6 20231123 Bijlagen 1.6 bij toelichting Verkennend natuuronderzoek
Tekst van het document
Verkennend natuuronderzoek Heuvelsche Velden, Beek en Donk Oriënterend onderzoek in het kader van de weten regelgeving voor natuur
Verantwoording Titel Onderwerp: Projectnummer: Klant: Referentienummer Versie:
Verkennend natuuronderzoek Heuvelsche Velden, Beek en Donk Oriënterend onderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur 51006277 Ruimte voor Ruimte NL22-648800269-19405 D1
Datum:
17-03-2022
Auteur E-mailadres
Niels de Nijs niels.denijs@sweco.nl
Gecontroleerd door: Paraaf gecontroleerd
Gijs Meijer
Goedgekeurd door Paraaf goedgekeurd
Maarten Mouissie
2/21
Inhoudsopgave
Verantwoording .................................................................................................................................................. 2 1. 1.1 1.2 1.3 1.4
Inleiding ...................................................................................................................................................4 Aanleiding en doel ...................................................................................................................................4 Kader van het onderzoek ........................................................................................................................ 4 Ligging en beschrijving plangebied ......................................................................................................... 4 Voorgenomen ingreep .............................................................................................................................6
2. 2.1 2.2 2.3 2.4
Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden .................................................................................... 7 Toetsingskader ........................................................................................................................................ 7 Inventarisatie ........................................................................................................................................... 7 Analyse en toetsing van mogelijke effecten ............................................................................................9 Conclusie .................................................................................................................................................9
3. Wet natuurbescherming: soortenbescherming .....................................................................................10 3.1 Toetsingskader ......................................................................................................................................10 3.2 Methode .................................................................................................................................................11 3.3 Resultaten .............................................................................................................................................12 3.3.1 Planten ...............................................................................................................................................12 3.3.2 Vleermuizen........................................................................................................................................12 3.3.3 Vogels.................................................................................................................................................13 3.3.4 Overige zoogdieren ............................................................................................................................15 3.3.5 Amfibieën en reptielen........................................................................................................................15 3.3.6 Vissen
.................................................................................................................................................16 3.3.7 Ongewervelden ..................................................................................................................................16 4. 4.1 4.2 4.3 4.4
Provinciaal natuurbeleid ........................................................................................................................17 Toetsingskader ......................................................................................................................................17 Inventarisatie .........................................................................................................................................18 Analyse en toetsing van mogelijke effecten ..........................................................................................19 Conclusie ...............................................................................................................................................19
5. 5.1 5.2 5.3
Conclusie en aanbevelingen .................................................................................................................20 Wet natuurbescherming: onderdeel Natura 2000-gebieden .................................................................20 Wet natuurbescherming: onderdeel soortenbescherming ....................................................................20 Natuurnetwerk Nederland .....................................................................................................................21
Sweco | Verkennend natuuronderzoek Heuvelsche Velden, Beek en Donk Projectnummer: 51006277 Datum: 17-03-2022 Versie: D1 Document referentie: c:\users\nldokr\desktop\nieuwe map\2021\nl post archive\nl22-648800269-19405.docm
3/21
1. Inleiding 1.1 Aanleiding en doel Ruimte voor Ruimte (hierna RvR) is voornemens tot de ontwikkeling van woningbouw binnen de planlocatie Heuvelsche Velden in de dorpskern van Beek, gemeente Beek en Donk. Om woningbouw mogelijk te maken, zijn er ruimtelijke ordening procedures noodzakelijk. In dat kader heeft RvR, Sweco Nederland B.V. gevraagd een verkennend natuuronderzoek uit te voeren. Om mogelijke schadelijke effecten van deze werkzaamheden op beschermde flora en fauna en beschermde (natuur)gebieden vast te stellen, toetsen we de ontwikkeling aan de actuele wet- en regelgeving voor natuur.
1.2 Kader van het onderzoek We toetsen de voorgenomen werkzaamheden aan de wet- en regelgeving voor natuur: · Wet natuurbescherming: ° Natura 2000-gebieden; ° soorten(bescherming); · Provinciaal beleid: ° Natuurnetwerk Brabant (NNB); ° eventueel gebieden buiten het NNN. We richten ons met het verkennend onderzoek op het verkrijgen van een eerste inzicht in de mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden in en om het plangebied. Dit betreft toetsing van effecten op beschermde Natura 2000-gebieden, beschermde soorten onder de Wet natuurbescherming en op effecten die raakvlak hebben met het natuurbeleidskader van provincie Noord-Brabant. In voorliggende rapportage beschrijven we de noodzaak tot het nemen van vervolgstappen, zoals aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek of eventuele nader te volgen procedures.
1.3 Ligging en beschrijving plangebied Het plangebied is gelegen langs de Pater Becanusstraat en de Oostbeemdweg langs de Goorloop, ten westen van de dorpskern van Beek, gemeente Beek en Donk (Figuur 1-1). Het plangebied bestaat voor het overgrote deel uit agrarische grond (grasland/akkerland). Aan de westzijde van het plangebied loopt een watergang, de Goorloop. Ten noorden, oosten en zuiden grenst het plangebied aan de dorpskern van Beek. Een foto impressie van het plangebied is weergegeven in Figuur 1-2.
Sweco | Verkennend natuuronderzoek Heuvelsche Velden, Beek en Donk Projectnummer: 51006277 Datum: 17-03-2022 Versie: D1
4/21
Figuur 1-1
Ligging en begrenzing (rood omkaderd) van het plangebied Heuvelsche Velden, Beek en Donk
Figuur 1-2
Foto impressie van het plangebied Heuvelsche Velden, Beek en Donk
Sweco | Verkennend natuuronderzoek Heuvelsche Velden, Beek en Donk Projectnummer: 51006277 Datum: 17-03-2022 Versie: D1
5/21
1.4 Voorgenomen ingreep In het plangebied heeft RvR het voornemen om woningbouw te realiseren. Hiervoor is een voorlopig inrichtingsschets beschikbaar welke weergegeven is in Figuur 1-3. Totaal wordt voorzien in circa 65 woningen, waarbij een mix van woningtypen is voorzien. Verder wordt een ecologische-/natuurzone ontwikkeld aan de westzijde van het plangebied. Het voormalige cultuurhistorische landschap wordt hier hersteld dan wel teruggebracht middels de realisatie van een vloeiweide, herstel van de beekloop en de landschapsversterking van het beekdal. De uitwerking van deze zone is nader toegelicht in de Landschappelijke visie1.
Figuur 1-3
Inrichtingsschets Heuvelsche Velden, Beek en Donk
1 Verhoeven de Ruijter, 2020. Landschappelijke visie Hoge Regt Noord, Gemeente Beek en Donk. 23 november 2020.
Sweco | Verkennend natuuronderzoek Heuvelsche Velden, Beek en Donk Projectnummer: 51006277 Datum: 17-03-2022 Versie: D1
6/21
2. Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden 2.1 Toetsingskader Bescherming van Natura 2000-gebieden vindt plaats op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. Daarbij zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor natuurlijke habitats en/of soorten. Dit kunnen behoudsdoelstellingen zijn voor habitats en leefgebieden van soorten die zich al op het gewenste niveau (kwalitatief en kwantitatief) bevinden of respectievelijk uitbreidings- en verbeterdoelstellingen voor habitats en leefgebieden van soorten die zich nog niet op het gewenste niveau bevinden. Om dit toetsbaar te maken, kent de Wnb een goedkeuringsvereiste voor plannen die significante gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, eerste lid, Wnb) en een vergunningsplicht voor projecten en andere handelingen die (significant) negatieve gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, tweede lid, Wnb).
De Wet stikstofreductie en natuurverbetering voorziet sinds 1 juli 2021 in een partiële vrijstelling van de vergunningsplicht voor stikstofemissies, afkomstig van bouw- en sloopwerkzaamheden. De aanlegfase kan vanaf die datum buiten beschouwing gelaten worden voor de beoordeling van de vergunningsplicht. De goedkeuring of de vergunning met betrekking tot stikstofemissies in de gebruiksfase wordt alleen verleend wanneer voldoende zeker is dat de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende Natura 2000-gebied niet in het geding zijn. Wanneer significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden op grond van een passende beoordeling niet kunnen worden uitgesloten, kan alleen goedkeuring aan het plan of een vergunning voor het project worden verleend, indien de ADCtoets met succes doorlopen kan worden (artikel 2.8, vierde lid, Wnb). Dat betekent dat het project nodig is omwille van een dwingende reden van groot openbaar belang, er geen alternatief mag zijn met minder grote effecten op Natura 2000 en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen. In de navolgende paragrafen is beoordeeld of er effecten op kunnen treden op Natura 2000-gebieden en zo ja, wat de benodigde vervolgstappen zijn.
2.2 Inventarisatie Voor de inventarisatie van Natura 2000-gebieden is gebruik gemaakt van de Natura 2000gebiedenkaart van PDOK, beschikbaar via het Nationaal Georegister. Hieruit blijkt dat het Natura 2000-gebied ‘Strabrechtse Heide & Beuven’ het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is dat zich op een afstand van circa 12 km ten zuiden van het plangebied bevindt (Figuur 2-1). Alle Natura 2000-gebieden binnen een afstand van 20 km van het plangebied zijn weergegeven in Tabel 2.1 Overige Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 20 km afstand en zijn, gelet op deze aanzienlijke afstand in voorliggende toetsing, buiten beschouwing gelaten omdat effecten niet tot deze afstand zullen reiken. Tabel 2.1
Afstand van nabijgelegen Natura 2000-gebieden tot het plangebied
Natura 2000-gebied
Afstand tot plangebied (kilometer)
Strabrechtse Heide & Beuven
12 km
Deurnseche Peel & Mariapeel
15 km
Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux
15 km
Sweco | Verkennend natuuronderzoek Heuvelsche Velden, Beek en Donk Projectnummer: 51006277 Datum: 17-03-2022 Versie: D1
7/21
Figuur 2-1
Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura-2000 gebieden in de omgeving
Sweco | Verkennend natuuronderzoek Heuvelsche Velden, Beek en Donk Projectnummer: 51006277 Datum: 17-03-2022 Versie: D1
8/21
2.3 Analyse en toetsing van mogelijke effecten Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van Natura 2000-gebieden en maakt geen deel uit van het leefgebied voor kwalificerende Habitat- en/of Vogelrichtlijnsoorten van nabijgelegen Natura 2000gebieden. De Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten waarvoor de nabijgelegen gebieden zijn aangewezen, hebben tevens geen ecologische relatie met het plangebied. Van een (indirect) oppervlakteverlies van leefgebied van kwalificerende soorten in of buiten Natura 2000-gebieden is derhalve geen sprake. Effecten, zoals verdroging, vernatting, optische-, licht- en geluidsverstoring dan wel overige directe effectindicatoren, reiken slechts tot enkele honderden meters ver en zijn vanwege de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden (Tabel 2.1) op voorhand uit te sluiten. Bij de uitvoering van de werkzaamheden zal gebruik worden gemaakt van een nog nader te bepalen inzet van mobiele werktuigen, hetgeen gepaard gaat met stikstofemissie. Voor stikstofdepositie voorziet de Wet stikstofreductie en natuurverbetering per 1 juli 2021 in een partiële vrijstelling van de vergunningsplicht voor stikstofemissies, afkomstig van bouw- en sloopwerkzaamheden. De aanlegfase kan vanaf die datum buiten beschouwing gelaten worden voor de beoordeling van de vergunningsplicht.
Deze vrijstelling geldt niet alleen voor de bouw en sloop van woningen, utiliteitsgebouwen en andere bouwwerken (zoals bruggen en viaducten) maar ook voor aanlegactiviteiten van andere werken, zoals voor wegen, rioleringen, leidingen, waterkeringen, duurzame energieopwekking en energie-infrastructuur. De aanlegfase van dit project valt ook onder deze vrijstelling. In de gebruiksfase gaat de autonome situatie gepaard met emissies van stikstof van het wegverkeer van en naar de woningen en eventuele emissies van stikstof ten gevolge van de verwarming van de woningen. Deze emissie kan zich vrij gemakkelijk via de lucht over grotere afstand verplaatsen en zodoende een toename in stikstofdepositie veroorzaken op de meest nabijgelegen Natura 2000gebieden. Gelet op de relatief grote afstand ten opzichte van Natura 2000-gebieden en de relatief kleine schaal van de ontwikkeling wordt niet verwacht dat het zal leiden tot een meetbare toename aan stikstofdepositie in Natura 2000 gebieden. Deze verwacht dient gestaafd te worden middels een AERIUS-berekening.
2.4 Conclusie Gelet op de relatief grote afstand tot nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn directe effecten, zoals verdroging, vernatting, optische-, licht- en geluidsverstoring, op voorhand uitgesloten. Hierdoor is er geen noodzaak tot een nadere beschouwing op deze effectindicatoren. Voor de realisatiefase geldt dat er effecten van het plan op de stikstofdepositie ontstaan in de bouwfase en gebruiksfase. Op basis van de huidige wetgeving kunnen de effecten in de bouwfase buiten beschouwing worden gelaten. Voor de gebruiksfase van het plan dient berekend te worden wat de toename van de depositie is ten gevolge van de maximale planologische mogelijkheden. Voor de gebruiksfase dienen de effecten van de emissies van stikstof van het wegverkeer van en naar de woningen en eventuele emissies van stikstof ten gevolge van de verwarming van de woningen bepaald te worden. Voor een bestemmingsplan mogen de verschillen inzichtelijk worden gemaakt ten opzichte van de referentiesituatie. De referentiesituatie betreft de huidige feitelijke situatie. Een nadere berekening van de effecten van stikstof middels AERIUS Calculator is noodzakelijk.
Sweco | Verkennend natuuronderzoek Heuvelsche Velden, Beek en Donk Projectnummer: 51006277 Datum: 17-03-2022 Versie: D1
9/21
3. Wet natuurbescherming: soortenbescherming 3.1 Toetsingskader In de Wet natuurbescherming (Wnb) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. Hierbij worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd met verschillende verbodsbepalingen:
Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.) ·
Lid 1)
·
Lid 2)
·
Lid 3)
· ·
Lid 4) Lid 5)
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.) ·
Lid 1)
· ·
Lid 2) Lid 3)
·
Lid 4)
·
Lid 5)
Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) ·
Lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: ° Onderdeel a) in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. ° Onderdeel b) de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of ° Onderdeel c) vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnsoorten geldt dat voortplantings- en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet opzettelijk verstoord of vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet opzettelijk) mogen worden gedood of verwond.
Sweco | Verkennend natuuronderzoek Heuvelsche Velden, Beek en Donk Projectnummer: 51006277 Datum: 17-03-2022 Versie: D1
10/21
Voor Andere soorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet (opzettelijk) vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Verbodsbepalingen ten aanzien van de verstoring zijn niet van toepassing op deze soorten. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 Wet Natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld en de voorgenomen activiteiten strijdig zijn met de bepalingen in de Wnb, geldt een ontheffingsplicht. Een ontheffing kan alleen worden verleend, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is mogelijk om ten aanzien van Andere soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wnb, mits de voorgenomen activiteit als zodanig in de gedragscode is beschreven. Er is dan geen ontheffing nodig.
In provincie Noord-Brabant geldt voor ruimtelijke ingrepen een vrijstelling voor soorten uit de soortgroepen zoogdieren (aardmuis, bosmuis, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, eekhoorn, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, steenmarter, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat), reptielen (hazelworm en levendbarende hagedis en amfibieën (bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en bastaardkikker). Naast bovengenoemde verbodsartikelen bevat de Wnb een algemeen geldende zorgplicht. Deze zorgplicht is te allen tijde van toepassing en geldt ook voor niet beschermde flora en fauna:
Zorgplicht (artikel 1.11) · ·
Lid 1) Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Lid 2) De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: ° onderdeel a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, ° onderdeel b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of ° onderdeel c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
3.2 Methode De inventarisatie betreft een onderzoek naar de actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten in het plangebied. Hierbij maken we onderscheid tussen het bronnenonderzoek en een oriënterend veldbezoek. Op basis hiervan volgt een habitatgeschiktheidsbeoordeling.
Bronnenonderzoek Het bronnenonderzoek heeft als doel een overzicht te verkrijgen van de beschikbare informatie met betrekking tot het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied en omgeving. Hiervoor zijn onder andere landelijke (digitale) verspreidingsatlassen (waaronder de NDFF-Verspreidingsatlas (www.verspreidingsatlas.nl)), regionale verspreidingsatlassen en, wanneer beschikbaar, voorgaande onderzoeken geraadpleegd. Ook zijn data direct uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) gebruikt van de afgelopen 5 jaar.
Habitatgeschiktheidsbeoordeling Op basis van een oriënterend veldbezoek is de geschiktheid van biotopen voor beschermde soorten beoordeeld. Deze beoordeling brengt samen met het bronnenonderzoek de beschermde soorten(groepen) in beeld die in het plangebied (kunnen) voorkomen. Het veldbezoek heeft plaats gevonden op 19 oktober 2021 door Niels de Nijs, deskundig ecoloog van Sweco.
Sweco | Verkennend natuuronderzoek Heuvelsche Velden, Beek en Donk Projectnummer: 51006277 Datum: 17-03-2022 Versie: D1
11/21
Analyse en toetsing van mogelijke effecten Op basis van het bronnenonderzoek en de habitatgeschiktheidsbeoordeling wordt een inschatting gemaakt in hoeverre de te verwachten soort(groepen)en en/of het geschikte biotoop beïnvloed wordt door de voorgenomen activiteit. Hieruit wordt duidelijk voor welke soort(groepen) er nader (veld)onderzoek en eventueel het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wnb aan de orde is. Het onderzoek beperkt zich tot op grond van de Wnb beschermde planten- en diersoorten. Nietbeschermde Rode lijstsoorten die in het plangebied (kunnen) voorkomen, zoals diverse soorten paddenstoelen en vaatplanten, worden niet in het onderzoek betrokken omdat deze soorten niet relevant zijn voor toetsing aan de Wnb. Zij kunnen echter wel worden benoemd ten behoeve van bovenwettelijke maatregelen.
3.3 Resultaten 3.3.1
Planten
Actueel en potentieel voorkomende soorten Uit bestaande gegevens ontbreken waarnemingen van planten die beschermd zijn conform de Wet natuurbescherming binnen en in de omgeving van het plangebied. Het plangebied bestaat uit een agrarisch perceel, waar (zaai-)uien zijn geteeld. Beschermde planten betreffen veelal (zeer) zeldzame soorten die doorgaans specifieke habitateisen aan hun groeiplaats stellen, gekenmerkt door een gering verspreidingsgebied. Het aanwezige biotoop is, gezien zijn (voormalige) functie als akkerland, kenmerkend voor een voedselrijke ondergrond en is ongeschikt voor beschermde flora.
Effectanalyse Op basis van het ontbreken van bekende verspreidingsgegevens en geschikte groeiplaatsen binnen het plangebied ,kan het voorkomen van beschermde flora op voorhand worden uitgesloten.
3.3.2
Vleermuizen
Actueel en potentieel voorkomende soorten Uit bestaande gegevens blijkt het voorkomen van de gewone dwergvleermuis in de directe omgeving van het plangebied (in de aangrenzende woonwijk Beek). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle vleermuissoorten beschermd conform bijlage IV van de Habitatrichtlijn (artikel 3.5 Wnb). Bestaande waarnemingen van vleermuizen nabij het plangebied hebben uitsluitend betrekking op jagende/ foeragerende waarnemingen. Vleermuizen maken (soortafhankelijk) gebruik van gebouwen of oude bomen met holtes en spleten als rust- en voortplantingsplaats. Vleermuissoorten, zoals de gewone dwergvleermuis, zijn typische gebouw bewonende soorten. Zij verblijven onder andere in spouwmuren of onder dakpannen, mits deze over een geschikt microklimaat beschikken. In het plangebied zijn geen bomen aanwezig die kunnen fungeren als zodanig. Het plangebied betreft een terrein zonder geschikte bomen of bebouwing. Een functie van het plangebied als verblijfplaats voor vleermuizen is derhalve op voorhand uitgesloten. Het aanwezige schuurtje binnen het plangebied betreft een gebouw met golfplaten dak en enkel steens muren zonder spouw (Figuur 1-2; foto 2). Door het open karakter van deze schuur ontbreekt een geschikt microklimaat. Derhalve is een functie als vaste rust- en voortplantingsplaats voor vleermuizen op voorhand uitgesloten.
De eikenbomen langs de noordzijde van het plangebied, langs de Pater Becanusstraat, beschikken mogelijk over geschikte holtes en zijn, gelet op de omvang, geschikt als verblijfplaatsen voor vleermuizen. Deze bomen vallen echter buiten de begrenzing van het plangebied en invloedssfeer van de voorgenomen ontwikkeling. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige structuren en elementen, zoals bijvoorbeeld bomenlanen, bomenrijen, houtwallen en watergangen als vliegroutes. Met name voor het verbinden van foerageergebieden met verblijfplaatsen, zijn deze elementen van belang voor vleermuizen als functioneel leefgebied. Dergelijke lijnvormige elementen ontbreken binnen het plangebied.
Sweco | Verkennend natuuronderzoek Heuvelsche Velden, Beek en Donk Projectnummer: 51006277 Datum: 17-03-2022 Versie: D1
12/21
Lijnvormige elementen zijn in de omgeving van het plangebied aanwezig in de vorm van een bomenrij van eiken langs de Pater Becanusstraat. Deze vallen buiten de scope van de voorgenomen ontwikkeling. Een mogelijke functie van deze bomenrij als vliegroute wordt niet aangetast. Geschikt jachtbiotoop voor vleermuizen bestaat uit (half)hoge, insectrijke (kruidenrijke) vegetatie. Het overgrote deel van het plangebied bestaat uit vrijwel volledig open terrein met kort gemaaid gras, akkerland of mais, wat het niet aantrekkelijk maakt als foerageergebied. Het is aannemelijk dat vleermuizen foerageren langs de groenstructuren van de randen van het plangebied met name nabij de Goorloop en incidenteel boven het plangebied. Er is derhalve geen sprake van aantasting van essentieel foerageergebied van vleermuizen.
Effectenanalyse Doordat geschikte bomen met invliegopeningen en achterliggende holtes/ruimtes volledig ontbreken binnen het plangebied, is de aanwezigheid van rust- en voortplantingsplaatsen voor boombewonende vleermuizen op voorhand uitgesloten. Een functie van het plangebied als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen is eveneens op voorhand uitgesloten, gelet op het ontbreken van voor vleermuizen geschikte gebouwen. Binnen het plangebied zijn geen vliegroutes aanwezig. Mogelijke aanwezige vliegroutes in de omgeving van het plangebied worden niet aangetast door de beoogde ontwikkeling. Het is aannemelijk dat vleermuizen foerageren langs de groenstructuren van de randen van het plangebied, met name nabij de Goorloop en incidenteel boven het plangebied. Een essentiële functie hiervan is echter uitgesloten, evenals aantasting van foerageergebied van vleermuizen als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Nader onderzoek naar vleermuizen is niet noodzakelijk.
3.3.3
Vogels
Actueel en potentieel voorkomende soorten Bepaalde vogelsoorten gebruiken nesten buiten het broedseizoen ook als vaste rust- en nestplaats. Deze nesten zijn daarom, voor zover ze niet permanent verlaten zijn, jaarrond beschermd (Textbox 1). Uit gegevens van de NDFF (2016-2021) blijkt dat in de omgeving van het projectgebied de volgende vogelsoorten voorkomen met jaarrond beschermde nest- en rustplaatsen (categorie 1 tot en met 4): boomvalk, steenuil, buizerd, huismus, slechtvalk, havik, roek, grote gele kwikstaart en gierzwaluw (Vogelrichtlijnsoorten art. 3.1 Wnb). Textbox 1
Vogels met een jaarrond beschermde nesten
Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming het gehele seizoen: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil). 2.Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus). 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk). 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil). 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd.
Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Indien dit het geval is, is een omgevingscheck benodigd.
Sweco | Verkennend natuuronderzoek Heuvelsche Velden, Beek en Donk Projectnummer: 51006277 Datum: 17-03-2022 Versie: D1
13/21
Het plangebied vormt geen geschikt broedbiotoop voor vogels, zoals boomvalk, havik, buizerd en roek. Dit wordt namelijk globaal gevormd door bosschages en bossen, met open plekken. Dit is aanwezig in de omgeving van het plangebied, vanwaar de waarnemingen ook afkomstig zijn. Wel kan de omgeving van het plangebied fungeren als jachtbiotoop van deze soorten en kunnen zij daarom incidenteel in (de omgeving van) het plangebied voorkomen. Een essentiële functie hiervan is echter uitgesloten. Van de buizerd, havik, sperwer en boomvalk zijn eveneens geen horsten (roofvogelnesten) waargenomen binnen het plangebied en directe omgeving. In het plangebied zijn er ook geen geschikte nestbomen aanwezig. De roek is een koloniebroeder. Aan de noordzijde van het plangebied zijn kolonies bekend in het park tussen de Lage Heesweg en IJsweg. Echter op basis van de waarnemingen uit de NDFF maken deze vogels slechts sporadisch gebruik van het projectgebied om te foerageren. Tijdens het veldbezoek zijn er ook geen foeragerende roeken waargenomen. Het plangebied vormt als akkerland geen essentieel foerageergebied voor de roek. Hetzelfde geld voor de steenuil, huismus, kerkuil en gierzwaluw die met betrekking tot hun broedbiotoop gebonden zijn aan de boerderijen, woonerven en woningen in de directe omgeving.
Voor deze soorten ontbreekt geschikt broedbiotoop binnen het plangebied, gelet op de afwezigheid van (geschikte) gebouwen en schuren. Wel kan het plangebied fungeren als foerageergebied van deze soorten en kunnen zij daarom incidenteel in (de omgeving van) het plangebied voorkomen. Een essentiële functie hiervan is echter uitgesloten. Dit, gelet op het open karakter van het plangebied waarbij een kleinschalige (rommelige) inrichting met houtwallen en heggen en derhalve dekking, ontbreekt. Uit bestaande gegevens blijkt dat de steenuil in de omgeving van het plangebied is waargenomen. De waarnemingen zijn afkomstig van de boerderij aan de Pater Becanusstraat 77A te Beek en Donk. Het plangebied vormt géén optimaal geschikt jachtbiotoop voor de steenuil, gezien de monotone inrichting en vegetatiehoogte binnen het plangebied en het ontbreken van een kleinschalige inrichting. De voorgenomen ontwikkeling heeft daarmee naar verwachting geen negatief effect op de functionaliteit van nestplaatsen van de steenuil in de omgeving. Potentiële nestplaatsen, zoals oude wilgen of schuurtjes, zijn in het projectgebied niet aanwezig. Gelet op de inrichting van de omgeving met boerderijen en erven, zijn nestplaatsen van de steenuil, grenzend aan het plangebied, echter niet met zekerheid uitgesloten. Binnen het plangebied komt mogelijke grote gele kwikstaart voor langs de oevers van de Goorloop.
Deze soort komt voor, broedt en foerageert vrijwel uitsluitend langs de oevers van beken met (snel)stromend water. Dit biotoop is aanwezig op de grens van het plangebied langs de Goorloop. De beoogde ontwikkeling heeft echter geen aantasting van de beekloop tot gevolg. Er zijn binnen het plangebied geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen van eerdergenoemde soorten of overige soorten met een jaarrond beschermde nestplaats.
Effectanalyse Binnen het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten van categorie 1 tot en met 4 soorten aangetroffen of te verwachten. Het plangebied kan een functie hebben als foerageergebied van vogels die een jaarrond beschermd nest in de omgeving hebben. Dit geldt voor de steenuil die, gelet op de inrichting van de omgeving met boerderijen en erven, mogelijkerwijs zijn nestplaats, grenzend aan het plangebied, heeft. Een functie van het plangebied als onderdeel van het leefgebied van de steenuil is derhalve niet met zekerheid op voorhand uitgesloten. Nader soortgericht veldonderzoek naar de functie van het plangebied voor steenuil is derhalve noodzakelijk. Een essentiële functie van het plangebied voor overige vogels met een jaarrond beschermde nestplaats is echter uitgesloten. Dit, gelet op het open karakter van het plangebied waarbij het ontbreekt aan een kleinschalige (rommelige) inrichting met houtwallen en heggen. Nader onderzoek naar jaarrond beschermde vogels is niet noodzakelijk.
Sweco | Verkennend natuuronderzoek Heuvelsche Velden, Beek en Donk Projectnummer: 51006277 Datum: 17-03-2022 Versie: D1
14/21
3.3.4
Overige zoogdieren
Actueel en potentieel voorkomende soorten In de omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen bekend van zoogdieren die beschermd zijn conform de Wet natuurbescherming. Het betreffen waarnemingen van bever, bunzing, das en eekhoorn (Andere soorten art. 3.10 Wnb). Het plangebied is beoordeeld op typische elementen die duiden op de aanwezigheid van rust- en voortplantingsplaatsen, evenals geschikt biotoop voor beschermde (niet vrijgestelde) soorten van de soortgroep overige zoogdieren. De (oevers van de) Goorloop, ten zuidwesten van het plangebied, vormen in potentie geschikt leefgebied voor de bever. Het overgrote deel van de oevers hebben een flauw talud wat niet (optimaal) geschikt is voor de bever om burchten of oeverholen te maken. Mogelijk passeren bevers incidenteel de Goorloop. Bestaande waarnemingen uit het NDFF zijn uitsluitend afkomstig ten oosten van het plangebied, aan de overzijde van de dorpskern Beek en Donk in de zijbeken van de ZuidWillemsvaart. Waarnemingen van bever in de Goorloop zijn niet bekend. Er zijn geen oeverholen of glijsporen aangetroffen of andere sporen die duidden op frequent gebruik van de watergangen. Dit sluit de aanwezigheid van geschikt leefgebied met mogelijke oeverholen echter niet geheel uit. Met de beoogde ontwikkeling wordt de Goorloop echter niet aangetast. Voor de eekhoorn vormt het plangebied geen geschikt leefgebied.
Binnen het plangebied ontbreekt de aanwezigheid van aaneengesloten voedselrijk bos met dekking, hetgeen essentieel is voor de eekhoorn als leefgebied. Een functie van het plangebied als essentieel leef- en/of foerageergebied van de eekhoorn is op voorhand uitgesloten. Tijdens het veldbezoek zijn geen burchten of sporen (prenten, wissels, latrines, haren, snuit- of mestputjes) van de das aangetroffen binnen het plangebied of de directe omgeving hiervan. Verder blijkt, na het raadplegen van verspreidingsgegevens bij de dassenwerkgroep en Stichting Das&Boom, dat ook in de directe omgeving van het plangebied geen burchtlocaties van de das aanwezig zijn. Een functie van het plangebied als (essentieel) leefgebied voor de das is daarmee op voorhand uitgesloten. Bestaande waarnemingen uit het NDFF zijn voornamelijk afkomstig ten noordwesten van het plangebied uit de Mariahoutse bossen en visvijvers ’t Luytelaar.
Effectanalyse Met de beoogde ontwikkeling wordt de Goorloop niet aangetast. Negatieve effecten op de bever zijn derhalve uitgesloten. Een functie van het plangebied als leefgebied voor overige (niet vrijgestelde) beschermde zoogdieren, is op voorhand uitgesloten door het ontbreken van geschikt habitat. Nader onderzoek naar (overige) zoogdieren is niet noodzakelijk.
3.3.5
Amfibieën en reptielen
Actueel en potentieel voorkomende soorten Uit bestaande gegevens blijkt het voorkomen van conform de Wet natuurbescherming beschermde amfibieën. Het betreft waarnemingen van de Alpenwatersalamander (Andere soorten art. 3.10 Wnb). Van beschermde en reptielen zijn in de omgeving geen waarnemingen bekend. De Alpenwatersalamander komt voor in de buurt van bos of houtwallen en is met betrekking tot het voorplantingswater niet kieskeurig. De Goorloop betreft een langzaam stromende beek en is derhalve niet geschikt als voortplantingswater voor deze soort, mede gelet op de aanwezigheid van vis (lees predatie). Het plangebied bestaat uit een agrarische akker zonder geschikte landbiotoop voor beschermde amfibieën waaronder de alpenwatersalamander. Het ontbreekt aan de aanwezigheid van structuur in de bodem, kruidenrijke vegetatie en geschikte waterlichamen (zoals zwak gebufferde vennen) in (de omgeving van) het plangebied die kunnen fungeren als leefgebied voor overige beschermde amfibieën en beschermde reptielen.
Sweco | Verkennend natuuronderzoek Heuvelsche Velden, Beek en Donk Projectnummer: 51006277 Datum: 17-03-2022 Versie: D1
15/21
Effectanalyse De Goorloop wordt niet aangetast als gevolg van de voorgenomen ingreep. Tevens is deze niet geschikt als voorplantingswater van de Alpenwatersalamander. Negatieve effecten zijn hierdoor uitgesloten. Het is daarnaast aannemelijk dat algemeen voorkomende, beschermde amfibieën voorkomen in het plangebied, zoals bastaard kikker, bruine kikker en/of gewone pad. Voor deze soorten geldt echter een vrijstelling van ontheffingsplicht.
3.3.6
Vissen
Actueel en potentieel voorkomende soorten Binnen en in de directe omgeving van de voorgenomen ingreep zijn geen bestaande waarnemingen bekend van vissen die beschermd zijn conform de Wet natuurbescherming (Habitatrichtlijn soorten art. 3.5 en Andere soorten art. 3.10 Wnb). De grote modderkruiper prefereert ondiepe wateren met een dikke modderlaag en een uitbundige waterplantengroei. Gezien de hoeveelheid slib en watervegetatie in de watergangen, maakt deze mogelijk geschikt voor grote modderkruiper. Van deze soort is in 2013 een waarneming gedaan (Ravon, 2013) uit de Goorloop ten noorden van het plangebied. De Goorloop staat direct in verbinding met het deel van de Goorloop waar de waarneming van grote modderkuiper bekend is. Echter, de Goorloop wordt niet aangetast door de voorgenomen ontwikkeling.
Effectanalyse Het plangebied (de Goorloop) is geschikt als leefgebied voor de grote modderkruiper. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de Goorloop niet aangetast. Indien toch werkzaamheden aan de Goorloop noodzakelijk zijn, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden (e-DNA analyse).
3.3.7
Ongewervelden
Actueel en potentieel voorkomende soorten In de directe omgeving van de voorgenomen ingreep zijn waarnemingen bekend van ongewervelden die beschermd zijn conform de Wet natuurbescherming. Het betreft hier het voorkomen van grote vos, kleine ijsvogelvlinder en spiegeldikkopje (Andere soorten, art. 3.10 Wnb). De grote vos komt voor in (open) vochtige bossen, bosranden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. De kleine ijsvogelvlinder komt voor in (vochtige) gemengde bossen of loofbossen, zoals elzenbroekbos, met hierin zijn waardplant (wilde/rode kamperfoelie). Spiegeldikkopje leeft in vochtige tot natte, grazige ruigten bij beekbegeleidende broekbossen of hakhoutbosjes en (gedegenereerde) hoogveen gebieden. Al deze hierboven genoemde biotopen ontbreken binnen het plangebied en zijn in de omgeving enkel aanwezig binnen het natuurgebied de Biezen en langs de Esperloop, op grote afstand ten zuidoosten van het plangebied vanwaar de waarnemingen dan ook afkomstig zijn. Beschermde soorten ongewervelden zijn doorgaans (zeer) zeldzame soorten met zeer specifieke habitateisen en een gering verspreidingsgebied. Gelet op de aard en inrichting van het plangebied als voedselrijk agrarische akkerland, is deze ongeschikt als essentieel leefgebied voor beschermde ongewervelden.
Effectanalyse Een functie van de plangebieden voor beschermde ongewervelden is uitgesloten, gelet op het ontbreken van bestaande waarnemingen binnen en in de directe omgeving van het plangebied. Bekende waarnemingen zijn gerelateerd aan biotopen welke aanwezig zijn om grote afstand tot het plangebied, buiten de invloedssfeer van de ontwikkeling. Nader onderzoek naar beschermde ongewervelden is niet noodzakelijk.
Sweco | Verkennend natuuronderzoek Heuvelsche Velden, Beek en Donk Projectnummer: 51006277 Datum: 17-03-2022 Versie: D1
16/21
4. Provinciaal natuurbeleid 4.1 Toetsingskader Het beleidskader van de overheid dat niet in wetgeving is vastgelegd bestaat uit: ·
Provinciaal beleid: ° Natuurnetwerk Brabant (NNB); ° Groenblauwe mantel.
Het Natuurnetwerk Nederland is op provinciaal niveau uitgewerkt tot het provinciale natuurnetwerk met kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden, beheergebieden en robuuste ecologische verbindingszones. De wettelijke bescherming (Wro) van het NNN is geregeld via het bestemmingsplan. Het NNN is in Noord-Brabant provinciaal vastgelegd in de Verordening Ruimte 2020 onder de naam Natuur Netwerk Brabant. Het Natuur Netwerk Brabant (NNB) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter-)nationaal belang. Het doel van het NNB-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Het NNB hangt samen met het Natuur Netwerk in de andere delen van Nederland (NNN) en met het Europese net van natuurgebieden (Natura 2000). Om de robuustheid van het systeem te bevorderen, zijn er gebieden opgenomen als verbinding tussen het Natuur Netwerk Brabant en het Landelijk gebied; de Groenblauwe mantel. Het beleid in de Groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Binnen de groenblauwe mantel is ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, met een meer extensief karakter en als die bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap.
De Groenblauwe mantel maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. De afweging voor ingrepen in het NNN gaat volgens het ‘nee, tenzij’-principe. In figuur 4.1 is dit stapsgewijs weergegeven. Ingrepen met een significant negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden mogen niet plaatsvinden, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en indien er geen alternatieven zijn. Indien bij een ingreep schade wordt aangericht aan een NNN-gebied, dan dient dit in ieder geval gemitigeerd te worden. De resteffecten aan verlies van kwaliteit en/of oppervlakte dient te worden gecompenseerd. Daarnaast kan salderen van positieve en negatieve effecten op het NNN uitkomst bieden om projecten in het NNN te realiseren. Het verkennend natuuronderzoek geeft inzicht in de ligging van NNB-gebieden in de omgeving van het plangebied en de noodzaak voor het doorlopen van ‘nee, tenzij, procedure’. Provincie NoordBrabant erkent daarbij ook effecten op het NNB vanuit externe werking. Een ‘nee, tenzij-toets’ behoeft alleen te worden doorlopen, indien er sprake is van een RO-procedure met betrekking tot wijziging van de bestemming van het plangebied.
Sweco | Verkennend natuuronderzoek Heuvelsche Velden, Beek en Donk Projectnummer: 51006277 Datum: 17-03-2022 Versie: D1
17/21
Figuur 4.1
Het ”nee, tenzij"-principe van het compensatiebeginsel
4.2 Inventarisatie Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNB. De Goorloop, welke ten zuiden en westen van het plangebied ligt, is wel onderdeel van het NNB (beheertype N03.01 Beek en bron) en is daarbij tevens aangewezen als ecologische verbindingszone. Enkele tientallen meters ten zuiden van het plangebied liggen bospercelen die zijn toegewezen aan het NBB (N14.01 Rivier en beekbegeleidend bos en N16.04 Vochtig bos met productie). Het laatste beheertype is tevens aanwezig ten oosten van het plangebied, aan de overzijde van Zuid-Willemsvaart. Het plangebied is wel gelegen in de Groenblauwe mantel. De ligging van het plangebied ten opzichte van het NNB is weergegeven in figuur 4.2.
Figuur 4.2
Ligging van het plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van het NNB (donkergroen gearceerd), de Groenblauwe mantel (lichtgroen gearceerd) en Ecologische verbindingszones (blauw gearceerd).
Sweco | Verkennend natuuronderzoek Heuvelsche Velden, Beek en Donk Projectnummer: 51006277 Datum: 17-03-2022 Versie: D1
18/21
4.3 Analyse en toetsing van mogelijke effecten Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNB. Echter, gelet op het feit dat het plangebied grenst aan de Goorloop welke onderdeel is van het NNB, kunnen effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB door externe werking niet op voorhand worden uitgesloten. Omdat met de voorgenomen ontwikkeling sprake is van het doorlopen een RO-procedure met betrekking tot het wijzigen van het bestemmingsplan, is er noodzaak voor een toetsing aan het ‘nee, tenzij’-principe met betrekking tot het NNB. Er is tevens noodzaak voor een toetsing aan het ‘ja, mits’-principe, omdat het plangebied wel binnen de begrenzing van de Groenblauwe mantel gelegen is.
4.4 Conclusie Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNB. Echter, gelet op het feit dat het plangebied grenst aan de Goorloop welke is aangeduid als EVZ en onderdeel is van het NNB, kunnen effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB door externe werking niet op voorhand worden uitgesloten. Blijvende, negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB (door externe werking) en de Groenblauwe mantel zijn niet op voorhand uit te sluiten. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een RO-procedure met betrekking tot het wijzigen van het bestemmingsplan doorlopen. Derhalve is een nadere toetsing van het plan aan het provinciaal natuurbeleid benodigd.
Sweco | Verkennend natuuronderzoek Heuvelsche Velden, Beek en Donk Projectnummer: 51006277 Datum: 17-03-2022 Versie: D1
19/21
5. Conclusie en aanbevelingen 5.1 Wet natuurbescherming: onderdeel Natura 2000-gebieden Gelet op de relatief grote afstand tot nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn directe effecten, zoals verdroging, vernatting, optische-, licht- en geluidsverstoring, op voorhand uitgesloten. Hierdoor is er geen noodzaak tot een nadere beschouwing op deze effectindicatoren. Effecten van het plan op de stikstofdepositie ontstaan in de bouwfase en gebruiksfase. Op basis van de huidige wetgeving kunnen de effecten in de bouwfase buiten beschouwing worden gelaten. Voor de gebruiksfase van het plan dient berekend te worden wat de toename van de depositie is ten gevolge van de maximale planologische mogelijkheden. Voor de gebruiksfase dienen de effecten van de emissies van stikstof van het wegverkeer van en naar de woningen en eventuele emissies van stikstof ten gevolge van de verwarming van de woningen bepaald te worden. Voor een bestemmingsplan mogen de verschillen inzichtelijk worden gemaakt ten opzichte van de referentiesituatie. De referentiesituatie betreft de huidige feitelijke situatie. Een nadere berekening van de effecten van stikstof middens AERIUS Calculator is noodzakelijk.
5.2 Wet natuurbescherming: onderdeel soortenbescherming De Wet natuurbescherming biedt mogelijk belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling van woningbouw. Er zijn soorten aanwezig of te verwachten binnen de invloedssfeer van de voorgenomen maatregelen die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en die mogelijkerwijs negatief beïnvloed worden. Dit betreft de volgende beschermde soorten en/of functies van het plangebied: ·
·
·
Steenuil Het plangebied maakt mogelijk onderdeel uit van het jachtbiotoop van de steenuil. Met de voorgenomen ontwikkeling gaat mogelijk jachtbiotoop verloren. Daarmee is niet uitgesloten dat het een negatief effect heeft op de functionaliteit van de mogelijke nestplaats van de steenuil in de omgeving. Nader onderzoek naar de functie van het projectgebied voor de steenuil is noodzakelijk. Broedvogels Tijdens de uitvoeringsfase dient men rekening te houden met de aanwezigheid van broedvogels gedurende het broedseizoen. Alle in gebruik genomen broedlocaties zijn in deze periode beschermd. De broedperiode loopt globaal van half maart tot begin augustus. Afhankelijk van de lokale meteorologische omstandigheden, kan deze periode eerder of later beginnen en eindigen. Indien het niet te vermijden is om in of rond het broedseizoen te werken, dient in de periode van maart tot en met september een broedvogelcontrole uitgevoerd te worden. Zorgplicht Naast de bepalingen voor specifieke aangewezen soorten geldt krachtens artikel 1.11 (lid 1 en 2) van de Wet natuurbescherming, de algemene Zorgplicht. Deze geldt voor alle in het wild levende dieren en planten alsmede voor hun directe leefomgeving. Via deze wet wordt eenieder verantwoordelijk gesteld voor de zorg en de bescherming van flora en fauna en dient men geen handelingen uit te voeren die soorten opzettelijk kunnen verwonden of doden.
Sweco | Verkennend natuuronderzoek Heuvelsche Velden, Beek en Donk Projectnummer: 51006277 Datum: 17-03-2022 Versie: D1
20/21
5.3 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNB. Echter, gelet op het feit dat het plangebied grenst aan de Goorloop welke onderdeel is van het NNB, kunnen effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB door externe werking niet op voorhand worden uitgesloten. Blijvende, negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB (door externe werking) en de Groenblauwe mantel zijn niet op voorhand uit te sluiten. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een RO-procedure met betrekking tot het wijzigen van het bestemmingsplan doorlopen. Derhalve is een nadere uitwerking van het ‘nee, tenzij’-principe en ‘ja, mits’-principe benodigd.
Sweco | Verkennend natuuronderzoek Heuvelsche Velden, Beek en Donk Projectnummer: 51006277 Datum: 17-03-2022 Versie: D1
21/21