7 20221103 Bestemmingsplan_Lagedijk 1 Beek en Donk_ontwerp Toelichting.pdf
Tekst van het document
9 MAART 2022
41
Bestemmingsplan Lagedijk 1-1a Beek en Donk Toelichting
Het Besluit m.e.r. vormt geen belemmering voor de gewenste ontwikkelingen. Wel is een milieueffectbeoordeling noodzakelijk. Dit betreft een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voorliggend hoofdstuk voorziet in deze beoordeling. Hierop zal een besluit worden genomen. GELUIDHINDER De Wet geluidhinder (Wgh) vormt sinds 1979 het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen hinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt onder andere gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wgh is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan, waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting dient te worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In de omgeving van het plangebied liggen geen spoorwegen of industrieterreinen. Het plangebied ligt wel binnen de geluidszone van de Lagedijk. Met de beoogde ontwikkeling wordt echter geen nieuw geluidsgevoelig object opgericht. De huidige bedrijfswoning is reeds een geluidgevoelig object in het kader van de Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer. Dit aspect verandert in de gewenste situatie niet.
Er hoeft derhalve geen onderzoek te worden gedaan naar de geluidsinvloed van industrieterreinen in de omgeving of van omliggende wegen en spoorlijnen op geluidsgevoelige objecten binnen het plangebied. De woning geniet daarentegen geen bescherming voor geluidhinder, afkomstig van de bijbehorende inrichting. De plattelandswoning blijft namelijk onderdeel uitmaken van de inrichting. Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid in het kader van het woon- en leefklimaat geen belemmeringen zijn voor de herbestemming en het verwijderen van het bouwvlak ter plaatse van de te slopen stal. Aangezien er geen nieuw geluidgevoelig object wordt gerealiseerd en de woning niet wordt verbouwd of vergroot, is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk. Bovendien bevat zowel de Wet geluidhinder als de Wet milieubeheer geen nadere bepalingen omtrent het herbestemmen van een bedrijfswoning naar een plattelandswoning. BODEMKWALITEIT Het aspect bodemkwaliteit is in deze toelichting om een aantal redenen aan de orde. Ten eerste dient, ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de “Wet Bodembescherming”.
Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Ten tweede bevat de bouwverordening, op grond van artikel 8 van de Woningwet, voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. Deze voorschriften hebben uitsluitend betrekking op bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen aanwezig zullen zijn.
9 MAART 2022
42
Bestemmingsplan Lagedijk 1-1a Beek en Donk Toelichting
De bestaande bedrijfswoning aan de Lagedijk 1-1a wordt met de beoogde herbestemming in gebruik genomen als plattelandswoning. Hierdoor kan de woning bewoond worden door derden, zonder een bedrijfsmatige binding te hebben met het bedrijf. Hiermee verandert het feitelijk gebruik als woning niet. De woning is voorheen nooit gebruikt voor bedrijfsmatige activiteiten. Het betreft een woonhuis, welke jaren geleden is gebouwd voor uitsluitend de woonfunctie. Een verkennend bodemonderzoek wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. LUCHTKWALITEIT De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer goedgekeurd (Staatsblad 2007, 414). Met name hoofdstuk 5, titel 2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat titel 2 handelt over luchtkwaliteit, staat de nieuwe titel 2 bekend als de Wet luchtkwaliteit. Deze wet is op 15 november 2007 (Staatsblad 2007, 434) in werking getreden en vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen het NSL werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.
In de Wet Luchtkwaliteit worden eisen gesteld aan de kwaliteit van de lucht. Eén van de eisen is een maximumwaarde voor de hoeveelheid stof die zich in de lucht bevindt. Het Milieu- en Natuur Planbureau beschikt over kaarten met informatie over de luchtkwaliteit in Nederland. De concentratie fijn stof (PM 10) in de omgeving van Beek en Donk was in 2020 circa 16 μg per m². Volgens de wettelijke normen mag deze concentratie maximaal 40 μg per m³ bedragen. Van bepaalde projecten, met getalsmatige grenzen, is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de “Regeling niet in betekenende mate bijdragen” wordt aangegeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term NIBM. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij één ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto als NIBM. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen netto als NIBM.
Aangezien het plan slechts de herbestemming van een agrarische bedrijfswoning naar plattelandswoning mogelijk maakt, kan worden gesteld dat dit plan onder het begrip NIBM valt en het aspect luchtkwaliteit niet verder hoeft te worden onderzocht. Op 16 januari 2009 is het “Besluit gevoelige bestemmingen” (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. Deze AMvB beperkt de vestiging van gevoelige bestemmingen in de nabijheid van provinciale wegen en Rijkswegen. Het besluit richt zich op de bescherming van mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijnstof en stikstofdioxide. Dit zijn voornamelijk kinderen, ouderen en zieken. Scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardenhuizen en bijbehorende terreinen betreffen hierbij gevoelige bestemmingen. Met de beoogde herontwikkeling wordt geen nieuw gevoelig object gevestigd bij een provinciale weg of een Rijksweg en vormt derhalve geen bezwaar in het kader van het “Besluit gevoelige bestemmingen”.
9 MAART 2022
43
Bestemmingsplan Lagedijk 1-1a Beek en Donk Toelichting
De “Wet plattelandswoningen” regelt dat plattelandswoningen in mindere mate worden beschermd tegen milieugevolgen van het bijbehorende bedrijf. Tegen hinder afkomstig van omliggende bedrijven wordt de plattelandswoning wel beschermd, als ware het een bedrijfswoning. Op 4 februari 2015 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State echter uitspraak gedaan in het kader van het bestemmingsplan “Buitengebied” van de gemeente Weert. De vraag die in dit kader werd gesteld, is of de toekenning van de aanduiding ‘plattelandswoning’ gevolgen kan hebben voor het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf. Specifiek ging het hier om het aspect luchtkwaliteit. Op grond van de “Wet plattelandswoningen” blijft de door derden bewoonde bedrijfswoning deel uitmaken van de inrichting. Om die reden hoeft niet getoetst te worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van de plattelandswoning voldoet aan de gestelde normen. De Afdeling haalt echter met de genoemde uitspraak een streep door deze regeling, voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit. Anders dan in de wet is bepaald, dient ter plaatse van een plattelandswoning de luchtkwaliteit namelijk wel beoordeeld te worden. Op grond van de Europese Richtlijn luchtkwaliteit (Richtlijn 2008/50/EG) dient overal een beoordeling plaats te vinden van de luchtkwaliteit.
Slechts in een aantal specifiek in de richtlijn genoemde gevallen hoeft geen beoordeling plaats te vinden van de naleving van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit met het oog op de bescherming van de menselijke gezondheid. De Afdeling concludeert dat de plattelandswoning niet valt onder één van de in de richtlijn genoemde uitzonderingen, zodat het bevoegd gezag moet beoordelen of het toekennen van de aanduiding mogelijk is met het oog op de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet onderbouwd worden of er ter plaatse van de beoogde plattelandswoning sprake is van een goed woon- en leefklimaat in relatie tot fijnstof (PM10 en PM2,5). Daartoe zijn ISL3a-berekeningen uitgevoerd, welke als bijlage 3 bij deze toelichting zijn gevoegd. In deze berekeningen is uitgegaan van de nieuwe dierbezetting in de boogde situatie. De gemeente heeft aangegeven dat de plattelandswoning alleen mogelijk is bij vermindering van de belasting van het buitengebied. De gedeeltelijke sanering van de veehouderij (het slopen van de zeugenstal en het herbestemmen van de biggenstal) zal als voorwaardelijke verplichting ten behoeve van het gebruik van de agrarische bedrijfswoning als plattelandswoning in het bestemmingsplan worden opgenomen.
Op deze manier wordt geborgd dat het gebruik van de agrarische bedrijfswoning als plattelandswoning alleen is toegestaan na vermindering van de belasting van het buitengebied. Tevens wordt met onderhavige herziening het bouwvlak ter plaatse van de te slopen stal verwijderd. Uit de berekeningen blijkt dat ter plaatse van de woning ruimschoots kan worden voldaan aan de grenswaarden voor PM10 en PM2,5. Tevens blijft het aantal overschrijdingsdagen van het 24uursgemiddelde, voor wat betreft het aspect fijnstof PM10, eveneens ruimschoots onder de norm voor het aantal overschrijdingsdagen. Derhalve zijn er geen gezondheidsrisico’s te verwachten voor de bewoners van de plattelandswoning. Ter plaatse is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Toekenning van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – plattelandswoning’ aan de agrarische bedrijfswoning Lagedijk 1-1a is in het kader van de luchtkwaliteit geen bezwaar. De concentratie fijnstof ter plaatse van de woning is dermate laag, dat kan worden gesteld dat ook bij eventuele uitbreiding van de agrarische inrichting redelijkerwijs kan worden voldaan aan de eisen voor luchtkwaliteit. De veehouderij wordt dan ook niet in de ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd door de beoogde herbestemming.
9 MAART 2022
44
Bestemmingsplan Lagedijk 1-1a Beek en Donk Toelichting
GEURHINDER De “Wet geurhinder en veehouderij” (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft onder andere normen voor de voor- en achtergrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen: Is ter plaatse een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object). Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden). 5.6.1
Voorgrondbelasting Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij (de dominante veehouderij) welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen. Onder een ‘geurgevoelig object’ wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. In de Wgv is bepaald dat in een concentratiegebied een maximale voorgrondbelasting van 14 odour units per kubieke meter lucht (ouE/m³) geldt buiten de bebouwde kom. Ten opzichte van dieren van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld (rundvee en paarden) dienen vaste afstanden aangehouden te worden. De afstand tussen een geurgevoelig object en een dergelijke veehouderij dient, indien de woning buiten de bebouwde kom gelegen is, 50 meter te bedragen. De normen, die voortvloeien uit wetgeving op het gebied van geurhinder van veehouderijen, dienen in de eerste plaats voor de vaststelling van de vraag of voor een veehouderij een omgevingsvergunning kan worden verleend.
Deze eisen ten aanzien van de maximale geurbelasting of minimaal aan te houden afstanden zijn ook van belang bij de beoordeling van de vraag of een bepaalde geurgevoelige bestemming kan worden gerealiseerd nabij een veehouderij. Deze zogenaamde ‘omgekeerde werking’ heeft dus betrekking op ruimtelijke ordeningsbesluiten, zoals bestemmingsplannen. Met de beoogde herontwikkeling wordt de agrarische bedrijfswoning aan de Lagedijk 1-1a, behorende bij de achtergelegen agrarische inrichting, omgezet naar een plattelandswoning. Hiermee wordt verankerd dat de bedrijfswoning eveneens bewoond mag worden door derden, zonder binding met het agrarisch bedrijf ter plaatse. Op grond van de “Wet plattelandswoningen” wordt de plattelandswoning gelijk gesteld aan de bedrijfswoning. Met de herbestemming wordt dan ook geen nieuw geurgevoelig object opgericht. De plattelandswoning hoeft in het kader van de Wgv niet te worden beschermd tegen milieugevolgen van de eigen inrichting. Wel dient sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wgv moet de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een veehouderij, ten minste 50 meter bedragen indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom ligt.
Deze afstand moeten veehouderijen in de omgeving in de bestaande situatie reeds in acht nemen en dat blijft in de beoogde situatie het geval.
9 MAART 2022
45
Bestemmingsplan Lagedijk 1-1a Beek en Donk Toelichting
Daar onderhavige woning niet dichter bij veehouderijen in de omgeving wordt gesitueerd, verandert de toetsingsafstand voor deze veehouderijen niet. De planlocatie ligt buiten de bebouwde kom. Binnen een afstand van 50 meter van de planlocatie liggen geen veehouderijen. De dichtstbijzijnde veehouderijen, ten opzichte van het plangebied, liggen aan de Karstraat 10 en aan de Lagedijk 5. De afstand tot deze bouwvlakken bedraagt circa 170 meter respectievelijk 310 meter. Hiermee wordt dus ruimschoots voldaan aan de gestelde vaste afstanden in de Wgv. Aangezien de beoogde plattelandswoning dezelfde bescherming geniet als ware het een bedrijfswoning, worden agrarische bedrijven in de omgeving van het plangebied – als gevolg van de gewenste ontwikkeling – niet verder belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden in vergelijking met de huidige situatie. 5.6.2
Achtergrondbelasting Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. Om dit te kunnen beoordelen is aangesloten bij de richtafstanden die zijn gesteld in de VNG-handreiking. De dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte van de planlocatie ligt aan de Karstraat 10 in Beek en Donk. Dit betreft een vleeskalverenbedrijf. Hiervoor geldt op grond van de VNG-handreiking, voor het aspect ‘geurhinder’ een richtafstand van 100 meter (in een ‘rustige woonwijk’). Het kalverenbedrijf ligt op een afstand van circa 170 meter ten opzichte van het plangebied en op een afstand van circa 250 meter van de woning. Ten noorden van het plangebied is een glastuinbouwbedrijf gelegen, aan de Lagedjik 3. Volgens de VNG-lijst is dit een bedrijf in maximaal milieucategorie 2, waarbij voor het aspect ‘geurhinder’ een richtafstand van 10 meter geldt. De afstand van de plattelandswoning binnen het plangebied tot het bouwvlak van dit bedrijf bedraagt circa 26 meter. Er kan dus ruimschoots worden voldaan aan de richtafstanden ten opzichte van (intensieve) veehouderijen en ten opzichte van het glastuinbouwbedrijf in de omgeving.
Ten aanzien van het aspect geur zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde herbestemming en is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de plattelandswoning. SPUITZONE In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient ook rekening gehouden te worden met spuitzones ten behoeve van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Er zijn echter geen wettelijke bepalingen betreffende minimaal aan te houden afstanden tussen de gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen gevoelige functies. In de praktijk is een vuistregel ontstaan, die aangeeft dat er ten minste een afstand van 50 meter tussen perceel en een gevoelig object in acht moet worden genomen. Bij deze afstand wordt er enerzijds van uitgegaan dat de gebruiksmogelijkheden van het perceel niet worden belemmerd, en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor een goed woon- en leefklimaat. Deze afstand is echter indicatief, wat wil zeggen dat er gemotiveerd van kan worden afgeweken. Of een spuitzone in acht genomen dient te worden, is afhankelijk van de beoordeling of sprake is van een gevoelig object. Dit is het geval bij langdurig verblijf, langer dan 2 uur, in gebouwen.
9 MAART 2022
46
Bestemmingsplan Lagedijk 1-1a Beek en Donk Toelichting
Het plangebied ligt direct aansluitend aan landbouwgronden en een glastuinbouwbedrijf. Er wordt dus niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Hierbij wordt echter opgemerkt dat die richtafstand met name is bedoeld voor gewassen die verticaal bespoten moeten worden, zoals boomgaarden. Grondgewassen worden altijd neerwaarts bespoten, wat de drift (indien deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. In de omgeving van het plangebied komen geen boomgaarden voor. In het Activiteitenbesluit staan eisen waaraan voldaan moet worden bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het gebruik van deze middelen op een perceel langs een watergang is aan regels gebonden. Aangezien tussen de landbouwgronden en de woning een watergang is gelegen, bieden deze regels ook bescherming aan onderhavige woning. Met de beoogde ontwikkeling, het herbestemmen van de bedrijfswoning naar een plattelandswoning, wordt echter geen nieuw gevoelig object opgericht. Daarnaast wordt in Nederland doorgaans gebruik gemaakt van driftarme doppen om mogelijke drift, die ontstaat bij de bespuiting, tot een minimum te beperken. De spuitdruk, gecombineerd met het type dop, bepaalt de druppelgrootte. Zo geven driftarme doppen meer grove druppels, die minder snel verwaaien. Hiermee worden reductiepercentages van 50-95% gehaald, afhankelijk van het type dop en de spuitdruk.
Deze spuitdoppen worden getest op windsnelheden, waaronder geen sprake meer is van een gevaar voor de volksgezondheid (door de Technische Commissie Techniekbeoordeling, versie 19 februari 2016). Deze maximale windsnelheid is vastgesteld op 5 m/s. Hiervan uitgaande zal in de nabije omgeving van het plangebied niet gespoten worden bij een windsnelheid van 5 m/s op spuithoogte. Daarbij wordt opgemerkt dat het gebruik bij een hogere windsnelheid tevens een negatief effect heeft op de werking van de te gebruiken bestrijdingsmiddelen, wat tot gevolg heeft dat de ondernemer gebaat is bij gebruik bij een lage windsnelheid. Hiermee is aangetoond dat spuitzones geen belemmering zijn voor de beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied. GEZONDHEID Het aspect volksgezondheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen bij het opstellen van ruimtelijke initiatieven. Aangetoond moet worden dat een ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de volksgezondheid. Tussen 2009 en 2011 is een verkennend onderzoek uitgevoerd door IRAS, NIVEL en RIVM naar de relatie tussen gezondheidsstatus, zoals geregistreerd bij huisartsen, en de afstand tot veehouderijen en in de lucht gemeten concentraties van bacteriën en fijnstof in de buurt van een aantal veehouderijen.
Eén van de bevindingen is dat bij mensen die in de omgeving van pluimvee- of geitenbedrijven wonen vaker longontsteking werd gevonden. Een andere bevinding is dat er minder astma voorkomt bij omwonenden van veehouderijen, maar dat wanneer mensen astma of COPD hebben, zij vaker complicaties van hun ziekte hebben. Wat betreft de blootstelling zijn hogere endotoxineniveaus gemeten rondom pluimvee- en varkensbedrijven ten opzichte van de achtergrondniveaus. Een beoordeling van de effecten op de volksgezondheid doet zich met name voor bij de uitbreiding van geitenhouderijen, pluimveehouderijen of varkenshouderijen of een ontwikkeling van milieugevoelige functies in de omgeving van een van deze drie typen veehouderijen.
9 MAART 2022
47
Bestemmingsplan Lagedijk 1-1a Beek en Donk Toelichting
De “GGD-richtlijn medische milieukunde: Veehouderij en gezondheid” beschrijft de huidige kennis over dit onderwerp. De richtlijn is door de GGD’en ontwikkeld, zodat ze op basis van dezelfde kennis over veehouderij en gezondheid kunnen adviseren. Deze informatie kan een gemeente gebruiken om de gezondheid van omwonenden mee te wegen bij beleidskeuzes voor de ontwikkeling van veehouderijen. De coördinatie van de richtlijn ligt bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Zoals gezegd, beschrijft de richtlijn de huidige kennis over veehouderij en gezondheid. Ook geeft de richtlijn input voor gezondheidskundige adviezen aan omwonenden in verschillende situaties. Denk aan de uitbreiding of vestiging van veehouderijbedrijven, of de gebiedsinrichting van het platteland. Er is veel gezondheidswinst te behalen wanneer goed wordt nagedacht over de ruimtelijke inrichting, dus bij het opstellen van omgevingsvisies en -plannen. Daarom moet de GGD bij voorkeur vroeg in het proces betrokken worden. De GGD heeft twee uitgangspunten bij zijn adviezen. De eerste is voorzorg: wees terughoudend met het plaatsen van gevoelige bestemmingen en veehouderijen binnen 250 meter van elkaar (bij geitenhouderijen binnen 2 kilometer). Gevoelige bestemmingen zijn bijvoorbeeld woningen, scholen, en ziekenhuizen.
Het tweede uitgangspunt is het streven om de uitstoot van geur, stof, endotoxinen (kleine stukjes bacteriën) en ammoniak van veehouderijen te verminderen. Met de beoogde herontwikkeling wordt geen nieuw gevoelig object opgericht. Als gevolg van de herbestemming van de agrarische bedrijfswoning naar een plattelandswoning, welke onderdeel blijft uitmaken van de agrarische inrichting, wijzigen de kaders op het gebied van gezondheid voor de woning niet. Bovendien zijn binnen een straal van 250 meter van het plangebied, naast de stallen van de bijbehorende veehouderij, geen stallen gevestigd waar vleeskuikens, legkippen of vleesvarkens worden gehouden. In paragraaf 5.5 is in het kader van een goede ruimtelijke ordening reeds onderbouwd dat er ter plaatse van de beoogde plattelandswoning sprake is van een goed woon- en leefklimaat in relatie tot fijnstof (PM 10 en PM2,5). Het aspect ‘gezondheid’ is in het kader van de beoogde herbestemming dan ook geen bezwaar. Nader advies is niet noodzakelijk. Bovendien moeten in 2028 alle verouderde stallen uiterlijk voldoen aan de Brabantse eis van 85% ammoniakreductie, waardoor de emissies van geur, stof en endotoxinen in het buitengebied nog verder zullen dalen.
9 MAART 2022
48
Bestemmingsplan Lagedijk 1-1a Beek en Donk Toelichting
JURIDISCHE ASPECTEN INLEIDING In dit hoofdstuk worden de regels van het voorliggende bestemmingsplan nader toegelicht. De regels zijn afgestemd op de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) die op 1 juli 2008 in werking zijn getreden. Tevens is het plan afgestemd op de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012), d.d. 18 april 2012. Dit betekent onder meer dat niet meer wordt gesproken van (plan)voorschriften, maar van (plan)regels. Tevens zijn in de SVBP2012 verplichtingen opgenomen ten aanzien van de naamgeving van bestemmingen en aanduidingen, met het oog op de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Deze zijn in het voorliggende bestemmingsplan toegepast. De SVBP2012 en het Bro bevatten een aantal onderdelen die verplicht moeten worden overgenomen in de regels van een bestemmingsplan. Dit betreft: begrippen: (SVBP2012); de wijze van meten (SVBP2012); anti-dubbeltelbepaling (Bro); overgangsrecht (Bro). De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bevat een verbod om zonder omgevingsvergunning de gronden en bebouwing in strijd met het bestemmingsplan te gebruiken of te laten gebruiken (art. 2.1 lid 1 Wabo) Dit hoeft dus niet in de regels te worden opgenomen. Hetzelfde geldt voor de strafbepaling.
NADERE TOELICHTING OP DE REGELS De SVBP2012 geeft een verplichte indeling van de hoofdstukken van de regels uit oogpunt van leesbaarheid en raadpleegbaarheid: Hoofdstuk 1 Inleidende regels (begrippen en wijze van meten). Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels (bestemmingen). Hoofdstuk 3 Algemene regels (anti-dubbeltelregel en algemene afwijkingsregels). Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels (overgangsrecht en slotregel). 6.2.1
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
ARTIKEL 1: BEGRIPPEN Het opnemen van begripsbepalingen is beperkt tot die begrippen, waarbij sprake is van een (mogelijke) afwijkende betekenis in het algemeen spraakgebruik en/of technische begrippen, waarbij een vereenvoudigde omschrijving de leesbaarheid bevordert. Begrippen die zijn voorgeschreven in de SVBP2012 zijn conform overgenomen.
ARTIKEL 2: WIJZE VAN METEN Ter adstructie van de in de regels aangegeven afmetingen is aangegeven waar en hoe deze worden gemeten.
9 MAART 2022
49
Bestemmingsplan Lagedijk 1-1a Beek en Donk Toelichting
6.2.2
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels De regels van een bestemming zijn als volgt opgebouwd en benoemd, waarbij een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; wijzigingsbevoegdheid.
BESTEMMINGSOMSCHRIJVING De bestemmingsomschrijving omvat een opsomming van de functies / gebruiksmogelijkheden binnen de gegeven bestemming. Deze opsomming is van wezenlijk belang, aangezien zij de basis vormt voor de overige op de bestemming betrekking hebbende regels.
BOUWREGELS In de bouwregels zijn objectieve regels gesteld met betrekking tot de plaats en de afmetingen van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
NADERE EISEN Hierin zijn onderdelen opgenomen waarin het college van burgemeester en wethouders nadere eisen kan stellen.
AFWIJKEN VAN DE BOUWREGELS Hierin zijn mogelijkheden opgenomen om in beperkte mate af te wijken van de opgenomen bouwregels indien aan de opgenomen voorwaarden wordt voldaan.
OMGEVINGSVERGUNNING VOOR HET UITVOEREN VAN WERKEN, GEEN BOUWWERKEN ZIJNDE EN WERKZAAMHEDEN Om de kwaliteiten van een bestemming te beschermen, is een aantal werken en werkzaamheden niet zonder meer toegestaan, maar alleen nadat een omgevingsvergunning is verkregen. De desbetreffende werken en werkzaamheden en de toetsingscriteria voor de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning zijn hier opgenomen.
WIJZIGINGSBEVOEGDHEID Naast afwijkingen van de regels kan een bestemmingsplan wijzigingsbevoegdheden bevatten om flexibiliteit te bieden. Het wijzigen van een plan is een bevoegdheid die aan burgemeester en wethouders toekomt.
9 MAART 2022
50
Bestemmingsplan Lagedijk 1-1a Beek en Donk Toelichting
6.2.3
Hoofdstuk 3 Algemene regels Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat bij opeenvolgende aanvragen om omgevingsvergunning waarbij een bepaalde oppervlakte aan grond als voorwaarde is geformuleerd, dezelfde grond opnieuw bij de afweging omtrent vergunningverlening wordt betrokken. De antidubbeltelregel wordt conform art. 3.2.4 Bro overgenomen in het bestemmingsplan. Daarnaast zijn ook algemene gebruiks- en afwijkingsregels opgesteld. Er is in de regels geen aparte gebruiksbepaling met gebruiksverbod opgenomen. De Wet algemene bepaling omgevingsrecht voorziet daarin (art. 2.1 lid 1 Wabo).
6.2.4
Hoofdstuk 4 Overgangsrecht en slotregel In het bestemmingsplan is het overgangsrecht conform de artikelen 3.2.1 en 3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening opgenomen. In de slotregel is aangegeven onder welke benaming het bestemmingsplan wordt aangehaald. BESTEMMINGEN De bestemmingsregels in dit plan sluiten zoveel mogelijk aan bij de wijze van bestemmen in het bestemmingsplan “Buitengebied” van de gemeente Laarbeek. In het plangebied komen twee bestemmingen voor, namelijk ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’. In artikel 4 is de bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ opgenomen, met de bijbehorende bouwen gebruiksregels. Op de verbeelding is een bestemmingsvlak ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ met een concreet bouwvlak getekend, voorzien van de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’. Tevens is de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – plattelandswoning’ opgenomen. Dit betekent dat binnen het bestemmingsvlak één plattelandswoning, inclusief aan- en uitbouwen, is toegestaan. De gemeente Laarbeek heeft aangegeven met te willen werken aan de gewenste herbestemming, onder andere onder de voorwaarde dat de bestaande zeugenstal wordt gesloopt. Daartoe is het bouwvlak ter plaatse van deze stal op de verbeelding verwijderd. Het resterende gedeelte van het plangebied krijgt de bestemming ‘Agrarisch’.
Deze gronden zijn bestemd voor agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen, (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en voor extensief recreatief medegebruik. Op de gronden binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd. De bestemming ‘Agrarisch’ is opgenomen in artikel 3 van de bestemmingsregels. Een gedeelte van het plangebied heeft tevens de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’.
9 MAART 2022
51
Bestemmingsplan Lagedijk 1-1a Beek en Donk Toelichting
UITVOERBAARHEID Conform artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening dient de toelichting van een bestemmingsplan inzicht te geven over de uitvoerbaarheid van het plan. ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij het opstellen van een bestemmingsplan onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. De grond waarop de gewenste ontwikkelingen plaatsvinden, is in eigendom van initiatiefnemer. Omdat de herbestemming van de agrarische bedrijfswoning naar een plattelandswoning een particuliere ontwikkeling betreft, zijn hier voor de gemeente geen financiële consequenties aan verbonden. De ontwikkelingskosten worden geheel door de initiatiefnemer gedragen. De kosten welke verbonden zijn aan het doorlopen van de procedure worden verrekend in de leges. Het is niet de verwachting dat planschade optreedt. De herbestemming zorgt namelijk niet voor een beperking van de activiteiten uitgevoerd door (agrarische) bedrijven in de omgeving. Bovendien is het aantal omwonenden beperkt. Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Het voorontwerpbestemmingsplan wordt in het kader van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voor overleg toegezonden aan het betrokken waterschap en die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Vervolgens zal het plan als ontwerp ter inzage gaan. Een ieder heeft dan de mogelijkheid tot het indienen van een zienswijze. De reacties zullen worden samengevat en beantwoord. Tegen het uiteindelijke besluit kunnen belanghebbenden beroep instellen. De voornoemde procedure toont de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan aan.
9 MAART 2022
52
Bestemmingsplan Lagedijk 1-1a Beek en Donk Toelichting
BIJLAGEN
9 MAART 2022
53
Bestemmingsplan Lagedijk 1-1a Beek en Donk Toelichting
BIJLAGE 1 Situatietekening beoogde situatie
9 MAART 2022
Bestemmingsplan Lagedijk 1-1a Beek en Donk Toelichting
BIJLAGE 2 Landschappelijke inpassing
9 MAART 2022
Bestemmingsplan Lagedijk 1-1a Beek en Donk Toelichting
BIJLAGE 3 Onderzoek luchtkwaliteit
9 MAART 2022