6 20251218 Raadsvoorstel mandaatbesluit bevoegdheid mer-beoordelingsbeslissing
Tekst van het document
Zaaknummer:
34917-2025
Documentnummer:
34917-2025:454522
Raadsvergadering d.d. 18 december 2025
Aan de raad, Onderwerp Voorstel tot het mandateren van de bevoegdheid tot het nemen van een merbeoordelingsbeslissing aan het college van B&W Portefeuillehouder R.A.G. van den Berkmortel Beslispunten 1. Gelet op artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 16.36, vijfde lid, en artikel 16.43, tweede lid, van de Omgevingswet het college van burgemeester en wethouders het mandaat te verlenen tot het nemen van de merbeoordelingsbeslissing, in gevallen waarin de gemeenteraad het bevoegd gezag is voor het vaststellen van het plan, programma of project. Samenvatting Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn enkele procedurele bevoegdheden in het kader van de milieueffectrapportage (m.e.r.) verschoven. Onder oud recht was het college van B&W (mede) bevoegd om een mer-beoordelingsbesluit te nemen in het kader van de voorbereidingen tot het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan. Pas in de vaststellingsfase kwam de gemeenteraad als bevoegd gezag in beeld. Onder de Omgevingswet is het college in dit soort gevallen niet langer (automatisch) bevoegd om een mer-beoordelingsbeslissing te nemen. Met dit raadsvoorstel wordt beoogd om de bevoegdheid tot het nemen van de mer-beoordelingsbeslissing aan het college te mandateren in gevallen waarin de gemeenteraad het bevoegd gezag is voor het vaststellen van het plan, programma of project.
Daarmee gaan we terug naar de situatie zoals we die kenden onder de Wet milieubeheer (Wm) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zo kan het college – net als vroeger – zelfstandig Omgevingsplanwijzigingen voorbereiden, zonder dat plannen in twee instanties naar de gemeenteraad moeten ter besluitvorming. Dit bespaart kostbare tijd en capaciteit.
Zaaknummer:
34917-2025
Documentnummer:
34917-2025:454522
Aanleiding Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de regelgeving met betrekking tot de merbeoordelingsbeslissing op enkele procedurele punten gewijzigd. Op grond van Europese regelgeving is het nemen van een mer-beoordelingsbeslissing verplicht in situaties waarin de verwachting is dat een plan of project aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu. Ook een stedelijke ontwikkeling, zoals het ontwikkelen van een woonwijk of het vestigen van een supermarkt, valt in deze categorie. In concrete projecten binnen onze gemeente, zoals De Beekse Akkers fase II en Centrumontwikkeling Lieshout, lopen we hier tegenaan. Onder oud recht was ‘het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het voorbereiden dan wel vaststellen van een plan of besluit’ bevoegd om een mer-beoordelingsbesluit te nemen (artikel 7.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer). In de praktijk betekende dit dat ook het college bevoegd was om deze besluiten te nemen in de ontwerpfase van een bestemmingsplan, ongeacht het feit dat het besluit waarop de m.e.r. betrekking had een raadsbevoegdheid betrof. Onder huidig recht (artikel 16.42, tweede lid, van de Omgevingswet), is dat niet meer het geval en mag een mer-beoordelingsbeslissing, die al vóór terinzagelegging van het ontwerpbesluit moet zijn genomen, alleen nog door ‘het bevoegd gezag’ genomen worden.
Bij bijvoorbeeld het vaststellen van het omgevingsplan, waartoe de raad bevoegd is, betekent dit dat de mer-beoordelingsbeslissing alleen door de raad genomen mag worden. Het college staat in zoverre buiten spel en is niet meer in staat zelfstandig omgevingsplanwijzigingen voor te bereiden, ten behoeve van de uiteindelijke besluitvorming door de raad. Deze situatie leidt tot onnodige vertraging van de voorbereiding van wijzigingen van het Omgevingsplan (en overigens ook als het gaat om andere projecten, plannen en programma’s): anders dan voorheen moet een dergelijk besluit immers niet één, maar twee keer langs de raad. Dit heeft vanzelfsprekend ook een vertragend effect op het realiseren van de woningbouwopgave en verhoogt bovendien de administratieve last. Beoogd effect en/of resultaat Het onderhavige raadsvoorstel noopt tot het mandateren van de bevoegdheid tot het nemen van de mer-beoordelingsbeslissing aan het college. Daarmee gaan we, net als vele andere gemeenten, wat betreft de m.e.r. terug naar de situatie zoals we die kenden onder de Wm en de Wro.
Argumenten 1.1 Het nemen van de mer-beoordelingsbeslissing hoort bij de voorbereiding van het besluit over het plan, programma of project Het resultaat van de mer-beoordeling moet worden opgenomen in het ontwerp van het plan, programma of besluit, om zo te voldoen aan artikel 11.1, eerste lid, van het Omgevingsbesluit (voor plannen en programma’s) of artikel 11.11, tweede lid, van het Omgevingsbesluit (voor projecten). Het college bereidt een plan, programma of project voor ten behoeve van de besluitvorming. Het nemen van de merbeoordelingsbeslissing past hierbij. 1.2 Het nemen van de mer-beoordelingsbeslissing door burgemeester en wethouders levert tijdswinst op in de voorbereiding van een plan, programma of project en geeft
Zaaknummer:
34917-2025
Documentnummer:
34917-2025:454522
initiatiefnemer eerder duidelijkheid over het wel of niet noodzakelijk zijn van een milieueffectrapport. Wanneer de raad in de voorbereiding een mer-beoordelingsbeslissing moet nemen, bestaat het risico dat dit vertraging geeft in de procedure, omdat er voorafgaand of gelijktijdig met de ter inzagelegging van het ontwerpplan een raadsbesluit nodig is/ Dit geldt ook voor de kleinere plannen. Daarbij komt nog dat in artikel 11.11, eerste lid, van het Omgevingsbesluit staat dat het bevoegd gezag binnen zes weken na ontvangst van de mededeling vanuit het project (aanmeldnotitie), de beslissing neemt of er een milieueffectrapport gemaakt moet worden. Dit is weliswaar een termijn van orde, maar deze termijn kan in elk geval niet gehaald worden als er een raadsbesluit nodig. 1.3 Het mandateren van de bevoegdheid tot het nemen van een mer-beoordelingsbeslissing is een voortzetting van de bestaande werkwijze onder de Wet Milieubeheer. Onder de Wet milieubeheer waren zowel de raad als het college bevoegd een merbeoordelingsbesluit te nemen, ongeacht wie uiteindelijk het bevoegd gezag was voor het mer-beoordelingsplichtige besluit. Met deze mandatering wordt deze werkwijze voortgezet. Kanttekeningen o.a. financiële, juridische, communicatieve en veiligheidsaspecten Dit voorstel heeft geen consequenties op het gebied van financiën, communicatie of veiligheidsaspecten.
De juridische consequenties hiervan zijn de kern van dit voorstel, met daarbij de volgende kanttekening: 1. Raad blijft onverminderd bevoegd De mandaatverlening, waarmee voor het college de bevoegdheid ontstaat tot het nemen van een mer-beoordelingsbeslissing, doet niets af aan de bevoegdheid van de gemeenteraad om deze beslissing te nemen (artikel 10:7 van de Algemene wet bestuursrecht). Bovendien kan dit mandaat op elk moment door de raad worden ingetrokken (artikel 10:8 van de Algemene wet bestuursrecht). Vervolgstappen Bijlagen (meegezonden stuk(ken), ter inzage gelegde stukken) -
Concept raadsbesluit
Het college van burgemeester en wethouders, Loco-gemeentesecretaris
burgemeester
L.A.G.P. van der Aa
B. Brouwers
Zaaknummer:
34917-2025
Documentnummer:
34917-2025:454522