CConstaterende datLaarbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

6 20231012 Ontwerpbestemmingsplan natuurontwikkeling Gulden Land

Raadsvergadering 12 oktober 2023, gemeente LaarbeekBij agendapunt: H. Voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan natuurontwikkeling ’t Gulden Land27.118 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Soortenbescherming De Wnb onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden.

Hierdoor zijn er in de Wnb drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 van de Wnb zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10, niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer of gebruik dan wel ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.

Hoofdstuk 5

30

5.8.2 Onderzoek Er is door De Rooy een Ecologische Quickscan2 uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. De uitvoering van de voorgenomen ingrepen in het plangebied wordt in algemene zin niet verhinderd door de natuurwetgeving, mits voldoende invulling wordt gegeven aan de algemene zorgplicht en ecologische begeleiding wordt ingesteld ten aanzien van de soortgroepen vogels, amfibieën, vissen en libellen. Daarnaast dient er soortgericht vervolgonderzoek uitgevoerd te worden ten aanzien van het voorkomen van:  Waterspitsmuis;  Vleermuizen;  Levendbarende hagedis;  Hazelworm;  Rugstreeppad;  Grote modderkruiper;  Bosbeekjuffer;  Europese rivierkreeft. Door de ingreep treedt geen verslechtering op van natuurdoelen in beschermde gebieden, waarmee negatieve effecten redelijkerwijs uitgesloten zijn. Ook ten aanzien van het aspect stikstof zijn geen negatieve gevolgen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling te verwachten. Daarnaast is er een stikstofdepositieberekening opgesteld doordat het plangebied gelegen is op circa 10,2 kilometer van Natura 2000-gebied ‘Strabrechtse Heide & Beuven’ en circa 12,5 kilometer van Natura 2000-gebied ‘Deurnsche Peel & Mariapeel’.

Uit de berekening blijkt dat er geen depositieresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/j voor zowel de aanlegfase als voor de gebruiksfase. Voor de volledige toelichting en de invoergegevens verwijzen we u naar de bijlage van voorliggend bestemmingsplan. 5.8.3 Conclusie Op basis van hetgeen voorgaand beschreven kan worden geconcludeerd dat voorafgaand aan de werkzaamheden van de natuurontwikkeling en aanpassing van de waterloop, nader soortgericht onderzoek uitgevoerd dient te zijn. Hieruit moet blijken of er nader onderzoek dan wel compenserende maatregelen genomen dienen te worden om overtreding ingevolge de Wet natuurbescherming te voorkomen. Voor het overige zijn er geen belemmeringen aan de orde.

5.9 Bodem 5.9.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en

2

De Rooy, Ecologische quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming. Kop Gulden land, gemeente Laarbeek, d.d. 25 oktober 2021 2021

Hoofdstuk 5

31

moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat, indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 5.9.2 Onderzoek Voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ’t Gulden Land zijn in het kader van het Projectplan Waterwet twee bodemonderzoeken uitgevoerd. Navolgend worden de belangrijkste conclusies weergegeven. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar de bijlagen van voorliggend bestemmingsplan. Landbodem-vooronderzoek conform NEN 57173 Uit het vooronderzoek is gebleken dat in de bodem (grond en grondwater) van de ‘Kop van Aarle-Rixtel’ géén ernstige chemische verontreiniging en géén asbest in de grond wordt verwacht. Deze verwachting sluit evenwel niet geheel uit dat tijdens de graafwerkzaamheden plaatselijk een (nog onbekende) bodemverontreiniging kan worden aangetroffen. Bovendien kunnen bij de uitvoering van het grondverzet calamiteiten gebeuren die tot bodemverontreiniging kunnen leiden.

Ingeval zich tijdens de uitvoering dergelijke incidenten voordoen, dan geldt hiervoor het ‘zorgplicht-artikel’ uit de Wet bodembescherming. Bij het graven van het nieuwe tracé van de Aa komt grond vrij die (volgens plan) in hetzelfde werk wordt hergebruikt voor het dempen van het vervallen tracé. Bij het hergebruik van vrijgekomen grond binnen het werk moet gehandeld worden conform de regels van het Besluit bodemkwaliteit. Door het dempen van (een deel van) de watergang zal de status van ‘waterbodem’ (die momenteel nog onder het regime valt van de Waterwet en waarvoor het Waterschap het bevoegd gezag is) veranderen in ‘landbodem’ (die onder het regime valt van de Wet bodembescherming en waarvoor GS van de provincie Noord- Brabant het bevoegd gezag is). Een eventueel in de waterbodem aanwezige verontreiniging zou hierdoor resulteren in een (let wel: nieuwe) landbodem-verontreiniging, waardoor voorafgaand aan het dempen (waterbodem-)sanering noodzakelijk is. Om vast te stellen of en in welke mate de waterbodem van het te dempen gedeelte van de Aa verontreinigd is, is het uitvoeren van verkennend waterbodemonderzoek conform NEN 5720 noodzakelijk. Voor het toepassen van grond in een watergang (zoals in dit geval voor het dempen) moet de kwaliteit van de toe te passen grond voldoen aan de eisen uit het Besluit bodemkwaliteit (bevoegd gezag voor het dempen is het Waterschap).

Voor het dempen van de watergang wordt in dit geval gebiedseigen grond gebruikt die mogelijk niet voldoet aan de strenge eisen van het Bbk. Aanbevolen wordt om de milieukwaliteit van de grond ter plaatse van het te graven tracé vast te stellen door middel van een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740. Krachtens het Bbk is het hergebruik van vrijgekomen grond en bouwstoffen ‘op of nabij de plaats van vrijkomen’ en ‘opnieuw als zodanig’ vrijgesteld van de onderzoeksverplichting. Het begrip ‘op of nabij de plaats van vrijkomen’ wordt nader toegelicht als ‘binnen hetzelfde werk’. Nadere afstandsregels

3

Kragten, Kop Gulden Land, Aarle Rixtel Landbodem-vooronderzoek conform NEN 5717, Projectnr. WAA039, d.d. 7 oktober 2021

Hoofdstuk 5

32

worden niet genoemd. Met ‘als zodanig’ wordt bedoeld dat funderingsmateriaal weer opnieuw als fundering en boven- of ondergrond weer opnieuw als boven- of ondergrond moeten worden toegepast. Bij het hergebruik van grond en bouwstoffen zoals boven omschreven, verandert de milieuhygiënische situatie van de bodem op locatieniveau niet. De voorgenomen herinrichtingsplannen op de ‘Kop van Aarle’ kunnen als één werk worden beschouwd. Als de grond (landbodem) die vrijkomt bij het graven van het nieuwe tracé van de Aa wordt toegepast voor het dempen van het vervallen tracé, zal deze weliswaar in een watergang worden toegepast (bevoegd gezag Waterschap) doch opnieuw landbodem worden (bevoegd gezag gemeente). Waterbodem-vooronderzoek conform NEN 57174 Op basis van de gegevens die verkregen zijn met het vooronderzoek worden in de waterbodem van de Aa ter hoogte van het plangebied op de ‘Kop van Aarle-Rixtel’ verontreinigingen met arseen, zware metalen, minerale olie, PCB (polychloorbifenylen), PFAS (per- en plyfluoralkylstoffen) en OCB (organochloorbestrijdingsmiddelen) verwacht. Met eerder uitgevoerd waterbodemonderzoek in 2013 was reeds aangetoond dat vrijkomende baggerspecie weliswaar verspreidbaar was op het aangrenzende perceel, doch voor de toepassing elders niet voldeed aan de eisen voor grond voor industrie.

Om de huidige mate van verontreiniging van de waterbodem en/of de daaruit vrijkomende baggerspecie vast te stellen, wordt het uitvoeren van een verkennend waterbodemonderzoek conform NEN 5720 aanbevolen. Dit onderzoek is eveneens uitgevoerd en wordt hierna besproken. Verkennend waterbodemonderzoek conform NEN 5720 Uit het verkennend waterbodemonderzoek, dat is opgenomen in de bijlagen, blijkt dat het slib, de slibhoudende laag en de vaste waterbodem over het algemeen licht verontreinigd zijn (zware metalen, PCB en/of minerale olie). Vrijkomend slib en vaste waterbodem zijn beperkt toepasbaar als grond of waterbodem. Als gevolg van het dempen van de huidige beekloop in het plangebied, zal deze van ‘waterbodem’ wijzigen naar ‘landbodem’. De momenteel in de waterbodem aanwezige verontreinigingen zullen dan verontreinigingen in de landbodem worden. De aangetroffen verontreinigingen zijn daarom getoetst aan de normen voor landbodem. Nagenoeg alle verontreinigingen zijn te kwalificeren als lichte verontreinigingen en de meeste als zeer licht of marginaal. Alleen het gehalte koper in één mengmonster overschrijdt de tussenwaarde. Overschrijdingen van de interventiewaarden zijn niet aangetroffen. De aangetroffen verontreinigingen kunnen allen als diffuse verontreinigingen worden beschouwd. De oorzaak hiervan is deels duidelijk en deels niet.

Gelet op het toekomstige gebruik kunnen de aangetroffen verontreinigingen op basis van het onderzoek worden beschouwd als een geval van historische, niet-ernstige bodemverontreiniging. Het uitvoeren van bodemsanering is hiervoor niet noodzakelijk. De bodemkwaliteit kan als voldoende worden beoordeeld voor het beoogde gebruik. 5.9.3 Conclusie Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn een vooronderzoek conform NEN 5717 en een verkennend waterbodemonderzoek conform NEN 5720 uitgevoerd. Op basis van deze onderzoeken zijn lichte verontreinigingen aangetroffen en plaatselijk één verontreiniging boven de tussenwaarde. Het betreffen

4

Kragten, Kop Gulden Land, Aarle Rixtel waterbodem-vooronderzoek conform NEN 5717, Projectnr. WAA039, d.d. 7 oktober 2021

Hoofdstuk 5

33

historische, niet-ernstige bodemverontreinigingen. Bodemsanering is niet noodzakelijk en de bodemkwaliteit is voldoende geschikt voor het toekomstige gebruik. Dit aspect vormt daarmee geen belemmering voor de planontwikkeling.

5.10 Water In de planbeschrijving van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling zijn de volgende maatregelen opgenomen:  Beekontwikkeling en een meandering in de waterloop de Aa;  Ontwikkelen droge en natte ecologische verbindingszone;  Realiseren van poelen;  Versterken cultuurhistorische elementen;  Versterken Natuurnetwerk Brabant;  Recreatie en toerisme. In het projectplan wordt hier dieper op ingegaan en worden alle effecten op het aspect water beschreven. Voor de uitwerking hiervan wordt verwezen naar het projectplan (zie bijlage bij voorliggend bestemmingsplan). 5.10.1 Conclusie Vanuit het aspect water zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.

5.11 Archeologie 5.11.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. 5.11.2 Onderzoek In het vigerende bestemmingsplan is geen dubbelbestemming opgenomen ten behoeve van de bescherming van de archeologische waarden binnen het plangebied. Navolgende afbeelding betreft een uitsnede van de Archeologische Verwachtingen- en Waardenkaart van de gemeente Laarbeek. Deze kaart is doorvertaald in het ‘Parapluplan Archeologie en monumenten gemeente Laarbeek’ (d.d. 29 september 2022).

Hoofdstuk 5

34

Figuur 8 Uitsnede Archeologische Verwachtingen- en Waardenkaart gemeente Laarbeek

Uit bovenstaande kaart blijkt dat het plangebied voor het overgrote deel gelegen is in een gebied met een lage archeologische verwachting. Naast de lage archeologische verwachting komt er binnen het plangebied ook een strook voor waarvoor een hoge archeologische verwachting geldt. De hoge archeologische verwachting is met name gelegen in het uiterst zuiden (nabij de Bakelseweg en de oevers van de waterloop de Aa) en oosten (naast de Zuid-Willemsvaart) van het plangebied. Voor het overgrote deel van het plangebied waarop de lage archeologische verwachting rust geldt dat bij bodemingrepen die groter zijn dan 25.000 m² en dieper gaan dan 0,4 m onder maaiveld een archeologisch onderzoek noodzakelijk wordt geacht (dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 7’) . Voor het deel van het plangebied gelegen waarop de hoge archeologische verwachting rust geldt dat bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 500 m² en dieper gaan dan 0,3 m onder maaiveld of 0,5 m bij esdekken een archeologisch onderzoek noodzakelijk wordt geacht (dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5.1’). Archeologisch bureau-onderzoek Afhankelijk van de aard, omvang en diepte van de beoogde natuurontwikkeling en meandering van de waterloop de Aa zal er al dan niet een archeologisch onderzoek uitgevoerd moeten worden.

Voor de volledigheid is voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Navolgend worden de belangrijkste conclusies weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen van voorliggend bestemmingsplan. Op basis van het bureauonderzoek is gebleken dat het grootste deel van het plangebied zich bevindt in het beekdal van de Aa waar beekeerdgronden aanwezig zijn. Daarnaast bevindt zich in het zuidwestelijke deel van het plangebied een glooiing van de beekdalzijde en het oostelijk deel van het plangebied een dekzandrug. In deze zones bevindt zich mogelijk een esdek. In de omgeving van het plangebied zijn vindplaatsen bekend uit het mesolithicum, de ijzertijd, Romeinse tijd en de middeleeuwen. Ook bevindt zich ca. 300 meter ten zuiden van het plangebied

Hoofdstuk 5

35

kasteel “Het Gulden Huis” en een molen. De eerste vermelding van het kasteel stamt uit 1362 en het kasteel is in 1883 gesloopt. Op basis van historische kaarten is gebleken dat ten zuiden van het plangebied zich een historische weg bevond dat Aarle en Rixtel verbond met Bakel de huidige Bakelseweg. Door het plangebied heen stroomde de Aa. Aan weerzijde van de Aa bevonden zich hooilanden. Alleen in het zuidwesten en oosten van het plangebied bevonden zich bouwlanden en weilanden. Ook liepen vanaf de historische weg diverse wegen richting de hooilanden in het plangebied. Daar waar de historische weg de Aa kruist bevond zich de Middelste brug. Rond 1822 tot 1825 vonden in en in de directe omgeving van het plangebied grote veranderingen plaats door de aanleg van de Zuid-Willemsvaart, waardoor o.a. de loop van de Aa deels werd gewijzigd. Rond 1900 wordt de Aa steeds verder genormaliseerd, zo verdwijnen eerst in het noorden verschillende meanders en vervolgens wordt ook rond 1948 in het zuiden van het plangebied de Aa rechtgetrokken. Vanaf circa 1950 vindt ook in het plangebied de ruilverkaveling plaats waardoor de vele kleinere kavels veranderen in een aantal grote kavels. In het noordwesten van het plangebied verschijnt rond 1970 een woonwagenkamp. Tussen 1984 en 1998 wordt in het noorden en oosten van het plangebied een aftakking van de Zuid-Willemsvaart aangelegd.

In deze periode wordt ook de Bakelseweg in het oosten van het plangebied aangepast en wordt de loop van de Aa opnieuw gewijzigd in het plangebied. Op basis van het bureauonderzoek geldt er de volgende archeologische verwachting:  Voor het zuidwesten en oosten van het plangebied geldt er een hoge verwachting op het aantreffen van jager-verzamelaarskampementen uit het paleolithicum t/m mesolithicum en nederzettingsresten en resten van randactiviteiten uit het neolithicum t/m de late middeleeuwen. Daarnaast is er binnen deze zone (op basis van historische kaarten) nog een hoge verwachting op het aantreffen van een historische weg (uit minimaal 1811-1832) en resten van beakkering uit de nieuwe tijd. De resten uit de nieuwe tijd kunnen zich al direct aan het maaiveld bevinden. De oudere resten bevinden zich direct onder de bouwvoor of het esdek.  Voor het overige deel van het plangebied geldt een hoge verwachting voor resten die te maken hebben met hun locatie binnen het beekdal van de Aa (denk daarbij aan een beekovergang, resten van jacht, de beekloop zelf, etc.). Deze resten hebben een hoge archeologische verwachting en kunnen dateren vanaf het paleolithicum t/m de nieuwe tijd. Daarnaast zijn op basis van historische kaarten specifieke zones aangewezen waar resten aanwezig kunnen zijn van de Zuid-Willemsvaart, een historische weg en de oude loop van de Aa (uit de nieuwe tijd).

Verder bevinden zich in deze zone ook nog resten van beakkering uit de nieuwe tijd. De resten uit de nieuwe tijd kunnen zich al direct aan het maaiveld bevinden. De oudere resten bevinden zich direct onder de bouwvoor of op verschillende dieptes. Advies Op basis van de onderzoeksresultaten uit het bureauonderzoek blijkt dat in het plangebied (mogelijk) archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen. Aangezien de locatie en diepte van de bodemingrepen nog niet definitief zijn wordt hieronder een algemeen advies gegeven. Indien de omvang en diepte van de inrichtingswerkzaamheden definitief zijn kan aan de hand van dit rapport nagegaan worden welke vervolgstappen uitgevoerd dienen te worden. Eventueel kan dit uitgewerkt worden in een adviesdocument. Ter locatie van de dekzandrug en de glooiing van de beekdalzijde wordt geadviseerd om de werkzaamheden te beperken tot maximaal 30 cm -mv. Zo kunnen archeologische resten in situ

Hoofdstuk 5

36

behouden blijven. Indien de werkzaamheden dieper gaan (met een omvang groter dan 100 m²) plaatsvinden wordt geadviseerd om dat gebied verder archeologisch te onderzoeken door middel van een verkennend booronderzoek. Een dergelijk vervolgonderzoek heeft tot doel de opbouw van de ondergrond, de bodemopbouw en/of bodemverstoringen gedetailleerd in kaart te brengen. Aan de hand daarvan kan de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting worden getoetst en kunnen concrete gegevens worden verzameld over gaafheid en diepteligging van de verwachte archeologische resten. Voor de zone waar een hoge verwachting geldt omtrent een beekdalovergang wordt geadviseerd om de werkzaamheden te beperken tot maximaal 30 cm -mv. Indien de werkzaamheden dieper gaan (met een omvang groter dan 100 m²) wordt geadviseerd om deze archeologisch verder te onderzoeken d.m.v. een intensieve archeologische begeleiding. Bij een intensieve begeleiding is een archeoloog de hele tijd ter plaatse om te controleren of archeologische resten aanwezig zijn. Voor het beekdal wordt geadviseerd om de werkzaamheden te beperken tot maximaal 30 cm -mv. Indien de werkzaamheden dieper gaan (met een omvang groter dan 250 m²) wordt geadviseerd om de werkzaamheden verder archeologisch te onderzoeken d.m.v. een extensieve begeleiding.

Tijdens een intensieve begeleiding komt een archeoloog geregeld langs om na te gaan of archeologische resten aanwezig zijn in het plangebied. Selectiebesluit, Programma van Eisen en vervolg Omdat uit het bureau-onderzoek is gebleken dat binnen het plangebied mogelijk sprake is van behoudenswaardige archeologische resten en het vanwege de geplande werkzaamheden niet mogelijk is om deze resten in het geheel duurzaam in stand te houden, heeft de gemeente een selectiebesluitgenomen. Hierin is ervoor gekozen om een proefsleuvenonderzoek (variant archeologische begeleiding) uit te voeren, zodat de resten in- of ex situ behouden kunnen blijven. Omdat het plangebied hoofdzakelijk in een beekdal ligt, is regulier archeologisch onderzoek voorafgaand aan de geplande ontwikkeling niet zinvol. De vondstmeldingen in de directe omgeving, de landschappelijk ligging en de resultaten uit het eerder uitgevoerde bureauonderzoek geven aan dat de potentie op het aantreffen van goed bewaarde archeologische resten middelhoog tot hoog is. Vindplaatsen in beekdalen zijn echter doorgaans erg lokaal (rituele deposities, beekovergangen, afvaldumps en jachtattributen) die middels een proefsleuvenonderzoek nauwelijks op te sporen zijn.

Het archeologische onderzoek wordt daarom gecombineerd met de civieltechnische werkzaamheden en uitgevoerd als een proefsleuvenonderzoek en opgraving – variant archeologische begeleiding. Hiertoe is een door de gemeente goedgekeurd Programma van Eisen opgesteld. Het Programma van Eisen is opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting. Afbeelding 9 geeft een beeld van de strategie voor het onderzoek en de archeologische begeleiding bij de uitvoering van het project.

Hoofdstuk 5

37

Figuur 9: strategie archeologische begeleiding en onderzoek (bron: RAAP)

Hoofdstuk 5

38

5.11.3 Conclusie In het kader van onderhavig ruimtelijk plan is archeologisch onderzoek in de vorm van een bureauonderzoek uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat niet uitgesloten is dat er archeologische waarden in het plangebied aanwezig zijn. Op basis van het bureau-onderzoek is een vervolgstrategie bepaald voor verder onderzoek en begeleiding. Hiertoe is een Programma van Eisen opgesteld. Met de voorgenomen onderzoeks- en begeleidingsstrategie kunnen archeologische resten in- en ex situ worden behouden. Hiermee wordt recht gedaan aan de belangen vanuit het aspect archeologie. In het bestemmingsplan zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 5.1’ en ‘Waarde – Archeologie 7’ behouden. Hiermee zijn deze belangen ook planologisch geborgd.

5.12 Cultuurhistorie 5.12.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. 5.12.2 Onderzoek Voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is een cultuurhistorisch bureauonderzoek uitgevoerd. Navolgend worden de belangrijkste conclusies weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen van voorliggend bestemmingsplan.

Binnen de grenzen van het plangebied is één landschapstype te onderscheiden. Het gaat om het beekdallandschap, dat omstreeks 1832 nog bestond uit beemden (onverdeelde natte hooi/graslanden) langs de Aa en een kleinschalige verkaveling met houtsingels aan de randen van het beekdal (coulisselandschap). Van de oorspronkelijke landschapselementen (wegen en watergangen) uit deze periode resteren er slechts weinig. De Zuid-Willemsvaart met de naastgelegen weg en de Bakelseweg zijn de oudste structuren. De huidige loop van de Aa is ook, zoals hierboven beschreven, grotendeels recent. Vrijwel alle andere landschapselementen zijn jong tot zeer jong. In het plangebied ligt geen bebouwing, behoudens enkele woonwagens.

Hoofdstuk 5

39

In de cultuurhistorische waardering zijn uitsluitend het landschapstype en de elementen ouder dan 1954 gewaardeerd. Hierbij zijn alle elementen gescoord volgens de onderstaande waarderingssystematiek. 1. Basiswaarde. Het historische landschap/element is nog te herkennen, maar er is een beperkte mate van historische zeggingskracht. Verstoringen (door bijvoorbeeld toename bebouwing, vervaging van kavelstructuren, nieuwe infrastructuur) treden op de voorgrond. 2. Positieve waarde. Landschap/element lijkt op situatie omstreeks 1832 en heeft historische zeggingskracht, die echter wordt verminderd door enige verstoringen door bijvoorbeeld toename bebouwing, vervaging van kavelstructuren, nieuwe infrastructuur. 3. Hoge waarde. Het landschap/element lijkt sterk op de situatie omstreeks 1832 (zoals op de kadastrale minuut weergegeven) en heeft een hoge zeggingskracht. Verstoringen hebben slechts beperkte invloed op het landschapsbeeld. Ook op nationale schaal is sprake zeldzaamheid. Het karakter van het plangebied is door de aanleg van de kanalen en de daarmee gepaard gaande veranderingen in de waterhuishouding sterk veranderd. Het landschapstype heeft daarmee de score basis. Van de cultuurhistorische elementen is de Zuid-Willemsvaart nog de meest intacte en is daarom samen met de weg over de kanaaldijk en de daarnaast gelegen sloot hoog gewaardeerd.

De Aa loopt weliswaar nog door het gebied, maar van de oorspronkelijke loop resteert eigenlijk niets. Vanwege de ouderdom en de historisch belangrijke rol van de rivier in het gebied heeft deze rivier deels een positieve en deels een basiswaarde. Enkele sloten die nog van de situatie omstreeks 1832 over zijn gebleven, zijn meestal nauwelijks herkenbaar en door de veranderde context hebben zij hun waarde voor een deel verloren. Hierdoor hebben deze de waarde ‘basis’.

Hoofdstuk 5

40

Figuur 10 Cultuurhistorische waarden

Geadviseerd wordt dat het van belang van reconstruerende ingrepen ook echt een functie of betekenis krijgen in het huidige landschap. Aanbevolen wordt dan ook om deze te koppelen aan andere doeleinden (recreatie, educatie, natuur). Op deze manier zijn reconstructies zinvoller en ook toekomstbestendiger. Daarnaast wordt aangegeven bij de herinrichting rekening te houden met de historischlandschappelijke opbouw waarbij het zuidelijk deel van oudsher een meer besloten en het noordelijk deel een opener en nat karakter kent.

Hoofdstuk 5

41

5.12.3 Conclusie Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.

5.13 Explosieven Naar aanleiding van de oorlogshandelingen, ten tijde van de Eerste en Tweede Wereldoorlog, bestaat er een mogelijkheid tot het spontaan aantreffen of toucheren van OO tijdens het uitvoeren van werkzaamheden inde (water)bodem. Hierdoor ontstaat een verhoogd veiligheidsrisico door het mogelijk ongewenst tot (uit)werking treden van dit militair wapentuig. Dergelijke ongecontroleerde uitwerkingsgevolgen kunnen dodelijk letsel en zware schade aan materiaal en omgeving tot gevolg hebben. Daarnaast kunnen spontane vondsten van OO resulteren in stagnatie en meerwerkkosten van de uitvoeringswerkzaamheden. Om bovenstaande situaties te voorkomen dient een werkgever de risico’s van de werkzaamheden vooraf te inventariseren en te evalueren. Deze zogenoemde risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E) is zeker voor bouw gerelateerde activiteiten (werkzaamheden in of op de (water)bodem) noodzakelijk. Derhalve is er voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een historisch vooronderzoek onontplofte oorlogsresten uitgevoerd. Navolgend worden de belangrijkste conclusies van het historisch vooronderzoek onontplofte oorlogsresten weergegeven. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar de bijlagen van voorliggend bestemmingsplan.

Naar aanleiding van de geraadpleegde bronnen is het onderzoeksgebied onverdacht verklaard op een verhoogd risico tot aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten. Derhalve is het bepalen van een verticale en horizontale afbakening niet noodzakelijk. Ook het bepalen van de mogelijk aan te treffen OO is niet van toepassing. De geplande werkzaamheden kunnen regulier worden uitgevoerd. Het aspect explosieven vormt geen belemmering voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.

5.14 Gezondheid De beoogde ontwikkeling betreft geen gevoelig object en er worden vanwege het aspect gezondheid geen belemmeringen verwacht voor de beoogde ontwikkeling.

5.15 Milieu-effectrapportage In het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is vastgelegd wanneer voor welke activiteiten een verplichting geldt tot het maken van een MER (onderdeel C) en is aangegeven in welke situaties voor welke activiteiten een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt (onderdeel D). Tot slot kan er sprake zijn van een plan-m.e.r.-plicht indien het maken van een passende beoordeling conform de Wt natuurbescherming noodzakelijk is. In deze paragraaf wordt getoetst of er sprake is van een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht in het kader van dit bestemmingsplan en het project.

Hoofdstuk 5

42

M.e.r.-plicht (bijlage C en Wet natuurbescherming) In Bijlage C van het Besluit m.e.r. zijn geen activiteiten opgenomen, die op onderhavig project van toepassing zijn. Voorts is in paragraaf 5.8 van deze toelichting geconcludeerd, dat er geen passende beoordeling benodigd is. Een m.e.r-plicht is daarom niet aan de orde. M.e.r.- beoordelingsplicht (Bijlage D) Voor dit project zijn drie activiteiten (mogelijk) relevant uit Bijlage D bij het Besluit m.e.r. te weten:  de aanleg, wijziging of uitbreiding inzake kanalisering of ter beperking van overstromingen, met inbegrip van primaire waterkeringen en rivierdijken (categorie D3.2);  een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan (categorie D9);  de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stuwdam of andere installatie voor het stuwen of voor de lange termijn opslaan van water (categorie D15.3).’  hieronder worden deze categorieën geciteerd uit Bijlage D. Vervolgens wordt het plan hieraan getoetst.

D3.2

Kolom 1

Kolom 2

Kolom 3

Kolom 4

Activiteiten

Gevallen

Plannen

Besluiten

De aanleg, wijziging of

-

De structuurvisie, bedoeld

De goedkeuring van gede-

uitbreiding inzake kanali-

in de artikelen

puteerde staten van het

sering of ter beperking van

2.1, 2.2 en 2.3 van de

projectplan, bedoeld in ar-

overstromingen, met inbe-

Wet ruimtelijke ordening,

tikel 5.7, eerste lid, van

grip van primaire waterke-

en de plannen,

de Waterwet of, bij het

ringen en rivierdijken

bedoeld in de artikelen

ontbreken daarvan, het

3.1, eerste lid, 3.6,

projectplan, bedoeld in ar-

eerste lid, onderdelen

tikel 5.4, eerste lid, van die

a en b, van die wet en

wet, of, indien artikel 5.4,

het plan, bedoeld in de

zesde lid, van die wet van

artikelen 4.1 en 4,4

toepassing is, de vaststel-

van de Waterwet

ling van het tracé op grond van de Tracéwet of de Spoedwet wegverbreding door de Minister van Infrastructuur en Milieu of het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

Toetsing Onderhavig plan voorziet in het gedeeltelijk verleggen van de loop van de rivier de Aa, met als doel de natuurwaarden te vergroten door de rivier meer te laten meanderen. Er is geen sprake van het kanaliseren van water of van het nemen van maatregelen ter beperking van overstromingen. De werkzaamheden vinden geheel plaats buiten de waterkeringzone van de Zuid-Willemsvaart. Geconcludeerd wordt dat categorie D3.2 niet van toepassing is op het plan.

Hoofdstuk 5

43

D9

Kolom 1

Kolom 2

Kolom 3

Kolom 4

Activiteiten

Gevallen

Plannen

Besluiten

Een landinrichtingsproject

In gevallen waarin

Wet ruimtelijke ordening,

De vaststelling van het in-

dan wel een wijziging of

de activiteit betrekking

en de plannen, bedoeld in

richtingsplan, bedoeld in

uitbreiding daarvan

heeft op

de artikelen 3.1, eerste lid,

artikel 17 van de Wet in-

1. een functiewijziging

3.6, eerste lid, onderdelen

richting landelijk gebied

met een oppervlakte

a en b, van die wet, de

dan wel een plan bedoeld

van 125 hectare of

vaststelling van het inrich-

in artikel 18van de Recon-

meer van water, na-

tingsplan, bedoeld in arti-

structiewet concentratie-

tuur, recreatie of land-

kel 17 van de Wet in-

gebieden dan wel bij het

bouw of

richting landelijk gebied,

ontbreken daarvan het

2°. vestiging van

het plan, bedoeld in artikel

plan bedoeld in artikel 3.6,

een glastuinbouwge-

11 van de Reconstructie-

eerste lid, onderdelen a en

bied of bloembollen-

wet concentratiegebieden

b, van de Wet ruimtelijke

teeltgebied

en het plan bedoeld in arti-

ordening dan wel bij het

van 50 hectare of

kel 18 van de Reconstruc-

ontbreken daarvan van

meer.

tiewet concentratiegebie-

het plan, bedoeld in artikel

den

3.1, eerste lid, van die wet.

Toetsing Er is sprake van een functiewijziging van agrarische gronden naar natuur. Daarmee is er naar aard van het plan sprake van een landinrichtingsproject, zoals bedoeld in kolom 1. Het plangebied heeft omvang van ongeveer 20 hectare. Hiermee valt het qua omvang ruimschoots onder de drempelwaarde als genoemd in kolom 2. Onderhavig bestemmingsplan betreft één van de gevallen genoemd in kolom 3. Omdat het plan ruimschoots onder de drempelwaarde uit kolom 2 blijft, maar er wel sprake is van een activiteit genoemd in kolom 1, is er sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. D15.3 De aanleg, wijziging of uitIn gevallen waarin de De structuurvisie, bedoeld Het projectplan, bedoeld breiding van een stuwdam

activiteit betrekking

in de artikelen 2.1, 2.2 en

in artikel 5.4, eerste lid,

of andere installatie voor

heeft op een hoeveel-

2.3 van de Wet ruimtelijke

van de Waterwet of, indien

het stuwen of voor de

heid water van 5 mil-

ordening en het plan, be-

artikel 5.4, zesde lid, van

lange termijn opslaan

joen m³ of meer.

doeld in artikel 3.1, eerste

die wet van toepassing

lid, van die wet, en het

is, de vaststelling van het

plan, bedoeld in de artike-

tracé op grond van de Tra-

len 4.1 en 4.4 van de

céwet of de Spoedwet

Waterwet

wegverbreding door de

van water.

Minister van Infrastructuur en Milieu, dan wel bij het ontbreken daarvan de vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

Hoofdstuk 5

44

Kolom 1

Kolom 2

Kolom 3

Kolom 4

Activiteiten

Gevallen

Plannen

Besluiten

Toetsing Onderhavig plan voorziet in het gedeeltelijk verleggen van de loop van de rivier de Aa, met als doel de natuurwaarden te vergroten door de rivier meer te laten meanderen. Hoewel een neveneffect hiervan is dat de waterbergingscapaciteit wordt vergroot, is er geen sprake van een voorziening bedoeld voor het voor lange termijn opslaan van water of voor het stuwen van water. Geconcludeerd wordt dat categorie D15.3 niet van toepassing is op het plan. Het project valt gezien de voorgaande toetsing onder de activiteiten genoemd in categorie D9, maar blijft ruimschoots onder de drempelwaarde voor een directe m.e.r.-beoordelingsplicht. Hierdoor geldt voor deze categorie een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht.. In dit geval zijn gemeente en waterschap gezamenlijk initiatiefnemer. In de navolgende onderdelen van deze paragraaf vindt de vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats. Op basis van deze beoordeling neemt de gemeente als bevoegd gezag gelijktijdig met het besluit tot ter visielegging van het ontwerpbestemmingsplan een besluit omtrent het al dan niet doorlopen van een m.e.r.-procedure. Inhoud vormvrije m.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet het bevoegd gezag beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is.

Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk.  Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld. Het voorgaande wordt getoetst of, op basis van de criteria die zijn genoemd in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling, een m.e.r.(-beoordeling) uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; 3. de kenmerken van het potentiële effect. In de volgende alinea’s wordt onderhavig plan aan deze criteria getoetst. Toetsing Kenmerken van het project Kenmerken van het project Criteria

Toets

Omvang van het project

Het plan maakt de realisatie van natuurontwikkeling ter plaatse van bestaande hoofdzakelijk agrarische gronden mogelijk. Het gaat hierbij om de volgende componenten:

Hoofdstuk 5

-

beekontwikkeling (meandering),

-

ontwikkeling van droge en natte ecologische verbindingszones,

-

realiseren van poelen,

-

het versterken van de cultuurhistorische elementen,

-

invulling geven aan doelen vanuit Natuurnetwerk Brabant,

45

Kenmerken van het project Criteria

Toets -

kleinschalige recreatie en toerisme.

De totale omvang van het te ontwikkelen gebied is ongeveer 20 hectare.

Het project blijft in haar totale omvang ruimschoots onder de drempelwaarden voor een directe m.e.r.-beoordelingsplicht (125 hectare) en is ruim een factor 5 kleinschaliger. Cumulatie met andere pro-

Niet aan de orde. Het betreft een op zichzelf staande integrale gebiedsontwikkeling van

jecten

het plangebied.

Gebruik van natuurlijke hulp-

Bij de ontwikkeling wordt niet op permanente wijze gebruik gemaakt van natuurlijke hulp-

bronnen

bronnen. In het kader van de aanlegfase is tijdelijk en incidenteel gebruik van natuurlijke hulpbronnen mogelijk, hetgeen noodzakelijk is bij de realisatie van grondwerkzaamheden, e.d.

Productie van afvalstoffen

Behoudens het afval dat tijdens de bouwfase (tijdelijke situatie) ontstaat, zal geen sprake zijn van de productie van afvalstoffen, gelet op het toekomstige gebruik.

Verontreiniging en hinder

Tijdens de aanlegfase zullen er grondwerkzaamheden plaatsvinden in het plangebied, evenals andere werkzaamheden die nodig zijn om de beoogde inrichting van het gebied te realiseren. Significant negatieve effecten vanwege de werkzaamheden worden niet verwacht, aangezien de werkzaamheden hoofdzakelijk op enige afstand van omliggende percelen worden uitgevoerd.

Ten aanzien van de toekomstige gebruiksfase kan op basis van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken en verantwoordingen in deze toelichting worden geconcludeerd dat er geen onevenredige verontreiniging en hinder zullen optreden. Navolgend wordt hier ten aanzien van diverse relevante aspecten nader op ingegaan.

Luchtkwaliteit: Het plan genereert een verwaarloosbaar aantal verkeersbewegingen Hiermee wordt niet in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit.

Geluid: Gezien de aard van de toekomstige functies, is het optreden van onevenredige geluidhinder uitgesloten.

Geur: Onevenredige geurhinder in de toekomstige situatie is gezien de aard van de toegestane activiteiten uitgesloten. De huidige agrarische functie, met daarmee gepaard gaande potentiële geurhinder, verdwijnt.

Trillingen: Er worden geen functies mogelijk gemaakt, die voor onevenredige trillingshinder in de omgeving zorgen.

Stof. Er worden geen activiteiten mogelijk gemaakt, waarvan onevenredige stofhinder voor de omgeving te verwachten valt. De huidige agrarische functie, met daarmee gepaard gaande potentiële stofhinder, verdwijnt.

Flora en fauna: Het project leidt niet tot significant negatieve effecten door toename van stikstofpositie, of anderszins tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden. Eén van de projectonderdelen is juist het realiseren van natuur, waaronder gebieden die tot het Natuurnetwerk Nederland zullen gaan behoren.

Hoofdstuk 5

46

Kenmerken van het project Criteria

Toets Hoewel het plan primair ziet op de ontwikkeling van natuur, betekent dit niet dat negatieve effecten op beschermde soorten op voorhand uitgesloten zijn vanwege de verandering van habitats die zal optreden en vanwege de uit te voeren werkzaamheden. Daarom is ecologisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de uitvoering van de voorgenomen ingrepen in algemene zin niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming leidt, mits voldoende invulling wordt gegeven aan de algemene zorgplicht en ecologische begeleiding wordt ingesteld ten aanzien van de soortgroepen vogels, amfibieën, vissen en libellen. Daarnaast dient er soortgericht vervolgonderzoek uitgevoerd te worden ten aanzien van een aantal specifieke soorten in het vervolg van het project. Op voorhand valt niet te verwachten dat er significant negatieve effecten op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten zullen optreden.

Externe veiligheid: Er worden geen risicobronnen met het plan mogelijk gemaakt.

Bodem: Er worden geen functies mogelijk gemaakt, die tot potentiële bodemverontreiniging leiden. Er is zowel een (land)bodem- als een waterbodemonderzoek uitgevoerd. Onevenredig negatieve effecten zijn op basis van deze onderzoeken in beginsel uit te sluiten.

Water. Het plan leidt niet tot een toename van verhard oppervlak. Een verbetering van de waterhuishoudkundige situatie in het plangebied vormt één van de kernelementen van het plan. In het projectplan is hier uitvoerig op ingegaan, zijn alle effecten op het aspect water beschreven en is uitvoerig onderzoek gedaan naar de effecten op de waterhuishouding. Er treden geen significant negatieve effecten op.

Risico van ongevallen

Er worden geen risicobronnen met het plan mogelijk gemaakt. Daarnaast maakt het plan geen (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk en is het verblijf van personen in het plangebied beperkt. Hierdoor heeft het plan geen invloed op het groepsrisico van verderop gelegen risicobronnen.

De kenmerken van het project geven al met al geen aanleiding tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure. Plaats van het project Plaats van het project Criteria

Toets

Aard van de omgeving

De ontwikkeling vindt plaats in het landelijk gebied. Het betref een waterrijk gebied tussen twee kanalen in, waardoor tevens de rivier de Aa stroomt. De directe omgeving is hoofdzakelijk agrarisch ingericht en in gebruik. Verder zijn er enkele groen- en boselementen, woningen en een tuincentrum in de directe omgeving aanwezig. De bebouwde kom van AarleRixtel begint even westelijk van het plan. De personendichtheid en het verstedelijkingsniveau in de omgeving zijn relatief laag.

Bestaand grondgebruik en be-

Het grootste deel van de planlocatie kent op dit moment een agrarische functie en bestem-

staande bestemming

ming. Aan de westkant stroomt de Aa, die een Waterbestemming heeft en aan de randen

Hoofdstuk 5

47

Plaats van het project Criteria

Toets van het gebied geldt een Groenbestemming. Er zijn geen bouwvlakken aanwezig in het plangebied.

Relatieve rijkdom aan kwaliteit

In de huidige situatie zijn de ecologische en hydrologische waarden in het plangebied rela-

en het regeneratievermogen

tief beperkt te noemen.

van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: 

afstand tot gevoelige ge-

Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Dergelijke gebieden liggen op grote af-

bieden (wetlands, kustge-

stand, namelijk meer dan 10 kilometer. Het plangebied behoort niet tot een waterwinlocatie,

bieden, berg- en bosge-

waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Ook behoort het plangebied niet tot een

bieden, reservaten en na-

gebied waarbinnen een Rijksmonument ligt. Het plangebied is eveneens niet gelegen in een

tuurparken, Habitat- en

Bèlvéderegebied of een beschermd stads-of dorpsgezicht. Ten slotte ligt het plangebied

Vogelrichtlijngebieden)

ook niet in een bosgebied of een anderszins als gevoelig aan te merken gebied.

gebieden waarin bij com-

Niet aan de orde.

munautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden 

(afstand tot) gebieden met

Het plangebied ligt in het landelijk gebied. Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid zijn

een hoge bevolkingsdicht-

in de omgeving niet aanwezig. De rand van de bebouwde kom van Aarle-Rixtel ligt wel op

heid

betrekkelijk korte afstand, maar dit betreft geen gebied met een bijzonder hoge bevolkingsdichtheid.

landschappen van histo-

In het plangebied of in de directe omgeving zijn geen bijzonder landschappelijke, culturele

risch, cultureel of archeo-

en/of archeologisch waardevolle gebieden aanwezig. Wel zijn er enkele waardevolle bomen

logisch belang

aanwezig. Deze worden overigens behouden en planologisch beschermd.

In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Onderstaand wordt aangegeven of er sprake is van dergelijke gebieden in de nabijheid van het project en zo ja, of er sprake is van potentiële effecten op gevoelige gebieden. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied

Toets

Beschermd natuurmonument

Niet in de omgeving aanwezig.

Habitat- en vogelrichtlijngebieden

Het plangebied ligt niet in een Vogel- en/of Habitatrichtlijngebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op meer dan 10 kilometer afstand van het plangebied. Uit de toelichting blijkt voorts dat er geen sprake is van potentiële onevenredig negatieve effecten op dit gebied. Omdat overige gebieden op nog grotere afstand liggen, zijn negatieve effecten op overige gebieden uitgesloten.

Hoofdstuk 5

48

Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied

Toets

Watergebied van internationale beteke-

Het plangebied ligt niet in de nabijheid van watergebieden met internationale bete-

nis

kenis.

Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied maakt reeds onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland, maar

(voormalige EHS)

is als zodanig nog niet ingericht. In de toekomstige situatie worden verschillende elementen van het NNN gerealiseerd binnen het plangebied. Hiermee is van potentiële negatieve effecten op deze gebieden dus geen sprake, maar leidt het plan juist tot daadwerkelijke realisatie van het NNN.

Landschappelijk waardevol gebied

Het plangebied ligt niet in een landschappelijk waardevol gebied. Bijzondere landschapswaarden zijn in het plangebied, met uitzondering van een drietal waardevolle bomen, niet aanwezig.

Waterwinlocaties. waterwingebieden,

Het plangebied ligt niet in de nabijheid van waterwinlocaties. waterwingebieden, en

en grondwaterbeschermingsgebieden

grondwaterbeschermingsgebieden.

Beschermd monument

Er zijn geen monumenten aanwezig in het plangebied.

Belvedère-gebied

Het plangebied ligt niet in of in de nabijheid van een Belvedere-gebied.

Hoewel het plangebied buiten bestaand stedelijk gebied ligt, geeft de plaats van het project op basis van de voorgaande bevindingen geen aanleiding tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure. Het plangebied en de directe omgeving kunnen niet als bijzonder gevoelig gebied worden beschouwd. Kenmerken van het potentiële effect Kenmerken van het potentiële effect Criteria

Toets

Bereik van het effect (geografische

De potentiële negatieve effecten vanwege het plan zijn beperkt en zijn uitsluitend

zone en grootte van de getroffen bevol-

lokaal van aard. Er zijn uitsluitend potentiële negatieve effecten aan de orde in het

king)

kader van de werkzaamheden tot realisatie van de toekomstige bestemming, maar niet ten gevolgen van de toekomstige bestemming zelf. Gelet op de aard van de effecten in relatie tot de omgeving, is het bereik van het potentiële effect beperkt te noemen.

Grensoverschrijdende karakter van het

Dit is gelet op het voorgaande niet aan de orde.

effect Waarschijnlijkheid van het effect

Van onevenredige negatieve effecten voor de omgeving is naar verwachting geen sprake. De waarschijnlijkheid van enige onevenredig negatieve effecten is zeer gering.

Duur, frequentie en de omkeerbaarheid

In de realisatiefase is er sprake van tijdelijke niet-onomkeerbare effecten, maar

van het effect

deze effecten zijn beperkt en moeten worden afgewogen tegen de te bereiken positieve effecten van de bestemmingswijziging. Daarbij kan worden geconcludeerd dat de positieve effecten aanzienlijk groter zijn dan de tijdelijke negatieve effecten. Na realisatie is er sprake van een permanente situatie met een verwaarloosbaar potentieel negatief effect op de omgeving of op gevoelige gebieden.

Geconcludeerd wordt dat de potentiële effecten geen aanleiding geven tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure.

Hoofdstuk 5

49

Conclusie In deze paragraaf is beoordeeld of de kenmerken van het project, de plaats van het project en/of de specifieke potentiële effecten van het project aanleiding geven om een m.e.r.-procedure te doorlopen, ondanks het feit dat de omvang van het project onder de drempelwaarden van Bijlage D bij het Besluit m.e.r. blijft. Hiermee is invulling gegeven aan de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Op basis van de verrichte onderzoeken en de bevindingen in deze toelichting, de bijbehorende bijlagen en specifiek in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling, wordt geconcludeerd dat er geen aanleiding is om een m.e.r.-procedure te doorlopen. Op basis van de vormvrije m.e.r.-beoordeling neemt het bevoegd gezag een separaat besluit hieromtrent.

Hoofdstuk 5

50

6.

JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

6.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

6.2 Plansystematiek Het bestemmingsplan bestaat uit de juridisch bindende regels en verbeelding en gaat vergezeld van een toelichting. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Hieronder wordt de systematiek, opbouw en indeling van de regels kort toegelicht. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

Hoofdstuk 6

51

Hoofdstuk 1: Inleidende regels In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. Artikel 2 geeft de meet- en rekenwijze aan:  Begrippen: In deze regels zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begrippen zijn alleen nodig wanneer die gebruikt worden in de regels en wanneer deze tot verwarring kunnen leiden of op meerdere manieren te interpreteren zijn.  Wijze van meten: Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels In het tweede hoofdstuk komt de bestemming aan de orde. De opbouw van de bestemming ziet er als volgt uit:  Bestemmingsomschrijving: de omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functie.  Bouwregels: in de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd.

Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart).  Afwijken van de bouwregels: burgemeester en wethouders kunnen door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning bepaalde oppervlaktematen van bijgebouwen en herbouw van een woning buiten het bouwvlak, die conform de bouwregels niet zijn toegestaan, toch toestaan. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.  Specifieke gebruiksregels: in dit artikel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die, waarvan het op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de in de bestemmingsomschrijving genoemde doeleinden. Hoofdstuk 3: Algemene regels In het derde hoofdstuk zijn de regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het gehele plan. De algemene regels zijn (evenals de inleidende regels) van belang voor een juiste interpretatie van de bestemmingsregels.

 Anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.  Algemene gebruiksregels: deze regels geven algemene regels over wat onder een strijdig gebruik wordt verstaan. Ook is een regeling opgenomen ter waarborging van voldoende parkeergelegenheid.  Algemene afwijkingsregels: in deze regels is aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.

Hoofdstuk 6

52

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregel(s) In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en de slotregel opgenomen:  Overgangsrecht: bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsregel houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet. Een hardheidsclausule is opgenomen zodat het bevoegd gezag kan afwijken van het overgangsrecht voor gebruik.  Slotregel: deze regel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald (de naam van het bestemmingsplan).

6.3 Toelichting op de bestemmingen Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen. Natuur Het gehele plangebied is in de toekomstige situatie bestemd als ‘Natuur’. Hiervoor is gekozen omdat natuurontwikkeling het primaire doel van het project is. De als 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor behoud, herstel en/of ontwikkeling van de natuurwaarden, behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke waarden, bermen en beplantingen, (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en extensief recreatief medegebruik. Hierbij is ter plaatse van de beoogde aangepaste loop van de Aa de functieaanduiding ‘water’ opgenomen. Binnen deze aanduiding moet de doorstroomfunctie van de Aa verzekerd zijn. Agrarisch gebruik ten behoeve van natuurbeheer is hier toegestaan. Binnen de bestemming mogen uitsluitend kleine gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd ten behoeve van natuurbeheer en extensief recreatief medegebruik, alsmede bouwwerken geen gebouwen zijnde voor extensief recreatief medegebruik. In de bouwregels zijn hiertoe maximale maatvoeringen opgenomen. In het plan is tevens een aantal dubbelbestemmingen opgenomen. Deze bestemmingen worden hierna toegelicht. Leiding Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de bestaande brandstofleiding, die oost-westelijk door het plangebied loopt.

De voor 'Leiding' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de aanleg, instandhouding en/of bescherming van een brandstofleiding ter plaatse van de figuur ‘hartlijn – leiding brandstof’. Binnen deze bestemming gelden restricties aan het bebouwen van de gronden en aan het uitvoeren van bepaalde werken en werkzaamheden. Hiervoor geldt een omgevingsvergunningplicht. Het doel van dit stelsel is om de belangen van het functioneren van de leiding te waarborgen. .

Hoofdstuk 6

53

Waarde – Archeologie 5.1 en 7 In het plangebied worden de twee geldende archeologische dubbelbestemmingen behouden, omdat het plangebied niet is vrijgegeven naar aanleiding van het uitgevoerde archeologische onderzoek. Zie daarover nader par. 5.11 van deze toelichting. Op basis van deze dubbelbestemmingen geldt een vergunningplicht voor het bebouwen van de gronden en/of het uitvoeren van werken en werkzaamheden, die de drempelwaarden genoemd in de bestemmingen overschrijden. Waarde – Cultuurhistorie bomen Deze dubbelbestemming is opgenomen ter plaatse van de kroonprojectie van de drie bestaande, cultuurhistorisch waardevolle bomen die in het oostelijk deel van het plangebied liggen. Binnen de groeiplaats van deze bomen mogen geen werkzaamheden worden uitgevoerd zonder omgevingsvergunning. Hiermee wordt de groeiplaats van deze bomen beschermd. Waterstaat – Waterkering De kade rondom de Zuid-Willemsvaart betreft een regionale kering, die in de legger rijkswaterstaatswerken is opgenomen. De kering bestaat uit een kern- en een beschermingszone. Ter waarborging van de belangen van deze kering is de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen, die een verbod bevat op het zonder omgevingsvergunning bebouwen van de gronden en het uitvoeren van bepaalde werken en werkzaamheden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Laarbeek&id=b4bb736f-41f9-4537-81a9-81f3962100c1