CConstaterende datLaarbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

7 20220706 Laarbeek Planregels ontwerpbp De Biezen 3.pdf

Commissie Ruimtelijke Zaken 6 juli 2022, gemeente LaarbeekBij agendapunt: Voorstel tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening De Biezen 3’23.471 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

de gronden niet zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij' indien er sprake is van een veehouderij;

b.

de gronden niet zijn gelegen binnen het Natuur Netwerk Brabant (NNB);

c.

er is een concreet (bouw)plan;

d.

de uitbreiding is noodzakelijk uit bedrijfstechnisch en/of bedrijfseconomisch oogpunt;

e.

bij een toename van bebouwing ten behoeve van veehouderij is het bepaalde in 4.3.3, 4.3.4 en/of 4.3.5 van overeenkomstige toepassing;

f.

de ruimtelijke ontwikkeling dient te voldoen aan de uitgangspunten van de Handreiking Kwaliteitsverbetering van het landschap zoals opgenomen als bijlage 1 bij de regels

g.

het bestemmingsvlak ‘Gemengd-Agrarisch (verwant) bedrijf’ mag na vergroting of verkleining niet groter zijn dan 1,5 hectare

h.

als er sprake is van de uitbreiding in oppervlakte dierenverblijf bij een veehouderij, dient voldaan te worden aan de volgende voorwaarden: 1.

er dient sprake te zijn van een zorgvuldige veehouderij;

2.

aangetoond is dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting

32

hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; 3.

aangetoond is dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m³;

4.

er dient een zorgvuldige dialoog te worden gevoerd, gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de ontwikkeling;

i.

de ruimtelijke ontwikkeling dient te voldoen aan de uitgangspunten van de "Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder, Gemert-Bakel 2013;

j.

op eigen terrein dient voldoende parkeergelegenheid aanwezig te zijn en/of gerealiseerd te worden;

k.

bij toename van bebouwing of verharding dient minimaal hydrologisch neutraal gebouwd te worden;

l.

er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;

m. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de waarden die zijn toegekend aan de gronden betrokken bij de wijziging; n.

daar waar het bestemmingsvlak ‘Gemengd-Agrarisch (verwant) bedrijf’ wordt verkleind, wordt de bestemming 'Agrarisch' opgenomen;

o.

indien er sprake is van de provinciale aanduiding 'behoud en herstel watersystemen', dient advies ingewonnen te worden bij het betrokken waterschapsbestuur.

Artikel 4 Gemengd – Agrarisch (verwant) bedrijf 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Gemengd – Agrarisch (verwant) bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.

ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – agrarisch verwant bedrijf’, een agrarisch verwant bedrijf in de vorm van een productiegerichte paardenhouderij, in hoofdzaak bestemd voor het bedrijfsmatig verhandelen, africhten en stallen van paarden en/of pony’s, niet zijnde een manege;

b.

ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - agrarisch bedrijf (paardenhouderij)’, een agrarisch bedrijf in de vorm van een productiegerichte paardenhouderij, in hoofdzaak bestemd voor het bedrijfsmatig verhandelen, africhten en stallen van paarden en/of pony’s, niet zijnde een manege;

c.

één bedrijfswoning met bijbehorende bouwwerken, voor zover reeds vergund al dan niet bestaand ten tijde van de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan;

33

d.

ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - nevenactiviteit verblijfsrecreatie', tevens voor recreatief nachtverblijf als nevenactiviteit, zoals bed & breakfast;

e.

de uitoefening van een (vollegronds)teeltbedrijf, of;

f.

de uitoefening van een overig agrarisch bedrijf;

g.

bijbehorende voorzieningen zoals mestopslagsilo's, permanente en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, paardenbakken, voorzieningen ten behoeve van waterberging en -infiltratie, voeren mestplaten, mest- of waterbassins van folie;

h.

mestbewerking, uitsluitend ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest;

i.

verharding;

j.

realisatie en instandhouding van landschappelijke inpassing van een bestemmingsvlak;

met dien verstande dat per bestemmingsvlak maximaal één agrarisch bedrijf is toegestaan.

4.2 Bouwregels 4.2.1 Algemeen Op of in de in 4.1 bedoelde gronden mag het volgende worden gebouwd: a.

zonder omgevingsvergunning om af te wijken van de bouwregels of zonder reeds goedgekeurd (erf)inrichtingsplan zoals opgenomen in de bijlagen bij de regels, bedraagt de maximale oppervlakte uit te breiden bebouwing 50 m2 (waarvan zijn uitgezonderd drie schuilgelegenheden).

b.

bedrijfsbebouwing ten behoeve het ter plaatse gevestigde agrarisch (verwant) bedrijf, met dien verstande dat: 1.

de bestaande oppervlakte dierenverblijf, niet zijnde geitenhouderij, niet mag worden uitgebreid;

2. c.

uitsluitend bestaande bedrijfswoningen zijn toegestaan;

teeltondersteunende kassen, met dien verstande dat deze niet zijn toegestaan binnen de Groenblauwe mantel;

4.2.2 Maatvoering Op of in de in 4.1 bedoelde gronden mag, met inachtneming van het bepaalde in 4.2.1, worden gebouwd met inachtneming van de volgende maatvoering: a.

de bestaande oppervlakte dierenverblijf, niet zijnde geitenhouderij, mag niet worden uitgebreid;

b.

de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een geitenhouderij mag niet worden uitgebreid;

c.

de reeds vergunde al dan niet bestaande bedrijfswoning c.q. plattelandswoning mag een inhoud hebben van maximaal 750m³, tenzij de bestaande, reeds vergunde bedrijfswoning reeds een grotere inhoud heeft, dan geldt die bestaande inhoud als maximum;

d.

de dakhelling van bedrijfsgebouwen bedraagt minimaal 12º en maximaal 60º;

34

e.

de dakhelling van de bedrijfswoningen en plattelandswoningen bedraagt minimaal 25º en maximaal 60º;

f.

de maximale goothoogte van bedrijfsgebouwen, bedrijfswoningen en plattelandswoningen is 4,5 m, tenzij uit de verbeelding een andere hoogte blijkt;

g.

de maximale bouwhoogte van bedrijfsgebouwen, bedrijfswoningen en plattelandswoningen 11 m, tenzij uit de verbeelding een andere hoogte blijkt;

h.

de maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is 12 m, tenzij uit de verbeelding een andere hoogte blijkt;

i.

de maximale oppervlakte voor ondersteunende kassen is 1.000 m²;

j.

de onderlinge afstand tussen gebouwen mag maximaal 15 m zijn;

k.

de hoogte van erf- of perceelsafscheidingen mag maximaal 2 m zijn;

l.

de minimale afstand tot de zijdelingse en achterste perceelsgrens is 3 m, met uitzondering van erfof perceelsafscheidingen welke op de perceelsgrens mogen worden gerealiseerd;

m. ondergronds bouwen is toegestaan voor het realiseren van mestputten onder bedrijfsgebouwen. n.

Ter plaatse van de aanduiding ‘tuin bedrijfswoning’ mag niet worden gebouwd.

4.3 Afwijken van de bouwregels 4.3.1 Algemeen Bij toepassing van de in 4.3.2 tot en met 4.3.6 beschreven afwijkingsbevoegdheden dient te worden voldaan aan de Handreiking kwaliteitsverbetering van het landschap (Bijlage 1).

4.3.2 Realisatie landschappelijke inpassing bij uitbreiding bebouwing a.

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2.1 onder a. om uitbreiding van bebouwing van meer dan 50 m² mogelijk te maken, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: 1.

uit een door burgemeester en wethouders goed te keuren (erf)inrichtingsplan blijkt dat wordt voldaan aan: §

de landschappelijke inpassing heeft een minimale omvang van 20% van de omvang van het bestemmingsvlak;

§

de landschappelijke inpassing voldoet aan de richtlijnen zoals opgenomen in het beeldkwaliteitsplan;

§

de landschappelijke inpassing mag zowel binnen als buiten het bestemmingsvlak worden gerealiseerd.

b.

indien er reeds sprake is van een goedgekeurd (erf)inrichtingsplan zoals opgenomen in de bijlagen bij de regels, is de onder a. bedoelde afwijkingsbevoegdheid niet van toepassing.

35

4.3.3 Hogere bouw- en goothoogte bedrijfsgebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van de maximaal toegestane maatvoering met betrekking op de goot- en bouwhoogte en dakhelling die geldt voor de bedrijfsgebouwen en de bouwhoogte voor bouwwerken, geen gebouw zijnde mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden dat: a.

de hogere maat is noodzakelijk in verband met een doelmatige bedrijfsvoering;

b.

er geen onevenredige aantasting plaats vindt van de waarden van omliggende bestemmingen;

c.

de ruimtelijke ontwikkeling dient te voldoen aan de uitgangspunten van de Handreiking Kwaliteitsverbetering van het landschap zoals opgenomen als bijlage 1 bij de regels

4.4 Specifieke gebruiksregels 4.4.1 Strijdig gebruik Onder met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan: a.

het gebruiken van: 1.

gronden en bouwwerken niet behorende tot een inrichting waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden of bouwwerken;

2.

gronden en bouwwerken behorende tot een inrichting, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende inrichting;

b.

het gebruik van gebouwen anders dan de bedrijfswoning voor bewoning;

c.

het gebruik van méér dan één bouwlaag binnen bedrijfsgebouwen ten dienste van een veehouderij voor het bedrijfsmatig houden van dieren, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor pluimvee, waar ten hoogte twee bouwlagen gebruikt mogen worden;

d.

het wijzigen van het gebruik van bestaande gebouwen door het in gebruik te nemen voor de uitoefening van een veehouderij welke voor de gebruikswijziging niet in gebruik waren voor de uitoefening van een veehouderij;

e.

omschakeling naar een hokdierhouderij;

f.

het omschakelen naar een overig agrarisch bedrijf binnen de Groenblauwe Mantel;

g.

het gebruiken van de gronden en gebouwen zolang de landschappelijke inpassing niet is gerealiseerd en in stand wordt gehouden, zoals opgenomen in een beplantingsplan zoals toegevoegd als bijlage bij de regels;

h.

het gebruiken van gronden en/of opstallen voor het opslaan, storten of bergen van materialen, producten van derden, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik en plaatsvindt op het bouwvlak;

i.

het gebruiken van gebouwen voor een geitenhouderij, voor zover het geen bestaand gebruik voor een geitenhouderij betreft;

j.

het verwijderen van groene erfinrichting als onderdeel van de landschappelijke inpassing.

36

k.

het gebruiken van de gronden ten behoeve van bedrijfsactiviteiten die niet behoren tot de milieucategorie 1 of 2 of daarmee vergelijkbaar zijn te stellen;

4.5 Afwijken van de gebruiksregels 4.5.1 Algemeen Bij toepassing van de in 4.5.2 tot en met 4.5.7 beschreven afwijkingsbevoegdheden dient te worden voldaan aan de Handreiking kwaliteitsverbetering van het landschap (Bijlage 1).

4.5.2 Gebruik (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen voor niet-agrarische doeleinden Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van het gebruik van (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen voor niet-agrarische bedrijfsactiviteiten, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a.

het betreft statische opslag van naar hun aard statische goederen;

b.

er dient sprake te zijn van een nevenactiviteit bij de hoofdfunctie;

c.

het betreft een oppervlakte van maximaal 1.000 m²;

d.

de opslag is niet bestemd voor handelsdoeleinden;

e.

de opslag staat niet ten dienste van een elders gevestigd bedrijf.

4.5.3 Verkoop van op het agrarische bedrijf vervaardigde of geteelde producten Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van detailhandel op een agrarisch bedrijf mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a.

er moet sprake zijn van een agrarisch bedrijf;

b.

de detailhandel is ondergeschikt aan het bedrijf;

c.

maximaal 100 m² vloeroppervlak mag voor detailhandel worden gebruikt;

d.

het eigen vervaardigde product moet ook verkocht worden in de winkel;

e.

naast het eigen product is het ook toegestaan om Nederlandse streekproducten met het keurmerk 'Erkend Streekproduct' te verkopen;

f.

er dient een bedrijfsplan te zijn waaruit blijkt hoe de winkel zal worden uitgevoerd, bijvoorbeeld met welk assortiment.

4.5.4 Tijdelijke huisvesting van werknemers Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van de tijdelijke huisvesting van werknemers in verband met seizoenarbeid op een agrarisch bedrijf voor maximaal vijf jaar bij een omgevingsvergunning afwijken van de gebruiksregels, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a.

de tijdelijke huisvesting vindt plaats binnen de bestaande bebouwing of in verplaatsbare stacaravans of woonunits binnen het bestemmingsvlak;

37

b.

uit een bedrijfsplan blijkt dat in (een) bepaalde periode(n) sprake is van een grote arbeidsbehoefte waarvoor tijdelijk werknemers moeten worden aangetrokken die in de periode dat zij op het bedrijf werken hier ook worden gehuisvest;

c.

in het bedrijfsplan wordt aangegeven in welke periode het gebruik van de bebouwing voor de huisvesting plaatsvindt. Hierbij geldt een maximum van zes maanden per kalenderjaar;

d.

uit het bedrijfsplan blijkt dat de huisvesting alleen ten dienste staat van de huisvesting van tijdelijke werknemers die op het desbetreffende agrarische bedrijf zelf werkzaam zijn;

e.

op eigen terrein dient voldoende parkeergelegenheid aanwezig te zijn en/of gerealiseerd te worden;

f.

er vind geen onevenredige aantasting plaats van andere belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven;

g.

in de omgevingsvergunning wordt opgenomen dat deze vervalt in elk geval 5 jaar na de datum waarop ze is verleend.

4.5.5 Omschakelen naar overig agrarisch bedrijf Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.4.1, onder f, ten behoeve van het omschakelen naar een overig agrarisch bedrijf binnen de Groenblauwe Mantel tot ten hoogste 1,5 hectare, uitsluitend indien: a.

deze omschakeling bijdraagt aan een afname van de uitstoot van milieubelastende stoffen;

b.

deze omschakeling een positieve bijdrage levert aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken.

4.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.6.1 Verbod Het is verboden op of in de in 4.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a.

het dempen van sloten.

4.6.2 Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in 4.6.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a.

betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer (werkzaamheden in de bodem tot een diepte van 40 cm);

b.

reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan en waarvoor geen vergunning nodig was.

38

4.6.3 Toelaatbaarheid De in 4.6.1 genoemde werken en/of werkzaamheden zijn slechts toelaatbaar indien door het uitvoeren van deze werken of werkzaamheden noch direct noch indirect onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarden en kwaliteiten van de desbetreffende gronden zoals omschreven in de bestemming met eventuele aanduiding, en in het beeldkwaliteitsplan.

4.7 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning (omgevingsvergunning voor de activiteit monumenten) overeenkomstig het bepaalde in de Erfgoedwet respectievelijk de gemeentelijke monumentenverordening: a.

over te gaan tot het geheel of gedeeltelijk slopen van een beeldbepalend pand of gemeentelijk monument ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – beeldbepalend pand' respectievelijk 'specifieke bouwaanduiding – monument';

b.

het geheel of gedeeltelijk slopen, zoals bedoeld onder a. is slechts toelaatbaar indien als gevolg daarvan voor vervangende nieuwbouw een onherroepelijke omgevingsvergunning is verleend;

c.

het onder a. vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden: 1.

welke het normale beheer en onderhoud betreffen;

2.

welke reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het bestemmingsplan.

4.8 Wijzigingsbevoegdheid 4.8.1 Vormverandering bestemmingsvlak 'Gemengd - Agrarisch (verwant) bedrijf' Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming ‘Gemengd-Agrarisch (verwant) bedrijf’ wijzigen in de bestemming ‘Agrarisch', ten behoeve van een vormverandering van een bestemmingsvlak, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a.

de gronden niet zijn gelegen binnen het Natuur Netwerk Brabant (NNB);

b.

er is een concreet (bouw)plan;

c.

de ruimtelijke ontwikkeling dient te voldoen aan de uitgangspunten van de Handreiking Kwaliteitsverbetering van het landschap zoals opgenomen als bijlage 1 bij de regels;

d.

als er sprake is van de uitbreiding in oppervlakte dierenverblijf bij een veehouderij, dient voldaan te worden aan de volgende voorwaarden: 1.

er dient sprake te zijn van een zorgvuldige veehouderij;

2.

aangetoond is dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de

39

veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; 3.

aangetoond is dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m³;

4.

er dient een zorgvuldige dialoog te worden gevoerd, gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de ontwikkeling;

e.

de ruimtelijke ontwikkeling dient te voldoen aan de uitgangspunten van de 'Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder, Gemert-Bakel 2013';

f.

op eigen terrein dient voldoende parkeergelegenheid aanwezig te zijn en/of gerealiseerd te worden;

g.

bij toename van bebouwing of verharding dient minimaal hydrologisch neutraal gebouwd te worden;

h.

er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;

i.

er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de waarden die zijn toegekend aan de gronden betrokken bij de wijziging;

j.

de oppervlakte van het bestemmingsvlak ‘Gemengd-Agrarisch (verwant) bedrijf’ mag niet worden vergroot;

k.

daar waar het bestemmingsvlak ‘Gemengd-Agrarisch (verwant) bedrijf’ wordt verkleind, wordt de bestemming 'Agrarisch' opgenomen;

l.

indien er sprake is van de provinciale aanduiding 'behoud en herstel watersystemen', dient advies ingewonnen te worden bij het betrokken waterschapsbestuur.

4.8.2 Vergroting of verkleining bestemmingsvlak 'Gemengd - Agrarisch (verwant) bedrijf' Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming 'Agrarisch' wijzigen in de bestemming ‘Gemengd – Agrarisch (verwant) bedrijf’, ten behoeve van een vergroting of verkleining van een bestemmingsvlak ‘Gemengd – Agrarisch (verwant) bedrijf’ indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a.

de gronden niet zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij' indien er sprake is van een veehouderij;

b.

de gronden niet zijn gelegen binnen het Natuur Netwerk Brabant (NNB);

c.

er is een concreet (bouw)plan;

d.

de uitbreiding is noodzakelijk uit bedrijfstechnisch en/of bedrijfseconomisch oogpunt;

e.

bij een toename van bebouwing ten behoeve van veehouderij is het bepaalde in 4.3.3, 4.3.4 en/of 4.3.5 van overeenkomstige toepassing;

f.

de ruimtelijke ontwikkeling dient te voldoen aan de uitgangspunten van de Handreiking Kwaliteitsverbetering van het landschap zoals opgenomen als bijlage 1 bij de regels

40

g.

het bestemmingsvlak ‘Gemengd – Agrarisch (verwant) bedrijf’ mag na vergroting of verkleining niet groter zijn dan 1,5 hectare;

h.

als er sprake is van de uitbreiding in oppervlakte dierenverblijf bij een veehouderij, dient voldaan te worden aan de volgende voorwaarden: 1.

er dient sprake te zijn van een zorgvuldige veehouderij;

2.

aangetoond is dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;

3.

aangetoond is dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m³;

4.

er dient een zorgvuldige dialoog te worden gevoerd, gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de ontwikkeling;

i.

de ruimtelijke ontwikkeling dient te voldoen aan de uitgangspunten van de "Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder, Gemert-Bakel 2013

j.

op eigen terrein dient voldoende parkeergelegenheid aanwezig te zijn en/of gerealiseerd te worden;

k.

bij toename van bebouwing of verharding dient minimaal hydrologisch neutraal gebouwd te worden;

l.

er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;

m. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de waarden die zijn toegekend aan de gronden betrokken bij de wijziging; n.

daar waar het bestemmingsvlak ‘Gemengd – Agrarisch (verwant) bedrijf’ wordt verkleind, wordt de bestemming 'Agrarisch' opgenomen;

o.

indien er sprake is van de provinciale aanduiding 'behoud en herstel watersystemen', dient advies ingewonnen te worden bij het betrokken waterschapsbestuur.

4.8.3 Wijzigen naar 'Wonen' bij bedrijfsbeëindiging Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming ‘Gemengd-Agrarisch (verwant) bedrijf’ wijzigen in de bestemming 'Wonen' ten behoeve van een bedrijfsbeëindiging, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a.

het moet aannemelijk gemaakt zijn dat het handhaven van de bedrijfsbestemming vanuit ruimtelijk en/of milieuhygiënisch oogpunt gezien niet meer in de rede ligt terwijl de bestemming 'Wonen' vanuit die optiek wel aanvaardbaar is;

41

b.

er reeds een bestaande woning aanwezig is;

c.

agrarische bedrijven in de omgeving worden niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden beperkt;

d.

op eigen terrein dient voldoende parkeergelegenheid aanwezig te zijn en/of gerealiseerd te worden;

e.

overtollige bebouwing wordt gesloopt. Daarbij dient gemotiveerd te worden hoeveel oppervlakte bijbehorende bouwwerken maximaal noodzakelijk is voor de beoogde ontwikkeling. Middels een maatvoeringsaanduiding op de verbeelding wordt deze oppervlakte bijbehorende bouwwerken vastgelegd;

f.

de ruimtelijke ontwikkeling dient te voldoen aan de uitgangspunten van de Handreiking Kwaliteitsverbetering van het landschap zoals opgenomen als bijlage 1 bij de regels;

g.

de ruimtelijke ontwikkeling dient te voldoen aan de uitgangspunten van de 'Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder, Gemert-Bakel 2013';

h.

daar waar het bestemmingsvlak ‘Gemengd-Agrarisch (verwant) bedrijf’ niet wordt gewijzigd in de bestemming 'Wonen', wordt de bestemming 'Agrarisch' opgenomen.

4.8.4 Omschakeling naar agrarisch verwant bedrijf Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming ‘Gemengd-Agrarisch (verwant) bedrijf’ wijzigen in de bestemming 'Bedrijf' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - voormalig agrarisch bedrijf, agrarisch verwant' als er sprake is van een voormalig agrarische bedrijfslocatie, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a.

er is een concreet (bouw)plan;

b.

de locatie is niet gelegen binnen het 'Natuur Netwerk Brabant' (NNB);

c.

de locatie is niet gelegen binnen de Groenblauwe mantel;

d.

de nieuwe activiteit draagt bij aan de ontwikkeling van de plattelandseconomie en versterkt de kernkwaliteiten van het desbetreffende gebied zoals omschreven in de gemeentelijke Structuurvisie en de provinciale Verordening Ruimte;

e.

andere functies in de omgeving mogen niet worden belemmerd;

f.

milieurechten dienen te worden ingetrokken;

g.

de bedrijvigheid dient kleinschalig te zijn;

h.

de ontwikkeling mag niet tot een zelfstandige detailhandelsvoorziening met een verkoopvloeroppervlakte van meer dan 200 m² leiden;

i.

er is geen sprake van een zelfstandige kantoorvoorziening met baliefunctie;

j.

de ontwikkeling mag niet leiden tot twee of meer zelfstandige bedrijven.

k.

het nieuwe bestemmingsvlak heeft de maximale omvang van 1,5 hectare;

l.

naast de bebouwing dienen ook alle bouwwerken, verharding en voorzieningen in het bestemmingsvlak gelegen te zijn;

m. er dient sloop van overtollige gebouwen plaats te vinden. Daarbij dient gemotiveerd te worden hoeveel oppervlakte bedrijfsbebouwing maximaal noodzakelijk is voor de beoogde ontwikkeling.

42

Middels een maatvoeringsaanduiding op de verbeelding wordt deze oppervlakte bedrijfsbebouwing vastgelegd; n.

de ruimtelijke ontwikkeling dient te voldoen aan de uitgangspunten van de Handreiking Kwaliteitsverbetering van het landschap zoals opgenomen als bijlage 1 bij de regels;

o.

parkeren dient op het bestemmingsvlak plaats te vinden;

p.

buitenopslag is niet toegestaan;

q.

bij toename van bebouwing of verharding dient minimaal hydrologisch neutraal gebouwd te worden;

r.

er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;

s.

er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de waarden die zijn toegekend aan de gronden betrokken bij de wijziging;

t.

daar waar het bestemmingsvlak ‘Gemengd-Agrarisch (verwant) bedrijf’ niet wordt gewijzigd in de bestemming 'Bedrijf', wordt de bestemming 'Agrarisch' opgenomen;

u.

indien er sprake is van de provinciale aanduiding 'behoud en herstel watersystemen', dient advies ingewonnen te worden bij het betrokken waterschapsbestuur.

4.8.5 Omschakeling naar niet-agrarisch bedrijf Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming ‘Gemengd-Agrarisch (verwant) bedrijf’ wijzigen in de bestemming 'Bedrijf' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - voormalig agrarisch bedrijf' als er sprake is van een voormalig agrarische bedrijfslocatie, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a.

er is een concreet (bouw)plan;

b.

de locatie is niet gelegen binnen het 'Natuur Netwerk Brabant' (NNB);

c.

de nieuwe activiteit draagt bij aan de ontwikkeling van de plattelandseconomie en versterkt de kernkwaliteiten van het desbetreffende gebied zoals omschreven in de gemeentelijke Structuurvisie en de provinciale Verordening Ruimte;

d.

andere functies in de omgeving mogen niet worden belemmerd;

e.

milieurechten dienen te worden ingetrokken;

f.

de bedrijvigheid dient kleinschalig te zijn;

g.

er zijn slechts bedrijven toegestaan die behoren tot de milieucategorieën 1 en 2;

h.

de ontwikkeling mag niet tot twee of meer zelfstandige bedrijven leiden;

i.

de ontwikkeling mag niet tot een zelfstandige kantoorvoorziening met een baliefunctie leiden;

j.

de ontwikkeling mag niet tot een zelfstandige detailhandelsvoorziening met een verkoopvloeroppervlakte van meer dan 200 m² leiden;

k.

indien er sprake is van nieuwe bebouwing, heeft het nieuwe bestemmingsvlak de maximale omvang zoals in onderstaande tabel in de tweede kolom is weergegeven;

l.

Indien er sprake is van nieuwbouw van bedrijfsbebouwing dan heeft de bedrijfsbebouwing de maximale oppervlakte zoals in onderstaande tabel in de derde kolom is weergegeven;

43

m. bij hergebruik van de bedrijfsbebouwing is het bestemmingsvlak maximaal 5.000 m²; n.

er dient sloop van overtollige gebouwen plaats te vinden. Indien er sprake is van hergebruik van reeds aanwezige bedrijfsbebouwing dient gemotiveerd te worden hoeveel oppervlakte bedrijfsbebouwing maximaal noodzakelijk is voor de beoogde ontwikkeling. Middels een maatvoeringsaanduiding op de verbeelding wordt deze oppervlakte bedrijfsbebouwing vastgelegd;

o.

de ruimtelijke ontwikkeling dient te voldoen aan de uitgangspunten van de Handreiking Kwaliteitsverbetering van het landschap zoals opgenomen als bijlage 1 bij de regels;

p.

parkeren dient op het bestemmingsvlak plaats te vinden;

q.

buitenopslag is niet toegestaan;

r.

bij toename van bebouwing of verharding dient minimaal hydrologisch neutraal gebouwd te worden;

s.

er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;

t.

er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de waarden die zijn toegekend aan de gronden betrokken bij de wijziging;

u.

daar waar het bestemmingsvlak ‘Gemengd-Agrarisch (verwant) bedrijf’ niet wordt gewijzigd in de bestemming 'Bedrijf', wordt de bestemming 'Agrarisch' opgenomen;

v.

indien er sprake is van de provinciale aanduiding 'behoud en herstel watersystemen', dient advies ingewonnen te worden bij het betrokken waterschapsbestuur.

Omvang huidig bestemmingsvlak

(Maximale) omvang nieuw

Maximale oppervlakte

‘Gemengd-Agrarisch (verwant) bedrijf’

bestemmingsvlak 'Bedrijf'

bedrijfsbebouwing

> 1 hectare

5.000 m²

600 m²

0,8 tot 1 hectare

4.000 m²

500 m²

0,6 tot 0,8 hectare

3.000 m²

400 m²

0,3 tot 0,6 hectare

2.000 m²

300 m²

< 0,3 hectare

2.000 m²

200 m²

Tabel: omvang nieuw bestemmingsvlak VAB locatie, omvang nieuwe bebouwing VAB locatie

4.8.6 Boerderijsplitsing Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming ‘Gemengd-Agrarisch (verwant) bedrijf’ wijzigen in de bestemming 'Wonen' met de maatvoering 'maximum aantal wooneenheden: 2' om de boerderij te splitsen tot twee woningen, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

44

a.

de te splitsen bebouwing betreft cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, zoals aangetoond middels een cultuurhistorische waardestelling;

b.

de splitsing moet redelijkerwijs noodzakelijk zijn om het cultuurhistorisch waardevolle pand in stand te houden;

c.

splitsing komt pas aan de orde als de volgende opties gezien de feitelijke situatie redelijkerwijs niet haalbaar zijn gebleken: 1.

woning met nevenfunctie (aan huis verbonden beroep, garage e.d.);

2.

realiseren van één grote woning;

d.

de inhoud van het te splitsen pand mag niet worden vergroot;

e.

ontwikkelingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven mogen niet worden belemmerd;

f.

het uitgangspunt is de samenhang tussen monumentale en/of beeldbepalend bebouwing en het slopen van de overtollige bebouwing die geen monumentaal en/of beeldbepalend karakter heeft;

g.

per woning is maximaal 150 m² aan bijbehorende bouwwerken toegestaan;

h.

de ruimtelijke ontwikkeling dient te voldoen aan de uitgangspunten van de Handreiking Kwaliteitsverbetering van het landschap zoals opgenomen als bijlage 1 bij de regels

i.

op eigen terrein dient voldoende parkeergelegenheid aanwezig te zijn en/of gerealiseerd te worden;

j.

ter plaatse van het te splitsen pand wordt de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - monument' of 'specifieke bouwaanduiding - beeldbepalend pand' opgenomen;

k.

daar waar het bestemmingsvlak ‘Gemengd-Agrarisch (verwant) bedrijf’ niet wordt gewijzigd in de bestemming 'Wonen', wordt de bestemming 'Agrarisch' opgenomen.

4.8.7 Omschakeling naar recreatief bedrijf Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming ‘Gemengd-Agrarisch (verwant) bedrijf’ wijzigen in de bestemming ‘Recreatie’, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a.

de gronden niet zijn gelegen binnen het Natuur Netwerk Brabant (NNB);

b.

het bestemmingsvlak is maximaal 1,5 hectare;

c.

er zijn slechts recreatiebedrijven toegestaan die behoren tot maximaal de milieucategorie 2;

d.

de ontwikkeling mag niet tot twee of meer zelfstandige bedrijven leiden;

e.

de ontwikkeling mag niet tot een zelfstandige kantoorvoorziening met een baliefunctie leiden;

f.

de ontwikkeling mag niet tot een zelfstandige detailhandelsvoorziening met een verkoopvloeroppervlakte van meer dan 200 m² leiden;

g.

gemotiveerd wordt hoeveel oppervlakte bedrijfsbebouwing maximaal noodzakelijk is voor de beoogde ontwikkeling. Middels een maatvoeringsaanduiding op de verbeelding wordt deze oppervlakte bedrijfsbebouwing vastgelegd;

h.

bij toename van bebouwing of verharding dient minimaal hydrologisch neutraal gebouwd te worden;

i.

uit een bedrijfsplan blijkt dat er sprake is van een duurzame, bedrijfsmatige exploitatie;

45

j.

er moet sprake zijn van een volwaardig kwalitatief waardig bedrijf hetgeen moet zijn onderbouwd met een advies van de Adviescommissie Recreatie en Toerisme;

k.

ingeval de bouw van recreatiewoningen op een verblijfsrecreatief terrein, dient geborgd te zijn dat de woningen bedrijfsmatig worden beheerd;

l.

de ontwikkeling leidt tot ten hoogste 300.000 bezoekers en overnachtingen samen per jaar, wat blijkt uit daartoe verricht onderzoek;

m. gemotiveerd wordt dat de ontwikkeling mogelijk is vanuit een ruimtelijke visie op het gebied waar de ontwikkeling plaatsvindt en de directe omgeving, waarbij een kwaliteitswinst voor meerdere ruimtelijke functies, waaronder natuur, wordt bereikt; n.

het plan bevat een beschrijving van de resultaten van de regionale afstemming over de beoogde ontwikkeling;

o.

agrarische bedrijven in de omgeving mogen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt;

p.

de ruimtelijke ontwikkeling dient te voldoen aan de uitgangspunten van de Handreiking Kwaliteitsverbetering van het landschap zoals opgenomen als bijlage 1 bij de regels

q.

voor de gronden die worden bestemd als 'Recreatie' zijn de hoofdbestemmingsregels van toepassing;

r.

daar waar het bestemmingsvlak ‘Gemengd-Agrarisch (verwant) bedrijf’ wordt verkleind, wordt de bestemming 'Agrarisch' of 'Agrarisch met waarden' opgenomen;

s.

indien er sprake is van de provinciale aanduiding 'behoud en herstel watersystemen', dient advies ingewonnen te worden bij het betrokken waterschapsbestuur.

4.8.8 Wijziging (voormalige) agrarische bedrijfswoning in plattelandswoning Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het gebruik van een (voormalige) agrarische bedrijfswoning als plattelandswoning door het opnemen van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning', mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a.

het betreft een (voormalige) agrarische bedrijfswoning die op 1 januari 2013 reeds legaal aanwezig was en die door een burger wordt bewoond;

b.

het agrarisch bedrijf binnen het agrarisch bouwvlak is in werking;

c.

er dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat;

d.

(agrarische) bedrijven in de omgeving mogen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt;

e.

de ruimtelijke ontwikkeling dient te voldoen aan de uitgangspunten van de Handreiking Kwaliteitsverbetering van het landschap zoals opgenomen als bijlage 1 bij de regels

f.

na toepassing van de onderhavige bevoegdheid kan geen aanspraak worden gemaakt op het oprichting van een extra bedrijfswoning;

g.

overtollige bebouwing wordt gesloopt;

h.

de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 150 m².

46

i.

op eigen terrein dient voldoende parkeergelegenheid aanwezig te zijn en/of gerealiseerd te worden

Artikel 5 Agrarisch met waarden – Landschaps- en Natuurwaarden - 2 5.1 Bestemmingsomschrijving De als ‘Agrarisch met waarden – Landschaps- en natuurwaarden - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.

agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende

voorzieningen; b.

behoud, herstel en ontwikkeling van de landschapswaarden in het algemeen en in het bijzonder

voorstruweelvogels ter plaatse van de aanduiding ´specifieke vorm van agrarisch met waarden – struweelvogels´; d.

(onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen;

e.

water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

f.

extensief recreatief medegebruik.

5.2 Bouwregels 5.2.1 Gebouwen Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd.

5.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Binnen deze bestemming mogen geen bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd.

5.3 Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden of bouwwerken en behoeve van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen.

5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.4.1. Werken en werkzaamheden Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: 1. het aanleggen, dempen of wijzigen (van oevers, profiel, doorstroom- of bergingscapaciteit) van waterlopen, sloten en greppels; 2. het verlagen van de grondwaterstand door aanleg van drainage of door bemaling en/of bronnering; 3. het verwijderen of rooien van bos-, natuur- en landschapselementen en ander opgaand houtgewas zonder agrarische productiefunctie;

47

4. het verwijderen van perceelsindelingen, zoals tot uiting komend in greppels, sloten, steilranden; 5. het verwijderen van onverharde wegen of paden; 6. het verwijderen, aanleggen en/of verharden van wegen, paden, parkeerterreinen of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, anders dan containervelden, voor groter dan 100 m² per perceel.

5.4.2 Uitzonderingen Het in lid 5.4.1. vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a.

het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;

b.

reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden

uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

5.4.3 Toelaatbaarheid De in lid 5.4.1. genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de in de bestemmingsomschrijving omschreven waarden.

Artikel 6 Natuur 6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.

behoud, herstel en/of ontwikkeling van de aanwezige landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en natuurwaarden in de vorm van heiden, ruigten, bloemrijk grasland, poelen en bosjes of een combinatie hiervan;

b.

ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur – landschapselement', voor behoud, herstel en/of ontwikkeling van kleinere, beeldbepalende landschapselementen in de vorm van opgaand groen als houtwallen, houtsingels en bomenrijen;

c.

waterlopen en waterpartijen;

d.

extensief recreatief medegebruik;

e.

onverharde (wandel)paden;

f.

bestaande, onverharde parkeerplaatsen;

met de daarbij behorende: q.

bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

r.

voorzieningen van algemeen nut;

s.

waterhuishoudkundige voorzieningen.

48

6.2 Bouwregels 6.2.1 Algemeen Op of in de in 6.1 bedoelde gronden mogen geen bouwwerken worden opgericht.

6.2.2 Uitzonderingen a.

in afwijking van het bepaalde in 6.2.1 mogen binnen deze bestemming, met uitzondering van de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - landschapselement' en 'specifieke vorm van natuur - zandweg', bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van het aanwezige bos worden gerealiseerd, mits de bouwhoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 2,50 m bedraagt en mits de cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden geschaad;

b.

in afwijking van het bepaalde in 6.2.1 mogen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - klasseerterrein/voorzieningen t.b.v. zandwinning' tevens installaties, bouwwerken en overige voorzieningen ten behoeve van ontgronding en transport ter plaatse worden gerealiseerd, met dien verstande dat: 1.

de oppervlakte aan bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur klasseerterrein/voorzieningen zandwinning' binnen de bestemming en de bestemmingen 'Verkeer' en 'Water' gezamenlijk maximaal 300 m² bedraagt;

c.

2.

de maximale bouwhoogte van gebouwen 6 m bedraagt;

3.

de maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, 25 m bedraagt;

in afwijking van het bepaalde in 6.2.1 mogen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - zandwinning' bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 3 m;

d.

in afwijking van het bepaalde in 6.2.1 mogen binnen deze bestemming, met uitzondering van de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - landschapselement' en 'specifieke vorm van natuur - zandweg', hoogzitten gerealiseerd worden met een maximale bouwhoogte van 4 m;

e.

in afwijking van het bepaalde in 6.2.1 mogen op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk – urnenveld' of 'specifieke vorm van verkeer – ontsluiting en parkeren' uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gerealiseerd worden, mits: 1.

de bouwwerken ten dienste van het aanwezige urnenveld, parkeerterrein of ontsluiting zijn;

2. f.

de maximale bouwhoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, 2,50 m bedraagt.

in afwijking van het bepaalde in 6.2.1 mogen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur – zandweg' uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gerealiseerd worden, mits: 1.

het bouwwerk ten dienste is van de aanwezige zandweg en/of de aanwezige begeleidende beplanting;

2.

de maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, 6 m bedraagt;

3.

de cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden geschaad.

49

6.3 Afwijken van de bouwregels 6.3.1 Algemeen Bij toepassing van de in 6.3.2 beschreven afwijkingsbevoegdheid dient te worden voldaan aan de uitgangspunten van de Handreiking kwaliteitsverbetering van het landschap (Bijlage 1).

6.3.3 Hekwerken Burgemeester en wethouders kunnen, mits de cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden geschaad, bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 10.2.1 voor het plaatsen van hekwerken met een hoogte van maximaal 2,5 m, voor de volgende doeleinden: a.

illegale vuilstorting tegengaan om zo het ecologische evenwicht te bewaren;

b.

begrazing van bossen tegengaan door paarden, etc.;

c.

verkeersveiligheid bevorderen om overstekend wild tegen te houden;

d.

indien er sprake is van de provinciale aanduiding 'behoud en herstel watersystemen', dient advies ingewonnen te worden bij het betrokken waterschapsbestuur.

6.4 Specifieke gebruiksregels 6.4.1 Algemeen Het gebruiken van de gronden met de bestemming 'Natuur', is alleen toegestaan mits dit ten dienste staat van de natuurbestemming en geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant.

6.4.2 Strijdig gebruik a.

De volgende werken en/of werkzaamheden worden in ieder geval aangemerkt als met de bestemming strijdig gebruik en zijn dus verboden: 1.

het afgraven, vergraven en egaliseren van de bodem,

2.

het ophogen van de bodem;

3.

het diepploegen en diepwoelen;

4.

het aanleggen van drainage;

5.

het aanbrengen van teeltondersteunende voorzieningen;

6.

het aanleggen van mest- of waterbassins;

7.

het vellen, rooien of kappen van houtopstanden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning (omgevingsvergunning activiteit kappen) overeenkomstig het bepaalde in de gemeentelijke bomenverordening;

8.

het gebruiken van gronden ten behoeve van agrarische bedrijfsvoering.

50

b.

Op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van natuur – landschapselement' worden volgende werken en/of werkzaamheden in ieder geval aangemerkt als met de bestemming strijdig gebruik als bedoeld in artikel 30.1 en zijn dus verboden: 1.

het afgraven, vergraven en egaliseren van de bodem;

2.

het ophogen van de bodem;

3.

het diepploegen en diepwoelen;

4.

het aanleggen van drainage;

5.

het aanbrengen van teeltondersteunende voorzieningen;

6.

het aanleggen van mest- of waterbassins.

7.

het vellen, rooien of kappen van houtopstanden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning (omgevingsvergunning activiteit kappen) overeenkomstig het bepaalde in de gemeentelijke bomenverordening;

8.

het graven, verbreden, verbeteren of dempen van sloten, greppels of kleine geïsoleerde wateren (poelen);

9.

het aanleggen of verwijderen van kaden en/of aanbrengen van veranderingen in bestaande kaden;

10. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen meer dan 100 m². 6.4.3 Uitzondering Het in 6.4.2 vervatte verbod is niet van toepassing op werkzaamheden die: a.

betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer (werkzaamheden in de bodem tot een diepte van maximaal 40 cm);

b.

reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan en waarvoor geen vergunning nodig was;

c.

mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

6.5 Afwijken van de gebruiksregels 6.5.1 Begrazing natuurgebied door vee Burgemeester en wethouders kunnen ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van natuur - bos' en 'specifieke vorm van natuur - landschapselement' bij een omgevingsvergunning afwijken van de gebruiksregels voor het begrazen van natuurgebied door vee, met dien verstande dat dient te worden voldaan aan de uitgangspunten van de Handreiking kwaliteitsverbetering (Bijlage 1) en onder de voorwaarde dat uit een beheersplan van de eigenaar en/of beherende instantie blijkt dat begrazing gewenst is uit het oogpunt van de doelstelling van de bestemming.

51

6.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.6.1 Verbod Het is verboden op of in de in 6.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a.

ter plaatse van de bestemming 'Natuur': 1.

het aanleggen of verwijderen van kaden en/of aanbrengen van veranderingen in bestaande kaden;

2.

het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse energie-, transport en/of communicatieleidingen;

3.

het graven, verbreden, verbeteren of dempen van sloten, greppels of kleine geïsoleerde wateren (poelen);

4.

het aanbrengen van oppervlakteverhardingen meer dan 100 m², met dien verstande dat indien sprake is van de provinciale aanduiding 'behoud en herstel watersystemen' advies ingewonnen dient te worden bij het betrokken waterschapsbestuur;

b.

ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - landschapselement': 1.

het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse energie-, transport en/of communicatieleidingen.

6.6.2 Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in 6.6.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a.

betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer (werkzaamheden in de bodem tot een diepte van maximaal 40 cm);

b.

reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan en waarvoor geen vergunning nodig was.

6.6.3 Toelaatbaarheid a.

de werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 6.6.1 zijn slechts toelaatbaar, indien zij verband houden met de doeleinden, die aan de bestemming zijn toegekend en door het uitvoeren van deze werken of werkzaamheden noch direct noch indirect onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarden en kwaliteiten van de desbetreffende gronden zoals omschreven in de (dubbel)bestemming met eventuele aanduiding, en in het beeldkwaliteitsplan (bijlage 2).

b.

het realiseren van natuurlijke poelen als bedoeld in lid 6.6.1 sub a. onder 3, is toegestaan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

52

1.

er is minstens één flauw talud van 1:6. Bij voorkeur aan de noordzijde i.v.m. optimale bezonning;

2.

de poel een maximale diepte heeft van 2 meter onder het maaiveld;

3.

de Gemiddelde Laagste Grondwaterstand (GLG) niet dieper is dan 1,5 meter onder het maaiveld;

4.

de maximale oppervlakte van het uit te graven grondvlak is niet groter dan 250 m²;

5.

er maximaal 500 m³ grondverplaatsing plaatsvinden;

6.

indien bos gerooid moet worden ten behoeve van de poel wordt dit gecompenseerd. Hiervoor moet een planvoorstel worden overlegd;

7.

er wordt direct noch indirect onevenredige afbreuk gedaan aan de overige waarden en kwaliteiten van desbetreffende gronden zoals omschreven in de (dubbel)bestemming met eventuele aanduiding en past in het beeldkwaliteitsplan.

Artikel 7 Leiding 7.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Leiding' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: a.

het ondergrondse of bovengrondse vervoer van vloeibare stoffen of aardgas, met dien verstande dat: 1.

ter plaatse van de figuur 'hartlijn leiding - olie 24' de voor 'Leiding' aangewezen gronden mede zijn bestemd voor ondergrondse 24”-RRP productenleiding;

2.

ter plaatse van de figuur 'hartlijn leiding - olie 36' de voor 'Leiding' aangewezen gronden mede zijn bestemd voor ondergrondse 36”-RRP ruwe olieleiding;

b.

het beheer en onderhoud van deze leiding(en) met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

met de daarbij behorende: c.

bouwwerken, geen gebouwen zijnde en andere werken.

7.2 Voorrangsregeling Om een veilige ligging van de leiding als bedoeld in dit artikel te waarborgen en het bepaalde in de overige artikelen, prevaleert de bestemming 'Leiding'.

7.3 Bouwregels Op of in de als zodanig bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gerealiseerd ten behoeve van de in 7.1 bedoelde leidingen:

53

a.

in afwijking van het bepaalde bij de verschillende onderliggende bestemmingen is het verboden op de gronden binnen de bebouwingsvrije zone van de dubbelbestemming 'Leiding' enig bouwwerk te bouwen;

b.

in afwijking van het bepaalde onder a. mogen ter plaatse van de dubbelbestemming 'Leiding', de volgende bouwwerken worden opgericht: 1.

bouwwerken ten behoeve van de aanleg, het beheer of het onderhoud van de ter plaatse gesitueerde leidingen;

2.

bouwwerken welke betrekking hebben op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;

c.

in afwijking van het bepaalde bij de verschillende onderliggende bestemmingen is het verboden op de gronden binnen de veiligheidszone van de dubbelbestemming 'Leiding' ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - leiding', enig bouwwerk te bouwen zonder toestemming van de leidingbeheerder.

7.4 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.3 onder b. voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - leiding', mits: a.

er geen sprake is van een (beperkt) kwetsbaar object;

b.

de veiligheid, het beheer en de exploitatie van de leiding(en) niet in het gedrang komen;

c.

hieromtrent vooraf advies is ingewonnen bij de betrokken leidingbeheerder en/of –instantie.

7.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 7.5.1 Verbod Het is verboden op of in de in 7.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, niet zijnde bouwwerkzaamheden uit te voeren: 1.

het uitvoeren van grondbewerkingen, zoals ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, ophogen, woelen of mengen van gronden;

2.

het wijzigen van maaiveld- of weghoogte;

3.

het aanbrengen, verwijderen of herstellen van ondergrondse kabels, leidingen of drainage;

4.

het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere open of gesloten oppervlakteverhardingen;

5.

het aanleggen, verdiepen, vergraven, verruimen, verbreden of dempen van greppels, sloten, watergangen, vijvers en overige waterpartijen;

6.

het in de bodem heien, indrijven, ingraven of aanbrengen van voorwerpen;

54

7.

het aanbrengen van oeverbeschoeiing;

8.

het aanbrengen van beplantingen, (hout-)gewas en/of bomen welke dieper dan 30 cm wortelen en/of hoger opgroeien dan 1,5 meter;

9.

het rooien van beplantingen, (hout-)gewas en/of bomen welke dieper dan 30 cm wortelen en/of hoger opgroeien dan 1,5 meter;

10. het al dan niet tijdelijk opslaan van grond en/of goederen; 11. het al dan niet tijdelijk inrichten van evenemententerreinen; 12. het aanleggen of verwijderen van kaden en/of het aanbrengen van veranderingen in bestaande kaden. 7.5.2 Uitzonderingen Het in 7.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werkzaamheden: a.

die het normale onderhoud en beheer van de leiding en belemmeringenstrook of van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen;

b.

van of namens de leidingbeheerder, welke gericht zijn op het verwijderen van de genoemde verboden beplantingen, (hout-)gewas en/of bomen;

c.

die in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde of verleende vergunning.

7.5.3 Weigeren omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Een vergunning mag alleen en moet worden geweigerd indien door het uitvoeren van de werken/werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen afbreuk wordt gedaan aan de mogelijkheid van een adequaat beheer of de veiligheid van de ondergrondse leidingen en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen.

7.5.4 Advies Een omgevingsvergunning wordt niet eerder verleend dan nadat advies is verkregen van de leidingbeheerder.

Artikel 8 Waarde - Archeologie 2 8.1 Bestemmingsomschrijving De als ‘Waarde - Archeologie 2’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de te verwachten archeologische waarden van de gronden.

55

8.2 Bouwregels 8.2.1 Algemeen a.

Het is verboden de voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden dan wel bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bouwen;

8.2.2 Voorrangsregeling Indien strijd ontstaat tussen het belang van de bescherming van de archeologische waarden als bedoeld in dit artikel en het bepaalde in de overige artikelen prevaleert de bestemming 'Waarde - Archeologie 2'.

8.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 8.3.1 Werken en werkzaamheden Het is verboden op de in 8.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a.

het uitvoeren van grondbewerkingen, zoals afgraven, diepploegen, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanleg of rooien van bos, boomgaard of diepwortelende beplanting, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage en verwijderen van funderingen;

b.

het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels;

c.

het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

8.3.2 Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in 8.3.1 is niet van toepassing voor zover het werkzaamheden betreft: a.

tot een diepte van 40 cm onder het bestaande maaiveld;

b.

die betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;

c.

die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;

d.

die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende (omgevings)vergunning.

8.2.3 Toelaatbaarheid De werken of werkzaamheden als bedoeld in 8.3.1. zijn slechts toelaatbaar, mits:

56

a.

geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van de in 8.1. genoemde doeleinden;

b.

alvorens over de aanvraag wordt beslist, dient de aanvrager en rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;

c.

een rapport is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd.

Artikel 9 Waarde - Archeologie 5 9.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden.

9.2 Bouwregels 9.2.1 Algemeen a.

Het is verboden de voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden dam wel bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bouwen;

b.

Het verbod geldt niet als: 1.

het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en niet dieper dan de bestaande fundering wordt gebouwd;

2.

de bodemverstoring ten behoeve van of als gevolg van het bouwen niet dieper is dan 40 cm onder het bestaande maaiveld of, indien de bodemverstoring dieper is dan 40 cm, de omvang van de bodemingreep niet groter is dan 2.500 m².

9.2.2 Voorrangsregeling Indien strijd ontstaat tussen het belang van de bescherming van de archeologische waarden als bedoeld in dit artikel en het bepaalde in de overige artikelen prevaleert de bestemming 'Waarde - Archeologie 5'.

9.3 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het gestelde in 9.2.1 voor het oprichten van bouwwerken onder de voorwaarden dat:

57

a.

de aanvrager een rapport overlegt waarin de archeologische waarden van de gronden, die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld;

b.

indien uit het onder a. genoemde rapport mocht blijken dat de archeologische waarden van de gronden door het bouwplan zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de te verlenen omgevingsvergunning: 1.

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;

2.

de verplichting tot het doen van opgravingen;

3.

de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

9.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 9.4.1 Verbod Het is verboden op de in 9.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a.

het uitvoeren van grondbewerkingen, zoals afgraven, diepploegen, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanleg of rooien van bos, boomgaard of diepwortelende beplanting, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage en verwijderen van funderingen;

b.

het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels;

c.

het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

9.4.2 Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in 9.4.1 is niet van toepassing voor zover het werkzaamheden betreft: a.

tot een diepte van 40 cm onder het bestaande maaiveld en over een maximale oppervlakte van 2.500 m²;

b.

die betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;

c.

die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;

d.

die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende (omgevings)vergunning.

9.4.3 Toelaatbaarheid De werken of werkzaamheden als bedoeld in 9.4.1 zijn slechts toelaatbaar, mits:

58

a.

geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van de in 9.4.1 genoemde doeleinden;

b.

alvorens over de aanvraag wordt beslist, dient de aanvrager en rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;

c.

een rapport is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd.

9.5 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk Het is verboden binnen de voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning) reeds aanwezige bouwwerken te slopen als de bodemverstoring een diepte heeft van meer dan 40 cm en de oppervlakte meer bedraagt dan 2.500 m².

9.6 Wijzigingsbevoegdheid 9.6.1 Wijziging begrenzing Burgemeester en wethouders kunnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' toevoegen dan wel verwijderen indien: a.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Laarbeek&id=2e13b6d1-8c37-43ef-ac36-f3daafd2c0a4