6 20230209 toelichting ontwerp-bestemmingsplan Heieindseweg 1-1a, Mariahout.pdf
Tekst van het document
Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 1–1a, Mariahout NL.IMRO.1659.BPBGHeieindsewegMH-ON01
Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 1-1a, Mariahout
Plangebied Heieindseweg 1–1a, Mariahout Projectnummer LAAR13.RO01 Datum en versie 19 april 2022, versie 1 Opgesteld door Agron Advies B.V. Pastoor van Schijndelstraat 33a 5469 PS Boerdonk Tel: 0492-347761 Email: info@agronadvies.nl
Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 1-1a, Mariahout
Inhoud 1. 1.1 1.2 1.3 1.4
Inleiding Aanleiding en doel Plangebied Vigerend juridisch-planologisch kader Opbouw bestemmingsplan
1 1 1 2 3
2. 2.1 2.2 2.3
Juridische verantwoording Algemene opzet Toelichting op de verbeelding Toelichting op de regels
4 4 4 4
3. 3.1 3.2
Uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid
6 6 6
Bijlagen Bijlage 1
Ruimtelijke onderbouwing
Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 1-1a, Mariahout
1. Inleiding 1.1
Aanleiding en doel
Initiatiefnemer exploiteert op de locatie Heieindseweg 1-1a te Mariahout (hierna: plangebied) een intensieve veehouderij (vleesvarkenshouderij). Het bedrijf bestaat uit twee bedrijfswoningen met bijgebouwen en een drietal varkensstallen (deels voorzien van zonnepanelen). Initiatiefnemer is voornemens de gehele intensieve varkenshouderijtak te beëindigen met de subsidieregeling ‘Sanering varkenshouderij’ (SRV). In het kader van de SRV dienen de vleesvarkensstallen te worden gesloopt en dient de locatie te worden herbestemd, zodat verzekerd is dat ter plaatse geen intensieve veehouderij meer opgericht kan worden. De bedrijfswoningen van het bedrijf worden in de beoogde situatie gebruikt als burgerwoonbestemming en krijgen de bestemming ‘Wonen’. Het overige gedeelte van de voormalige bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ wordt gewijzigd in de bestemming ‘Agrarisch’. Hiermee komt de functieaanduiding ‘Intensieve veehouderij’ te vervallen. De op de stallen geïnstalleerde zonnepanelen worden van het dak naar de grond verplaatst op het perceel tussen de woonbestemmingen. Het plan is in strijd met de regels van de vigerende bestemmingsplannen. Derhalve dient een bestemmingsplan te worden opgesteld. Onderhavige rapportage vormt de toelichting van het bestemmingsplan.
1.2
Plangebied
Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Laarbeek, op circa 370 meter ten zuidoosten van de dorpskern Mariahout. Kadastraal staat de locatie bekend als gemeente Lieshout, sectie K, nummers 587, 979, 1015, 1097 en 1098. Het plangebied wordt ontsloten middels twee inritten op de oostelijk gelegen Heieindseweg. Daarnaast wordt de woning Heieindseweg 1 ontsloten op de onverharde zijweg van de Heieindseweg. Het plangebied grenst aan de westzijde aan de weg Ginderdoor. Aan de noordzijde wordt het plangebied begrensd door landbouwgronden. De omgeving van het plangebied is een mix van agrarische bedrijven, niet-agrarische bedrijven en burgerwoningen. De volgende figuren geven de ligging van het plangebied weer.
1 Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 1-1a, Mariahout
Figuur 1: Topografische kaart ligging plangebied (rood omkaderd)
Figuur 2: Luchtfoto plangebied (rood omkaderd)
1.3
Vigerend juridisch-planologisch kader
Op het plangebied zijn de bestemmingsplannen van de gemeente Laarbeek ‘Buitengebied’ (vastgesteld op 6 juli 2010) en ‘Buitengebied – 1e herziening’ (vastgesteld op 4 december 2013) van toepassing. De locatie heeft de enkelbestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’, de functieaanduiding ‘Intensieve veehouderij’ en de gebiedsaanduidingen ‘bebouwingsconcentratie 4 en ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’. Daarnaast heeft het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ en is er een maatvoering van maximaal twee wooneenheden (bedrijfswoningen) op de locatie van toepassing (zie volgende figuur).
2 Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 1-1a, Mariahout
Figuur 3: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Buitengebied’ en ‘Buitengebied – 1e herziening’ (bron: Ruimtelijke plannen) (plangebied rood omkaderd)
De ontwikkeling is in strijd met de vigerende bestemmingsplannen. Hierin zijn enkele wijzigingsbevoegdheden opgenomen voor de wijziging naar de bestemming ‘Wonen’ en het afsplitsen van een bedrijfswoning. Voor de realisatie van grondgebonden zonnepanelen binnen de agrarische bestemming is geen wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Derhalve dient een bestemmingsplanprocedure te worden doorlopen.
1.4
Opbouw bestemmingsplan
Voorliggende toelichting vormt de basis voor het bestemmingsplan, die de planologische inpassing mogelijk maakt van de beoogde ontwikkeling. Het vigerende bestemmingsplan biedt hiervoor de benodigde juridische basis. Het bestemmingsplan is vervat in een verbeelding en regels en gaat vergezeld van een toelichting. Op de verbeelding zijn onder meer de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden aangegeven. De regels omvatten de bestemmingsbepalingen van de verschillende bestemmingen die in het plangebied voorkomen. De verbeelding en regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan; de toelichting is van belang als beleidsdocument. De basis voor onderhavige toelichting vormt de ruimtelijke onderbouwing die als bijlage is toegevoegd. Hierin wordt het planvoornemen beschreven, evenals de inpassing van het voornemen binnen het rijksbeleid en het provinciaal en gemeentelijk beleidskader. Verder wordt getoetst aan de ruimtelijke aspecten (natuur, landschap, cultuurhistorie en archeologie, verkeer, ontsluiting en parkeren) en milieuaspecten (bodem, water, geluid, luchtkwaliteit, geurhinder, bedrijven en milieuzonering, externe veiligheid, volksgezondheid). Onderhavig document bevat een omschrijving van de juridische verantwoording en ten slotte wordt ingegaan op de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.
3 Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 1-1a, Mariahout
2. Juridische verantwoording 2.1
Algemene opzet
Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) naar het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels). Het bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: • De toelichting: een planbeschrijving die een verantwoording van de gemaakte keuzes, een toelichting op de juridische opzet en een korte beschrijving van de handhavings- en uitvoeringsaspecten bevat; • De regels, waarin de bestemmingen en daarbinnen geldende mogelijkheden zijn uitgewerkt. De regels van de bestemmingsplannen ‘Buitengebied’ en ‘Buitengebied – 1e herziening’ zijn van toepassing; • De verbeelding, die de rol heeft van visualisering van de bestemmingen.
2.2
Toelichting op de verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige functies). Deze vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken. Op basis van het voorgaande worden in voorliggend bestemmingsplan de volgende bestemmingen en aanduidingen onderscheiden: Met betrekking tot de woning Heieindseweg 1, Mariahout: • Wonen (enkelbestemming); • Waarde – Archeologie 1 (dubbelbestemming); • Waarde – Cultuurhistorie bomen (dubbelbestemming); • Overige zone - bebouwingsconcentratie 4 (gebiedsaanduiding); • Maximum oppervlakte bijgebouwen (m²) (310 m2) (maatvoeringsaanduiding). Met betrekking tot de woning Heieindseweg 1a, Mariahout: • Wonen (enkelbestemming); • Waarde – Archeologie 2 (dubbelbestemming); • Overige zone - bebouwingsconcentratie 4 (gebiedsaanduiding); • Maximum oppervlakte bijgebouwen (m²) (350 m2) (maatvoeringsaanduiding). Met betrekking tot de overige gronden binnen het plangebied: • Agrarisch (enkelbestemming); • Specifieke vorm van agrarisch - grondgebonden zonnepanelen (functieaanduiding); • Waarde – Archeologie 1 (dubbelbestemming); • Waarde – Archeologie 2 (dubbelbestemming); • Overige zone - bebouwingsconcentratie 4 (gebiedsaanduiding).
2.3
Toelichting op de regels
De systematiek van de regels kan worden samengevat aan de hand van de hoofdstukindeling. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:
4 Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 1-1a, Mariahout
• • • •
Hoofdstuk 1 ‘Inleidende Regels’ gaat in op de omschrijvingen van de in de voorschriften gehanteerde begrippen en de wijze waarop de vermelde maten worden bepaald. In hoofdstuk 2 ‘Bestemmingsregels’ worden de verschillende bestemmingen met bijbehorende gebruiksbepalingen en bouwvoorschriften beschreven. Hoofdstuk 3 ‘Algemene regels’ geeft een overzicht van de algemene bouw- en gebruiksregels en de regels met betrekking tot afwijken van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 4 ‘Overgangs- en slotregels’ komen de regels ten aanzien van het overgangsrecht en de slotregel aan bod.
5 Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 1-1a, Mariahout
3. Uitvoerbaarheid 3.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het bestemmingsplan doorloopt als ontwerp respectievelijk vastgesteld en onherroepelijk plan de volgende procedure conform de artikelen 3.7 tot en met 3.9 van de Wet op de ruimtelijke ordening: 1) Voorbereiding en vooroverleg met diensten van rijk, provincie en waterschap; Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmings-/bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijn geïnformeerd. 2) Ontwerp: het ontwerp-bestemmingsplan wordt gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Eenieder wordt tijdens deze periode in de gelegenheid gesteld zienswijzen in te dienen; er zijn geen zienswijzen ingekomen. 3) Vaststelling: de gemeenteraad van Laarbeek stelt vervolgens het bestemmingsplan vast. Het plan wordt vervolgens voor een periode van 6 weken ter inzage wordt gelegd voor beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak bij de Raad van State.
3.2
Economische uitvoerbaarheid
Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wro rust op de gemeente de verplichting tot het verhalen van kosten bij grondexploitatie via een exploitatieplan, tenzij kostenverhaal anderszins is verzekerd. Met initiatiefnemers is een anterieure ontwikkelingsovereenkomst gesloten. In de overeenkomst zijn onder andere de ontwikkelvoorwaarden (waaronder planschade) opgenomen.
6 Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 1-1a, Mariahout
Bijlage 1
Ruimtelijke onderbouwing
Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 1-1a, Mariahout
Ruimtelijke onderbouwing Laarbeek
Heieindseweg 1 en 1a, Mariahout
1 Wijzigingsplan Brede Balrouw 48 Hoeven
Colofon
ZLTO Advies Bas Westerveld Adviseur omgeving 06-83238450 Maart 2021 Projectnummer 2021000276 Kantoor ’s-Hertogenbosch Onderwijsboulevard 225 5223 DE ’s-HERTOGENBOSCH Postbus 100 5201 AC ’s-HERTOGENBOSCH
Ruimtelijke onderbouwing Heieindseweg 1 en 1a Mariahout
2
INHOUDSOPGAVE
TOELICHTING 1. 1.1 1.2 1.3 1.4
Inleiding ................................................................................................................ 5 Aanleiding ............................................................................................................... 5 Ligging en begrenzing plangebied............................................................................... 5 Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................ 6 Leeswijzer ............................................................................................................... 8
2. 2.1 2.2
Het plan ................................................................................................................. 9 Huidige situatie ........................................................................................................ 9 Beoogde situatie ...................................................................................................... 9
3. Planologisch beleidskader .................................................................................... 12 3.1 Rijksbeleid ............................................................................................................. 12 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ............................................................... 12 3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ........................................................ 12
3.1.3
Ladder duurzame verstedelijking ......................................................................... 13
3.2 Provinciaal beleid .................................................................................................... 13 3.2.1 Brabantse omgevingsvisie .................................................................................. 13 3.2.1
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant ...................................................... 14
3.3 Gemeentelijk beleid ................................................................................................. 15 3.3.1 Structuurvisie ................................................................................................... 15 4. Omgevingsaspecten ............................................................................................. 16 4.1 M.e.r.-beoordeling ................................................................................................... 16 4.2 Geluid .................................................................................................................... 16 4.3 Luchtkwaliteit ......................................................................................................... 17 4.4 Geur ...................................................................................................................... 19 4.5 Bodem ................................................................................................................... 20 4.6 Bedrijven en milieuzonering ..................................................................................... 20 4.7 Externe veiligheid.................................................................................................... 21 4.8 Cultuurhistorie en archeologie...................................................................................
24 4.9 Mobiliteit en parkeren .............................................................................................. 26 4.10 Technische infrastructuur ......................................................................................... 27 4.11 Flora en Fauna ........................................................................................................ 28 4.11.1 Gebiedsbescherming ...................................................................................... 28 4.11.2
Soortenbescherming ...................................................................................... 28
4.12 Water .................................................................................................................... 29 5. 5.1 5.2 5.3
Uitvoerbaarheid en procedure .............................................................................. 32 Economische uitvoerbaarheid ................................................................................... 32 Maatschappelijke uitvoerbaarheid .............................................................................. 32 Procedure............................................................................................................... 32
6. 6.1
Juridische planopzet ............................................................................................ 32 Regels ................................................................................................................... 32
Ruimtelijke onderbouwing Heieindseweg 1 en 1a Mariahout
3
6.2 7.
Verbeelding ............................................................................................................ 32 Bijlagen ................................................................................................................ 33
Ruimtelijke onderbouwing Heieindseweg 1 en 1a Mariahout
4
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding
Aan de Heieindseweg 1 en 1a is een varkenshouderij gelegen. Het bedrijf bestaat uit twee bedrijfswoningen met bijgebouwen, twee grote aan elkaar gebouwde stallen voorzien van zonnepanelen en een aparte varkensstal. Het bedrijf doet mee aan de saneringsregeling varkenshouderij en als onderdeel van deelname aan deze regeling is een wijziging van de bestemming ter plaatse noodzakelijk. Onderdeel van de bestemmingswijziging dient in ieder geval te zijn dat het houden van intensieve diersoorten niet langer is toegestaan. De bedrijfswoningen van het bedrijf worden afgesplitst als woonbestemmingen, een van beide bijgebouwen zal ietwat groter teruggebouwd worden dan nu aanwezig. De in de huidige situatie aanwezige stallen worden gesloopt. Op de twee grotere stallen zijn zonnepanelen geïnstalleerd, de panelen blijven behouden maar zullen van het dak naar de grond verplaatsen. In het geldende bestemmingsplan ter plaatse is een mogelijkheid opgenomen om de functieaanduidingen met betrekking tot het houden van intensieve veehouderij te verwijderen. Deze ruimtelijke onderbouwing zal gebruik maken van de bevoegdheid zoals opgenomen in het vigerend bestemmingsplan.
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied is gelegen ten Zuidoosten van de dorpskern Mariahout. Kadastraal is de locatie bekend als gemeente Laarbeek, sectie K, nummers 587, 979, 1015, 1097 en 1098. In figuur 1-1 is de ligging van de initiatieflocatie weergegeven.
Figuur 1-1:
Situering plangebied
Ruimtelijke onderbouwing Heieindseweg 1 en 1a Mariahout
5
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Op het plangebied zijn de bestemmingsplannen “Buitengebied” vastgesteld op 6 juli 2010 en de 1 e herziening van het bestemmingsplan “Buitengebied” vastgesteld op 4 december 2013 van kracht. In onderstaand figuur is een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan “Buitengebied” 1e herziening weergegeven.
Figuur 1-2: uitsnede verbeelding
Het deel van het plangebied dat niet oplicht in figuur 1-2 is gelegen binnen het deel van het plan dat niet is herzien, de bebouwing en het grootste deel van de verharding is gelegen binnen de herziening. De bebouwing heeft de enkelbestemming “Agrarisch – Agrarisch bedrijf”, de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 2”, de functieaanduiding “intensieve veehouderij”, twee gebiedsaanduidingen “Bebouwingsconcentratie 4”en “Reconstructiewetzone – verwevingsgebied”. Er is een maatvoering aanwezig die het maximaal aantal bedrijfswoningen aangeeft op 2. In het bestemmingsplan is een bevoegdheid opgenomen waarmee een agrarisch bedrijf kan worden gewijzigd naar een woonbestemming. Onderstaand is de bevoegdheid weergegeven en
Ruimtelijke onderbouwing Heieindseweg 1 en 1a Mariahout
6
cursief is aangegeven hoe de ontwikkeling op het plangebied voldoet aan het gestelde. De bevoegdheid gaat niet specifiek in op meerdere bedrijfswoningen, in feite vindt bij beide bedrijfswoningen dezelfde ontwikkeling plaats.
1.3.1
Wijzigen naar wonen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming 'Wonen' voor zover het de voormalige agrarische bedrijfswoning betreft, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a.
Het agrarisch bedrijf ter plaatse is beëindigd en agrarisch hergebruik niet langer mogelijk is. Centraal onderdeel van de deelname aan de saneringsregeling veehouderij is het beëindigen van het aanwezige bedrijf en voorkomen dat eenzelfde type bedrijf kan worden opgericht op het plangebied. De wijziging die met de voorliggende procedure gevolgd wordt maakt hergebruik als agrarische locatie onmogelijk.
b.
Deze wijziging is niet toegestaan op agrarische locaties ter plaatse van de aanduiding ‘Reconstructiewetzone - Landbouwontwikkelingsgebied’. De locatie is gelegen buiten een landbouwontwikkelingsgebied en daarmee is het toepassen van de bevoegdheid mogelijk.
c.
Het bestemmingsvlak wordt verkleind tot de voormalige agrarische bedrijfswoning met bijhorende tuinen, erven en verhardingen en garage/bergingen en de wijziging gelijktijdig plaatsvindt met wijziging van de overige gronden naar de aangrenzende bestemming ‘Agrarisch’, ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden' en/of ‘Agrarisch met waardenLandschaps- en Natuurwaarden-1’ en/of ‘Agrarisch met waarden- Landschaps- en Natuurwaarden-2’, waarbij deze worden bestemd overeenkomstig de genoemde aangrenzende bestemmingen. De ontwikkeling beoogt om bovenstaande uit te voeren met het verschil dat beide woningen een woonbestemming zullen krijgen.
d.
Alle voormalige overtollige bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt waarbij geldt dat, ofwel 15 % van de oppervlakte van de voormalige overtollige bedrijfsgebouwen mag worden toegevoegd aan de inhoud van de woning tot een maximum van 900 m³, ofwel 15% van de oppervlakte van de voormalige bedrijfsgebouwen mag worden toegevoegd aan de oppervlakte aan bijgebouwen tot een maximum van 240 m², waarbij cultuurhistorisch waardevolle gebouwen ter plaatse van de aanduiding ‘cultuurhistorische waarden’ gehandhaafd dienen te blijven. De benoemde regeling zal worden ingezet om ter plaatse van de Heieindseweg 1a een bijgebouw op te richten.
e.
De woning mag geen onevenredige beperking opleveren van de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven. Enkel tegenover het bedrijf is een agrarische locatie gelegen, deze wordt belemmerd door dichterbij gelegen woonbestemmingen.
f.
De woning dient aanvaardbaar te zijn uit een oogpunt van een milieuhygiënisch verantwoord woon- en leefklimaat. De beide woningen kennen een milieuhygienisch verantwoord woon- en leefklimaat. In hoofdstuk 4 van deze onderbouwing wordt op de verschillende omgevingsaspecten getoetst en nader in gegaan.
Ruimtelijke onderbouwing Heieindseweg 1 en 1a Mariahout
7
1.4
Leeswijzer
Na dit inleidend hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige situatie binnen het plangebied en de beoogde situatie. In hoofdstuk 3 komen de relevante beleidskaders op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau aan bod. In hoofdstuk 4 worden de relevante omgevingsaspecten beschreven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 ingegaan op de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid en de procedure die het bestemmingsplan doorloopt. Tenslotte komt in hoofdstuk 6 de toelichting op de planregels (de planregels in combinatie met de verbeelding) aan bod.
Ruimtelijke onderbouwing Heieindseweg 1 en 1a Mariahout
8
2.
Het plan
2.1
Huidige situatie
De in de huidige situatie aanwezige varkenshouderij bestaat uit een oudere varkensstal aan de noordelijke zijde van het plangebied en twee grotere, aan elkaar gebouwde stallen. De grotere stallen zijn op het dak voorzien van zonnepanelen. Het bedrijf heeft twee bedrijfswoningen, hoewel naast elkaar gelegen is er een afstand van ruim 100 meter aanwezig tussen de twee woningen.
2.2
Beoogde situatie
Initiatiefnemer heeft het toekomstperspectief van het bedrijf beoordeeld en is tot de conclusie gekomen dat er beperkt perspectief aanwezig is. De ligging te midden van diverse woonbestemmingen en op relatief korte afstand van enkele kernen maakt dat de locatie beperkt geschikt is voor een intensieve veehouderij. Met de komst van de saneringsregeling varkenshouderij (SRV) is de mogelijkheid ontstaan om het bedrijf eerder te stoppen dan gepland. Initiatiefnemer heeft een aanvraag voor de subsidie gedaan en de subsidie is toegekend. Onderdeel van de voorwaarden waaronder de subsidie wordt toegekend is dat de bestemming van de locatie wordt aangepast. Vanwege de aanwezigheid van twee bedrijfswoningen is de meest logische herbestemming het toekennen van woonbestemmingen aan de beide bedrijfswoningen. Het is bij voormalige agrarische bedrijfswoningen gebruikelijk dat een grotere hoeveelheid bijgebouwen aanwezig blijft. Het bijgebouw van de Heieindseweg 1 heeft een redelijk formaat (310 m2) en voldoet voor de opslag van overgebleven middelen na de bestemmingswijziging. Aan de Heieindseweg 1a is nog geen bijgebouw aanwezig en zal een nieuw bijgebouw (350 m2) worden opgericht. Het bijgebouw zal dienst gaan doen als opslag voor middelen en machines om de gronden te kunnen onderhouden en voor bedrijfsmatige activiteiten tot milieucategorie 2.
In de brief van 6 oktober 2020 met nummer 40667-2020:090848 gaat de gemeente Laarbeek akkoord met de grootte van deze bijgebouwen. Voor de berekening van de afgesproken LIR-bijdrage, zie bijlage. In onderstaand figuur is een luchtfoto van het plangebied weergegeven met onder de gele vlakken de nieuw te vormen woonbestemmingen. Het noordelijk vlak is bekend onder huisnummer 1a bekend, het zuidelijke onder 1. Op twee van de aanwezige varkensstallen zijn zonnepanelen aanwezig. De panelen hebben nog voldoende economische levensduur en kwaliteit om behouden te kunnen blijven. Vanuit de voorwaarden van de gegeven subsidie is sloop van de stallen een voorwaarde. De panelen zullen van de daken worden gehaald en zullen op de grond eronder teruggezet worden.
Ruimtelijke onderbouwing Heieindseweg 1 en 1a Mariahout
9
Figuur 2-1: uitsnede plangebied met aangeduide woonbestemmingen.
Rekening houdend met de visie van de gemeente Laarbeek, zal de kavel en de bebouwing landschappelijk worden ingepast. Zie hiervoor de bijlage ‘Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering’. Een schets van de landschappelijke inpassing is hieronder als afbeelding opgenomen.
Ruimtelijke onderbouwing Heieindseweg 1 en 1a Mariahout
10
Figuur 2-2 Landschappelijke inpassingsplan
Ruimtelijke onderbouwing Heieindseweg 1 en 1a Mariahout
11
3.
Planologisch beleidskader
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (13 maart 2012 vastgesteld) omvat het ruimtelijke rijksbeleid tot 2040. Het uitgangspunt van de structuurvisie is voldoende ruimte te bieden voor het versterken van de Nederlandse concurrentiepositie, bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. Deze doelstellingen zijn vertaald in de nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur (RHS). Deze RHS beslaat de gebieden in Nederland die een belangrijke functie vervullen op het gebied van economie, infrastructuur en verstedelijking, water, natuur en landschap. Ten aanzien van deze gebieden is beleid geformuleerd om de kwaliteiten ervan te behouden. Naast ruimte maken en het versimpelen en verbeteren van omgevingsrecht wordt er ook geïnvesteerd, met name in de capaciteit van de infrastructuur. Prioriteit krijgen de Mainports, de Brainports en de Greenports, alsmede de achterlandverbindingen. Opgaven van nationaal belang voor de provincies Limburg en Noord-Brabant zijn onder andere: •
Het verbeteren van het vestigingsklimaat van de Brainport Zuidoost Nederland (Brainport Avenue) en Greenport Venlo door het optimaal benutten en waar nodig verbeteren van de (internationale) bereikbaarheid van deze gebieden via weg, water, spoor en lucht (o.a. verdere ontwikkeling Eindhoven Airport).
•
Het borgen van de waterveiligheid en – kwaliteit en zoetwatervoorziening voor de korte termijn (zoals Maaswerken en uitvoering hoogwaterbeschermingsprogramma) en de lange termijn. Binnen het Deltaprogramma wordt deze opgave aangepakt.
•
Het tot stand brengen en beschermen van de natuur (Natuur Netwerk Nederland), inclusief de Natura 2000 gebieden.
Zo lang er geen sprake is van een nationaal belang zal het rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen aan de provincies en gemeenten overlaten. De uitgangspunten uit de SVIR zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden of projecten van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de belangen uit de SVIR dient daarom verder getoetst te worden aan het Barro.
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Voor de doorwerking van de rijksbelangen in plannen van lagere overheden is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgesteld. Het Barro is op 30 december 2011 (grotendeels) in werking getreden en omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen. Belangrijke punten hierin zijn o.a. het zuinig ruimtegebruik, bescherming van kwetsbare (natuur)gebieden en bescherming van het land tegen klimaatverandering, overstroming en wateroverlast, de uitoefening van defensietaken, toekomstige uitbreidingen van de hoofdinfrastructuur. Met het Barro maakt het rijk duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen.
Ruimtelijke onderbouwing Heieindseweg 1 en 1a Mariahout
12
Op 1 oktober 2012 is aan het Barro een aantal onderwerpen toegevoegd. Het gaat om de eerder aangekondigde onderwerpen Ecologische Hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond rijksvaarwegen, verstedelijking in het IJsselmeer, bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament en toekomstige rivierverruiming van de Maastakken.
3.1.3
Ladder duurzame verstedelijking
Op 1 oktober 2012 is aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd. De Ladder duurzame verstedelijking is een processchema met als doel om mogelijke nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen of initiatieven voor stedelijke functies, zoveel mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied te laten plaats vinden. De ladder is een toetsingsinstrument voor ontwikkelaars en de overheid dat gevolgd moet worden bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen en heeft als doel te komen tot een zorgvuldig ruimtegebruik waarbij goede afwegingen worden gemaakt waar stedelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. In artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro wordt stedelijke ontwikkeling als volgt omschreven: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Het begrip ‘andere stedelijke voorzieningen’ wordt niet nader omschreven in het Bro, maar op basis van uitspraken van de Raad van State kan hier worden gedacht aan maatschappelijke functies of functies op gebied van religie, cultuur, leisure en recreatie. De ladder voor duurzame verstedelijking richt zich op substantiële ontwikkelingen, die qua aard en omvang zodanig zijn, dat voor mogelijke leegstand elders gevreesd zou kunnen worden.
Het doel is om overbodige bouwplannen (kantoren, woningen) te voorkomen en hergebruik te stimuleren. Van een ontwikkeling waar een laddertoets voor noodzakelijk wordt geacht is op het plangebied geen sprake. De omzetting van twee bedrijfswoningen naar woonbestemmingen wordt niet gezien als stedelijke ontwikkeling zoals opgenomen in het vigerend beleid. De ontwikkeling op het bestemmingsplan heeft geen gevolgen voor de rijks belangen zoals opgenomen in het Barro.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Brabantse omgevingsvisie
Op 14 december 2018 is de Brabantse omgevingsvisie vastgesteld. Met de omgevingsvisie formuleert de Provincie haar ambitie voor Brabant in 2050. De Provincie ziet een toekomst met een grote verwevenheid tussen stad en land en de bijkomende voor en nadelen die daaraan kleven. Het plangebied ligt in Oost Brabant. De omgevingsvisie ziet hier de verbinding met de steden ’sHertogenbosch, Nijmegen en Eindhoven en de verbinding met Greenport Venlo. De regio kent een hoge natuurwaarde en tevens veel agrarische activiteit, de Provincie ziet de agrarische sector in deze regio omvormen tot een sector die meer op kwaliteit produceert.
Ruimtelijke onderbouwing Heieindseweg 1 en 1a Mariahout
13
De omgevingsvisie geeft tevens de visie van de Provincie op haar eigen rol en hoe zij de gewenste ontwikkeling naar 2050 wil stimuleren. De provincie ziet zichzelf als verbinder en aanjager waar nodig. De ontwikkeling op het plangebied vormt geen belemmering voor de Brabantse omgevingsvisie. Het saneren van een varkenshouderij en de wijziging van de bestemming van Intensieve veehouderij in wonen past binnen de kaders van de omgevingsvisie.
3.2.1
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
Naast de Omgevingsvisie kent de Provincie Noord-Brabant de Interim omgevingsverordening Noord Brabant (oktober 2019 vastgesteld). In de omgevingsverordening staan de regels die de provincie stelt aan de bestemmings- en omgevingsplannen van gemeenten. Met de Interim omgevingsverordening bereidt de provincie Noord-Brabant de komst van de Omgevingswet (1 januari 2022) concreet voor en hanteert zij de in de wet aangegeven schrijf- en handelingswijze. De omgevingsverordening is geschreven met oog voor de doelgroep: burgers, gemeenten en waterschappen. Essentieel onderdeel van de verordening is de gedachte dat ontwikkelingen en plannen in gezamenlijkheid uitgevoerd worden en overleg en dialoog worden daarom toegejuicht. De verordening biedt voor ontwikkelaars en gemeenten meer mogelijkheden tot maatwerk, vaste afstanden en grootte maten worden losgelaten en er komt meer nadruk te liggen op het passend maken van initiatieven in hun omgeving. Voor gemeenten is hoofdstuk 3 van de verordening het belangrijkst, het hoofdstuk bevat de instructieregels voor gemeenten. Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling van de locatie is artikel 3.68 “wonen in landelijk gebied” van belang. Onderstaand is dit artikel weergegeven en is cursief aangegeven hoe de ontwikkeling hier aan voldoet. Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt dat: a.
alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan; De woningen op het plangebied zijn in de huidige situatie bestemd als bedrijfswoningen, na wijziging worden dit burgerwoningen. Er worden geen nieuwe woningen opgericht.
b.
zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten. Enkel de woningen zullen worden bewoond.
In de huidige situatie zijn er zonnepanelen op de daken van twee van de stallen aanwezig, na de sloop van de stallen worden de panelen van de daken op de grond gemonteerd. De omvang is beperkt en de technische infrastructuur is al aanwezig.
Ruimtelijke onderbouwing Heieindseweg 1 en 1a Mariahout
14
De beoogde ontwikkeling van het plangebied voldoet aan het gestelde in de interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Structuurvisie
De structuurvisie als instrument zal met het intreden van de omgevingswet (2022) tot het verleden behoren. Gemeenten zullen omgevingsvisies op gaan stellen om daarmee haar burgers te kunnen informeren over de ruimtelijke koers. Op het moment van schrijven kent de gemeente Laarbeek nog geen vastgestelde omgevingsvisie. Daarom zal een toetsing aan de structuurvisie plaatsvinden. De gemeenteraad heeft op 16 september 2010 de ‘Structuurvisie Laarbeek 2010 2020’ vastgesteld. In de structuurvisie is op hoofdlijnen vastgelegd waar de gemeente op maatschappelijk, economisch en ruimtelijk gebied de nadruk wil liggen in de periode tussen 2010 en 2020. De structuurvisie omschrijft de worsteling die in het buitengebied gaande is. Er is een groot aantal stoppende agrarische ondernemers voorzien. Daarnaast zal er een doorontwikkeling en schaalvergroting plaatsvinden van de bedrijven die blijven. Het buitengebied staat onder druk en daar komt de groeiende vraag naar woningen en een negatief migratiesaldo bij. Het saneren van een varkenshouderij in het buitengebied draagt bij aan de mogelijkheden voor alternatieve invulling van de locatie zelf en de directe omgeving. Het oprichten en door ontwikkelen van (geur)gevoelige functies in de directe omgeving van de Heieindseweg wordt met het saneren van het bedrijf mogelijk.
Het wijzigen van de twee bedrijfswoningen in woonbestemmingen draagt niet direct bij aan het woningtekort in de gemeente Laarbeek, er komen per saldo geen woningen bij. De Structuurvisie van de gemeente Laarbeek vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. De ontwikkeling op het plangebied is in lijn met het gestelde door de gemeente en de algemene trend in het Brabants buitengebied. De ontwikkeling van twee woonbestemmingen en een zonneweide van beperkt formaat past binnen de visie van de gemeente.
Ruimtelijke onderbouwing Heieindseweg 1 en 1a Mariahout
15
4.
Omgevingsaspecten
In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan alle relevante omgevingsaspecten
4.1
M.e.r.-beoordeling
Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan dat kaderstellend is voor projecten met grote milieugevolgen, een plan-m.e.r. op te stellen. Onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r. geeft de omvang van dergelijke projecten weer. Hierbij geldt sinds de aanpassing van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 de omvang als richtwaarde en niet als absolute drempelwaarde. Daarom is altijd een toets noodzakelijk om na te gaan of sprake is van een project met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: -
kenmerken van de projecten;
-
plaats van de projecten;
-
kenmerken van het potentiële effect.
Het mag duidelijk zijn dat wanneer een project ruim beneden de omvang uit de bijlage van het Besluit m.e.r. blijft, deze beoordeling beknopt kan zijn. Het is voor de beoogde ontwikkeling op de locatie niet noodzakelijk een milieu effect rapportage op te stellen. Het initiatief kan immers niet worden aangemerkt als een activiteit die voorkomt in een van de categorieën uit bijlagen C en D van het Besluit m.e.r. Dit neemt niet weg dat in dit geval een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Dit dient plaats te vinden aan de hand van drie criteria: • Kenmerken van het project; • Plaats van het project; • Kenmerken van het potentiële effect. In het kader van de voorliggende ontwikkeling zijn verderop in dit hoofdstuk diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Per aspect is bepaald of de ontwikkeling gevolgen heeft voor de (milieu)aspecten bedrijven‐ en milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bodemgeschiktheid, flora‐ en fauna, water, archeologie, cultuurhistorie, verkeer en parkeren. Uit de afweging is gebleken dat de effecten niet van dien aard zijn dat een m.e.r.‐beoordeling aan de orde is. Op grond van het voorgaande zijn belangrijke nadelige milieueffecten uitgesloten, waardoor het uitvoeren van een m.e.r.‐beoordeling of MER niet zinvol wordt geacht. Er is voor de beoogde ontwikkeling geen M.E.R. beoordeling of vormvrije M.E.R.
beoordeling noodzakelijk.
4.2
Geluid
Voor het aspect geluid is binnen het plangebied de Wet geluidhinder van toepassing. De Wet geluidhinder kent voor weg- en railverkeer alsmede voor gezoneerde industrieterreinen voorkeursgrenswaarden op nieuwe bestemmingen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor)wegen en zones bij industrieterreinen die aandachtsgebieden voor mogelijke geluidhinder begrenzen.
Ruimtelijke onderbouwing Heieindseweg 1 en 1a Mariahout
16
Volgens de Wet geluidhinder gelden voor woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen dan woningen en andere geluidsgevoelige objecten binnen de zone van een weg geluidswaarden die niet overschreden mogen worden. Op basis van art. 76 lid 3 Wgh hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg waar geen wijzigingen optreden op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Hieronder valt het omzetten van een agrarische bedrijfswoning naar een reguliere burgerwoning. Er worden geen nieuwe geluidsgevoelige objecten opgericht.
Geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er worden geen geluidsgevoelige objecten opgericht. Een intensieve veehouderij wordt gezien als een type bedrijf dat geluid produceert, de directe omgeving zou eventueel hinder kunnen ondervinden van dit geluid. Met het saneren van de varkenshouderij wordt een geluid producerende functie weggenomen en is eventuele geluidshinder niet langer aan de orde.
4.3
Luchtkwaliteit
Titel 2 van hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (deze titel wordt ook wel aangeduid als ‘Wet luchtkwaliteit’) voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Enkele voorbeelden zijn: -
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
-
woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
-
kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. De grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2. Er dient met name gekeken te worden naar de emissie van fijn stof (PM10). Op grond van de Wet luchtkwaliteit gelden grenswaarden waaraan voldaan moet worden. De grenswaarden waaraan getoetst wordt zijn: •
Jaargemiddelde concentratie: 40 µg/m3;
•
Daggemiddelde concentratie: 50 µg/m3;
•
Aantal toegestane overschrijdingen daggemiddelde: 35 keer.
Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot de categorieën van gevallen uit de Regeling NIBM zoals hiervoor beschreven, kan worden gesteld dat voorliggend initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er worden geen activiteiten toegevoegd met een invloed op de luchtkwaliteit en met het saneren van de intensieve veehouderij wordt een
Ruimtelijke onderbouwing Heieindseweg 1 en 1a Mariahout
17
functie met een fijnstofuitstoot en (zwaar) verkeer dat eveneens bekend staat om de uitstoot uit de omgeving verwijderd. Vanuit de rijksoverheid worden er via de atlas voor de leefomgeving diverse kaarten met informatie over de leefomgeving gepubliceerd. In de atlas is ook een kaart opgenomen over de luchtkwaliteit, specifiek de concentratie fijnstof (pm10). In figuur 4-1 is een uitsnede van deze kaart weergegeven, met een stip is de initiatieflocatie aangeduid. Te zien is dat er ter plaatse sprake is van een goede luchtkwaliteit. Het beëindigen van de intensieve veehouderij betekent automatisch een verbetering ten aanzien van de luchtkwaliteit. Varkenshouderijen kennen een behoorlijke uitstoot van fijnstof.
Figuur 4-1: uitsnede atlas voor de leefomgeving fijnstof pm10 2019
Het initiatief heeft uitsluitend een positieve invloed op de verkeersbewegingen ter plaatse. In de huidige situatie wordt het plangebied hoofdzakelijk en regelmatig bezocht door vrachtverkeer voor het bevoorraden van het bedrijf en het ophalen van slachtrijpe dieren. Het verkeer in de huidige situatie vindt grotendeels plaats via vrachtverkeer. NIBM-tool Voor kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een initiatief niet in betekenende mate bijdraagt (NIBM) aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van het voorliggende initiatief op de luchtkwaliteit.
Ruimtelijke onderbouwing Heieindseweg 1 en 1a Mariahout
18
Figuur 4-2: uitsnede NIBM tool Een exact aantal extra vervoersbewegingen is lastig in te schatten. Het verkeer zal zeer waarschijnlijk sterk afnemen en niet toenemen. In de NIBM tool is gekozen voor een extra grote hoeveelheid verkeer om van een echte worst-scale situatie. Een weekdaggemiddelde van 10 extra voertuigbewegingen is onrealistisch groot. Toch laat de tool zien dat de ontwikkeling NIBM is. Uit de ingevulde NIBM-Tool blijkt dat zelfs een extra grote toename van verkeer leidt tot een minimale, bijna te verwaarlozen bijdrage aan de luchtkwaliteit vanwege het extra verkeer. De wijziging draagt in niet betekende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er is in de huidige situatie sprake van een goede luchtkwaliteit. Het beëindigen van de varkenshouderij heeft een positief effect op de luchtkwaliteit en het wijzigen naar woonbestemmingen heeft geen (negatief) effect op de luchtkwaliteit.
4.4
Geur
De Wet geurhinder en veehouderij geeft het wettelijk kader inzake geurhinder in relatie tot veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: •
Leidt een plan tot belemmeringen voor de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden
van nabij gelegen veehouderijen? •
Is ter plaatse van de woning een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd?
Ruimtelijke onderbouwing Heieindseweg 1 en 1a Mariahout
19
Belemmeringen Op grond van artikel 3.2 van de Wet geurhinder en veehouderij moet de afstand tussen de gevel van het dichtstbijzijnde dierenverblijf behorende tot een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, gelegen binnen de bebouwde kom, tenminste 100 meter te bedragen. Buiten de bebouwde kom is deze afstand minimaal 50 meter. Gemeenten mogen bij verordening van de normen van de Wet geurhinder en veehouderij afwijken, binnen bepaalde grenzen (artikel 6 van de wet). In de huidige situatie is er op het plangebied sprake van een varkenshouderij met een geurproductie en daarmee eventuele geurhinder voor de omgeving van het plangebied. Het wijzigen van de bestemming betekend dat eventuele overlast volledig verdwijnt, woonbestemmingen en een zonneweide kennen geen geurproductie. Geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. De beëindiging van de varkenshouderij betekend dat de geurproductie en eventuele hinder daarvan volledig van het plangebied verdwijnen. In de omgeving zijn enkele intensieve veehouderijen aanwezig maar het plangebied is op voldoende afstand gelegen om de invloed van deze bedrijven op het plangebied beperkt in te kunnen schalen.
4.5
Bodem
Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Afhankelijk van hetgeen er op die locatie gebouwd wordt, is dan nog een bodemonderzoek nodig. Dat is niet aan de orde wanneer er ruimtes worden opgericht die niet bestemd zijn voor menselijk verblijf. Vanwege de sloop van de bedrijfsgebouwen en het wijzigen van de bestemming is er sprake van een eindsituatie van het bedrijf. Er zal na sloop een bodemonderzoek plaats vinden om de bodemgesteldheid te beoordelen en vast te stellen dat er voor wat betreft de bodemgesteldheid sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Er zal een voorwaardelijke verplichting worden opgenomen om te borgen dat het bodemonderzoek ook uitgevoerd zal worden. Bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Om de eindsituatie van het bedrijf vast te stellen en een goed woon- en leefklimaat te borgen zal er een bodemonderzoek plaats vinden na sloop van de bedrijfsgebouwen.
4.6
Bedrijven en milieuzonering
Om tussen bedrijven en woningen een goede ruimtelijke afstemming te maken wordt in de ruimtelijke ordening veelal een milieuzonering gehanteerd. Deze dient er voor te zorgen dat door het in acht nemen van voldoende afstand tussen bedrijven en gevoelige objecten (zoals woningen), geen overlast, hinder of schade ontstaat. Deze ruimtelijke zonering is gebaseerd op het in acht
Ruimtelijke onderbouwing Heieindseweg 1 en 1a Mariahout
20
nemen van voldoende fysieke afstand. Afhankelijk van bedrijfstype en sector gelden verschillende afstanden. Om gemeenten te ondersteunen in het keuzeproces welke bedrijven gewenst en welke bedrijven ongewenst geacht worden heeft de vereniging Nederlandse gemeenten (VNG) een Handreiking Bedrijven en milieuzonering uitgebracht. De Handreiking, in de vorm van een gids, geeft voor verschillende bedrijfstypen richtafstanden op de onderdelen geur, stof, geluid en gevaar. In de directe omgeving van het plangebied zijn verschillende functies voor toetsing van toepassing: •
De varkenshouderij die in de huidige situatie op het plangebied aanwezig is
•
De intensieve veehouderij aan de Heieindseweg 6
•
De Outdoorwinkel aan Ginderdoor 55
De huidige varkenshouderij heeft een behoorlijke invloed op de omgeving en de ontwikkelmogelijkheden van omliggende functies. Varkenshouderijen kennen een behoorlijke richtafstand in de VNG handreiking voor de aspecten geur en stof. De ontwikkeling betekend dat de varkenshouderij wordt gesaneerd en daarmee verdwijnt de bron van hinder. Aan de Heieindseweg 6 is een intensieve veehouderij gelegen. Het betreft een bedrijf dat konijnenhouderij . Konijnen kennen een richtafstand in de VNG Handreiking Bedrijven en milieuzonering. De grootste richtafstand voor konijnen betreft 100 meter voor het aspect geur. In de Regeling geurhinder veehouderij is er geen geuremissiefacor vastgesteld. Ditzelfde geldt voor de fijnstofemissie volgens de lijst ‘Emissiefactoren fijnstof voor veehouderij’. Aan de richtafstand wordt voor de woningen aan de Heieindseweg 1 en 1a voldaan, als uitgegaan wordt van de afstanden tussen de woningen en de konijnenverblijven. De Outdoorwinkel aan de Ginderdoor 55 is het best te vergelijken met de definitie van een bouwmarkt conform de VNG handreiking. Een bouwmarkt heeft als grootste richtafstand een afstand van 30 meter voor het aspect geluid, aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan. De afstandseisen uit de Handreiking bedrijven en milieuzonering vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Er wordt voldaan aan de gestelde richtafstanden, als wordt gerekend vanaf de stallen van de konijnenhouderij aan de Heieindseweg. Konijnen hebben geen toetsingsfactor voor wat het geur en fijnstof betreft, een berekening van de precieze geuroverlast kan/hoeft dus niet gemaakt te worden.
4.7
Externe veiligheid
Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidsituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. Het wettelijk kader voor externe veiligheid wordt gevormd door diverse besluiten en circulaires: •
Inrichtingen (bedrijven): Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
•
Transportroutes: Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev);
•
Buisleidingen: Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Ruimtelijke onderbouwing Heieindseweg 1 en 1a Mariahout
21
Deze wettelijke kaders gaan uit van een minimum veiligheidsniveau voor locaties via het plaatsgebonden risico (PR) en het beperken van het theoretisch aantal slachtoffers in geval van een incident via het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR10-6) is een (berekende) afstand vanaf een risicobron waarbinnen de kans om te overlijden door een ongeval met de aanwezig gevaarlijke stoffen meer dan 1 op een miljoen jaar is. Binnen deze afstand mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden opgericht binnen het bestemmingsplan. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld grote kantoren, kinderdagverblijven e.d. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Groepsrisico Het groepsrisico is een berekende (oriëntatie-)waarde die aangeeft of er mogelijk sprake is van veel slachtoffers bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om het groepsrisico te berekenen is inzicht noodzakelijk in de aard van de risicobron en het aantal aanwezige personen binnen het invloedsgebied daarvan. Bij veel ruimtelijke besluiten moet de hoogte van dit groepsrisico verantwoord worden. Dit noemt men de verantwoordingsplicht van het groepsrisico. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve. Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers.
Risicokaart Er is een risicokaart beschikbaar waarop een ieder op basis van een adres aanwezige risicobronnen in de (directe) omgeving in kan zien. De kaart geeft de mogelijkheid om risico’s van inrichtingen en diverse transportroutes in te laden. In figuur 4-2 is een uitsnede van de risicokaart gegeven met het plangebied onder de getallen. Er zijn in de omgeving van het plangebied drie (hoge druk) transportleidingen aanwezig. leidingen geven een potentieel risico als bij het transport een calamiteit optreed en bijvoorbeeld de buiswand barst. In figuur 4-2 zijn de afstanden tot de bewuste buisleidingen weergegeven.
Ruimtelijke onderbouwing Heieindseweg 1 en 1a Mariahout
22
Figuur 4-3: uitsnede risicokaart met afstanden tot risicobronnen
De leiding A-521, in gebruik voor het vervoer van gas is op ruim 1.100 m ten westen van het plangebied gelegen. Ten noorden zijn de leidingen RRP I6 en RRP I9 gelegen, deze leidingen zijn in gebruik voor het vervoer van brandbare vloeistoffen in de K1 categorie. In onderstaande tabel zijn de belangrijkste gegevens over de bewuste leidingen weergegeven. Buisleiding
A-521
RRP I6
RRP I9
Uitwendige diameter
914
610
914
Maximale werkdruk (Bar)
6620
6200
4300
Invloedsgebied (meter)
430
310
360
Afstand tot plangebied
1164
1217
1217
(mm)
(meter) Zoals in bovenstaande tabel te zien is het plangebied (ruim) buiten het invloedsgebied van de aanwezige leidingen gelegen en daarmee vormen de leidingen geen risico of beperking.
Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van het plangebied. Er is voldoende afstand tussen de risicobronnen in de omgeving en het plangebied aanwezig.
Ruimtelijke onderbouwing Heieindseweg 1 en 1a Mariahout
23
4.8
Cultuurhistorie en archeologie
Vanwege artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van een ruimtelijk plan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Gemeenten zullen een inventarisatie moeten (laten) maken van alle cultuurhistorische waarden in het besluitgebied, dus niet alleen van de archeologische waarden. Daarnaast moeten ze aangeven welke conclusies ze daaraan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het kader van het planvoornemen. De Kempen en A2 gemeenten hebben gezamenlijk kaarten ontwikkeld waar het gezamenlijk beleid van de betrokken gemeenten op is opgenomen voor wat betreft cultuurhistorie en archeologie. De gemeente Laarbeek maakt onderdeel van de betrokken gemeenten en daarom is het beschikbare kaartmateriaal nageslagen voor deze beide onderwerpen. Belangrijk voor de ontwikkeling is om op te merken dat er behalve een nieuw bijgebouw aan de Heieindseweg 1a geen nieuwe gebouwen opgericht worden en geen bodemroering plaats vindt. In het figuur op de volgende pagina is een uitsnede van de cultuurhistorische beleidskaart weergegeven. Op het plangebied is met een groene aanduiding een “oude akker” weergegeven.
De Heieindseweg heeft enkele oranje strepen waarmee cultuurhistorische waarde van de weg wordt bedoeld.
Ruimtelijke onderbouwing Heieindseweg 1 en 1a Mariahout
24
Figuur 4-4: uitsnede cultuurhistorie erfgoedkaart Kempen en A2 gemeenten
De cultuurhistorische waarde is niet in het geding voor wat de ontwikkeling van het plangebied betreft. De aanduiding oude akker is beperkt van toepassing omdat het plangebied in het verleden al behoorlijk ontwikkeld is. De sloop van de aanwezige stallen en het bijgebouw aan de Heikantseweg 1a vormen geen belemmering voor de cultuurhistorie. Archeologie In 1992 is het Verdrag van Malta ondertekend door de lidstaten van de Raad van Europa. Dit verdrag heeft tot doel het cultureel erfgoed wat zich in de bodem bevindt te beschermen en te behouden. Hierbij moet gedacht worden aan archeologische vondsten en resten, gebruiksvoorwerpen, restanten van oude nederzettingen en grafvelden etc. Een van de belangrijke aspecten voor onderhavig plan is het kader wat het verdrag stelt t.a.v. ruimtelijke ordening. Dit kader houdt in dat er tijdig rekening gehouden dient te worden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden in de bodem. Voorafgaand aan een plan moet inzichtelijk gemaakt worden welke verwachtingen er zijn en in hoeverre rekening gehouden dient te worden met de aanwezige archeologische waarden.
Ruimtelijke onderbouwing Heieindseweg 1 en 1a Mariahout
25
In onderstaand figuur is een uitsnede van de archeologische beleidskaart van de Kempen en A2 gemeenten weergegeven. De legenda met daarop de categorie verdeling is naast de kaart weergegeven. De stippels op het plangebied willen zeggen dat het plangebied gelegen is op een esdek. Op het grootste deel van het plangebied is categorie 4 “gebied met hoge verwachting” van kracht en op het zuidelijke deel categorie 3 “Gebied met hoge verwachting (historische kernen en linten).
Figuur 4-5: Uitsnede archeologische beleidskaart Kempen en A2 gemeenten
De archeologische waarde is overgenomen in het vigerend bestemmingsplan. Enkel aan de Heieindseweg 1a is sprake van bouw in de vorm van een nieuw bijgebouw bij de woning. Omdat het een uitbreiding betreft op de bestaande fundering is de grondingreep voor de uitbreiding zeer beperkt en is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Cultuurhistorie en archeologie vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Omdat er voor de ontwikkeling geen nieuwbouw plaats zal vinden waar een behoorlijke grondingreep voor noodzakelijk is worden de archeologische en cultuurhistorische waarden in de bodem niet geraakt.
4.9
Mobiliteit en parkeren
Het plangebied is ontsloten via de Heieindseweg. Ter hoogte van het plangebied kent de Heieindseweg een maximaal toegestane snelheid van 60 kilometer per uur. De Heieindseweg is herkenbaar als weg in het buitengebied met een rijbaan die door al het verkeer gedeeld wordt. Van het plangebied zijn in de huidige situatie verschillende typen verkeer afkomstig. De grootste impact voor de directe omgeving is het (zware) vrachtverkeer dat in de huidige situatie het plangebied bevoorraad en gebruikt wordt voor het ophalen van slachtrijpe dieren. Naast het vrachtverkeer kent het plangebied regulier verkeer van woningen in het buitengebied. In het figuur op de volgende pagina is een afbeelding van het plangebied gegeven met rechts het plangebied.
Ruimtelijke onderbouwing Heieindseweg 1 en 1a Mariahout
26
Figuur 4-6: afbeelding Heieindseweg
In de beoogde situatie zal de verkeerskundige situatie op het plangebied behoorlijk veranderen. Het vrachtverkeer dat het plangebied bezoekt valt weg vanwege het saneren van het agrarisch bedrijf. Wat rest is het reguliere verkeer dat gebruikelijk is bij woningen in het buitengebied. Ten aanzien van het parkeren blijft er op het plangebied voldoende verharding over om dit de parkeerbehoefte op te vangen.
Mobiliteit en parkeren vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er is sprake van een behoorlijke afname van verkeer en het verkeer dat resteert is qua zwaarte en frequentie goed te verwerken voor de Heieindseweg en de directe omgeving van het plangebied.