7 20220112 Toelichting bestemmingsplan Achterbosch 12, 12a en 12b.pdf
Tekst van het document
5.6.2
Toets
5.6.2.1
Wegverkeerslawaai
Binnen het plangebied wordt geen voor geluidgevoelig object toegevoegd. Binnen het plangebied zijn drie woningen aanwezigen. Deze woningen blijven ongewijzigd. Een geluidsonderzoek wegverkeerslawaai is dan ook niet noodzakelijk. 5.6.2.2
Industrielawaai
Er is geen sprake van aanwezigheid of vestiging van een (grote) lawaaimaker in de omgeving van het plangebied. Dit aspect is niet van toepassing
5.7
Geur
5.7.1
Beleidskader
5.7.1.1
Inleiding
Bij besluitvorming omtrent de bestemming van nieuwe voor geur gevoelige objecten dient in het kader van het aspect geur antwoord gegeven te worden op de vragen: -
is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd?
-
wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad?
5.7.1.2
Activiteitenbesluit
Veel veehouderijen vallen in hun geheel onder het Activiteitenbesluit. De Wet geurhinder en veehouderij en de Wet ammoniak en veehouderij zijn voor deze bedrijven niet van toepassing. De eisen uit de wetten zijn wel als voorschriften opgenomen in het Activiteitenbesluit. 5.7.1.3
Wet geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij vormt het toetsingskader voor de vergunningverlening voor geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. Deze wet geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De Wet geurhinder en veehouderij wordt voornamelijk gebruikt om de geurbelasting veroorzaakt door veehouderijen te beoordelen bij de vergunningverlening. Indirect heeft de wet consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten. Die doorwerking van de geurregelgeving naar de ruimtelijke ordening wordt de ‘omgekeerde werking’ genoemd. De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting bepaalt in de meeste gevallen het woonen leefklimaat op een locatie.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
36
Bestemmingsplan ‘Achterbosch 12, 12a en 12b’ - toelichting
In de wet is in artikel 14 opgenomen dat indien er sprake is van herbestemming van een voormalige veehouderij, de bedrijfswoning in het kader van geur dient te worden beoordeeld als ware het nog een bedrijfswoning van deze veehouderij. 5.7.1.4
Gemeentelijk beleidskader
De gemeente Laarbeek heeft een gemeentelijke geurverordening vastgesteld. In het kader van deze Verordening is het plangebied aangeduid als gelegen in het buitengebied. De ‘Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Laarbeek’ stelt geen afwijkende geurnorm vast als maximale voorgrondbelasting voor het plangebied. Ten opzichte van dieren van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriele regeling een geuremissiefactor is vastgesteld (rundvee en paarden), dienen vaste afstanden aangehouden te worden. De afstand tussen een geurgevoelig object en een dergelijke veehouderij dient, omdat het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom gelegen is, minimaal 50 meter te bedragen. 5.7.1.5
Achtergrondbelasting
Onder de achtergrondbelasting wordt de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object verstaan. De achtergrondbelasting is een maat voor het leefklimaat. Er dient een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te zijn. 5.7.1.6
Voorgrondbelasting
Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dichtst bij het geurgevoelige object is gelegen. De voorgrondbelasting bepaalt het woon- en leefklimaat als deze voorgrondbelasting tenminste de helft van de waarde van de achtergrondbelasting bedraagt. 5.7.1.7
Belangen veehouderij en derden
Als gevolg van een ontwikkeling mogen omliggende veehouderijbedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Deze belangen bestaan uit de voortzetting van de bestaande bedrijfsactiviteiten en indien concrete uitbreidingsplannen aanwezig zijn, de realisatie van deze plannen.
5.7.2
Toets
5.7.2.1
Achtergrondbelasting
Er is binnen het plangebied geen sprake van toevoeging van een voor geur gevoelig object. Binnen het plangebied zijn reeds drie woningen aanwezigen, die van vorm veranderen. Er is binnen het plangebied overigens sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. Uit een indicatieve berekening van de Omgevingsdienst blijkt dat er binnen het plangebied sprake is van een goed tot redelijke goed woon- en leefklimaat, met een achtergrondbelasting tot maximaal 13 oue/m³. Navolgende figuur geeft een kaar met de uitsnede van de kaart met de indicatieve achtergrondbelasting, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
37
Bestemmingsplan ‘Achterbosch 12, 12a en 12b’ - toelichting
Kloosterdreef 5
Figuur 25: Achtergrondbelasting- en woon- en leefklimaat in de omgeving van het plangebied
5.7.2.2
Voorgrondbelasting
Er worden geen voor geur gevoelige bestemmingen toegevoegd. Binnen het plangebied zijn reeds drie woningen met bijgebouwen toegestaan. Het plangebied is (eerder al) herbestemd naar een woonbestemming in samenhang met sanering avn de agrarische bedrijfsbestemming. Conform artikel 14 van de Wet geurhinder en veehouderij geldt een vaste afstand van 50 meter tussen veehouderijen en voor geurgevoelig object welke is gelegen op een (voormalig) agrarisch perceel. Derhalve geldt voor de woning binnen het plangebied een vaste afstand van 50 meter tot veehouderijen. Binnen een afstand van 50 meter zijn geen veehouderijbedrijven gelegen. De voorgrondbelasting is hier niet maatgevend. 5.7.2.3
Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven
Er worden geen voor geur gevoelige bestemmingen toegevoegd. Binnen het plangebied zijn reeds drie woningen met bijgebouwen toegestaan. Deze herbestemming leidt niet tot een belemmering in de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven..
5.8
Gezondheid
5.8.1
Beleidskader
5.8.1.1
Endotoxinen
De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijn stof in Nederland, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leef-
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
38
Bestemmingsplan ‘Achterbosch 12, 12a en 12b’ - toelichting
klimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. In de handreiking zijn de zeven te doorlopen te toetsen stappen opgenomen. 5.8.1.2
Geitenhouderijen
Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, meer kans dan gemiddeld hebben op longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. Op basis van de onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Tot een afstand tot twee kilometer is er sprake van een vergroot risico. 5.8.1.3
Gewasbeschermingsmiddelen
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige bestemming in de nabijheid van agrarische bestemmingen aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden.
5.8.2
Toets
5.8.2.1
Toets van de ontwikkeling aan Handreiking aan endotoxinen en geitenbedrijven
Er worden geen voor gevoelige bestemmingen toegevoegd. Er is geen sprake van de realisatie of uitbreiding van een veehouderij binnen het plangebied. Binnen het plangebied zijn reeds drie woningen met bijgebouwen toegestaan. Deze herbestemming leidt niet tot belemmering in relatie tot volksgezondheid of de ligging ten opzichte van geitenhouderijen.. 5.8.2.2
Gewasbeschermingsmiddelen
Er is geen sprake van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen in de nabijheid van het plangebied. Dit aspect is niet van toepassing.
5.9
Bedrijven en milieuzonering
5.9.1
Beleidskader
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking Bedrijven en Milieuzonering. Deze lijst geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In deze lijst worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
39
Bestemmingsplan ‘Achterbosch 12, 12a en 12b’ - toelichting
bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’.
5.9.2
Toets
5.9.2.1
Bedrijven in de omgeving van het plangebied
Er is geen sprake van toevoeging van een voor geur gevoelig object. De woonbestemmingen binnen het plangebied zijn reeds bestemd en de woningen zijn reeds gebouwd. Deze herbestemming heeft geen gevolgen voor het woon- en leefklimaat binnen het plangebied. 5.9.2.2
Bestemming paardenbak binnen het plangebied
Binnen het plangebied is geen sprake van een bedrijfsbestemming of van bedrijfsactiviteiten. Middels dit bestemmingsplan wordt een hobbymatig te gebruiken paardenbak bestemd bij de woonfunctie. Deze paardenbak is gelegen op een afstand van meer dan 50 meter tot woonbestemmingen in de omgeving. Hiermee is geen sprake van overlast van het hobbymatig gebruik van deze paardenbak in het kader van geur, fijnstof, gevaar of geluid.
5.10 Externe veiligheid 5.10.1 Beleidskader 5.10.1.1 Inleiding Het externe veiligheidsbeleid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s en effecten van calamiteiten alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. In de volgende landelijke wetten, besluiten en regelingen zijn normen opgenomen waaraan een nieuwe planologische ontwikkeling moet worden getoetst: −
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi);
−
Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations;
−
Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations;
−
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb);
−
Structuurvisie buisleidingen;
−
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet;
−
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro).
De aanwezige risico’s zijn afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en ondergrondse (gas)leidingen (c.q. buisleidingen). 5.10.1.2 Risico-contouren Ten aanzien van externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in: 1.
Plaatsgebonden Risico (PR): Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk wordt getroffen door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van kwetsbare objecten, alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van beperkt kwetsbare objecten;
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
40
Bestemmingsplan ‘Achterbosch 12, 12a en 12b’ - toelichting
2.
Groepsrisico (GR): Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. De gestelde norm is een oriënterende waarde waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken.
5.10.1.3 Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s binnen het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. 5.10.1.4 Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening ‘ (art. 3.1 Wro) kan onder andere worden getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPGtankstations’.
5.10.2 Toets 5.10.2.1 Risicovolle inrichtingen Het plangebied is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van inrichtingen met betrekking tot de externe veiligheid. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de risicokaart externe veiligheid voor de omgeving van het plangebied aangeduid.
Plangebied
Figuur 26: Uitsnede van de risicokaart externe veiligheid voor de omgeving van het plangebied
5.10.2.2 Transport van gevaarlijke stoffen In de omgeving van het plangebied vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het spoor of het water. Op circa 66 meter ten noorden van de woningen binnen het plangebied is een buisleiding van de Defensie Pijpleiding Organisatie gelegen. Navolgende figuur geeft de tabel weer waarin de leiding is opgenomen.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
41
Bestemmingsplan ‘Achterbosch 12, 12a en 12b’ - toelichting
Tabel 5: Informatie buisleiding nabij het plangebied
Er is geen sprake van toevoeging van een gevoelig object binnen het plangebied. Dit plan heeft geen invloed op het groepsrisico.
5.11 Luchtkwaliteit 5.11.1 Beleidskader 5.11.1.1 Inleiding Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: −
beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en;
−
voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging.
5.11.1.2 Uitstoot van schadelijke stoffen De borging van de luchtkwaliteit vindt onder andere plaats middels een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma. Binnen dit programma werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. 5.11.1.3 Blootstelling aan verontreiniging In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof:
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde.
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
42
Bestemmingsplan ‘Achterbosch 12, 12a en 12b’ - toelichting
5.11.2 Toets 5.11.2.1 Uitstoot schadelijke stoffen Dit bestemmingsplan ziet toe op herindeling van drie woonbestemming en het bestemmen van een paardenbak voor hobbymatig gebruik. Dit plan draagt Niet In Betekenende Mate toe aan de luchtkwaliteit. 5.11.2.2 Uitstoot van gevaarlijke stoffen Fijnstof Binnen het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 18 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 11 µg/m³. Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 voor het plangebied en omgeving weer.
Plangebied
Figuur 27: Fijnstof PM10 (bron: RIVM) waarop de ligging van het plangebied is aangeduid
Plangebied
Figuur 28: Fijnstof PM2,5 (bron: RIVM) waarop de ligging van het plangebied is aangeduid
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
43
Bestemmingsplan ‘Achterbosch 12, 12a en 12b’ - toelichting
Stikstofdioxide Binnen het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 15 µg/m³. Deze herontwikkeling is in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van stikstofdioxide geen bezwaar. Navolgende figuur betreft een kaart met de uitsnede van de stikstof voor het plangebied en de omgeving.
Plangebied
Figuur 29: Stikstofdioxide (bron: RIVM) voor het plangebied
5.11.2.3 Besluit gevoelige bestemmingen Het plangebied betreft geen gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. Het Besluit gevoelige bestemmingen is niet van toepassing voor het plangebied.
5.12 M.e.r-beoordeling 5.12.1 Beleidskader 5.12.1.1 Inleiding De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof en het daarop aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
44
Bestemmingsplan ‘Achterbosch 12, 12a en 12b’ - toelichting
5.12.1.2 Drempelwaarden Op grond van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage dient een MER te worden opgesteld bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen met een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied met 2.000 of meer woningen dan wel de realisatie van een bedrijfsvloeroppervlakte met een omvang van meer dan 200.000 m². 5.12.1.3 Vorm-vrije m.e.r.-beoordeling Op basis van de criteria die genoemd in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling dient bij een ontwikkeling een vormvrije m.e.r.- beoordeling worden uitgevoerd indien de drempelwaarde zoals genoemd in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage niet wordt overschreden.
5.12.2 Toets 5.12.2.1
Drempelwaarden
De beoogde ontwikkeling binnen het plangebied overschrijdt de drempelwaarde zoals opgenomen in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage niet. Er is geen sprake van de toevoeging van woningen of een ander stedelijke ontwikkeling. Op basis van deze bijlage is geen MER noodzakelijk. 5.12.2.2 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Uit deze toelichting blijkt dat de beoogde ontwikkeling zeer kleinschalig van aard is en geen aantasting van milieu en omgeving met zich meebrengt, waardoor geen MER dient te worden opgesteld. Er is met de beoogde ontwikkeling ook geen sprake van een stedelijke ontwikkeling.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
45
Bestemmingsplan ‘Achterbosch 12, 12a en 12b’ - toelichting
6. JURIDISCHE VORMGEVING 6.1
Inleiding
Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. Bovendien draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.
6.2
Toelichting op de verbeelding
De verbeelding heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden in het plangebied. De verbeelding bestaat uit een planverbeelding, getekend op een digitale kadastrale ondergrond. De bestemmingen ‘Agrarisch’, ‘Natuur’ en ‘Wonen’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ zijn opgenomen. Op de verbeelding is een plangrens en is de gebiedsaanduiding ‘‘maximaal aantal wooneenheden’ opgenomen. Door toevoeging van deze maatvoeringsaanduiding kan één woning worden gerealiseerd.
6.3
Algemene toelichting op de regels
De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De opbouw is als volgt: -
Betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen);
-
De gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingen);
-
Algemene regels (Hoofdstuk 3 Aanvullende regels);
-
Overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels).
Een bestemmingsartikel kan uit de volgende leden (in deze volgorde) worden opgebouwd: -
Bestemmingsomschrijving;
-
Bouwregels;
-
Nadere eisen;
-
Specifieke gebruiksregels;
-
Afwijking van de gebruiksregels;
Omgevingsvergunning voor het aanleggen. Met betrekking tot dit bestemmingsplan is voor de regels van dit plan aangesloten bij de vigerende bestemmingsplannen voor het plangebied.
6.4
Toelichting op de bestemmingen
6.4.1
Agrarisch
Met de deze herbestemming is de ligging van de natuurbestemming bij de woningen aan Achterbosch 12, 12a en 12b gewijzigd en is een bestaande paardenbak ook als zodanig bestemd. Deze paardenbak met omliggende gronden is bestemd als ‘Agrarisch’. ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
46
Bestemmingsplan ‘Achterbosch 12, 12a en 12b’ - toelichting
6.4.2
Natuur
Met de deze herbestemming is de ligging van de natuurbestemming bij de woningen aan Achterbosch 12, 12a en 12b gewijzigd. De regels voor de natuurbestemming zijn overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan.
6.4.3
Wonen
Met de deze herbestemming zijn de grenzen van de woonbestemmingen bij de woningen aan Achterbosch 12, 12a en 12b gewijzigd, zodat achter de woning aan Achterbosch 12b een bijgebouw kan worden gerealiseerd op de beoogde locatie en zodanig dat de aard en omvang van de woonbestemmingen in overeenstemming is met de eigendomssituatie.
6.4.4
Waarde – Archeologie 2
Het plangebied is in het vigerende bestemmingsplan voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ ter bescherming van eventuele archeologische waarden in de bodem. Deze dubbelbestemming is overgenomen in dit bestemmingsplan.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
47
Bestemmingsplan ‘Achterbosch 12, 12a en 12b’ - toelichting
7. UITVOERBAARHEID 7.1 Economische uitvoerbaarheid Voor herbestemming van het plangebied wordt deze bestemmingsplanprocedure doorlopen. De kosten voor die voor deze ontwikkeling door de gemeente worden gemaakt, worden verhaald op de initiatiefnemer. Bij kleinschalige ontwikkelingen wordt veelal geen exploitatieplan vastgesteld, maar wordt een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Hierin worden afspraken vastgelegd over de procedure, kosten, planschadeverhaal en aan te leveren stukken. Ook in deze procedure is door de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten met de gemeente Laarbeek. Op deze wijze is de financiële haalbaarheid van het plan gegarandeerd.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Dit bestemmingsplan wordt conform de wettelijke vereisten kenbaar gemaakt. Naar aanleiding van zienswijzen kan een heroverweging op deze onderdelen plaatsvinden en kan besloten worden dit bestemmingsplan op een aantal punten te wijzigen.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
48
Bestemmingsplan ‘Achterbosch 12, 12a en 12b’ - toelichting
8. PROCEDURE 8.1 Procedure De bestemmingsplanprocedure wordt beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. In de Wet ruimtelijke ordening zijn hierop nog enkele wijzigingen beschreven. Samengevat is de bestemmingsplanprocedure als volgt: −
het ontwerpbestemmingsplan ligt gedurende 6 weken ter inzage;
−
gedurende deze periode kan een ieder schriftelijke of mondelinge zienswijzen naar voren brengen aan de gemeenteraad;
−
binnen twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan stelt de gemeen-
−
de vaststelling van het bestemmingsplan dient binnen twee weken na de vaststelling bekend ge-
teraad het bestemmingsplan vast; maakt te worden behoudens de hieronder genoemde uitzonderingen; −
Gedeputeerde Staten hebben een zienswijze ingediend en deze zienswijze is niet of niet volledige door de gemeenteraad meegenomen in het vastgestelde bestemmingsplan;
−
De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan - met uitzondering van het overnemen van de zienswijzen van Gedeputeerde Staten - wijzigingen aangebracht.
Is één van bovenstaande twee gevallen aan de orde, dan mag het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan pas bekend zijn gemaakt nadat zes weken zijn verstreken.
8.2
Overleg
Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening geeft aan dat bij de voorbereiding van een wijzigingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Dit bestemmingsplan wordt aangeboden in het kader van het wettelijk vooroverleg. Dit plan wordt voorgelegd aan de Provincie Noord-Brabant en Waterschap De Dommel.
8.3
Zienswijzen
PM.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
49