.
34
Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 1-1a, Mariahout
7. Juridische verantwoording 7.1
Algemene opzet
Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) naar het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels). Het bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: • De toelichting: een planbeschrijving die een verantwoording van de gemaakte keuzes, een toelichting op de juridische opzet en een korte beschrijving van de handhavings- en uitvoeringsaspecten bevat; • De regels, waarin de bestemmingen en daarbinnen geldende mogelijkheden zijn uitgewerkt. De regels van de bestemmingsplannen ‘Buitengebied’ en ‘Buitengebied – 1e herziening’ zijn van toepassing; • De verbeelding, die de rol heeft van visualisering van de bestemmingen.
7.2
Toelichting op de verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige functies). Deze vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken. Op basis van het voorgaande worden in voorliggend bestemmingsplan de volgende bestemmingen en aanduidingen onderscheiden: Met betrekking tot de woning Heieindseweg 1, Mariahout: • Wonen (enkelbestemming); • Waarde – Archeologie 1 (dubbelbestemming); • Waarde – Cultuurhistorie bomen (dubbelbestemming); • Overige zone - bebouwingsconcentratie 4 (gebiedsaanduiding); • Maximum oppervlakte bijgebouwen (m²) (310 m2) (maatvoeringsaanduiding). Met betrekking tot de woning Heieindseweg 1a, Mariahout: • Wonen (enkelbestemming); • Waarde – Archeologie 2 (dubbelbestemming); • Overige zone - bebouwingsconcentratie 4 (gebiedsaanduiding); • Maximum oppervlakte bijgebouwen (m²) (350 m2) (maatvoeringsaanduiding). Met betrekking tot de overige gronden binnen het plangebied: • Agrarisch (enkelbestemming); • Waarde – Archeologie 1 (dubbelbestemming); • Waarde – Archeologie 2 (dubbelbestemming); • Overige zone - bebouwingsconcentratie 4 (gebiedsaanduiding).
7.3
Toelichting op de regels
De systematiek van de regels kan worden samengevat aan de hand van de hoofdstukindeling. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: •
Hoofdstuk 1 ‘Inleidende Regels’ gaat in op de omschrijvingen van de in de voorschriften gehanteerde begrippen en de wijze waarop de vermelde maten worden bepaald. 35
Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 1-1a, Mariahout
• • •
In hoofdstuk 2 ‘Bestemmingsregels’ worden de verschillende bestemmingen met bijbehorende gebruiksbepalingen en bouwvoorschriften beschreven. Hoofdstuk 3 ‘Algemene regels’ geeft een overzicht van de algemene bouw- en gebruiksregels en de regels met betrekking tot afwijken van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 4 ‘Overgangs- en slotregels’ komen de regels ten aanzien van het overgangsrecht en de slotregel aan bod.
36
Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 1-1a, Mariahout
8. Uitvoerbaarheid 8.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het bestemmingsplan doorloopt als ontwerp respectievelijk vastgesteld en onherroepelijk plan de volgende procedure conform de artikelen 3.7 tot en met 3.9 van de Wet op de ruimtelijke ordening: 1) Voorbereiding en vooroverleg met diensten van rijk, provincie en waterschap; Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmings-/bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijn geïnformeerd. 2) Ontwerp: het ontwerp-bestemmingsplan wordt gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Eenieder wordt tijdens deze periode in de gelegenheid gesteld zienswijzen in te dienen. Provincie Noord-Brabant heeft een zienswijze ingediend. “In artikel 3.41 IOV zijn regels opgenomen ten aanzien van zonneparken in landelijk gebied. Hierin is bepaald dat zonneparken alleen met een tijdelijke omgevingsvergunning (artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 of 3, Wabo) kunnen worden toegestaan, voor een periode van maximaal 25 jaar en met (financiële) zekerstelling van verwijdering.
Overigens is er in dit geval –gezien het feit dat het gaat om het terugplaatsen van de panelen (van het dak naar de grond) – geen sprake van een nieuwvestiging en hoeft het zonnepark niet te worden beoordeeld aan de hand van de zonneladder (artikel 3.41 ,lid 1 IOV). Wel moet in de omgevingsvergunning worden gemotiveerd waarom een zonnepark op deze plek aanvaardbaar is.” Onderhavig bestemmingsplan is gewijzigd en ziet nu enkel op de wijziging naar een woonbestemming. Voor de grondgebonden zonnepanelen wordt een omgevingsvergunning aangevraagd. 3) Vaststelling: de gemeenteraad van Laarbeek stelt vervolgens het bestemmingsplan vast. Het plan wordt vervolgens voor een periode van 6 weken ter inzage wordt gelegd voor beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak bij de Raad van State.
8.2
Economische uitvoerbaarheid
Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wro rust op de gemeente de verplichting tot het verhalen van kosten bij grondexploitatie via een exploitatieplan, tenzij kostenverhaal anderszins is verzekerd. Met initiatiefnemers is een anterieure ontwikkelingsovereenkomst gesloten. In de overeenkomst zijn onder andere de ontwikkelvoorwaarden (waaronder planschade) opgenomen.
37
Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 1-1a, Mariahout
Bijlage 1
Landschappelijk inpassingsplan
Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 1-1a, Mariahout
Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering Heieindseweg 1 en 1a Mariahout
Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering
Opdrachtgever:
de heer M. Berkvens 06-20434130 marcel.berkvens@gmail.com
Projectlocatie:
Heieindseweg 1 en 1a Mariahout
Opdrachtnemer:
GV Advies Middelweg 4 3281 KH Numansdorp
Contactpersoon:
de heer G. Vink 0627-119742 info@gvadvies.nl
Datum:
21 juni 2021
Versie:
1.3
Plangebied
Plangebied
Titel
Plangebied en haar omgeving Tekeningnummer
Getekend door
Datum
1/7
G. Vink
21-6-2021
Bestandsnaam
Heieindseweg 1 en 1a Mariahout
Titel
Landschapsontwikkelingsplan Laarbeek- ondergrond Tekeningnummer
Getekend door
Datum
2/7
G. Vink
21-6-2021
Bestandsnaam
Heieindseweg 1 en 1a Mariahout
schaal 1:800 A. Woonhuis, Heieindseweg 1a B. Woonhuis, Heieindseweg 1 C. Stallen D. Zonnepanelen
A.
1. Halfverhardingspad langs plangebied uitgevoerd in gebroken puin en begrenst met halfwas eiken (Quercus robur) 2. Aangezicht plangebied, begrenst door halfwas lindes (Tilia europea) 3. Noordzijde plangebied begrenst met volwassen populieren (Populus canadensis), dubbele rij 4. Aangezicht plangebied vanaf Heieindseweg
C.
D.
C. D. C.
D.
D.
D. D.
B.
Titel
Vise plangebied - situering opstallen en gebruik Tekeningnummer
Getekend door
Datum
3/7
G. Vink
21-6-2021
Bestandsnaam
Heieindseweg 1 en 1a Mariahout
schaal 1:800
2.
A. Zoekgebied nieuwbouw bijgebouw van 350 m2 voor bedrijfsmatige activiteiten B. Herpositionering zonnepanelen
A.
3.
2. 3.
B.
3. 3.
4. 2.
2. 1. Behoud e/o versterking karakteristiek open gebied. 2. Versterking door realisatie van inpassingsmaatregelen 3. Zoekgebied behoud open kleinschalig landschap met inpassing zonnepanelen. 4. Behouden van de landschappelijke kwaliteit van privetuin (geen maatregelen).
Titel
Landschappelijke inpassing - visie op maatregelen Tekeningnummer
Getekend door
Datum
4/7
G. Vink
21-6-2021
Bestandsnaam
Heieindseweg 1 en 1a Mariahout
schaal 1:800
D.
D.
E.
E.
E.
E.
E.
E.
E.
E.
D.
C.
B. B.
E.
E.
D.
E.
E. E.
D. A.
E.
A. D.
D. D.
A. Bestaande houtsingel (snoei) B. Realiseren extra houtsingel in aansluiting op bestaande beplanting (800 m2) C. Realisatie extra bosje (240 m2) D. Landschapsbomen E. Hoogstam fruitbomen
A.
Titel
Inpassingsmaatregelen Tekeningnummer
Getekend door
Datum
5/7
G. Vink
21-6-2021
Bestandsnaam
Heieindseweg 1 en 1a Mariahout
Coryllus avellana
Ligustrum ovalifolium
Viburnum opulus
Rhamnus frangula
Amelanchier lamarckii
Prunus spinosa
Acer campestre
Hoogstam fruitboom
Juglans regia
Sorbus aucuparia
Titel
Detailleringen - sortiment en aantallen Tekeningnummer
Getekend door
Datum
6/7
G. Vink
21-6-2021
Bestandsnaam
Heieindseweg 1 en 1a Mariahout
Algemeen
Heesters
(Fruit-) bomen
Keuze Beplanting in onderhavig inpassingsplan is geselecteerd op basis van inheemse soorten. Deze soorten komen van oorsprong in de regio voor waarmee er enerzijds een bijdrage wordt gegeven aan de oorspronkelijke uitstraling van de regio en anderzijds betreft dit plantmateriaal wat past bij de aanwezige groeiomstandigheden.
Aanplant Zorg voor een ruim plantgat en grond waar de wortels goed in kunnen doordringen. Als je in lichte grond (zandgrond) plant is het goed dat te verbeteren door organisch materiaal (compost/vochtige potgrond) door de uitgegraven grond te mengen. Door zware kleigrond kun je fijn grind of grof zand mengen. Dat bevordert de drainage.
Aanplant
Keurmerk Bij de keuze van beplanting is het mogelijk om de keuze te maken voor autochtoon plantmateriaal. Deze keuze wordt aanbevolen omdat hiermee meer duurzaam plantmateriaal wordt aangeschaft. Het is mogelijk dat de beplanting in onderhavig plan niet met autochtoon keurmerk leverbaar is, er kan dan worden gekozen voor regulier plantmateriaal.
Beheer Zorg de eerste drie jaar na aanplant dat er geen concurrentie komt door de groei van onkruid. Hiervoor wordt geadviseerd om handmatig de beplantingstrook te schoffelen.
Ontvangst Beplanting moet altijd weer zo snel mogelijk na ontvangst geplant worden. Mocht dit niet mogelijk zijn dan is het raadzaam beplanting tijdelijk met de wortels in zand te planten. Dit mag waar mogelijk gebundeld, doel is dat de wortels geen kans lopen uit te drogen. Bescherming tegen vraat Bescherm bomen, vruchtbomen, hagen en singels goed door op ruime afstand van beplanting gaas te spannen of een hekwerk te plaatsen.
Aanplant algemeen
De voorkeur van aanplant gaat uit naar de rustperiode van beplanting (november-februari) waarbij het van belang is dat aanplant in een vorstvrije periode plaatsvind. Zorg voor aankoop dat betreffende plantlocatie vrij is van beplanting en plantklaar is. Hierbij gaat het erom dat de plantlocatie is gespit/gefreesd. Dit bevordert het gemak tijdens de aanplant. Volg bij de aanplant de plantafstand en het plantverband zoals opgenomen in onderhavig plan om te komen tot een evenwichtig en gezond eindbeeld van de beplantingstrook. Maak een royaal plantgat dat ook onderin goed wordt losgemaakt. Planten met een kale wortel zet je net zo diep als ze bij de kweker gestaan hebben. Dit kun je zien aan de verkleuring op de bast. Vaak is de stam groenachtig en de wortel roodbruinig. De overgang hiertussen is de wortelhals. Dat is de diepte die de beplanting moet krijgen. Na het planten moet de grond aangetrapt worden en moet de plant iets omhoog getrokken worden zodat het zand goed tussen de wortels komt. Niet te hard de grond aanstampen want dat zorgt ervoor dat de kieming van de wortels vertraagt.
Beheer algemeen Na aanplant (gedurende het eerste jaar) is het noodzakelijk de beplanting voldoende water te geven. Dit is geheel afhankelijk van weertype en voorkomt sterfte van beplanting. Bij water geven moet je rekening houden met de verdamping. Een plant zonder blad verdampt bijna geen water en ook met donker en regenachtig weer verliest uw plant nauwelijks vocht. Bij hogere temperaturen en niet te vergeten schrale (oosten)wind verdampt uw plant veel meer en droogt dan snel uit. Het is dus belangrijk om dan goed water te geven. Let wel: overmatig water geven is ook niet goed. Het gevaar bestaat dan dat de plant aan de wortels gaat rotten.
De periode waarin gesnoeid wordt hangt af van de doelstelling van de beplanting. Gangbare perioden zijn 5-10 jaar of 10-15 jaar (afhankelijk van de soort). Wilg kan na 5 jaar worden afgezet. De beste tijd voor het afzetten is januari tot maart. Stobben moeten voldoende licht hebben om weer uit te kunnen lopen. De beste afzethoogte is ongeveer 15 cm boven de grens tussen wortel en stam. Het hout moet enigszins schuin worden afgezaagd om inrotten te voorkomen. In het hakhout kunnen naar behoefte aanzichtbepalende bomen gespaard worden.
Hagen Aanplant Een gemengde haag heeft meerdere voordelen ten opzichte van beukenhagen of coniferenhagen: ·Een gemengde haag draagt optimaal bij aan de biodiversiteit. ·Een gemengde haag geeft een meer gevarieerd beeld in het landschap. ·Een haag welke bestaat uit één soort is extra gevoelig voor plagen en ziekten. In een gemengde haag kan een plaag of ziekte zich minder makkelijk uitbreiden.
Graaf een plantgat van ongeveer 100 x 100 x 100 cm. De bomen verankeren zich namelijk beter in losgemaakte grond. Voer de graskluiten of andere begroeiing af of verwerk dit in kleine stukken onder in het plantgat. Niet in de buurt van de wortels, want tijdens het verteren is zuurstof nodig en zuurstof hebben de wortels ook nodig. Het is altijd aan te raden een boompaal te zetten. Deze moet niet in de bodem van het plantgat worden geslagen als de boom daar al staat. Dan beschadig je de wortels. Dus bij voorkeur wordt eerst het gat gegraven, en daarna wordt de boompaal in de bodem geslagen, daarna zet je de boom erbij. Spreid de boomwortels er omheen uit. Gebruik een paal van onbehandeld hout. De boompaal moet minimaal 75 cm in de grond komen te staan. Let hierbij op voor kabels en leidingen. De boompalen altijd plaatsen aan noordwest- en zuidoostzijde van de boom. De boom zal zo bij de meest voorkomende windrichtingen in de boomband hangen, wat voorkomt dat de bast langs de boompaal kapot schuurt. Als de boompaal stevig staat strooit u een deel van de grond, eventueel vermengd met compost, in het plantgat (gebruik een beperkte hoeveelheid compost in verband met verbranding van de jonge wortels. Maximaal 1 emmer per boom en deze goed mengen met de grond). Plaatst de kant van de boom waaraan de minst ontwikkelde takken zitten op het zuiden.
Beheer Belangrijk is dat de boom zolang hij jong is geen last van onkruidgroei bij zijn wortels heeft. Houd een ruime cirkel grond (een zogenaamde boomspiegel) rond de stam vrij van onkruid door het eerst goed te wieden en daarna de grond af te dekken met een bijvoorbeeld boombastsnippers.
Zorg de eerste drie jaar na aanplant dat er geen concurrentie komt door de groei van onkruid. Hiervoor wordt geadviseerd om handmatig de beplantingstrook te schoffelen. Een haag kan als enkele rij of dubbele rij worden geplant. De plantafstand in de rij bedraagt 20 centimeter bij een enkele rij. Bij een dubbele rij worden er acht stuks per strekkende meter geplant in driehoeksverband. Verdeel eerst het plantmateriaal over de gehele lengte. Bevochtig de wortels, zet het plantsoen in de sleuf met de wortels goed uitgespreid. Schud tijdens het vullen het plantsoen iets om de aarde goed om de wortels te laten sluiten. Snoei vervolgens na het planten direct 1/3 van de hoogte van de hagen terug (dus 2/3 laten staan). Door in de beginjaren een haag regelmatig te knippen ontstaat een dicht vertakte haag. Wordt met het knippen te laat begonnen dan ontstaat er een brede slappe haag die kaal van onderen is. Door hagen van boven iets smaller te houden dan onderin komt er lager in de hagen ook voldoende licht bij, dit voorkomt kaal worden. Beheer Afhankelijk van het type haag wordt het beheer bepaald. Een beukenhaag moet bij voorkeur jaarlijks gesnoeid worden en bij een knip- en scheerheg mag dit eenmaal per twee jaar.
Titel
Aanleg- en beheeradvies (algemene adviezen) Tekeningnummer
Getekend door
Datum
7/7
G. Vink
21-6-2021
Bestandsnaam
Heieindseweg 1 en 1a Mariahout