6 20220706 toelichting ontwerp-bestemmingsplan Lekerstraat ong., Beek en Donk (2).pdf
Tekst van het document
5.3
Geluid
In het kader van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. In dit kader is onderzocht of de toekomstige ontwikkelingen geen negatieve effecten hebben op de omgeving.
25
Toelichting bestemmingsplan Lekerstraat ong., Beek en Donk
5.3.1
Wegverkeerslawaai
De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). Uit artikel 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone waarbinnen een akoestisch onderzoek dient te worden verricht, indien sprake is van het projecteren van nieuwe geluidsgevoelige bebouwing binnen een dergelijke zone. Uitzondering hierop zijn wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. De nieuwe Ruimte-voor-ruimtewoning dient in het kader van de Wgh te worden beschouwd als een nieuw geluidgevoelig object. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Om de geluidbelasting op de nieuw op te richten Ruimte-voor-ruimtewoning te bepalen en te beoordelen is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd3. Op basis van de beschikbaar gestelde verkeersgegevens is een rekenmodel opgezet waarmee de geluidsniveaus op de toekomstige woning zijn berekend als gevolg van het verkeer van de Lekerstraat. Ter plaatse van de gevels van de woning wordt niet voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ter hoogte van de noordgevel. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt niet overschreden.
Wanneer sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde dient rekening gehouden te worden met het ‘Geluidbeleid Wet geluidhinder Hogere waarden’ d.d. 14 oktober 2009 van de gemeente Laarbeek. Hierin wordt gesteld dat indien een hogere waarde wordt verleend dat sprake dient te zijn van tenminste één geluidluwe gevel. Aan de zuidzijde van de woning is sprake van een aanzienlijk lagere geluidbelasting waardoor sprake is van een geluidluwe gevel. Direct ten zuiden van de zuidgevel van de woning begint de tuin waarin het geluidniveau niet meer dan 5 dB hoger is dan de geluidbelasting op de geluidluwe gevel. Op basis van het bovenstaande wordt verzocht een hogere waarde te verlenen. Binnen het Bouwbesluit is geregeld dat een waarde van 33 dB in de woning als gevolg van omgevingslawaai moet zijn gewaarborgd. Tevens wordt in het Bouwbesluit vermeld dat de karakteristieke geluidwering van geveldelen (GA;k) voor woningen ten minste 20 dB bedraagt. In het geval van nieuwbouw ligt de gevelwering tussen de 25 en 30 dB. De geluidbelasting bij de woning exclusief aftrek van artikel 110g bedraagt ten hoogste 58 dB. Met een gevelwering welke ten minste 20 dB bedraagt op basis van het Bouwbesluit, zal het binnenniveau ten hoogste 38 dB bedragen. Indien wordt uitgegaan van een gemiddelde gevelwering bij nieuwbouw van 25 dB dan bedraagt het binnenniveau 33 dB.
Ten aanzien van de buitenruimte en verblijf in de tuin dan wel terras kan verondersteld worden dat er een overwegend goede geluidskwaliteit heerst. Hierdoor kan worden verondersteld dat het aspect geluid een goede ruimtelijke ordening niet in de weg staat. Voor een uitgebreide beschrijving van de resultaten van het onderzoek wordt verwezen naar de rapportage in de bijlage. Tevens is het besluit hogere waarde opgenomen in de bijlage. Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavige situatie.
3 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai voor het oprichten van een woning aan de Lekerstraat ong. te Beek en
Donk, G&O Consult, 11 mei 2021 26
Toelichting bestemmingsplan Lekerstraat ong., Beek en Donk
5.3.2
Industrielawaai
Ten aanzien van het aspect industrielawaai worden de richtafstanden van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ aangehouden. In paragraaf 5.6 wordt onderbouwd dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. Geconcludeerd kan worden dat ook voor het aspect geluid sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
5.4
Luchtkwaliteit
Wet luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Titel 5.2 handelt over luchtkwaliteit; daarom staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in amvb's en ministeriële regelingen. De kern van de ‘Wet luchtkwaliteit’ bestaat uit de (Europese) luchtkwaliteitseisen. Verder bevat zij basisverplichtingen op grond van de richtlijnen, namelijk: plannen, maatregelen, het beoordelen van luchtkwaliteit, verslaglegging en rapportage. De wet regelt het zogenaamde Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Daarbinnen werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Niet in betekenende mate bijdragen In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Per 1 augustus 2009 geldt als NIBM 3% van de grenswaarde. Toetsing initiatief De huidige achtergrondconcentratie fijn stof (PM10) bedraagt ter plaatse van het plangebied 16,08 µg/m³. Er wordt voldaan aan de wettelijke norm.
Met behulp van de NIBM-tool (versie 2021) is berekend of de ontwikkeling in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijn stof en stikstofdioxide in de buitenlucht. In het rekenmodel is uitgegaan van maximaal 17 dagelijkse voertuigbewegingen van en naar het plangebied met maximaal 10% vrachtverkeer. De volgende figuur geeft een overzicht van het resultaat.
Figuur 18: Resultaat berekening bijdrage aan luchtkwaliteit (NIBM-tool)
De ontwikkeling heeft geen significante invloed op de luchtkwaliteit; het plan is te kleinschalig om in betekenende mate bij te dragen aan een verandering/ verslechtering van de luchtkwaliteit. 27
Toelichting bestemmingsplan Lekerstraat ong., Beek en Donk
Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.
5.5
Geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij schept het kader voor de onderbouwing van nieuwe plannen voor het aspect geur. De Wgv heeft ook consequenties voor de ontwikkeling van nieuwe ruimtelijke projecten. Dit wordt de omgekeerde werking genoemd. Een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen geurhinder, omgekeerd moet het bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat nieuwe projecten gerealiseerd worden op plaatsen waar de geurhinder onaanvaardbaar hoog is of door nieuwe ontwikkelingen te hoog zal worden. De grondslag hiervan ligt in de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Bij besluitvorming omtrent een bestemmingsplan moet worden bepaald of er sprake is van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Er moet worden nagegaan of een partij onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Ook voor geurhinder betekent dit dat de volgende aspecten nader onderzocht moeten worden: • Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belang veehouderij) (voorgrondbelasting); • Is er ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object) (achtergrondbelasting). Onder voorgrondbelasting wordt verstaan de individuele geurbelasting op het plangebied van de aanwezige veehouderijen in de omgeving van het plangebied (belang veehouderij).
Onder achtergrondbelasting wordt verstaan de cumulatieve geurbelasting op het plangebied als gevolg van de aanwezige veehouderijen in de omgeving van het plangebied (belang geurgevoelig object). Met de realisatie van de Ruimte-voor-ruimtewoning wordt een geurgevoelig object toegevoegd. Voor deze ontwikkeling wordt het aspect geur onderzocht. 5.5.1
Beoordeling belangen veehouderijen (voorgrondbelasting)
In de directe omgeving van het plangebied zijn de volgende veehouderijbedrijven gelegen: • Lekerstraat 29 (schapenhouderij): afstand circa 95 meter; • Lekerstraat 41 (melkveehouderij): afstand circa 130 meter; • Broekkantstraat 7-9 (vleesvarkenshouderij): afstand circa 350 meter; • Broekkantstraat 11 (vleesvarkenshouderij): afstand circa 350 meter. De ligging van de veehouderijbedrijven is weergegeven in de volgende figuur.
28
Toelichting bestemmingsplan Lekerstraat ong., Beek en Donk
Lekerstraat 41 (melkveehouderij)
Lekerstraat 29 (schapenhouderij)
Plangebied
Broekkantstraat 11 (vleesvarkenshouderij)
Broekkantstraat 7-9 (vleesvarkenshouderij)
Figuur 19: Ligging dichtstbijzijnde veehouderijbedrijven
Deze veehouderijbedrijven worden beschermd tegen geurgevoelige objecten. Dit betekent dat de rechten van de veehouderijbedrijven die kunnen worden ontleend aan de vigerende vergunning gerespecteerd dienen te worden. Voor veehouderijen met dieren zonder geuremissiefactor (zoals melkveehouderijen) geldt ingevolge de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) een vaste afstand van 50 meter buiten de bebouwde kom die moet worden aangehouden tussen een emissiepunt en het dichtstbijzijnde geurgevoelige object. De melkveehouderij aan de Lekerstraat 41 ligt op een afstand van circa 130 meter van de Ruimte-voor-ruimtekavel. Beiden voldoen hiermee aan de wettelijke minimumafstand. De meest nabijgelegen veehouderijen met dieren met een geuremissiefactor betreffen de vleesvarkensbedrijven aan de Broekkantstraat 7-9 en 11. Om te bepalen of de nieuwe ontwikkeling geen belemmering vormt voor de ontwikkeling van deze veehouderijen is een berekening van de voorgrondbelasting uitgevoerd middels het programma V Stacks Vergunning. Hierin zijn zowel het plangebied als de woningen meegenomen die het dichtste bij deze veehouderijbedrijven zijn gelegen (Lekerstraat 33, 35, 35a en 37). De norm waaraan getoetst dient te worden betreft maximaal 14 ouE/m3. De volgende tabel geeft de resultaten weer van deze berekening (zie ook bijlage). Tabel 2: Resultaten berekening voorgrondbelasting
Geurgevoelig object Lekerstraat 33 Lekerstraat 35 Lekerstraat 35a Lekerstraat 37 Lekerstraat ong. hoekpunt 1 Lekerstraat ong. hoekpunt 2 Lekerstraat ong. hoekpunt 3 Lekerstraat ong. hoekpunt 4
Geurnorm (ouE/m³) 14 14 14 14 14 14 14 14
Voorgrondbelasting vanuit Broekkantsestraat 7-9 (ouE/m³) 5,7 1,8 6,0 5,8 4,9 6,1 6,0 5,2
29
Voorgrondbelasting vanuit Broekkantsestraat 11 (ouE/m³) 0,5 0,3 0,7 0,6 0,4 0,4 0,4 0,4
Toelichting bestemmingsplan Lekerstraat ong., Beek en Donk
Uit de resultaten blijkt dat de nieuwe woonbestemming vormt dan geen belemmering voor de ontwikkeling van de omliggende veehouderijbedrijven. 5.5.2
Beoordeling woon- en leefklimaat (achtergrondbelasting)
Middels het programma V-Stacks Gebied is de achtergrondgeurbelasting op het plangebied bepaald. Hiervoor zijn gegevens van omliggende veehouderijbedrijven (binnen een straal van 2,0 kilometer van het plangebied) gebruikt, afkomstig uit het Bestand Veehouderij Bedrijven (d.d. 23 juni 2021). De invoergegevens zijn toegevoegd als bijlage aan deze rapportage. Volgens de geurverordening is het plangebied gelegen in het buitengebied. De streefwaarde die wordt gehanteerd voor deze zone waarin nog sprake is van een acceptabel geurniveau, is 20 ouE/m3. Aan deze streefwaarde wordt getoetst. In de berekening van de achtergrondbelasting is uitgegaan van het ‘worst case’-scenario, waarbij de hoekpunten van het perceel zijn opgenomen als rand van het geurgevoelig object. De volgende tabel geeft de geurbelasting weer op de receptorpunten van het plangebied. Tabel 3: Resultaten berekening achtergrondbelasting Toetswaarde (ouE/m³) 20 20 20 20
Geurgevoelig object Hoekpunt 1 Hoekpunt 2 Hoekpunt 3 Hoekpunt 4
Achtergrondbelasting (ouE/m³) 5,2 7,1 5,7 5,3
De maximale achtergrondbelasting ter plaatse van het nieuwe bestemmingsvlak bedraagt 7,1 ouE/m3. Hiermee wordt voldaan aan de toetswaarde. Dit betekent dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
5.6
Bedrijven en milieuzonering
Er dient voldoende ruimtelijke scheiding te zijn tussen hinderveroorzakende en hindergevoelige functies ter bescherming en/of vergroting van de woon- en leefkwaliteit. Indien milieubelastende functies in het plangebied mogelijk worden gemaakt, dient de invloed op de omgeving inzichtelijk te worden gemaakt. De VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) geeft per bedrijfsactiviteit richtafstanden met betrekking tot geur, fijn stof, geluid en gevaar die in de meeste gevallen kunnen worden aangehouden tussen een bedrijf en woningen om hinder en schade aan mensen in de directe omgeving van een ruimtelijke ontwikkeling binnen aanvaardbare normen te houden. Uitgangspunt hierbij is dat de richtafstand in principe geldt tussen de perceelsgrens van het bedrijf en de grens van het bestemmingsvlak van een hindergevoelig object. De volgende figuur laat de ligging van de bedrijfsactiviteiten en gevoelige objecten zien binnen en in de directe omgeving van het plangebied.
30
Toelichting bestemmingsplan Lekerstraat ong., Beek en Donk
Lekerstraat 29 (schapenhouderij)
Lekerstraat 41 (melkveehouderij)
Broekkantstraat 11 (vleesvarkenshouderij)
Plangebied Broekkantstraat 7-9 (vleesvarkenshouderij)
Figuur 20: Ligging bedrijfsactiviteiten in de omgeving van het plangebied
De volgende tabel toont het type bedrijfsactiviteiten, de bijbehorende richtafstanden en de werkelijke afstand tussen de grenzen. Tabel 4: Richtafstanden op basis van ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (VNG) Categorie bedrijvigheid Indices en richtafstanden (meters) Lekerstraat 29 (schapenhouderij) Geur Stof Geluid Gevaar Fokken en houden van overige graasdieren: 50 30 30 0 overige graasdieren Lekerstraat 41 (melkrundveehouderij) Fokken en houden van rundvee 100 30 30 0 Broekkantstraat 7-9 (vleesvarkenshouderij) Fokken en houden van varkens 200 30 50 0 Broekkantstraat 11 (vleesvarkenshouderij) Fokken en houden van varkens 200 30 50 0
Werkelijke afstand tot plangebied (m) 95
130 350 350
Voor alle aspecten wordt aan de geldende richtafstanden voldaan. Er is sprake van een acceptabel woonen leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woonbestemming. Eventuele milieuhinder bedrijfsactiviteiten Lekerstraat ong. Omgekeerd dienen ook de bedrijfsactiviteiten in de beoogde situatie binnen de woonbestemming Lekerstraat ong. te worden beoordeeld. Het betreft hier een loods ten behoeve van opslag en stalling. Dit valt onder kleinschalige bedrijfsactiviteiten tot een maximale milieucategorie 2 en betekent dat er rekening gehouden dient te worden met een minimale richtafstand van 30 meter. De meest nabijgelegen hindergevoelige functies betreffen de burgerwoonbestemmingen Lekerstraat 12 en 14. De afstand tussen de woonbestemming Lekerstraat 12 en het gedeelte waar de loods is gelegen, bedraagt 43 meter en voldoet aan de richtafstand. De afstand tussen de woonbestemming Lekerstraat 14 en de loods bedraagt 25 meter; hier wordt niet voldaan aan de richtafstand van 30 meter. De richtafstanden van de VNG-brochure zijn echter indicatief; van deze afstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. De afstand van 25 meter tot de loods kan in onderhavig plan worden beschouwd als een acceptabele afstand, gelet op de landschappelijke inpassing die wordt gerealiseerd tussen de loods en de 31
Toelichting bestemmingsplan Lekerstraat ong., Beek en Donk
woonbestemming Lekerstraat 14. Er worden beplantingselementen aangebracht zoals een dichte struweelhaag met een breedte van 2 meter en een bomenrij van knotwilgen. Ook tegen de westelijke en zuidelijk wand van de loods wordt beplanting gerealiseerd. Door dit geheel is sprake van een afschermende werking, zodanig dat deze een gunstige invloed heeft op eventuele geluidemissie en –uitstraling vanuit de loods op de omgeving. Daarnaast geldt dat de woning Lekerstraat 14 feitelijk verder van de loods is gesitueerd (51 meter) en in geval van herbouw van de woning deze, op basis van de regels in 26.3.2 voor afwijken herbouw op andere locatie, altijd meer dan 30 meter bedraagt ten opzichte van de loods. De herbouw mag immers niet meer dan 10 meter afwijken van de bestaande funderingen/locatie en de nieuwe locatie dient direct aan te sluiten op de voormalige locatie van de woning. Op basis van voorgaande is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de meest nabij gelegen woningen. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.7
Externe veiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico’s moeten aanvaardbaar blijven. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven. Bij ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met dit aspect. Daartoe moeten de risico’s voor de bevolking, die verbonden zijn aan gevaar veroorzakende activiteiten, in beeld worden gebracht. Voor de normstelling van risicovolle bedrijven moet worden aangesloten bij het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het toetsingskader is meer gedetailleerd uitgewerkt in de Regeling externe veiligheid voor inrichtingen (Revi). De eisen ten aanzien van vervoer van gevaarlijke stoffen en de daarmee samenhangende risico’s zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Voor buisleidingen die risicovolle stoffen transporteren geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Dit besluit regelt de taken en verantwoordelijkheden van de leidingexploitant en de gemeenten en geeft de eisen en veiligheidsafstanden voor buisleidingen die worden gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen ten opzichte van kwetsbare objecten. Het dichtstbijzijnde risicovolle object betreft een olieleidingen op een afstand van circa 300 meter ten oosten van het plangebied (zie volgende figuur).
32
Toelichting bestemmingsplan Lekerstraat ong., Beek en Donk
Olieleidingen
Plangebied
Figuur 21: Uitsnede Risicokaart (www.risicokaart.nl)
Onderhavige ontwikkeling is niet gelegen binnen de risicocontouren van deze bron. Verder bevinden zich in de nabije omgeving van het plangebied geen inrichtingen of transport die van invloed zijn op de externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
33
Toelichting bestemmingsplan Lekerstraat ong., Beek en Donk
6. Waterparagraaf 6.1
Watertoets
Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief binnen het plangebied inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets de oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan kunnen worden gemaakt.
6.2
Waterbeleid
Met betrekking tot de waterhuishouding zijn diverse beleidsstukken relevant. Genoemd kunnen worden: Nationaal Waterplan 2016-2021, Provinciaal Milieu- en Waterplan van de provincie Noord-Brabant, Waterbeheerplan Waterschap Aa en Maas 2016-2021, Keur Waterschap Aa en Maas, Vierde Nota Waterhuishouding, Nationaal bestuursakkoord water en Beleidsbrief regenwater en riolering. Centraal in het waterbeleid is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De waterhuishouding legt daarmee een ruimteclaim waaraan voldaan moet worden. Daarbij zijn de volgende strategieën leidend: • Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Waterbeheerplan Waterschap Aa en Maas 2016-2021 In het waterbeheerplan van Waterschap Aa en Maas wordt aangeven wat de doelen zijn voor de periode 2016-2021 en hoe deze doelen bereikt moeten worden. Het plan is afgestemd op het nationale en provinciale waterbeleid en dat van de andere Nederlandse waterschappen. Het doel van het waterbeheerplan is om het watersysteem en de afvalwaterketen op orde te houden. Het beheer van water door het waterschap bepaalt mede dat mensen en dieren in Noordoost-Brabant leven in een veilige, schone en prettige omgeving.
In het waterbeheerplan wordt een indeling gemaakt in de volgende thema’s: • Veilig en bewoonbaar; • Voldoende water en robuust watersysteem; • Schoon water; • Gezond en natuurlijk water; • Het leveren van maatschappelijke meerwaarde Het waterschap Aa en Maas hanteert navolgende principes: • Gescheiden houden van vuilwater en schoon hemelwater; • Doorlopen van de afwegingsstappen: hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer; • Hydrologisch neutraal bouwen; • Water als kans; • Meervoudig ruimtegebruik; • Voorkomen van vervuiling; • Wateroverlastvrij bestemmen; • Waterschapsbelangen. Keur Brabantse waterschappen Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de Keur waterschap Aa en Maas van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de keur is 34
Toelichting bestemmingsplan Lekerstraat ong., Beek en Donk
het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Beleidsregel hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater De drie Brabantse Waterschappen hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. De Keur is in 2021 geactualiseerd. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m2, toename van een verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m2. Plannen met een verhardingstoename tot 500 m2 zijn onder de nieuwe keur vrijgesteld van compensatie.
Voor plannen met een verhardingstoename tussen 500 m2 en 10.000 m2 hanteert het waterschap een algemene (reken) regel (benodigde compensatie (in m3) = Toename verhard oppervlak (m2) * gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m)). De gevoeligheidsfactor houdt de nominale waarde in die de hydrologische gevoeligheid en infiltratiepotentie van de locatie uitdrukt. De waarde 0,06 is de waterschijf van 60 mm die overeenkomt met de vastgestelde bovengrens voor de compensatiecapaciteit van 600 m3/ha.
6.3
Oppervlaktewater
De volgende figuur toont de ligging van de leggerwatergangen in de omgeving van het plangebied, die in beheer zijn bij het waterschap Aa en Maas. Op een afstand van 190 meter ten oosten van het plangebied ligt een A-watergang (de Aa). Op circa 140 meter ten westen van het plangebied ligt tevens een Awatergang. De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op deze watergangen.
A-watergang
A-watergang
Plangebied
Figuur 22: Ligging leggerwatergangen omgeving plangebied (bron: Waterschap Aa en Maas)
6.4
Grondwater
Via de Bodematlas van de provincie Noord-Brabant zijn gegevens opgevraagd over de grondwaterstand bij de onderzoekslocatie. Uit gegevens is gebleken dat de gemiddelde hoogste waterstand zich rond de 20-40 centimeter beneden maaiveld bevindt en de gemiddelde laagste grondwaterstand 120-140 centimeter beneden maaiveld (zie volgende figuren). 35
Toelichting bestemmingsplan Lekerstraat ong., Beek en Donk
Plangebied
Figuur 23: Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) (Bodematlas Noord-Brabant)
Plangebied
Figuur 24: Gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) (Bodematlas Noord-Brabant)
6.5
Afvoer hemelwater
Verhard oppervlak De volgende tabel toont het verhard oppervlak in de beoogde situatie.
36
Toelichting bestemmingsplan Lekerstraat ong., Beek en Donk
Tabel 5: Verhard oppervlak beoogde situatie Lekerstraat ong. Beek en Donk Verhard oppervlak Beoogde situatie (m²) Dakoppervlak 170 • Woning 150 • Bijbehorend bouwwerk 1.000 • Loods Erfverharding 700* Totaal 2.020 * Het gedeelte erfverharding ten noorden van de woning (500 m²) (met uitzondering van de toegang naar de loods in het achtererfgebied) wordt in halfverharding uitgevoerd (grind). Hier kan het hemelwater ter plekke in de bodem infiltreren. Deze oppervlakte wordt dan ook niet meegenomen in de berekening van de grootte van de hemelwaterbergingsvoorziening.
In totaal is er in de beoogde situatie sprake van een toename van verhard oppervlak van circa 2.020 m². In de Keur is bepaald dat voor het afvoeren van hemelwater door afkoppelen van verhard oppervlak bij een toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² er compenserende maatregelen dienen te worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan. Op basis van de Keur is de aanleg van een infiltratievoorziening noodzakelijk. Ter plaatse van het plangebied is de gevoeligheidsfactor 1. De benodigde compensatie (in m3) = 2.020 * 1 * 0,06 = 121,2 m³. Om dit volume aan hemelwater te kunnen bergen wordt een zaksloot gerealiseerd (met een diepte van 30 centimeter). Gelet op de GHG heeft de sloot een waterbergend vermogen van 20 centimeter. De zaksloot krijgt een oppervlakte van in totaal 606 m2 met een breedte van 3 meter aan de westelijke en oostelijke perceelsgrens en een breedte van 5 meter aan de zuidelijke perceelsgrens. De zaksloot is opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan. Gebruik niet-uitlogende materialen Het gebruik van niet uitlogende materialen is conform het advies van de Dubo-richtlijn (Duurzaam Bouwen). In het Activiteitenbesluit staat dat niet verontreinigd hemelwater in principe in de bodem geïnfiltreerd kan worden of afgevoerd kan worden naar het oppervlaktewater, ook als dat in contact is geweest met oppervlakken als daken.
Bij de bouw zal geen gebruik worden gemaakt van onbehandelde uitlogende materialen zoals koper, zink en lood, teerhoudende dakbedekking (PAK’s) en van met verontreinigde stoffen verduurzaamd hout. Doordat het hemelwater niet vervuild is, is het geen probleem om het hemelwater te laten infiltreren. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat voldaan wordt aan het beleid van Waterschap Aa en Maas inzake de watertoets.
6.6
Huishoudelijk afvalwater
Het huishoudelijk afvalwater afkomstig van de nieuwe bebouwing wordt afgevoerd middels de gemeentelijke riolering.
37
Toelichting bestemmingsplan Lekerstraat ong., Beek en Donk
7. Uitvoerbaarheid 7.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het bestemmingsplan doorloopt als ontwerp respectievelijk vastgesteld en onherroepelijk plan de volgende procedure conform de artikelen 3.7 tot en met 3.9 van de Wet op de ruimtelijke ordening: 1) Voorbereiding en vooroverleg met diensten van rijk, provincie en waterschap; Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijn geïnformeerd. 2) Ontwerp: het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende een periode van 6 weken ter inzage gelegd. Binnen deze periode kan eenieder zienswijzen indienen. 3) Vaststelling: vervolgens stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan vast. Het plan wordt daarna wederom voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd voor beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak bij de Raad van State.
7.2
Economische uitvoerbaarheid
Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wro rust op de gemeente de verplichting tot het verhalen van kosten bij grondexploitatie via een exploitatieplan, tenzij kostenverhaal anderszins is verzekerd. Met initiatiefnemers wordt een anterieure ontwikkelingsovereenkomst gesloten. In de overeenkomst zijn onder andere de ontwikkelvoorwaarden (waaronder planschade) opgenomen.
38
Toelichting bestemmingsplan Lekerstraat ong., Beek en Donk
8. Juridische verantwoording 8.1
Algemene opzet
Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) naar het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels). Het bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: • De toelichting: een planbeschrijving die een verantwoording van de gemaakte keuzes, een toelichting op de juridische opzet en een korte beschrijving van de handhavings- en uitvoeringsaspecten bevat; • De regels, waarin de bestemmingen en daarbinnen geldende mogelijkheden zijn uitgewerkt. Hierbij is aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ en ‘Buitengebied, eerste herziening’; • De verbeelding, die de rol heeft van visualisering van de bestemmingen.
8.2
Toelichting op de verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige functies). Deze vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken. Op basis van het voorgaande worden in voorliggend bestemmingsplan de volgende bestemmingen en aanduidingen onderscheiden: • • • • • •
Agrarisch; Wonen (enkelbestemming); Waarde – Archeologie (dubbelbestemming); Specifieke vorm van wonen – ruimte-voor-ruimte (functieaanduiding); Specifieke vorm van wonen – opslag/stalling (functieaanduiding); Specifieke vorm van agrarisch – voorwaardelijke verplichting (functieaanduiding).
8.3
Toelichting op de regels
De systematiek van de regels kan worden samengevat aan de hand van de hoofdstukindeling. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: • • •
•
Hoofdstuk 1 “Inleidende Regels” gaat in op de omschrijvingen van de in de voorschriften gehanteerde begrippen en de wijze waarop de vermelde maten worden bepaald. In hoofdstuk 2 “Bestemmingsregels” worden de verschillende bestemmingen met bijbehorende gebruiksbepalingen en bouwvoorschriften beschreven. Hoofdstuk 3 “Algemene regels” geeft een overzicht van de algemene bouw- en gebruiksregels, de regels met betrekking tot afwijken van het bestemmingsplan. Tot slot komen de procedureregels aan bod, die verwijzen naar de wetgeving die in acht moet worden genomen. In hoofdstuk 4 “Overgangs- en slotregels” komen de regels ten aanzien van het overgangsrecht en de slotregel aan bod.
39
Toelichting bestemmingsplan Lekerstraat ong., Beek en Donk