7 20221019 Bijlage 3 Hoger beroepschrift zoals ingediend bij RvS.pdf
Tekst van het document
Daarnaast is het belangrijk dat een projectaanvraag blijk geeft van kennis over de te volgen procedu res en de technische eisen waaraan de installatie dient te voldoen, dit geeft vertrouwen in de kwaliteit van het project. •
Voorwaarde onderbouwing procedurele en technische eisen: er wordt een zorgvuldige, complete en goed geïnformeerde onderbouwing gepresenteerd waarin wordt voldaan aan de bovengemeentelijke regels voor procedures en technische aspecten van het project.
14
2.6 Samenvatting Het beoordelen of een project voldoet aan alle voorwaarden is meer dan het afstrepen van een check list. Een project kan bijvoorbeeld op één van de criteria minder sterk scoren maar op een ander crite rium juist erg sterk, waardoor het toch door de gemeenteraad wenselijk wordt gevonden. Het beoor delen blijft altijd maatwerk. De gemeenteraad beoordeelt een projectplan - na advies van het college - volgens de afwegingen uit onderstaande schema. Figuur 4: overzicht voorwaarden voor projectaanvragen grootschalige opwek van duurzame energie Type voor
voorwaarde
afweging
Geschiktheid van landschapsty-
Uit de onderbouwing blijkt dat het landschaps-
waarde Landschappelijke inpassing
pe
type geschikt is om het project in te plaatsen.
Geschiktheid van de precieze
Uit de onderbouwing blijkt dat de precieze loca
locatie
tie geschikt is om het project te plaatsen.
Inpassing installatie en terrein
Uit de onderbouwing blijkt dat de inrichting van de installatie en het terrein voor een geschikte inpassing in het landschap zorgt. Uit de onderbouwing blijkt dat (eventueel toe
Meervoudig ruimtegebruik
komstig) meervoudig ruimtegebruik voldoende wordt gerealiseerd. Maatschappelijke meerwaarde
Uit de onderbouwing blijkt dat er voldoende (fi nanciële) maatschappelijke meerwaarde wordt
Maatschappelijke meerwaarde voor omwonenden / inwoners
gecreëerd voor omwonenden / inwoners. Maatschappelijke meerwaarde
Uit de onderbouwing blijkt de meerwaarde van
door ruimtelijke kwaliteit
het project voor de ruimtelijke kwaliteit van de projectlocatie.
Participatie
Uit de onderbouwing blijkt dat er voldoende
Participatie bij planvorming
mogelijkheden zijn voor participatie van omwo nenden / inwoners tijdens de planvorming. Participatie bij projectuitvoering
Uit de onderbouwing blijkt dat er voldoende mogelijkheden zijn voor participatie van omwo nenden / inwoners tijdens de projectuitvoering.
Procedurele en
Onderbouwing procedurele en
Uit de onderbouwing blijkt dat zal worden vol
technische voor
technische eisen
daan aan bovengemeentelijke relevante proce durele en technische eisen.
waarden
15
3 Specificatie landschappelijke inpassing windmolens Dit hoofdstuk gaat nader in op de mogelijkheden voor windmolens in het Laarbeekse landschap en de wensen en eisen die Laarbeek stelt voor de landschappelijke inpassing daarvan. Net als in hoofdstuk 2 wordt daarbij eerst gekeken naar de geschiktheid van het type landschap waarin het project wordt beoogd; dan naar de geschiktheid van de precieze locatie binnen dat landschap; en ten slotte naar de geschiktheid van de opstelling van de molens en de inrichting van het omliggende terrein. Voor windenergie zoekt deze visie aansluiting bij bovengemeentelijk beleid. Het huidige nationale en provinciale beleid is gebaseerd op de Structuurvisie Wind op Land (SWOL, 2014). Hierin staat een landelijke taakstelling voor het realiseren van 6.000 MW windvermogen in 2020. Voor windparken groter dan 100 MW is het Rijk bevoegd gezag voor de vergunningverlening, voor windparken tot 100 MW is de provincie verantwoordelijk. De gemeente mag een ruimtelijke visie opstellen die inzicht geeft in geschikte locaties, zoekgebieden aanwijzen in het bestemmingsplan, en is vaak bevoegd ge zag '/oor het verlenen van de omgevingsvergunning voor de bouw van het park en/of voor afwijken van het bestemmingsplan. De Provinciale Verordening ruimte Noord-Brabant stelt daarnaast een aan tal aanvullende eisen aan windparken (zie bijlage VI).
3.1 Geschiktheid landschapstype "Een landschap is dynamisch; het past zich door de tijd aan de veranderende wensen van de maatschappij aan. Wanneer nieuwe elementen (zoals windturbines) aan het landschap worden toegevoegd dan worden vrijwel al tijd in meer of mindere mate bestaande kwaliteiten aangetast en nieuwe kwaliteiten toegevoegd. In het ontwerp dient een zorgvuldige afweging gemaakt te worden tussen het behoud van bestaande kwaliteiten en het toe voegen van nieuwe kwaliteiten, idealiter worden beide met elkaar verenigd." Agentschap NL (2013) Handreiking waardering landschappelijke effecten van windenergie, p.33 Windmolens passen niet in de bebouwde kom, daarom wordt gekeken naar het buitengebied. Niet alle landschappen waaruit het Laarbeekse buitengebied bestaat lenen zich voor het plaatsen van windmo lens: windmolens detoneren bijvoorbeeld in een historisch landschap of een landschap dat erg klein schalig van aard is. In een weids, open landschap dat zich kenmerkt door productie en industrie zijn windmolens bijvoorbeeld meer passend. Wat betreft passendheid van windmolens in verschillende landschappen zijn er weinig bovengemeentelijke regels. Wel benoemt de landelijke Structuurvisie Wind op Land (SWOL) dat het de voorkeur heeft om aan te sluiten op grote structuren zoals hoofdin frastructuur.
De provinciale verordening Ruimte stelt nadere regels voor het bouwen in Natuur Net werk Noord-Brabant, maar staat dit onder voorwaarden wel toe. Aan deze bovengemeentelijke regels voegt Laarbeek een eigen overweging toe, die leidt tot de uit sluiting van een aantal landschapstypen. Van de acht landschapstypen die door de Omgevingsvisie Buitengebied worden onderscheiden, worden er drie geschikt en vier ongeschikt geacht voor het plaatsen van windmolens. Het laatste landschap (het lintenlandschap) wordt in twee delen verdeeld, waarbij een deel wel geschikt is en een deel ongeschikt. Van het Aa-landschap is een klein deel uitge zonderd: in het gebied rondom Eyckenlust zijn windmolens niet gewenst. De afwegingen om tot deze indeling te komen zijn gebaseerd op de (cultuur-) historische waarde van het landschap, waarde voor toerisme, schaal van het landschap en beoogde ontwikkelrichting. De afwegingen en precieze kaart zijn opgenomen als bijlage IV en V, hieronder staat een schematisch overzicht.
16
Figuur 5: overzicht geschiktheid iandschapstypen voor windmolens Geschikt voor windmolens
Ongeschikt voor windmolens
Pionierslandschap
Mozaïeklandschap
Lintenlandschap (alleen ten noorden van de Me
Biezenlandschap
rend ijk) Ontwikkel landschap
Historisch landschap
Aa-landschap (uitgezonderd het gebied rondom
Boslandschap
Eyckenlust) Figuur 6; overzichtskaart geschiktheid Laarbeekse Iandschapstypen voor windmolens Geschikt voor windmolens Ongeschikt voor windmolens Aa-landschap Pionierslandschap
Mariahout
Lintenlandschap
Linten-
en Donk
landschap Mozaïek-
Biezen- 1
landschap
landschap
Historisch
Lieshout
landschap
Lintenlandscha Aarle-Rixtel
Ontwikkel Wandschap,
Boslandschap
Bovenstaande kaart betekent uiteraard niet dat windmolens overal in de 'groene landschappen' kun nen worden gebouwd. De kaart moet eerder andersom gezien worden: in de rood gekleurde delen van Laarbeek zullen windmolens niet worden overwogen. In de groen gekleurde landschappen is een aanvraag overweegbaar. Er moet dan wel aan een groot aantal andere voorwaarden worden voldaan, onder andere voor de keuze van de precieze locatie. Dit wordt als volgt samengevat: •
voorwaarde geschiktheid van landschapstype: de beoogde project-locatie bevindt zich in een landschapstype dat als geschikt is aangemerkt voor windmolens.
17
3.2 Geschiktheid locatie Niet alleen het landschapstype, maar ook de precieze locatie moet geschikt zijn voor windmolens. Al lereerst stellen het Rijk en de provincie hiervoor een aantal beperkingen aan landschappelijke inpas sing. Een vereenvoudigd overzicht van de belangrijkste bovengemeentelijke inpassingsregels is te vinden in bijlage VI. Het is echter goed denkbaar dat deze criteria in het licht van de RES worden veranderd, wellicht worden criteria versoepeld om de RES te faciliteren. Om hierop te anticiperen hanteert Laarbeek het volgende uitgangspunt: De gemeente Laarbeek accepteert en volgt eventuele veranderingen in het beleid over de plaatsing van windmolens vanuit het Rijk en de provincie Noord-Brabant, tenzij het college van mening is dat hierdoor een situatie ontstaat die niet in lijn ligt met deze visie. Wanneer dit zich voordoet kan het college en/of de raad waar mogelijk nadere regels stellen ter aanvulling op het nieuwe bovengemeen telijke beleid, waardoor aansluiting met deze visie gevonden wordt. De gemeente stelt de volgende regels voor het bepalen van de geschiktheid van de precieze beoogde projectlocatie. Bouwen binnen een bebouwingsconcentratie is onwenselijk (zie bijlage III voor de begrenzin gen) om het open karakter te behouden, verstening tegen te gaan en de bebouwingsconcentraties niet te laten concurreren met de vier kernen.
Bouwen binnen een gebied dat belangrijk is voor natuurontwikkeling, zoals het Natuur Net werk Noord-Brabant, een ecologische verbindingszone of beschermingsgebied voor struweelvogels en/of kwetsbare soorten, is onwenselijk tenzij onderbouwd kan worden hoe het project bijdraagt aan natuurontwikkeling. De afstand tussen een beoogd project en Rijks- en gemeentelijke monumenten en archeolo gische monumenten is minimaal even groot als het perceel van het beoogde project. Daar naast wordt een inschatting gemaakt van de visuele impact van de molens op de beleving van het monument. Hiervoor wordt een visualisatie gemaakt. De afstand tot woningen, infrastructuur en overige bebouwing en relevante ruimtelijke ele menten wordt onderbouwd door middel van onderzoek naar slagschaduw en geluidshinder, hiervoor worden de landelijke normen gevolgd. Het project evalueert eventuele hinder voor omwonenden (overlast door geluid, schaduw e.d.) en andere nadelige effecten, en onderbouwt hoe deze worden geminimaliseerd. Mogelij ke natuurschade wordt onderbouwd door een milieuonderzoek (projectMER). Archeologisch onderzoek kan nodig zijn, afhankelijk van de locatie. Het project voldoet aan bovengemeentelijke plaatsingseisen zoals minimale afstanden tot be bouwing en infrastructuur. Voor sommige landschapstypen gelden aanvullende voorwaarden voor wanneer een locatie geschikt wordt geacht.
Bijlage II geeft een uitwerking van de kernkwaliteiten van elk landschap, met daarbij richtlijnen voor de geschiktheid van een precieze locatie. Een projectaanvraag moet zoveel mogelijk aansluiting zoeken bij die kernkwaliteiten. De voorwaarde wordt als volgt samengevat: •
voorwaarde motiveringsplicht geschiktheid precieze locatie:
Het project onderbouwt
de keuze voor de precieze beoogde locatie en toont daarbij aan hoe aansluiting gevonden wordt met de kernkwaliteiten van het landschap en landschapselementen in de directe omge ving van het project, en dat het project voldoet aan de aanvullende regels.
18
3.3 Ontwerp en omvang installatie Staat het plan in een geschikt landschapstype en is de beoogde locatie geschikt, dan is de volgende stap het bepalen van het aantal molens, de hoogte en de opstelling. Hiervoor moet bijvoorbeeld re kening gehouden worden met het ruimtelijk beeld dat ontstaat door de plaatsing van de windmolens. Deze motivering moet op een aantal aspecten van het ruimtelijk beeld ingaan. Daarnaast wordt een aantal algemene ontwerpregels gesteld. Dit zijn de volgende: Algemene ontwerpprincipes windmolens Een project bestaat uit tenminste drie en maximaal vijf windmolens. Er wordt maximaal één windpark ontwikkeld in Laarbeek. De voorgestelde bouwhoogte en onderlinge afstand tussen de molens wordt onderbouwd door middel van onderzoek naar slagschaduw en geluidshinder, hierin worden de landelijke normen gevolgd. Om de ruimtelijke impact te beperken verdient het de voorkeur om alle windmolens van het zelfde type en grootte te bouwen en dezelfde onderlinge afstand te hanteren. Een lijnopstel ling heeft de voorkeur. Een omgevingsvergunning wordt verleend voor een maximale periode van 25 jaar. In de pro jectaanvraag wordt beschreven hoe de grond daarna zal worden opgeleverd. Ontwerpprincipes in relatie tot ruimtelijk beeld De opstelling en inrichting van het terrein moeten de aanwezige kernkwaliteiten van het landschap behouden of versterken.
Denk bij het ruimtelijk beeld aan het volgen van bestaande structuren en lijnen zoals verkaveling en grenzen tussen water en land; de mate waarin de openheid van het landschap beïnvloed wordt; de veranderingen in verhouding tussen de open ruimte en ruimteverstorende elementen; het respecteren van zichtlijnen en de beleving van reliëf. Er moet extra kritisch gelet worden op de verandering van het ruimtelijk beeld wanneer aan gesloten wordt op andere duurzame energie-projecten, zoals zonneparken in dezelfde omge ving en/of een windpark over de gemeentegrens, of op andere grote landschappelijke dra gers. Daarnaast moet worden gereflecteerd op het beperken van het horizonbeslag en de mate waarin ingeslotenheid wordt ervaren door omwonenden of andere waarnemers. Ook de ruimtelijke inpassing van technische randapparatuur moet worden meegenomen. De motivatie gaat vergezeld van visualisaties. Een projectaanvraag dient te onderbouwen hoe het aan deze regels voldoet, wat terugkomt in de vol gende voorwaarde: •
voorwaarde motiveringsplicht ontwerp en omvang installatie: het project onderbouwt hoe de locatie en beoogde opstelling en grootte van het project aansluit op de kernkwaliteiten van het landschap en voldoet aan de ontwerpprincipes voor windmolens die door Laarbeek zijn opgesteld.
3.4 Meervoudig ruimtegebruik Bij landschappelijke inpassing moet niet alleen worden gereflecteerd op hoe de windmolens passen in het grote landschap er omheen, maar ook op hoe het terrein direct rondom de windmolens wordt in gericht en gebruikt (zie bijvoorbeeld figuur 7). Om een goede inrichting van het terrein te borgen wordt een motivering gevraagd voor de inrichting van het terrein, waarin wederom op een aantal as pecten moet worden ingegaan: Voorwaarde motiveringsplicht inrichting terrein en meervoudig ruimtegebruik Een project is verplicht om te motiveren hoe de inrichting van het terrein aansluit bij het landschap en hoe (toekomstig) meervoudig ruimtegebruik wordt ingevuld:
19
• • •
De voorkeur gaat uit naar projecten die de grond rondom de windmolens zinvol ontwikkelen en naar meervoudig ruimtegebruik. Dit kan bijvoorbeeld door middel van een bijdrage aan natuurontwikkeling, waterretentie, re creatie, of versterking van landschappelijke structuren. De uitwerking versterkt de kernkwaliteiten van het landschapstype en van de specifieke situa tie op de beoogde locatie.
Figuur 7: illustratie meervoudig ruimtegebruik windmolens
In hoeverre de inrichting van een terrein versterkend of tenminste niet verstorend werkt voor het landschap hangt af van de huidige situatie, maar ook van het wensbeeld dat de gemeente bij de ver schillende landschapstypen heeft. Dit wordt meer detail in de Omgevingsvisie uitgewerkt en een over zicht is te vinden in bijlage II. Hieronder wordt per landschapstype waar windmolens overwogen kun nen worden, een denkrichting weergegeven voor landschappelijke inpassing en meervoudig ruimte gebruik. Figuur 8. Denkrichting landschappelijke inpassing en meervoudig ruimtegebruik voor windmolens Pionierslandschap In een landschap met grootschalige, blokvormige opzet passen grote struc turen. Het heeft de voorkeur om de structuur van de blokerven te volgen en perceelgrenzen zichtbaar te laten door perceelscheidingen zoals houtwallen, houtsingels of kavelgreppels. Deze blokstructuren moeten niet doorsneden of gesplitst worden. Voor meervoudig ruimtegebruik gaat de voorkeur uit naar agrarisch medegebruik, natuurontwikkeling en/of waterretentie. Lintenlandschap
Dit betreft een landschap waarin veel landmarks te zien zijn met lange zicht lijnen. Het heeft de voorkeur om zichtlijnen niet te doorsnijden en grote structurele assen te begeleiden (parallelle lijnopstelling). De cultuurhistorisch waardevolle bolle akkers dienen gerespecteerd te worden. Er dient niet gebouwd te worden in of direct aansluitend op de bebouwingsconcentraties (linten, zie bijlage III). Voor inpassing moet gedacht worden aan houtsingels of houtwallen, fruitteelt en waterloopjes, in lijn met de diver siteit aan kleinschalige landschapselementen en multifunctionele erven die dit landschap typeren. Voor meervoudig ruimtegebruik gaat de voorkeur uit naar agrarisch medegebruik, natuurontwikkeling en/of waterretentie.
20
Aa-landschap
Het open karakter van het landschap moet gerespecteerd worden. Bij plaat sing in de beekdalen moet onderbouwd worden hoe wordt bijgedragen aan de natuur, bijvoorbeeld door beekherstel of aanleg van EVZ's, evt. op de lange termijn. Idealiter staan molens parallel aan de beek om de beleving van de beek te vergroten, maar buiten de EVZ. Het weidevogelgebied moet worden ontzien. De voorkeur voor meervoudig ruimtegebruik gaat uit naar agrarisch, natuurontwikkeling of waterretentie.
Ontwikkellandschap
Duidelijke lijnelementen zoals kanalen, beken en hoofdverkeerswegen kun nen worden gevolgd (lijnopstelling parallel). Houd bij plaatsing rekening met de gebiedsvisie. Ontwikkeling van windmolens kan hier bijdragen aan multi functioneel ruimtegebruik en kan passend zijn bij de bedrijvigheid, mits verrommeling wordt voorkomen. Het heeft de voorkeur om een open karakter te behouden / realiseren. Voor agrarisch medegebruik betekent dat bijvoorbeeld geen gebruik maken van hoge teeltondersteunende voorzieningen. Het land schap leent zich ook minder goed voor vee. Recreatief medegebruik of na tuurontwikkeling lijkt passender.
21
3.5 Samenvatting In principe staat Laarbeek open voor het ontwikkelen van maximaal één windpark met een capaciteit van maximaal vijf turbines. Dit hoofdstuk geeft nadere regels en denkrichtingen voor de landschappe lijke inpassing van windmolens, maar daarnaast dient een projectaanvraag ook aan de andere typen voorwaarden te voldoen. Een complete lijst staat daarom hieronder. Het is aan de raad om een afwe ging te maken of een projectaanvraag voldoende aan alle voorwaarden voldoet. Figuur 9: Overzicht voorwaarden voor projectaanvragen windenergie Type voor
afweging
voorwaarde
waarde Landschappelijke
Geschiktheid van landschaps-
De beoogde locatie bevindt zich in een land-
inpassing
type
schap dat als geschikt is aangemerkt.
Geschiktheid van de precieze
Uit de onderbouwing blijkt dat de precieze loca
locatie
tie geschikt is om het project te plaatsen. Uit de onderbouwing blijkt dat het ontwerp en
Ontwerp en omvang
de omvang van het windpark voldoet aan de ontwerpprincipes. Inrichting terrein en meer
Uit de onderbouwing blijkt dat de inrichitng van
voudig ruimtegebruik
het terrein aansluit op de kernkwaliteiten van het landschap en de directe omgeving, en dat (eventueel toekomstig) meervoudig ruimtege bruik voldoende wordt gerealiseerd.
Maatschappelijke
Maatschappelijke meerwaar
Uit de onderbouwing blijkt dat er voldoende (fi
meerwaarde
de voor omwonenden / inwo ners
nanciële) maatschappelijke meerwaarde wordt gecreëerd voor omwonenden / inwoners.
Maatschappelijke meerwaar de door ruimtelijke kwaliteit
Uit de onderbouwing blijkt de meerwaarde van het project voor de ruimtelijke kwaliteit van de projectlocatie.
Participatie
Participatie bij planvorming
Uit de onderbouwing* blijkt dat er voldoende mogelijkheden zijn voor participatie van omwo nenden / inwoners tijdens de planvorming. Uit de onderbouwing* blijkt dat er voldoende
Participatie bij projectuitvoe ring
mogelijkheden zijn voor participatie van omwo nenden / inwoners tijdens de projectuitvoering.
* voor de onderbouwing dienen de richtlijnen van de 'gedragscode draagvlak en participatie wind op land' van de NWEA te worden gevolgd. Procedurele en technische
Onderbouwing procedurele en technische eisen
Uit de onderbouwing blijkt dat zal worden vol daan aan bovengemeentelijke relevante proce durele en technische eisen.
voorwaarden
22
4 Specificatie landschappelijke inpassing zonneparken
Deze visie biedt de ruimte voor het ontwikkelen van maximaal vijf zonneparken in Laarbeek. Het heeft de voorkeur om zowel kleinschalige als grootschalige zonneparken te ontwikkelen. Als definitie wordt de richtlijn van Enexis gehanteerd: een kleinschalig park is maximaal 6 hectare. Voor het bepa len van de schaal van een concreet project moet vooral gekeken worden naar de 'menselijke schaal', waarbij het zonnepark moet aansluiten bij de omgeving. Voor een grootschalig zonnepark wordt een maximumgrootte van 12 hectare gehanteerd. Projectaanvragen worden niet behandeld op volgorde van binnenkomst maar op een eerste inschatting van hoe kansrijk het project is. Dit is afhankelijk van de mate van aansluiting op de gestelde voorwaarden. Net als voor windmolens werkt deze visie ook de landschappelijke inpassingsvoorwaarden voor zonneparken verder uit. Een gemeente kan geen grondgebonden opstellingen van zonnepanelen vergunnen zolang er geen vi sie aan ten grondslag ligt, zo staat in de provinciale verordening Ruimte Noord-Brabant. Voor een gemeentelijke visie worden de volgende eisen gesteld: Artikel 6.19 provinciale verordening Ruimte Noord-Brabant a. b. c. d.
uit een gemeentelijke visie blijkt dat de aanwijzing van een projectlocatie nodig is om te kunnen voldoen aan de doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie; in deze visie is afgewogen welke locaties binnen de gemeente geschikt zijn gelet op aspecten van zorgvuldig ruimtegebruik en ruimtelijke kwaliteit; de ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft; de ontwikkeling gelet op artikel 3.1, derde lid, inpasbaar is in de omgeving.
In de inleiding van deze visie is betoogd dat grondgebonden zonneparken een belangrijk onderdeel kunnen vormen van de toekomstige energiemix in Laarbeek: de capaciteit van onze daken voor zon nepanelen en de mogelijkheden voor windmolens of andere technologieën zijn op dit moment niet voldoende om onze doelen te behalen. Ondanks de beperkte capaciteit van dakoppervlakken in Laar beek, heeft plaatsing op daken wel de voorkeur boven grondgebonden zonneparken. Daarnaast gaat de voorkeur uit naar plaatsen waar andere functies zo min mogelijk in de verdrukking komen. We volgen hierbij de Zonneladder en de Ladder voor duurzame verstedelijking, die een 'ladder' van wen selijkheid aangeven voor de locatie van zonnepanelen. Deze volgorde is: daken (zowel in het stedelijk als landelijk gebied), industrieterreinen, kernrandzones, erven van agrarische bedrijven c.q. binnen het bouwblok, langs infrastructuur, voormalige stortplaatsen (voor zover niet ingericht als natuurge bied), landbouwgrond (dubbelgebruik), landbouwgrond (enkelgebruik) en tenslotte natuurnetwerken. Verwijzen naar de zonneladder betekent niet dat een project dat relatief'laag op de ladder' staat niet overwogen kan worden, maar wel dat er dan kritischer gekeken wordt naar de wenselijkheid van het project. Voor alle projecten geldt dat de locatiekeuze en ruimtelijke inpassing goed dient te worden onderbouwd.
Deze onderbouwing volgt dezelfde indeling als de onderbouwing van windparken: er wordt van breed naar smal gekeken. Past het zonnepark in het landschapstype waar het in wordt be oogd? Is het passend op de specifieke locatie? Is het ontwerp en de omvang passend bij de kwalitei ten van het landschap, en wordt er voldoende rekening gehouden met meervoudig ruimtegebruik? Deze vragen worden hieronder uitgewerkt. 4.1 Geschiktheid landschapstype Niet alle landschapstypen zijn geschikt voor het plaatsen van een zonnepark. Zonneparken hebben ondanks hun geringe hoogte een grootschalige en industriële uitstraling. In landschappen met meer geslotenheid en reliëf kan het mogelijk zijn om de zonnepanelen aan het zicht te onttrekken, maar in een open landschap zou bijvoorbeeld de aanleg van een houtwal of -singel uit de toon vallen. Ook in
23
gebieden die belangrijk zijn voor toerisme vanwege natuurbeleving of de authentieke uitstraling van een landschap, zijn zonneparken niet passend. Ten slotte kan de vraag worden gesteld of de schaal van een zonnepark aansluit bij de schaal van het landschap: een verkaveld landschap met relatief kleine percelen en/of veel afwisseling in ruimtegebruik is beter geschikt voor het aanleggen van een of meerdere kleine zonneparken dan voor een groot zonnepark. Daarom wordt een onderscheid ge maakt tussen grootschalige en kleinschalige parken. Het verschil tussen grootschalige en kleinschalige zonneparken is niet alleen de schaal, maar laat ook twee visies op landschap zien. Voor de inpassing van kleinschalige zonneparken wordt uitgegaan van het landschap als waarde: de inrichting van het landschap is net als natuur, cultuurhistorie en archeo logie een waarde die moet worden beschermd en versterkt. Bij grootschalige zonneparken ligt een ander idee van landschap aan de basis: landschap als kader voor ruimtelijke ontwikkelingen, waarin het landschap zich aanpast en met ontwikkelingen meebeweegt. De afwegingen om tot deze indeling te komen zijn gebaseerd op de (cultuur-) historische waarde van het landschap, waarde voor toerisme, schaal van het landschap en beoogde ontwikkelrichting.
De af wegingen en precieze kaart zijn opgenomen als bijlage VII en VIII, hieronder staat een schematisch overzicht. Het overzicht laat zien dat drie landschappen en een klein gedeelte van een vierde land schap zijn uitgesloten voor zonneparken. Het gaat om landschappen met een duidelijke historische en/of recreatieve waarde: het Biezenlandschap, Historisch landschap, Boslandschap en het gebied rondom Eyckenlust. In gebieden die zich kenmerken door diversiteit in gebruik en kleinschaligheid, zoals het mozaïeklandschap, worden alleen kleinschalige zonneparken toegestaan. Slechts twee land schappen lenen zich voor grootschalige zonneparken: het Pionierslandschap en Aa-landschap. De indeling in landschapstypen moet gezien worden als een eerste beperking: in sommige delen van het buitengebied zullen zonneparken niet worden overwogen. Dat wil niet zeggen dat ze in de 'groene gebieden' altijd zullen worden toegestaan: toestemming hangt af van het voldoen aan de andere cri teria, zoals de verdere onderbouwing van de landschappelijke inpassing. Dit wordt als volgt samengevat: •
voorwaarde geschiktheid van landschapstype: de beoogde project-locatie bevindt zich in een landschapstype dat als geschikt is aangemerkt voor zonneparken van de voorgestelde schaal.
Figuur 10: overzicht geschiktheid landschapstypen voor zonneparken Geschikt voor
Geschikt voor
Ongeschikt voor
grootschalige zonneparken
kleinschalige zonneparken
zonneparken
Pionierslandschap
Lintenlandschap
Biezenlandschap
Aa-landschap (uitgezonderd het
Mozaïeklandschap
Historisch landschap
gebied rondom Eyckenlust)
Ontwikkellandschap
Boslandschap
24
Aa-landschap
Pionierslandschap
Mariahout Lintenlandschap Beek
*
en Donk
Mozaïek-
Biezen-
landschap
landschap Historisch1 Lieshout
landschap
Lintenlandschap Aarle-Rixtel
OntwikkeT Wandschap
Boslandschap Geschikt voor grootschalige zonneparken Geschikt voor kleinschalige zonneparken Ongeschikt voor zonnepaken Figuur 11: overzichtskaart geschiktheid landschapstypen voor zonneparken
4.2 Geschiktheid locatie Niet alleen het landschapstype, maar ook de precieze locatie moet geschikt zijn voor een zonnepark. Allereerst stellen het Rijk en de provincie hiervoor een aantal beperkingen aan landschappelijke in passing. Een vereenvoudigd overzicht van de belangrijkste bovengemeentelijke inpassingsregels is te vinden in bijlage IX. Het is echter goed denkbaar dat deze criteria in het licht van de RES worden veranderd, wellicht worden criteria versoepeld om de RES te faciliteren. Om hierop te anticiperen hanteert Laarbeek -net als bij windmolens- het volgende uitgangspunt: De gemeente Laarbeek accepteert en volgt eventuele veranderingen in het beleid over de plaatsing van zonneparken vanuit het Rijk en de provincie Noord-Brabant, tenzij het college van mening is dat hierdoor een situatie ontstaat die niet in lijn ligt met deze visie. Wanneer dit zich voordoet kan het college en/of de raad waar mogelijk nadere regels stellen ter aanvulling op het nieuwe bovengemeen telijke beleid, waardoor aansluiting met deze visie gevonden wordt. De gemeente stelt de volgende regels voor het bepalen van de geschiktheid van de precieze beoogde projectlocatie.
25
Bouwen binnen een bebouwingsconcentratie is onwenselijk (zie bijlage III voor de begrenzin gen) om het open karakter te behouden, verstening tegen te gaan en de bebouwingsconcentraties niet te laten concurreren met de vier kernen. Bouwen binnen een gebied dat belangrijk is voor natuurontwikkeling, zoals het Natuur Net werk Noord-Brabant, een ecologische verbindingszone of beschermingsgebied voor struweelvogels en/of kwetsbare soorten, is onwenselijk tenzij onderbouwd kan worden hoe het project bijdraagt aan natuurontwikkeling. De afstand tussen een beoogd project en Rijks- en gemeentelijke monumenten en archeolo gische monumenten is minimaal even groot als het perceel van het beoogde project. Daar naast wordt een inschatting gemaakt van de visuele impact van de panelen op de beleving van het monument. Hiervoor wordt een visualisatie gemaakt. Bij de oriëntatie en inpassing van de zonnepanelen wordt rekening gehouden met het minimaliseren van visuele verstoring. Het project evalueert eventuele hinder voor omwonenden (bijv. spiegeling) en andere nade lige effecten, en onderbouwt hoe deze worden geminimaliseerd. Mogelijke natuurschade wordt onderbouwd door een milieuonderzoek (projectMER). Archeologisch onderzoek kan no dig zijn, afhankelijk van de locatie. De onderlinge afstand tussen twee zonneparken is minimaal de lengte van het perceel van de grootste van beide parken.
Strekt een zonnepark bijvoorbeeld 200 meter, dan wordt het aan alle kanten omgeven door minstens 200 meter aan percelen met andere gebruiksfuncties. We streven naar spreiding van zonneparken over de gemeente en zo min mogelijk verstoring van het karakter van het landschap. De voorwaarde wordt als volgt samengevat: •
voorwaarde motiveringsplicht geschiktheid precieze locatie:
Het project onderbouwt
de keuze voor de precieze beoogde locatie en toont daarbij aan hoe aansluiting gevonden wordt met de kernkwaliteiten van het landschap en landschapselementen in de directe omge ving van het project, en dat het project voldoet aan de aanvullende regels. 4.3 Installatie en terrein Staat het plan in een geschikt landschapstype en is de beoogde locatie geschikt, dan is de volgende stap het bepalen van het aantal panelen, de oriëntatie en opstelling, en de inrichting van het terrein: de landschappelijke inpassing. Landschappelijk inpassen is niet een kwestie van 'inpakken in groen'. Landschap heeft betrekking op de onderlinge samenhang tussen de elementen in een bepaald gebied en op de samenhang tussen een gebied en het gebruik daarvan. Landschap heeft ook te maken met de afleesbaarheid van die samenhang (het landschapsbeeld). Landschap bestaat bij de gratie van waarneming en beleving door mensen én bij de gratie van verandering door de tijd heen. Landschap is daarom geen statisch begrip. Bij landschappelijke inpassing staan altijd de begrippen samenhang en afleesbaarheid (van die samenhang) centraal. Zeker voor zonneparken geldt dat integratie in het landschap, als toevoeging van nieuwe vlakken / elementen in het landschap, wellicht een betere be nadering is dan inpassing, dat toch meer klinkt als 'verstoppen'.
In een open landschap kan bijvoor beeld worden gedacht aan een begrenzing van het perceel door een sloot of verzonken barrière (zie figuur 12). Hierdoor worden de zonnepanelen als nieuwe elementen niet aan het zicht onttrokken maar passen zij meer bij de openheid en geringe hoogte van een landschap.
26
Figuur 12: illustratie typen barrières zonnepark
Standaard muur of hek-barrière
Verzonken muur (ha-ha barrière)
Houtsingel, natuurlijke barrière
Het project onderbouwt hoe de inpassing aansluiting zoekt met de landschappelijke kenmerken van het gebied. Dit is bijvoorbeeld door de schaal van het landschap te omarmen (bijvoorbeeld door meerdere clusters van panelen), de ruimtelijke opbouw (open, half-open of besloten) te respecteren; de lijnen, structuren en kavelrichtingen en patronen te volgen (bijv. door rijen panelen landschapslijnen te laten volgen); aansluiting te vinden bij voorkomende groene en rode landschapselementen; aansluiting te vinden bij voorkomende functies door meervoudig ruimtegebruik (zie volgende para graaf); en onderlinge relaties en afstanden tussen landschapselementen en functies te respecteren. De voorgestelde omvang en opstelling wordt onderbouwd door meervoudig ruimtegebruik, in passing en passendheid qua perceelgrootte en precieze locatie. Ook de oriëntatie (oost-west of zuid, zie figuur 13 hieronder) wordt op een dergelijke manier onderbouwd. De zonneparken worden op een goede manier ingepast in het landschap. Het project onder bouwt hoe de inpassing aansluiting zoekt met de landschappelijke kenmerken van het gebied, zoals de ruimtelijke opbouw (open, half-open of besloten); de schaal van het landschap (groot- of kleinschalig); de lijnen, structuren en kavelrichtingen en patronen (bijv.
door rijen panelen landschapslijnen te laten volgen); voorkomende groene en rode landschapselemen ten; voorkomende functies; en onderlinge relaties en afstanden tussen landschapselementen en functies. Hierbij wordt rekening gehouden met de kernkwaliteiten van het landschap. het project onderbouwt hoe de inrichting van het zonnepark zelf aansluiting zoekt met het landschap, zoals de omvang en opzet (één veld of meerdere opstellingen); de aard en afme tingen van de panelen; de hoogte, vorm en oriëntatie van de opstelling; de inpassing van de randvoorzieningen zoals toegangswegen en aansluitingen; en de beveiliging (hekwerken, wa tergangen, natuurlijke afscheiding, ha-ha barrière, e.d.). Hierbij wordt rekening gehouden met de kernkwaliteiten van het landschap. Een lage bouwhoogte heeft de voorkeur, behalve
27
als de maatschappelijke meerwaarde en/of meervoudig ruimtegebruik aanleiding geeft tot het maken van een uitzondering. hiertoe voert het initiatief een landschappelijke analyse uit van het projectgebied en zijn rui me omgeving, waarin inzicht wordt gegeven in de bestaande flora en fauna, de invloed op de waterhuishouding, bodemverontreiniging, archeologische waarden, de invloed op de biodiver siteit en de landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering van het landschap. Het initia tief levert een ruimtelijk ontwerp op met daarin een plankaart, referentiebeelden en/of visua lisaties en een voorstel voor plant- en materiaalgebruik. Figuur 13: illustratie verschillende oriëntaties zonnepanelen
zuid-opstelling
oost-west opstelling
De regels en denkrichtingen voor de landschappelijke inpassing leiden tot de volgende voorwaarde: • voorwaarde motiveringsplicht installatie en terrein: het project onderbouwt hoe de lo catie en beoogde opstelling en grootte van het project aansluit op de kernkwaliteiten van het landschap en voldoet aan de ontwerpprincipes voor zonneparken die door Laarbeek zijn opge steld. 4.4 Meervoudig ruimtegebruik Het verdient de voorkeur dat het project een vorm van meervoudig ruimtegebruik omarmt, bijvoor beeld waterretentie, natuurontwikkeling of voorlichting, en/of een plan presenteert voor het gebruik van het perceel na afronding van het project. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de kernkwaliteiten van het landschap. Meervoudig ruimtegebruik is geen verplichting als het bijvoorbeeld ten koste zou gaan van de openheid van het landschap (door een hogere bouwhoogte) of als door de aanvullende eisen een ruime opstelling van de panelen niet mogelijk blijft. Wel moet dan zorgvuldig worden nage dacht over de inrichting van de randen van het perceel. Bij een project in leefgebieden van struweelvogels of andere kwetsbare soorten moet worden onderbouwd hoe deze soorten worden geaccommodeerd en / of hoe hier verder op wordt aangesloten (bij voorbeeld een ruime opstelling, plaatsing vogelhut of wandelpad).
Ook het verbeteren van de bodem kwaliteit op de lange termijn kan een vorm zijn van meervoudig ruimtegebruik. Dit vertaalt zich in de volgende voorwaarde: •
Voorwaarde motiveringsplicht inrichting terrein en meervoudig ruimtegebruik: het project zet uiteen of en hoe er sprake is van meervoudig ruimtegebruik en hoe dit aansluit op de kernkwaliteiten het landschap, bijvoorbeeld door natuurontwikkeling, waterretentie, recre atie, versterking van landschappelijke structuren of toekomstig gebruik.
Verschillende landschapstypen lenen zich voor verschillende vormen van inpassing en/of integratie en voor verschillend meervoudig ruimtegebruik. Hieronder staat een denkrichting per landschapstype. Voor de precieze locatie geldt daarnaast dat het project passend moet zijn in de directe omgeving en geen schade moet doen. Bomen kappen is bijvoorbeeld onwenselijk.
28
Figuur 14. Denkrichting landschappelijke inpassing zonneparken Pionierslandschap
Grootschalige opzet van het landschap, hierin passen grote structuren. Het heeft de voorkeur om de structuur van de blokerven te volgen en perceel grenzen zichtbaar te laten door perceelscheidingen zoals houtwallen, houtsingels of kavelgreppels. Deze blokstructuren moeten niet doorsneden of ge splitst worden. Voor meervoudig ruimtegebruik gaat de voorkeur uit naar agrarisch medegebruik, natuurontwikkeling en/of waterretentie.
Lintenlandschap
Het open karakter van het landschap, met zicht op bolle akkers en beeldbe palende boerderijen, moet behouden blijven. In bebouwingslinten mogen geen zonneparken worden geplaatst: de groene dooradering van de linten moet behouden blijven. Bij inpassing kan gedacht worden aan het volgen / uitbreiden van bestaande laanstructuren. Voor inpassing moet gedacht wor den aan houtsingels of houtwallen, fruitteelt en waterloopjes, in lijn met de diversiteit aan kleinschalige landschapselementen en multifunctionele erven die dit landschap typeren. Voor meervoudig ruimtegebruik gaat de voorkeur uit naar agrarisch medegebruik, natuurontwikkeling en/of waterretentie.
Aa-landschap
Het landschap kenmerkt zich door extensief ruimtegebruik, een lage / en ruime opstelling van de panelen (bijv. een zuid-opstelling in plaats van een oost-west opstelling) lijkt daarbij passender. Bij plaatsing in de beekdalen moet onderbouwd worden hoe wordt bijgedragen aan de natuur, bijvoorbeeld door beekherstel of aanleg van EVZ's, evt. op de lange termijn. Idealiter staan panelen parallel aan de beek om de beleving van de beek te vergroten, maar buiten de EVZ. Het weidevogelgebied moet worden ontzien. Het open karakter van het landschap moet waar mogelijk behouden blijven, de voorkeur voor meervoudig ruimtegebruik gaat uit naar agrarisch, natuur ontwikkeling of waterretentie. Duidelijke lijnelementen zoals kanalen, beken en hoofdverkeerswegen kun nen worden gevolgd. Houd bij plaatsing rekening met de gebiedsvisie. Ont wikkeling van zonneparken kan hier bijdragen aan multifunctioneel ruimtege bruik en kan passend zijn bij de bedrijvigheid, mits verrommeling wordt voorkomen. Het heeft de voorkeur om een open karakter te behouden / realiseren. Dat betekent een voorkeur voor een lagere opstelling en een zuid-opstelling. Re creatief medegebruik of natuurontwikkeling lijken passender dan andere vormen van meervoudig ruimtegebruik. Het landschap is kleinschalig en versnipperd, een zonnepark kan hier een 'blauw' vlak aan toevoegen.
Het moet qua schaal aansluiten op de omliggen de vlakken. Afscheiding kan door populieren, bomenlanen, slootjes of hout singels, zoveel mogelijk in aansluiting op de directe omgeving. Voor meer voudig ruimtegebruik gaat de voorkeur uit naar natuur. Het kleinschalige ka rakter van het landschap vraagt om zorgvuldige inpassing, een zonnepark moet aansluiten in de 'lappendeken' van het landschap. Grootschalige ontwikkelingen zijn niet passend, een project met een kleine landschappelijke impact kan overwogen worden. Het landschap is waardevol voor recreatie en toerisme, er kan overwogen worden om bijvoorbeeld kunst toe te voegen / een patroon in de opstelling te maken. Omdat het landschap gesloten is en veel hoge beplanting kent, kan afscherming door bomen of an dere hoge begroeiing passend zijn.
Ontwikkellandschap
Mozaïeklandschap
Biezenlandschap
29
4.5 Samenvatting In principe staat Laarbeek open voor het ontwikkelen van maximaal vijf zonneparken met een maxi male omvang van 12 hectare (grootschalig) of 6 hectare (kleinschalig). Dit hoofdstuk geeft nadere regels en denkrichtingen voor de landschappelijke inpassing van zonneparken, maar daarnaast dient een projectaanvraag ook aan de andere typen voorwaarden te voldoen. Een complete lijst staat daar om hieronder. Het is aan de raad om een afweging te maken of een projectaanvraag voldoende aan alle voorwaarden voldoet. Figuur 15: Overzicht voorwaarden voor projectaanvragen zonnepark Type voor voorwaarde afweging waarde Landschappelijke
Geschiktheid van landschaps-
De beoogde locatie bevindt zich in een land-
inpassing
type
schap dat als geschikt is aangemerkt.
Geschiktheid van de precieze
Uit de onderbouwing blijkt dat de precieze loca
locatie
tie geschikt is om het project te plaatsen.
Ontwerp en omvang
Uit de onderbouwing blijkt dat het ontwerp en de omvang van het zonnepark voldoet aan de ontwerpprincipes.
Inrichting terrein en meer
Uit de onderbouwing blijkt dat de inrichting van
voudig ruimtegebruik
het terrein aansluit op de kernkwaliteiten van het landschap en de directe omgeving, en dat (eventueel toekomstig) meervoudig ruimtege bruik voldoende wordt gerealiseerd.
Maatschappelijke meerwaarde
Participatie
Maatschappelijke meerwaar de voor omwonenden / inwo ners
gecreëerd voor omwonenden / inwoners.
Uit de onderbouwing blijkt dat er voldoende (fi nanciële) maatschappelijke meerwaarde wordt
Maatschappelijke meerwaar
Uit de onderbouwing blijkt de meerwaarde van
de door ruimtelijke kwaliteit
het project voor de ruimtelijke kwaliteit van de projectlocatie.
Participatie bij planvorming
Uit de onderbouwing blijkt dat er voldoende mo gelijkheden zijn voor participatie van omwonen den / inwoners tijdens de planvorming.
Participatie bij projectuitvoe ring
Uit de onderbouwing blijkt dat er voldoende mo gelijkheden zijn voor participatie van omwonen den / inwoners tijdens de projectuitvoering.
Procedurele en technische
Onderbouwing procedurele en technische eisen
voorwaarden
Uit de onderbouwing blijkt dat zal worden vol daan aan bovengemeentelijke relevante proce durele en technische eisen.
30
Bijlage I: Kaart landschapstypen Laarbeek (bron: Omgevingsvisie Buitengebied Laarbeek, in ontwikkeling)
Bijlage II: Tabel kernkw aliteiten landschapstypen Laarbeek
CM
00
Bijlage I I I : Kaart bebouwingsconcentraties (concept uit Omgevingsvisie Buitengebied, in ontwikkeling
Bijlage IV : Kaart geschiktheid landschapstypen voor windmolens
Bijlage V: Tabel onderbouwing geschiktheid landschapstypen voor windmolens
co
Bijlage V I: Tabel bovengem eentelijke regelgeving windmolens
00
ro
Een gevel met ramen mag niet meer slagschaduw ontvangen dan 17 dagen per jaar. En niet
Activiteitenregeling meer dan 20 minuten per dag. Dagen met heel korte slagschaduw hoeven niet te worden Milieubeheer berekend. Bijvoorbeeld bewolkte dagen. Windmolens zijn bijna altijd verplicht een stilstand____________________ voorziening te hebben waardoor de molen bij slagschaduw wordt uitgeschakeld.____________ n.b. De regels omtrent provinciale zoekgebieden zijn hierin niet meegenomen, omdat de Provincie Noord-Brabant vooralsnog alleen zoekgebieden
slagschaduw
cn m
c:
cd
I N
C CO CD £ CD
-C
CD CD
O C $
sCL
§ c: £ co
CD
-C
CD
Bijlage V II: Kaart geschiktheid landschapstypen voor zonneparken
Bijlage V III: Tabel onderbouwing geschiktheid landschapstypen voor zonneparken
Bijlage IX: Tabel bovengem eentelijke regels voor zonneparken
r\i
=5 CU
ai c
c
o L_
'ai' ui c
c 03
CU
CD
Agentschap NL (2013) Handreiking waardering landschappelijke effecten van windenergie. Te raadplegen via www.rvo.nl
ai 03
co
c CU Q
sCn c; 1 c: o co & -8 -ë c:
0 03 0 u }= 0
ai c CU
c
c JU Q
CU
■o
03
cu cu
N
CJ
'E o c o
CJ LU
c
CU
c:
ai
c CU
_^r CU CU
Cü c (T3
>
c CU N
'd sz cu
> c
ro >
>
ju
CL
“O
cu
roi_
CU
QJ
CD
co
"c
■8 0
QJ
1
CJi
CU
ht3 .CÜ 5 CD Öi C QJ
■+-)
co c; 15 6 Ö1 c
JCJ 03
5
03
CD
•5co
6 O O c: 15 cl jo
O fNJ
Si'c C3l • CD ^
in co c
ro c CU
CO
CD
CQ o
fNJ
c
o o
Cü
CU CU
XI 1_
ro cu
(3)
CU CU
u
CU CU
E CU o
c
CU
ai JU CL 03 03 L_
hX3 c: 03 >-J Cl o
OD c .QJ
CQ O
$ •3 3 o ë co ^
E
o fNJ
c
^ a (d .E tH > o cu rsj a ^ cu a
03
N
c CU =3
CJ
co
O c
> 0 a
E o
a 4—< u a i_ 4-»
CO 03
0
>
c
0
ÓÖ &
CL T3 0 0 i_
0
0
>
i| 4-1 0 0 ai ~2J ^3 c c:
H 03
2
CQ
w to <n-90 .O
3 O
0 Cu
01 c £
4-J -p 03 E
“S ^
D .33 0 -Lj
~
03
--- 4—1
Z c S 00
a^
2 co
C3l
C $ 0
| ^ t3
C 3 3 &
^ Cji 0 2 c tD .E x: cd E th 4-1 O
X
c
ai ju Cl T3 0 0
0
^ ci cu — *i i ro ra 2 'u
c O
co 0 co u
o
£o
■8 O O 0 0
O
£
fNJ ■Lo
C 0
-Cl
8
CQ I
■5 O o
0 01 c E
0 >0 0
§ § .0 :0ï 3 o o -0 0 o o
2
8
o
§
§
00
1—I
o c
< 0 0 Q
c 0 Q a? LU V)
s
o
C31
ai ^
ai 0 0
0
c; -Cl
.co
03 03
CU
0
co a
ai ju
■a
c CU
CD
o fNJ
c 0 X
O fNJ
fNJ
X
0 0
c 0 X
CÉ
o
LU C
0 i_
0
Cü
0 1_ Cü
CJ
-E ij
CJ
T3
CU 03
cu '
c
“1 c
>
.E cu 5 ^ 0 cu
o o
o o
E o c o u
CU CU
CU ■
CU
c CU
^Qj
>
CU
c CU
CD
CU
E QJ CD I 1
4-»
= 03
co
>
CU
3 t3 0 c:
CL
"8 03 03
c
CD |-
c
_QJ
CD CD
ra >
ai cu
L_
c
CLT3 C 03
c
CU CU
>
c
03
cu Q-
CU
fNJ
CD
CU
CU CJ 03
ru E
ra >
o o
c
0 X)
■S > 2 s
cu
CU
L_ CU "O
CU
> c T3 c ^ 5
CU
cü QJ Q c:
c
0
_a
CU
C u 0J
OJ CU
c
03
>
CU
CU
CD
c -o
Jü
CU -Q
E i
CO UT3 0
i_
co
co
0
’c
’c
T3
0
0
0
‘u c
'u c
> o
> o
co
LU
"0 0
'u o co
ro Nj-
Eelerwoude
Ruimtelijke Onderbouwing Zonneveld Rooijseweg, Mariahout
met passie aan een mooi
'^enovos Opdrachtgever: ENOVOS Green Power Nederland NV Boven de Wolfskuil 3 6049 LX Herten
Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen
088-1471100 infocgeeierwoude.ni www.eelerwoude.nl
Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Versie:
© 2020 Eelerwoude
10683 28-01-2021 Definitief
Inhoudsopgave 1
Inleiding................................................................................................................................................. 5
1.1
Aanleiding.........................................................................................................................................5
1.2
Ligging en begrenzing plangebied..................................................................................................... 6
1.3
Huidig planologisch regime...............................................................................................................7
1.4
Leeswijzer.........................................................................................................................................8
2
Planbeschrijving.....................................................................................................................................9
2.1
Beschrijving huidige situatie plangebied............................................................................................9
2.2
Het zonneveld................................................................................................................................. 10
3
Beleidskaders.......................................................................................................................................16
3.1
Inleiding..........................................................................................................................................16
3.2
Rijksbeleid....................................................................................................................................... 16
3.3
Provinciaal beleid........................................................................................................................... 21
3.4
Gemeentelijk beleid........................................................................................................................ 26
3.5
Conclusie.........................................................................................................................................33
4
Waardentoets......................................................................................................................................34
4.1
Inleiding..........................................................................................................................................34
4.2
Natuurwaarden.............................................................................................................................. 34
4.3
Archeologische waarden.................................................................................................................35
4.4
Cultuurhistorische waarden............................................................................................................36
4.5
Water............................................................................................................................................. 37
4.6
Conclusie.........................................................................................................................................39
5
Milieuaspecten.....................................................................................................................................40
5.1
Inleiding..........................................................................................................................................40
5.2
Bodem........................................................................................................................................... 40
5.3
Geluid............................................................................................................................................ 40
5.4
Luchtkwaliteit.................................................................................................................................41
5.5
Externe veiligheid........................................................................................................................... 42
5.6
Bedrijven en milieuzonering............................................................................................................43
5.7
Verkeer en parkeren....................................................................................................................... 44
5.8
Vormvrije m.e.r.-beoordeling..........................................................................................................44
5.9
Lichtreflectie...................................................................................................................................45
5.10
Elektromagnetische straling............................................................................................................45
Zonneveld Rooijseweg, Mariahout | Eelerwoude | 3
5.11
Warmteontwikkeling...................................................................................................................... 46
5.12
Conclusie........................................................................................................................................ 46
6
Uitvoerbaarheid.................................................................................................................................. 47
6.1
Inleiding......................................................................................................................................... 47
6.2
Ruimtelijke uitvoerbaarheid...................................................................................................
6.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid.................................................................................................. 47
6.4
Economische uitvoerbaarheid.........................................................................................................47
6.5
Conclusie........................................................................................................................................ 47
47
Zonneveld Rooijseweg, Mariahout | Eelerwoude | 4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding De Nederlandse overheid heeft een grote ambitie op het gebied van duurzaamheid. In het Energieakkoord is afgesproken dat in 2020 het aandeel hernieuwbare energieopwekking 14% dient te zijn. Het percentage voor 2023 is vastgesteld op 16%. Het kabinet heeft met het nationale Klimaatakkoord van 2019 als centraal doel gesteld, om de uitstoot van broeikasgassen in Nederland met 49% terug te dringen in 2030, ten opzichte van 1990. Voor de elektriciteitssector geldt hierbij een opgave om in eerste instantie in 2030 de C02-emmissies met tenminste 20,2 Mton te verminderen. De provincie Noord Brabant merkt ook dat het energievraagstuk een wereldwijd vraagstuk is en dat het ook de provincie raakt. De provincie streeft naar een energie neutrale samenleving in het jaar 2050. De ambities vanuit het Rijk en de provincie komen op gemeentelijk niveau tot uitvoering. Het beleidskader Klimaatneutraal 2030 geeft invulling aan de ambitie om klimaatneutraal te worden op het gebied van gas, elektriciteit, mobiliteit en indirect energiegebruik. De gemeentelijke visie op grootschalige opwek van duurzame energie beschrijft hoe de gemeente Laarbeek omgaat met de ambitie om klimaatneutraal te worden. De gemeente Laarbeek verbruikt momenteel jaarlijks 3133 Terajoule aan energie.
In het klimaat akkoord is opgenomen dat dit verbruik in 2030 ten minste met 49% gereduceerd moet zijn. Naast deze besparing moet Laarbeek nog 940 Terajoule aan duurzame energie opwekken. De gemeente ziet in dat dit niet mogelijk is met enkel zonnepanelen op daken. Het merendeel moet dus op andere manieren duurzaam opgewekt worden. Denk daarbij aan windenergie, zonne-energie of warmtewinning. In de visie 'Visie op grootschalige opwek van duurzame energie Laarbeek' geeft de gemeente Laarbeek aan open te staan voor het ontwikkelen van maximaal vijf zonneparken met een maximale omvang van 12 hectare (grootschalig) of 6 hectare (kleinschalig). Na de vaststelling van het gemeentelijke beleid zijn er veel initiatieven ingediend, waaronder voorliggend initiatief. De gemeente heeft begin 2020 alle initiatieven beoordeeld en een top vijf geselecteerd. Voorliggend initiatief past binnen het beleid van de gemeente Laarbeek en is aangemerkt als een van de vijf kansrijke ontwikkelingen.
1.1.1 Marktpartij en grondeigenaar nemen initiatief De initiatiefnemer (grondeigenaar) heeft het initiatief genomen om een zonneveld te realiseren op een agrarisch perceel ter grootte van circa 9,6 (bruto) hectare. Om de plannen voor het zonneveld op te stellen is de initiatiefnemer een samenwerking aangegaan met Enovos Green Power Nederland NV. Enovos Green Power Nederland NV (hierna Enovos) is een ervaren ontwikkelaar van grondgebonden zonnevelden en grootschalige zonnesystemen. Enovos ontwikkelt eigen projecten en biedt ondersteuning bij de realisatie van projecten van anderen. Om de energietransitie te versnellen stimuleert Enovos, samen met haar partners, de ontwikkeling van zonnevelden in Nederland. Een van deze locaties is gevonden in de gemeente Laarbeek. Het gebied behoort tot het kadastrale perceel LHT00-M-7. Het perceel heeft een totaal oppervlak van circa 13,9 hectare. Van dit perceel wordt circa 9 hectare
Zonneveld Rooijseweg, Mariahout | Eelerwoude | 5
gebruikt voor de realisatie van een grondgebonden zonneveld. Hiervoor is Enovos een overeenkomst aangegaan met de grondeigenaar. Na een periode van 25 jaar wordt het zonneveld volledig ontmanteld en krijgt de grond haar oorspronkelijke bestemming weer terug. Voor de realisatie van het zonneveld wordt een omgevingsvergunning aangevraagd, in afwijking op het bestemmingsplan (op grond van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3° Wabo). Deze voorliggende ruimtelijke onderbouwing is onderdeel van de vergunningsaanvraag. Hierin komen alle relevante aspecten vanuit de ruimtelijke ordening voor dit project aan de orde en deze ruimtelijke onderbouwing toont aan, dat de ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied voor dit zonneveld is 9,6 hectare. Hiervan wordt circa 7,6 hectare gebruikt voor het plaatsen van zonnepanelen. Het plangebied is gelegen tussen de dorpen Mariahout en Nijnsel in de gemeente Laarbeek. In figuur 1 is de begrenzing per perceel weergegeven. Het plangebied ligt ten noorden van de Rooijseweg, die de dorpen Mariahout en Nijnsel met elkaar verbindt. Het perceel voor het zonneveld ligt circa 250 meter ten noorden van het agrarisch bedrijf aan de Rooijseweg 14 en is vanaf de Rooijseweg nauwelijks zichtbaar. Langs het perceel, aan de noordzijde, is een watergang met ecologische verbindingszone gelegen. In de omgeving van het plangebied liggen hoofdzakelijk agrarische bedrijven. Langs de oostzijde loopt een watergang.
Figuur 1. Begrenzing plangebied ten noorden van het erf aan de Rooijseweg 14.
Zonneveld Rooijseweg, Mariahout | Eelerwoude | 6
1.3 Huidig planologisch regime Het plangebied behoort tot het bestemmingsplan "Buitengebied"; vastgesteld op 6 juli 2010 door de gemeenteraad van de gemeente Laar Het plangebied kent de enkelbestemming "Agrarisch met waarden Landschaps- en Natuurwaarden 1". Deze gronden zijn bestemd voor agrarische doeleinden en voor het behoud en herstel van de landschapswaarden. Het gehele gebied heeft de functieaanduiding "Specifieke vorm van agrarisch met waarden - struweelvogels". In gebieden met deze aanduiding is het beleid erop gericht dat natuurwaarden voor struweelvogels worden behouden en waar mogelijk hersteld of ontwikkeld. In het gehele gebied geldt de gebiedsaanduiding "gebiedsaanduiding - Reconstructiewetzone extensiveringsgebied". Aan de oostzijde van het plangebied loopt van noord naar zuid een watergang, welke bestemd is als "Water". Deze watergang ligt buiten het plangebied. Naast de watergang ligt een aanduiding "Ecologische verbindingszone". Ter plekke van deze bestemming zijn gronden mede bestemd voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van de ecologische verbindingszone. Echter, uit de recentere omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant blijkt dat de Ecologische verbindingszone aan de noordkant van het plangebied is gelegen en niet aan de oostzijde. Binnen de huidige agrarische bestemming is het niet mogelijk om een zonneveld te realiseren.
Voor de realisatie van het zonneveld dient afgeweken te worden van het vigerende bestemmingsplan. Hierbij dienen de landschappelijke waarden behouden óf versterkt te worden. Hiervoor liggen meerdere kansen, welke zijn opgenomen in het bij vergunningsaanvraag bijgevoegde inrichtings- en beheerplan. Dit kan middels een herziening van het bestemmingsplan óf een vergunning in afwijking van het bestemmingsplan. Hierbij is het van belang dat de realisatie van het zonneveld ruimtelijk uitvoerbaar is. De uitvoerbaarheid wordt in deze ruimtelijke onderbouwing beschreven De voorgenomen realisatie van een zonneveld, het plaatsen en het in gebruik nemen van de constructies met zonnepanelen en toebehoren ten behoeve van het opwekken van duurzame energie, past niet binnen het huidig planologische regime. Hiertoe wordt een omgevingsvergunning aangevraagd, in afwijking op het bestemmingsplan, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3° Wabo. De aanvraag gaat daarbij vergezeld van de voorliggende ruimtelijke onderbouwing.
Figuur 2. Weergave plangebied op verbeelding van het bestemmingsplan 'Buitengebied'.
Zonneveld Rooijseweg, Mariahout | Eelerwoude | 7
1.4 Leeswijzer De ruimtelijke onderbouwing is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt eerst ingegaan op het voorgenomen plan, het draagvlak en participatie. In hoofdstuk 3 komt het beleidskader aan bod. In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van het van toepassing zijnde rijksbeleid, provinciaal beleid en gemeentelijk beleid. Het voorgenomen plan wordt daarbij getoetst aan dit beleid. Hoofdstuk 4 bevat een waardentoets. Hieruit blijkt welke waarden er in het plangebied aanwezig zijn en of deze worden aangetast door de ontwikkeling. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieuaspecten aan bod. In hoofdstuk 6 wordt tot slot ingegaan op de ruimtelijke, maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.
Zonneveld Rooijseweg, Mariahout | Eelerwoude | 8
2 Planbeschrijving 2.1 Beschrijving huidige situatie plangebied In dit hoofdstuk wordt de huidige situatie weergegeven en wordt de voorgenomen ontwikkeling van het zonneveld beschreven.